Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP6119

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
195250
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding wegens misgelopen kortingen op aanneemsom ten gevolge van meerwerk en wegens extra kosten. Meerwerk zou zijn veroorzaakt door fouten in het bestek. Aan de orde is in welk opzicht gedaagde bij het maken van het bestek is tekortgeschoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 195250 / HA ZA 10-94

Vonnis van 16 februari 2011

in de zaak van

de commanditaire vennootschap

ONTWIKKELINGSBEDRIJF BEDRIJVENTERREIN PANNENWEG C.V.,

gevestigd te Nederweert,

eiseres,

advocaat mr. L.W.J.P.F. Einig te Roermond,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARCADIS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. S.J.H. Rutten te Rotterdam.

Partijen zullen hierna OBP en Arcadis genoemd worden.

1 De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 mei 2010;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 8 september 2010;

- de akte en de antwoordakte na comparitie van respectievelijk Arcadis en OBP.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1 De gemeente Nederweert (hierna: de gemeente) heeft op 26 april 2005 Arcadis opdracht gegeven voor het procesmanagement betreffende het te ontwikkelen bedrijventerrein Pannenweg te Nederweert (hierna: het bedrijventerrein). In dat verband werd haar door de gemeente tevens opdracht verstrekt tot het maken van een civieltechnisch plan (hierna: het Masterplan), een bestek en een voorontwerp voor een bestemmingsplan (hierna alle samen te noemen: de hoofdopdracht). Uitgangspunt voor de hoofdopdracht vormde de door Arcadis uitgebrachte offerte van 7 december 2004, zoals later uitgewerkt in een Plan van Aanpak (hierna zo te noemen). In 2005 is nog een aantal aanvullende opdrachten verleend, zoals het verrichten van een zogenaamde natuurtoets (met eventueel compensatieplan) in het plangebied. De totale aanneemsom bedroeg € 287.345,-.

2.2 OBP is in 2006 opgericht ten behoeve van de ontwikkeling van het bedrijventerrein in het kader van de publiek-private samenwerking tussen de gemeente en het Ontwikkelings- en Participatiebedrijf Publieke sector B.V.

2.3 Eind 2004 is Arcadis begonnen met de opgedragen werkzaamheden. Partijen hebben daarna veelvuldig contact gehad over concepten van zowel het Masterplan als het bestek.

2.4 Bij e-mail van 12 januari 2006 heeft ([ ] [betrokkene 1] van) de gemeente aan ([betrokkene 2]s van) Arcadis onder meer het volgende geschreven:

Zoals afgesproken stuur ik je hierbij de opmerkingen op het bestek versie december. Zoals aangegeven ben ik niet tevreden over de kwaliteit, gezien de vele opmerkingen die ik nog heb (dit terwijl ik het bestek nog niet eens in detail bestudeerd heb). Ik stel voor dat je de opmerkingen verwerkt en zelf het bestek kritisch doorneemt/controleert alvorens je het weer naar mij toestuurt. Ik verwacht dat ik op het definitieve bestek (nagenoeg) geen opmerkingen meer hoef te hebben.

Het spreekt voor zich dat de gemeente tijdens de uitvoering niet tegen onvoorziene kosten wil aanlopen, die niet meer verrekend kunnen worden in de exploitatie. Dan wel dat de gemeente schade gaat ondervinden. Ik stel voor dat je aangeeft in hoeverre Arcadis hiervoor garant kan staan.

2.5 Het Masterplan is tot stand gekomen op 8 februari 2006, het bestek in oktober 2006.

2.6 De opdracht tot het (fysiek) realiseren van het bedrijventerrein is in januari 2007 na een aanbestedingsprocedure gegund aan [betrokkene 3] Infra B.V. (hierna: [betrokkene 3]). Deze is in week negen van 2007 met de uitvoering begonnen. AGEL adviseurs B.V. (hierna AGEL) is namens OBP als directievoerder opgetreden.

2.7 Bij brief van 7 december 2007 (verzonden 10 december 2007) heeft de gemeente Arcadis meegedeeld tegen diverse fouten in het bestek te zijn aangelopen, die leidden tot meerwerk en onvoorziene kosten (zoals gespecificeerd in het rapport van AGEL van 22 oktober 2009, productie 27), waarvoor zij Arcadis aansprakelijk heeft gesteld.

2.8 De gemeente heeft haar vorderingen op Arcadis op 8 december 2009 aan OBP gecedeerd.

3 Het geschil

3.1 Bij dagvaarding heeft OBP van Arcadis een schadevergoeding gevorderd van

€ 164.897,58 wegens misgelopen kortingen op de aanneemsom ten gevolge van het meerwerk en wegens extra kosten. Ter comparitie heeft OBP haar vordering verminderd met € 21.224,65, zodat € 143.672,93 resteert.

3.2 Arcadis voert verweer. Daarop wordt zo nodig hierna nog ingegaan.

4 De beoordeling

4.1 Partijen zijn het erover eens dat op hun rechtsverhouding de door Arcadis gehanteerde RVOI-2001 (Regeling van de Verhouding tussen Opdrachtgever en adviserend Ingenieursbureau) van toepassing is. Een exemplaar van deze algemene voorwaarden is niet overgelegd. Voor zover door partijen daarop een beroep wordt gedaan ontleent de rechtbank haar kennis daarvan aan een vanuit het internet gedownload exemplaar (http://www.hbadvies.nl/pdf/RVOI-2001.pdf).

