Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP6123

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
203387
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN BP 6123.

Door het uitbrengen van een herstelexploot, met daarbij een brief van de rechtsbijstandverzekeraar waarin deze zich garant stelt voor de betaling van eventuele proceskosten, zijn eisers inhoudelijk tegemoet gekomen aan het belang van gedaagde dat door het gebrek in de dagvaarding werd geschaad. Inhoudelijke beoordeling van het geschil: eisers mogen bij akte reageren op het verjaringsverweer van gedaagde. Ook mogen zij zich uitlaten over het verdere verloop van de procedure, nu zij hebben aangegeven uit angst voor confontatie met gedaagde niet op een eventuele comparitie te zullen verschijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 203387 / HA ZA 10-1454

Vonnis van 16 februari 2011

in de zaak van

1. [eis.1],

2. [eis.2],

beiden wonende op een geheim buitenlands adres,

met gekozen woonplaats ten kantore van de hierna genoemde advocaat,

eisers,

advocaat mr. I.P.C. Sindram te Malden, gemeente Heumen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. B.A. Elings te Tiel.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 november 2010

- de akte van [eisers] waarbij een deurwaardersexploot van 8 december 2010 is overgelegd.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

herstelexploot

2.1. In genoemd tussenvonnis heeft de rechtbank aan [eisers] bevolen binnen veertien dagen bij deurwaardersexploot het aan de dagvaarding klevende gebrek - de woonplaats van eisers werd daarin niet vermeld - te herstellen en dit exploot daarna bij akte in het geding te brengen.

2.2. Ter uitvoering van dit bevel heeft [eisers] tijdig aan [gedaagde] een herstelexploot doen uitbrengen. Bij dat exploot is aan [gedaagde] betekend een brief van 1 december 2010 van DAS, de rechtsbijstandsverzekeraar van [eis.1], waarin deze zich rechtstreeks garant stelt voor de betaling van de geliquideerde proceskosten waarin [eis.1] in deze procedure mocht worden veroordeeld.

2.3. Naar het oordeel van de rechtbank is [eisers] op deze wijze inhoudelijk tegemoet gekomen aan het belang van [gedaagde] dat door het gebrek in de dagvaarding werd geschaad. Hieraan doet niet af dat [eisers] ervoor heeft gekozen dit gebrek te helen in de vorm van zekerheidstelling voor de proceskosten op de voet van art. 224 Rv in plaats van alsnog bekendmaking van zijn woonplaats.

verjaring

2.4. Daarmee wordt thans toegekomen aan de verdere beoordeling van het onderhavige geschil. Dat geschil draait om de vraag of [gedaagde] conform de daartoe strekkende eis van [eisers] moet worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan [eisers] ter hoogte van € 5.343,64 + p.m. (materiële schade) en € 15.000,-- aan smartengeld, te vermeerderen met rente en kosten. De grondslag voor die vordering is de door [gedaagde] en/of zijn kompaan [betrokkene1] op 7 april 2002 jegens [eisers] gepleegde huisvredebreuk, mishandeling, bedreiging en vernieling. Voor alle schadelijke gevolgen van deze in groepsverband gepleegde onrechtmatige daad houdt [eisers] [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk, op grond van artikelen 6:162 en 6:166 BW.

2.5. Het (thans) meest verstrekkende resterende verweer van [gedaagde] luidt dat de vorderingen van [eisers] zijn verjaard. [gedaagde] ontkent op zichzelf niet dat hij [eis.1] op 7 april 2002 ‘een aantal klappen heeft verkocht’, maar de rechtsvordering inzake de volgens [eisers] daardoor ontstane schade is verjaard. In dit verband stelt [gedaagde] dat hem op 8 mei 2003 de laatste stuitingsbrief namens [eisers] (de als prod. 6 bij dagvaarding overgelegde brief van DAS-rechtsbijstand gedateerd 7 mei 2003) heeft bereikt. Hij betwist de stuitingsbrief van 31 maart 2008 van de advocaat van [eisers] te hebben ontvangen, waardoor de vordering was verjaard op de dag (14 juli 2010) dat de dagvaarding werd uitgebracht.

2.6. Het is aan [eisers], die zich in wezen op de stuitende werking van de brief van 31 maart 2008 beroept, te bewijzen dat deze brief [gedaagde] tijdig, voor het verstrijken van vijf jaren sinds de laatste stuitingshandeling, heeft bereikt of dat tijdig op andere rechtsgeldige wijze de verjaring is gestuit. Voor de aan genoemd bewijs te stellen eisen wordt verwezen naar hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van 4 september 1998 (NJ 1998, 828) en 4 juni 2004 (NJ 2004, 411). [eisers] zal in de gelegenheid worden gesteld bij akte op dit verjaringsverweer te reageren en daarbij desgewenst stukken over te leggen. De zaak zal daarvoor naar de rol worden verwezen.

processueel

2.7. Indien het verjaringsverweer niet slaagt, komt de vraag aan de orde naar de wijze waarop deze zaak verder zal worden behandeld. [eisers] heeft aangegeven uit voortdurende angst voor (een confrontatie met) [gedaagde] niet ter comparitie te zullen verschijnen indien die zou worden gelast. Het bewijsaanbod van [eisers] met betrekking tot de gestelde feitelijke toedracht van de gebeurtenissen op 7 april 2002 omvat niet mede getuigenbewijs, maar is - naar wordt aangenomen: doelbewust - beperkt tot het overleggen van producties. Op zijn beurt heeft [gedaagde], die een deel van de gestelde feitelijke toedracht heeft betwist, voorgesteld voor de vaststelling van de feiten de verklaringen van de partijen in het door de politie opgemaakte proces-verbaal tot uitgangspunt te nemen. Als reden daarvoor noemt hij dat de politie destijds kort na de gebeurtenissen die verklaringen heeft opgenomen, waardoor zij waarheidsgetrouwer zullen zijn dan thans, na zoveel tijd, in deze procedure af te leggen nieuwe verklaringen. Aan de partijen, [eisers] als eerste, wordt verzocht zich bij akte over het verdere verloop van de procedure, waaronder het voorstel van [gedaagde], uit te laten.

2.8. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 maart 2011 voor het nemen van een akte door [eisers] over hetgeen is vermeld onder 2.6 en 2.7, waarna de [gedaagde] op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op

16 februari 2011.