4.2.1 Volgens OBP liep [betrokkene 3] tijdens de uitvoering tegen vele fouten in het bestek aan, waardoor meerdere meerwerkopdrachten nodig waren, in totaal tot een bedrag van € 555.464,80. OBP stelt dat, als Arcadis op grond van zorgvuldige berekeningen en zorgvuldig onderzoek het bestek had opgesteld, het werk dat nu als meerwerk in rekening is gebracht, al in de aanbestedingsprocedure was meegenomen en OBP ook over dit extra werk ten minste een door de aannemer gehanteerde gemiddelde korting van 20,39% zou hebben genoten.

4.2.2 De inschrijfstaten, waaruit de korting bij de aanbesteding zou volgen, zijn overgelegd als producties 25 en 70. Op het eerste gezicht komt de gemiddelde korting daarop hoger uit dan door OBP gesteld. De rechtbank zal niettemin uitgaan van de door OBP in de dagvaarding gestelde minimale gemiddelde korting van 20,39%.

4.2.3 Vaststaat dat de korting niet over de meerwerkopdrachten is berekend. Gesteld noch gebleken is verder dat OBP in staat zou zijn geweest een dergelijke (of lagere) korting over de meerwerkopdrachten te bedingen. Dat wordt ook aannemelijk gemaakt door de omstandigheid dat meerwerkopdrachten doorgaans buiten concurrentie tot stand komen en dus met een ongunstiger prijsniveau met de aannemer worden overeengekomen (vergelijk de opmerking van AGEL in de samenvatting van de besteksafwijkingen, productie 27, blz. 13). Uit de inschrijfstaten volgt verder dat de daar toegepaste korting telkens over het gehele subtotaal is berekend. Niet valt dan in te zien dat die korting niet ook over wat later als meerwerk is opgedragen zou zijn berekend, als dat latere meerwerk meteen in het bestek zou zijn voorzien en bij de initiële aanbesteding zou zijn meegenomen. De rechtbank trekt deze conclusie reeds uit de inschrijfstaten zelf. In dat licht bezien is de opmerking van [A] (van [betrokkene 3]) in diens brief aan OBP van 23 augustus 2010 (productie 78) dat afhankelijk van de werkzaamheden en de hoeveelheid van de toegevoegde besteksposten dit invloed kan hebben op de projectkorting en dat, indien er hogere hoeveelheden op de bestaande besteksposten zouden zijn vermeld, de projectkorting bij inschrijving waarschijnlijk wel hoger zou zijn geweest, wat minder goed te plaatsen. De rechtbank zal OBP daarom de gelegenheid geven bij akte toe te lichten hoe deze in de verklaring van [A] opgesloten onzekerheid moet worden begrepen.

4.3 De rechtbank zal er in het hiernavolgende voorshands van uitgaan dat een zekere mate van korting door de aanvullende meerwerkopdrachten is misgelopen. Dan komt dus aan de orde in welk opzicht Arcadis volgens OBP bij het maken van het bestek is tekortgeschoten. Volgens OBP hebben de volgende fouten tot meerwerk geleid.

4.3.1 bodemgesteldheid

4.3.1.1 Aan de dagvaarding (nr. 28 e.v.) wordt het volgende ontleend:

Een onderdeel van de totaalopdracht aan ARCADIS betrof het verrichten van onderzoek naar de samenstelling van de grond. ARCADIS moest onderzoek verrichten naar de bodem en hydrologie in het gebied. Dit hield onder meer in het formuleren van eisen voor de ontwatering, afwatering en retentie op basis van bodemkundige informatie en milieukundig bodemonderzoek en het formuleren van eisen voor de fundatie van wegen, ophoging van het terrein en kwaliteit van de bodem in relatie tot sanering en vrijkomende grond (..)

Het Masterplan van 8 februari 2006 (..) vermeldt onder punt 2.3.4 als één van de uitgangspunten van het plan dat er met een zo gesloten mogelijke grondbalans zou worden gewerkt. De te ontgraven grond moest in dit kader zoveel mogelijk worden hergebruikt, zodat er zo min mogelijk aan- of afvoer van grond nodig zou zijn.

Eén van de uitgangspunten die ARCADIS daarom aan het bestek ten grondslag heeft gelegd - het betreft hier dus een door ARCADIS gekozen uitgangspunt -, is dat de grond die vrijkwam uit cunetten en rioolsleuven kon worden hergebruikt. In het bestek gaf ARCADIS aan dat de vrijkomende grond 5 tot 15% leem zou bevatten. Gewezen zij op hetgeen vermeld is in besteksposten 322520, 322540, 322560, 323410 en 333210 van het Werkbestek (..). Bij de uitvoering van de werkzaamheden bleek echter uit de zeefanalyses (..) van [betrokkene 3], dat de grond het 3 à 4-voudige aan leem bevatte. Bovendien concentreerde de leem zich niet in duidelijk te onderscheiden lagen, als gevolg waarvan het laagsgewijs afgraven en in depot zetten onmogelijk was. Het probleem was dus tweeledig: enerzijds bevatte de grond aanzienlijk meer leem dan verwacht en anderzijds was de aanwezige leem grillig in verloop.

De onmogelijkheid om de leemhoudende grond te hergebruiken leidde uiteindelijk tot EUR 336.733,72 (exclusief omzetbelasting) aan noodzakelijk meerwerk voor [betrokkene 3] voor het aanvoeren van (veel) nieuw zand, het mengen van zand met leemhoudende grond en het daarna aanbrengen van de gemengde grond in de sleuven (..).

4.3.1.2 Primair beroept Arcadis zich erop dat zij niet binnen bekwame tijd nadat OBP de door haar gestelde tekortkoming in het bestek had ontdekt, door OBP in gebreke is gesteld. Nu partijen daarbij de desbetreffende bepaling uit de RVOI-2001 op het oog hebben, gaat de rechtbank ervan uit dat zij in de eerste plaats aan die bepaling dient te toetsen. Arcadis doet weliswaar ook een beroep op artikel 6:89 BW, maar de bepaling uit de RVOI-2001, artikel 16 lid 11, bevat meer stringente voorwaarden voor effectieve toepasselijkheid, zodat de rechtbank aan eventuele toepassing van artikel 6:89 BW op zichzelf niet toekomt. Artikel 16 lid 11 RVOI-2001 luidt, voor zoveel van belang:

De bevoegdheid van de opdrachtgever zich op een tekortkoming van het adviesbureau te beroepen, vervalt indien de opdrachtgever niet binnen bekwame tijd nadat hij de tekortkoming heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, schriftelijk en met redenen omkleed bij het adviesbureau ter zake heeft geprotesteerd.

4.3.1.3 Volgens Arcadis blijkt uit de dagvaarding en productie 30 e.v. dat [betrokkene 3] reeds vanaf maart 2007 in verband met leem meerwerkaanspraken bij OBP heeft neergelegd. Nu de aansprakelijkstelling dateert van ruim acht maanden later is dat niet binnen bekwame tijd, aldus Arcadis.

Ter comparitie heeft OBP aangevoerd dat het tekort aan zand in februari 2007 al in een e-mail tussen partijen is besproken. In die e-mail (van 16 februari 2007) van de gemeente aan AGEL en Arcadis staat:

We hebben van [betrokkene 3] doorgekregen dat er volgens hen nogal wat hoeveelheden in het bestek Pannenweg zitten, die te laag ingeschat zijn. En dat ook een aantal aannames niet zouden kloppen. De grondwaterstanden zou niet overeenkomen met de praktijk en de hoeveelheid leemhoudende grond zou veel meer zijn dan aangenomen. In bijgevoegde tabel hebben zij aangegeven waar, volgens hen, veel meerwerk te verwachten valt. Ik schrok van de afwijkingen t.a.v. de bestekshoeveelheden (..).

Arcadis heeft ter comparitie aangevoerd dat de bewuste e-mail niet méér inhoudt dan de weergave van een mededeling van [betrokkene 3] en geen klacht van de gemeente. De rechtbank verwerpt dat verweer. Met "klacht" verwijst Arcadis mogelijk naar de terminologie rondom artikel 7:23 BW, maar opgemerkt zij dat dat woord in die bepaling zelf niet voorkomt. Het gaat daar om een mededeling dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, zonder dat overigens enige vorm van afkeur hoeft te blijken. In dat licht bezien moet ook aan "geprotesteerd" in artikel 6:89 BW en in artikel 16 lid 11 RVOI-2001 - dat zich qua tekst grotendeels (behoudens dat het protest schriftelijk en gemotiveerd moet zijn) bij artikel 89 aansluit - geen verdere betekenis worden toegekend dan dat wordt geconstateerd dat de prestatie niet aan de overeenkomst beantwoordt. In casu is dat door de e-mail van de gemeente aan Arcadis schriftelijk, gemotiveerd en tijdig gebeurd.

4.3.1.4 Arcadis voert vervolgens aan dat zij volgens het Plan van Aanpak, paragraaf 3.2, weliswaar zelf de voorhanden zijnde bodemhydrologische onderzoeksgegevens diende te actualiseren, maar dat die paragraaf uitsluitend betrekking heeft op het opstellen van het voorontwerp voor het bestemmingsplan en niet op het bestek. Volgens OBP is die verplichting echter meeromvattend, hetgeen zou blijken uit paragraaf 3.4 van het Plan van Aanpak. Daarin is onder meer te lezen dat de nog te verzamelen gegevens een noodzakelijke basis vormen voor met name de uitwerking van het civieltechnisch ontwerp voor het gebied.

Naar het oordeel van de rechtbank is die onderzoeksverplichting inderdaad meeromvattend. Uit niets blijkt dat zij alleen zou dienen ter voorbereiding van het bestemmingsplan. Dat is ook moeilijk voorstelbaar nu alle verschillende processen in elkaar haken en uiteindelijk dienen te leiden tot een aanbesteding tot het realiseren van het bedrijventerrein op basis van het bestek. Op Arcadis rustte dus, reeds op grond van het Plan van Aanpak, een verplichting om zelf de actualiteit, volledigheid en deugdelijkheid van de beschikbare gegevens over de bodemopbouw te onderzoeken, zeker nu zij zelf ook stelt dat het bestek uitgaat van een zo gesloten mogelijke grondbalans. Een dergelijke verplichting behoefde dus niet afzonderlijk te zijn overeengekomen, zoals Arcadis suggereert.

4.3.1.5 Volgens Arcadis mocht zij zich bij dat onderzoek beperken tot het haar door de gemeente ter beschikking gestelde rapport Bemalingsadvies Bedrijvenpark Pannenweg van Grontmij Advies & Techniek B.V. van 11 mei 2001 (productie 61, zie ook productie 73). Naar haar oordeel bevatte dat rapport voldoende gegevens om als basis te dienen voor het opstellen van een deugdelijk civieltechnisch bestek. Daarbij heeft Arcadis zich met name gebaseerd op de boorstaten uit dat rapport. Het gaat hier om (maximaal) 10 boringen. Arcadis (verklaring ter comparitie) spreekt zelf van 7 à 8 boorpunten. De brief van OBP aan Arcadis van 7 december 2007 rept van 5 boringen van voldoende diepte.

Volgens OBP (verklaring ter comparitie) heeft slechts één van de boringen van Grontmij betrekking op de plaats waar "de nieuwe weg" is gekomen en hebben de (drie) zeefanalyses van [betrokkene 3] (productie 29) juist alle betrekking op de nieuwe weg, zodat, zo begrijpt de rechtbank, Arcadis volgens OBP hier een belangrijke steek heeft laten vallen. Daarbij veronderstelt OBP kennelijk dat juist op de plaats van die nieuwe weg veel moest worden ontgraven.

Aan de andere kant heeft OBP (verklaring ter comparitie) óók gesteld dat over de hele 45 ha (van het project) te veel leem in de grond bleek te zitten. De rechtbank constateert dat dát in ieder geval niet volgt uit de genoemde zeefanalyses.

4.3.1.6 De rechtbank leest in het rapport van Grontmij dat 3 boringen zijn verricht tot 50 cm -mv en 7 boringen tot 1 m -mv (blijkens de boorstaten reiken de boringen 2 en 4 echter tot 4 m -mv). Als de rechtbank het goed ziet vallen de ondiepe boringen 6 en 8 (tot 50 cm -mv) ongeveer samen met de plaatsen waar [betrokkene 3] de zeefanalyses 3 en 2 heeft verricht (tot 4 resp. 2 m -mv). In de diepere lagen neemt volgens de zeefanalyses het aandeel leem sterk toe. Zeefanalyse 1 is verricht op een plaats waar geen boringen door Grontmij zijn verricht.

4.3.1.7 Volgens de dagvaarding is Arcadis in dit opzicht met name tekortgeschoten waar zij de hoeveelheid leem op bepaalde in het bestek genoemde locaties sterk heeft onderschat. Blijkens de overgelegde meerwerkstaten (producties 30-33) gaat het hier alleen over het zand dat nodig was in verband met de aanleg van het riool. Dat betreft dan de volgende bestekspost:

333210

Grond ontgraven t.b.v. sleuf

Situering: de te graven rioolsleuf t.b.v. de aanleg van de mantelbuizen, blusleiding, DWA-riool en HWA-riool (..)

Grondsoorten:

zand 90% (20.700 m3)

leem en klei 10% (2.300 m3) (..)

Ontgravingshoogte gemiddeld 1,80 m (..)

De overige in de dagvaarding in dit verband genoemde besteksposten kunnen dan ook buiten beschouwing blijven.

4.3.1.8 De rechtbank gaat er met OBP van uit, dat de hoeveelheid leem ter plaatse van de rioolsleuven veel groter is gebleken dan door Arcadis in het bestek beschreven. Arcadis heeft dat namelijk niet voldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank verwijst naar de conclusie van antwoord onder 33 ("Gesteld dat dit al uit die paar boringen van [betrokkene 3] zou blijken"). Voor haar akte na comparitie, onder 34 - indien de rechtbank daar, gelet op het verzet van OBP tegen het maken van die opmerkingen, al acht op zou mogen slaan - geldt hetzelfde.

4.3.1.9 Het is de rechtbank uit de stukken niet duidelijk geworden waar precies het extra zand nodig is gebleken. De rioolsleuven bevinden zich verspreid over het bedrijventerrein, dat een ringweg kent, een centrale as en een paar uitvalswegen. In dit gebied heeft Arcadis zich op 5 boringen gebaseerd (6 t/m 10). Alleen boringen 7 en 10 zijn dieper dan 0,50 m -mv. Gelet op de vereiste ontgravingshoogte van gemiddeld 1.80 m waren de boringen 6, 8 en 9 dus niet geschikt om de samenstelling van de grond te verhelderen. De boringen 7 en 10 kunnen onmogelijk representatief zijn geweest voor alle rioolsleuven.

(a) Als het vereiste extra zand juist op de plaatsen nodig was waar de boringen 7 en 10 zijn verricht, doet zich de vraag voor of Arcadis uit een of beide boringen redelijkerwijs mocht afleiden dat de grond daar voor 90% uit zand bestond.

(b) In het geval dat het extra zand (ook) op andere plaatsen nodig was kan het niet anders dan dat Arcadis zich (in zoverre) bij de gegeven percentages op een inschatting heeft gebaseerd, een inschatting die achteraf (veel) te onzuiver is gebleken. In de woorden van de RVOI-2001 (art. 16 lid 1) is zij dan tekortgeschoten op een wijze die een goed, met de voor de opdracht vereiste vakkennis en middelen uitgerust en zorgvuldig handelend adviesbureau had kunnen en moeten vermijden.

Dan kan dus in het midden blijven of, zoals OBP heeft betoogd en Arcadis heeft bestreden, Arcadis bij het uitvoeren van haar opdracht had moeten handelen overeenkomst NEN 6740 en wat dat in het onderhavige geval voor gevolgen zou hebben gehad. Partijen kunnen zich bij akte nog over beide bovengenoemde hypotheses (a) en (b) uitlaten.

4.3.1.10 Arcadis heeft gesuggereerd dat met minder nieuw zand had kunnen worden volstaan als men het verwerken van het leemhoudende zand in een drogere periode had uitgevoerd. Dat de leemhoudende grond op zichzelf wel verwerkt kon worden blijkt onder meer uit de hetgeen [B] van [betrokkene 3] onder de zeefanalyses (productie 29) heeft opgemerkt:

Volgens de eisen van de RAW (de Regeling Aanbesteding Werken 2005, rechtbank) voldoen alle monsters, op gat 3 op 3 en 4 m, aan de eis voor zand in aanvulling/ophoging. Alleen zal bij verwerken van dit zand grote problemen ontstaan als het nat is of als het regent tijdens verwerken !!

OBP heeft bij anticipatie in de dagvaarding reeds tegengeworpen dat zij de schade zoveel mogelijk heeft proberen te beperken door in droge periodes meer leemhoudend zand te verwerken, maar dat het niet mogelijk was, mede gelet op de planning en tijdsdruk, de hele werkvolgorde om te gooien. Arcadis heeft daarop geantwoord dat zij in maart 2007 het wijzigen van de werkvolgorde aan OBP heeft geadviseerd, maar dat OBP daar niet op wilde ingaan. Zo nodig kunnen partijen zich hierover in hun aktes nog nader uitlaten.

4.3.2 Ontwerp

4.3.2.1 Aan de dagvaarding (nr. 32) wordt het volgende ontleend:

Tijdens de uitvoering van het werk bleek dat ARCADIS de uitstroombak van de blusvijver onjuist dan wel onvolledig had uitgewerkt in het bestek. Ten onrechte gaf ARCADIS dan ook in het bestek aan dat de uitstroombak gefundeerd moest worden op een instabiele leemlaag. Bovendien bleek dat het fietspad ten onrechte boven de hogedrukgasleidingen in de asfaltverharding zou worden uitgevoerd. De Gasunie staat, zoals algemeen bekend, geen gesloten verhardingen boven haar hogedrukleidingen toe.

4.3.2.2 Met betrekking tot de fundering van de uitstroombak heeft Arcadis betoogd dat een onderbouwing van het standpunt van OBP in het rapport van AGEL van 22 oktober 2009 ontbreekt en dat zij volstaat met een betwisting dat zij hier enige fout zou hebben gemaakt waarvoor zij aansprakelijk is. In het rapport van AGEL (hierna ook zo te noemen) staat daarover op bladzijde 6 vermeld:

Tekening(en)

Blad 02

Fundatie uitstroombak blusvijver op leemlaag.

Gevaar voor wegzakken uitstroombak, instabiel.

Consequentie(s):

- Alsnog uitstroombak gefundeerd op betonfundatie

Voor een toelichting wordt verwezen naar bijlage 3 bij het rapport. Daarin is onder meer een e-mail van ([ ] [betrokkene 1] van) de gemeente aan ([C] van) Arcadis van 22 juni 2007 opgenomen, waarin staat vermeld:

(..) Het detail van de uitstroomvoorziening van de blusvijver is niet te realiseren zoals jij hebt getekend. De bak wordt volgens het detail gefundeerd op een onstabiele laag. Omdat er in de blusvijver water blijft staan en onder de zandlaag waarop de bak rust folie zit blijft dit een doorweekte grondlaag. Hierdoor is het gevaar dat deze gaat schuiven. Omdat de aannemer hier op korte termijn mee aan de slag gaat wil ik graag van jou een nieuwe oplossing hebben. Wanneer kun je me deze aanleveren?? (..)

Bij e-mail van 28 juni 2007 heeft Arcadis een viertal mogelijke oplossingen voor dit probleem aangedragen. Daaruit vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat zij zich er toen kennelijk van bewust is geweest dat zij de uitstroombak van de blusvijver onjuist dan wel onvolledig had uitgewerkt in het bestek. Gelet hierop moet haar bovengenoemde verweer worden verworpen.

4.3.2.3 Met betrekking tot de aanwezigheid van de asfaltverharding van het fietspad boven de hogedrukgasleidingen heeft Arcadis in de eerste plaats aangevoerd dat OBP haar hiervoor niet binnen bekwame tijd in gebreke heeft gesteld. OBP heeft tegengeworpen dat dit probleem zich pas voordeed in het voorjaar van 2008. OBP heeft echter niet gezegd wanneer voor het eerst door haar is geprotesteerd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat OBP het probleem voor het eerst in de dagvaarding (9 december 2009) heeft aangekaart en dat is naar haar oordeel niet binnen bekwame tijd. Dat de brief van 7 december 2007, waarin de gemeente Arcadis voor het eerst aansprakelijk heeft gesteld voor een aantal met name genoemde tekortkomingen, ermee besluit dat er ook nog diverse 'kleinere' tekortkomingen in het bestek zitten waarvoor de aansprakelijkstelling ook geldt, maakt dat niet anders.

4.3.3 Detailniveau ontwerp

4.3.3.1 Aan de dagvaarding (nr. 33) wordt het volgende ontleend:

De diverse bestektekeningen bleken niet tot in detailniveau te zijn uitgewerkt, waardoor relevante informatie ontbrak ten behoeve van de uitvoering. Er miste bijvoorbeeld relevante informatie met betrekking tot de hoogtemaatvoering, bebording en banden bij de aansluiting Bronsstraat-Staterweg. Verder ontbrak het detail bij de doorlaatconstructie drempel en het detail van de drijfbalk bij de uitstroombak blusvijver. De gebreken in het ontwerp op detailniveau hadden tot gevolg dat er alsnog een duiker nabij de aansluiting op de Randweg Zuid moest worden aangebracht (..), dat de cunet stienen aangepast moesten worden (..) en dat schuif en looproosters alsnog geleverd en aangebracht moesten worden op de stuw voor het retentiebekken (..)

4.3.3.2 Arcadis voert ook hier aan dat OBP haar niet binnen bekwame tijd in gebreke heeft gesteld, nu de gestelde gebreken blijkens de producties 36-38 kennelijk in de periode juni 2007-november 2008 aan het licht zijn gekomen en de brief van 7 december 2007 (voor zover toen al mogelijk) ze niet noemt. OBP heeft in dit verband, zonder meer precieze duiding, gewezen op de producties 65, 66, 75 en 77 (zie ook de brief van 22 september 2010 van de advocaat van OBP aan de rechtbank, naar aanleiding van het proces-verbaal van de comparitie). Na gedetailleerde lezing van deze weinig gedifferentieerde verzamelingen van tekeningen, notities en e-mails is de rechtbank niet gebleken van correspondentie of andere vormen van communicatie tussen de gemeente/OBP en Arcadis, waarbij Arcadis op deze gebreken is gewezen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat OBP het probleem voor het eerst in de dagvaarding (9 december 2009) heeft aangekaart en dat is naar haar oordeel niet binnen bekwame tijd.

4.3.4 Rioleringsbuizen

4.3.4.1 Aan de dagvaarding (nr. 34) wordt het volgende ontleend:

Vanwege de onjuiste aannames over de samenstelling van de grond is ARCADIS er in het bestek eveneens ten onrechte van uit gegaan dat de betonnen rioleringsbuizen niet gewapend hoefden te worden. De leverancier van de buizen constateerde bij een werkbezoek dat de samenstelling van de grond zodanig is, dat de buizen, gelet op de aanlegdiepte, wel degelijk gewapend moesten zijn. Direct na constatering van dit probleem, meldde OBP dit bij ARCADIS. ARCADIS ontkende dat de wapening van de rioolbuizen noodzakelijk was. OBP heeft vervolgens een terzake deskundige constructeur (Adviesbureau ir. L.G.M. Brekelmans B.V.) (..) verzocht om te onderzoeken of het gebruik van gewapende buizen noodzakelijk was. Brekelmans kwam tot de conclusie dat de buizen gewapend hadden moeten zijn. Door de buizen ongewapend toe te passen is de veiligheidsmarge, die hierbij normaal wordt gehanteerd, aanzienlijk gereduceerd. (..)

Alleen wat de toen nog aan te leggen riolering betreft heeft dit tot meerwerk geleid door vanaf dat moment de - duurdere - gewapende buizen toe te passen.

4.3.4.2 Arcadis heeft betwist een fout te hebben gemaakt en zij wijst op het rapport van Adviesbureau ir. L.G.M. Brekelmans B.V. (hierna: Brekelmans) (productie 39), waarin de volgende conclusie wordt getrokken:

Indien uitgegaan kan worden van niet-samenhangende grond (zand), blijken de ongewapende buizen in de gegeven situatie te voldoen.

Uit de voorhanden grondanalyse en de informatie van de heer Van Dongen (van AGEL, rechtbank), blijkt echter dat sprake kan/zal zijn van deels samenhangende menggrond.

In het geval van bewerkte sleufbodems blijkt een overschrijding op de buigtreksterkte van 3% op te treden, hetgeen nog steeds toelaatbaar wordt geacht.

Bij een onbewerkte sleufbodem neemt de overschrijding toe tot 7%, hetgeen voor de veiligheidsklasse 2 enigszins te hoog is.

In principe zullen de buizen in dit geval ook nog steeds niet bezwijken daar nog altijd een, zij het kleinere, marge tussen de buigtreksterkte en de optredende buigtrekspanningen bestaat.

Dit blijkt uit de beschouwing in veiligheidsklasse 1.

De bezwijkkans zal in de voorhanden situatie mogelijk iets kleiner zijn dan die van veiligheidsklasse 2.

Door de opdrachtgever zal moeten worden beoordeeld of, met de voorhanden onzekerheden, de veiligheidsmarge nog voldoende wordt geacht.

4.3.4.3 Brekelmans laat de aanvaardbaarheid van de ongewapende buizen kennelijk ervan afhangen of de buizen zich in een bewerkte of onbewerkte sleufbodem bevinden en daarnaast welke veiligheidsklasse OBP gehanteerd wil zien. Aldus lijkt geen sprake te zijn van normen waaraan de buizen in de gegeven omstandigheden zonder meer dienen te voldoen. Daarnaast moet worden bezien welke die gegeven omstandigheden zijn. De oorzaak van het gestelde gebrek is volgens OBP immers gelegen in de "onjuiste aannames over de samenstelling van de grond" maar hierboven is al gebleken dat dat heeft geleid tot de aanvoer van veel nieuw zand. Daarmee lijkt de buizenproblematiek te worden opgeheven door het vervangen van leem door zand. Of het moest zijn dat OBP wil stellen dat de ongewapende buizen in menggrond (van 90%/10%) sowieso te veel risico opleveren, dan wel - als dat niet zo is - als niet tot 90% zand is bijgestort, maar dan is niet duidelijk of het wel bijstorten tot 90% de noodzaak tot het plaatsen van de gewapende buizen had kunnen voorkomen en hoe de kosten van die beide maatregelen zich tot elkaar verhouden. Alvorens verder te beslissen zal OBP zich eerst bij akte over het een en ander dienen uit te laten.

4.3.5 Vergeten besteksposten

4.3.5.1 Aan de dagvaarding (nr. 37) wordt het volgende ontleend:

OBP verwijst in dit kader naar hetgeen hierover is opgenomen in het rapport van AGEL (..). Ten aanzien van de zeer laagliggende percelen (C15 tot en met C23) had ARCADIS bijvoorbeeld verzuimd om in het bestek aan te geven dat, alvorens de percelen op te hogen, de bestaande leeflaag (de "zwarte grond") "opzij gezet" moest worden. Dit was noodzakelijk, omdat anders zand bovenop de teelaarde aangebracht zou worden, hetgeen technisch niet verantwoord is. Ten onrechte heeft Arcadis dit feit niet in het bestek vertaald. (..) Voorts dienden er extra leidinginspecties plaats te vinden (..), mantelbuizen te worden geplaatst (..), stootplaten te worden aangebracht (..), langere flespalen te worden geleverd (..), de blusvijver ingezaaid te worden (..), de putranden aangevuld worden (..) en er diende grondwerk te worden verricht in verband met de extra bermbreedte (..)

4.3.5.2 De verwijzing naar het rapport van AGEL voegt geen tekortkomingen toe die niet al uit de dagvaarding zelf blijken. Behalve wat betreft de leeflaag en de putranden heeft Arcadis er ook hier een beroep op gedaan dat OBP niet binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd.

Hoewel dit punt op de comparitie niet expliciet aan de orde is gekomen leert kennisneming van bijlage 6 bij het rapport van AGEL (= productie 66) - waarnaar het rapport in dit verband verwijst - dat de vergeten leidinginspecties op 11 juni 2007 tussen de gemeente en Arcadis zijn gecommuniceerd. [C] (van Arcadis) heeft toen bij e-mail het volgende aan [ ] [betrokkene 1] (van de gemeente) geschreven:

Ik heb de situatie mbt de rioolinspectie hierbinnen voorgelegd aan de specialisten maar die moeten ook gezien de gegevens die zij hebben en die ik hun kan verstrekken vaststellen dat de aannemer in het gelijk staat.

In het bestek is vastgesteld dat de aannemer een putinspectie moet uitvoeren (tussentijds en als oplevering) maar geen rioolinspectie. Mochten jullie dit alsnog willen dan zal dit verrekend moeten worden als meerwerk.

De rechtbank neemt hiermee aan dat tijdig over het ontbreken in het bestek van de leidinginspecties is geklaagd, en ook dat Arcadis dit ook als een tekortkoming heeft erkend. Hoewel het rapport van AGEL voor alle ontbrekende besteksposten naar bijlage 6 verwijst, is daar niets te vinden omtrent de mantelbuizen, de stootplaten, de flespalen, het inzaaien van de blusvijver en het grondwerk in verband met de extra bermbreedte. Ook wordt dat niet nader opgehelderd door OBP in haar antwoordakte na comparitie, waar zij onder 9 in dit verband naar productie 66 verwijst. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat OBP omtrent die laatste vijf punten niet tijdig heeft geklaagd.

4.3.5.3 In het rapport van AGEL (blz. 9) wordt over de leeflaag het volgende geschreven:

Bestekspost(en)

325510, 425510

In bestek is het ophogen van het plangebied met vrijkomende grond uit rioolsleuf (leemhoudend zand) opgenomen

De niet draagkrachtige leeflaag verdwijnt hiermee onder de ophoging.

Perceelkopers worden opgezadeld met extra veel grondverzet.

Consequentie(s):

- Wijziging grondbalans

- Op laaggelegen terreinoppervlakken is de leeflaag afgegraven, vrijkomend zand aangevuld en vervolgens de leeflaag weer teruggezet.

Volgens Arcadis was het bepaald niet noodzakelijk om in het bestek aan te geven dat, alvorens de percelen op te hogen, de bestaande leeflaag opzijgezet moest worden. Arcadis stelt er zelfs bewust voor te hebben gekozen om dit niet in het bestek op te nemen, omdat de aannemer van de eigenaar die op zijn perceel wil gaan bouwen, alles wat is aangebracht toch weer gaat verwijderen om een bouwput te maken. OBP heeft hiertegen aangevoerd dat Arcadis in het Masterplan juist een tegengesteld uitgangspunt heeft gehuldigd (blz. 8):

De bestaande teellaag dient te worden verwijderd en elders in depot te worden gezet. Indien zou worden opgehoogd op deze teellaag, dan ontstaan (door verdichting en afsluiting van lucht) onder de verhardingen verzuurde en verkitte "platen", wat vanzelfsprekend slecht is voor verticaal watertransport op die diepte en daarmee voor de stabiliteit van de weg en de toenemende kans op schade door opdooi.

Arcadis zegt in dit fragment zelf al dat het belang van de verwijdering van de teelaarde zich niet alleen bij bouwpercelen openbaart. Daarnaast volgt uit het rapport van AGEL dat de teellaag onnodig is bedekt met leemhoudend zand uit de rioolsleuven.

Volgens OBP is het laten zitten van de teellaag civieltechnisch onverantwoord. Naar het oordeel van rechtbank is het niet opnemen van een voorziening hiervoor in het bestek, gelet op het voorgaande en op het Masterplan, een omissie. Aldus is Arcadis op dit punt tekortgeschoten op een wijze die een goed, met de voor de opdracht vereiste vakkennis en middelen uitgerust en zorgvuldig handelend adviesbureau had kunnen en moeten vermijden.

4.3.5.4 Over de aanvulling van de putranden heeft OBP ter comparitie opgemerkt dat het daarbij gaat om de ruimte rond de putten, die na het op hoogte stellen moet worden gevuld met beton en asfalt. Arcadis heeft ter comparitie verwezen naar de besteksposten 5357 en 6357, aangegeven dat de opvulling van de ruimte rond de putten mogelijk inderdaad niet in het bestek is verwerkt en dat nog te willen onderzoeken. De rechtbank kan dat, alleen aan de hand van de genoemde bestekposten, niet beoordelen. Zij zal Arcadis daarom in de gelegenheid stellen zich omtrent haar nadere bevindingen bij akte uit te laten. Aan OBP wordt verzocht de desbetreffende meerwerkstaat (nr. 38), die zich thans niet bij de stukken bevindt maar waarnaar OBP wel verwijst, bij akte te overleggen.

4.3.6 Inmeting bestaande situatie

4.3.6.1 Aan de dagvaarding (nr. 38) wordt het volgende ontleend:

Er zijn hoogteverschillen in het gebied. Daarmee heeft ARCADIS, zo bleek tijdens de uitvoering van het werk, bij het opstellen van het bestek onvoldoende rekening gehouden. De uitwerking hiervan was te summier en ontbrak volledig op sommige onderdelen. Bij de uitvoering van het werk liep [betrokkene 3] bijvoorbeeld aan tegen een probleem bij de aansluiting van de nieuwe op de oude Rosvelterweg voor kavel B01. De nieuwe weg sloot ter plaatse qua hoogte niet goed aan, waardoor tijdens het werk plotseling naar een oplossing gezocht moet worden. Het voorgaande leidde tot extra inmetingswerkzaamheden van [betrokkene 3] (..)

4.3.6.2 Arcadis heeft aangevoerd hier bij gebrek aan verdere informatie niet goed op te kunnen reageren. Volgens haar toont OBP niet aan dat het bestek op dit punt manco's bevatte (en dat de aanvullende inmetingen daadwerkelijk nodig waren).

4.3.6.3 Het rapport van AGEL zegt hierover slechts dat de relevante bestaande situatie, duikers en hoogten aan de werkgrenzen summier zijn uitgewerkt respectievelijk ontbreken. OBP heeft hierbij verwezen naar productie 67. Volgens haar onderbouwen de inmeetschetsen in deze productie dat de bestaande situatie aan de plangrenzen onvoldoende in kaart is gebracht. In haar antwoordakte na comparitie verwijst OBP wederom naar de rapportage van AGEL en naar de hierboven weergegeven passage uit de dagvaarding.

De rechtbank kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet vaststellen of de genoemde inmeetschetsen de stellingen van OBP inderdaad onderbouwen. In haar antwoordakte na comparitie heeft OBP die toelichting, naar aanleiding van het verweer van Arcadis, kennelijk niet kunnen geven. Ook op de comparitie heeft OBP slechts volstaan met op te merken dat zij heel wat metingen in het bestek miste, in het bijzonder aan de randen van het project, bij sloten, aansluitende wegen en dergelijke. Onder die omstandigheden zal haar vordering op dit punt, als onvoldoende onderbouwd, worden afgewezen.

4.3.7 Putten

4.3.7.1 Aan de dagvaarding (nr. 39) wordt het volgende ontleend:

Ter hoogte van het kruispunt van de Titaniumstraat met de Platinastraat heeft ARCADIS zes rioolputten op zeer korte afstand van elkaar ingetekend. Tijdens de uitvoering van het werk bleek dat het technisch onmogelijk was om dit te maken zoals door Arcadis was voorzien, namelijk met losse prefab putten. [betrokkene 3] was daarom genoodzaakt om één, in het werk gestorte, put te maken.

In het rapport van AGEL is daarover het volgende opgenomen:

Vanwege het aantal, minimaal 3 stuks, aansluitingen per put is per put minimaal 1 vierkante sparing vereist.

Het metselen of aanstorten (klampen) van rioolbuizen is niet in het bestek opgenomen.

De realisatie van een zestal putten op een relatief klein oppervlak met een fors aantal klampen leidt tot een aanzienlijk kwaliteitsverlies en is zoniet onmogelijk

Consequentie(s):

- Een in het werk op maat gestorte betonput

4.3.7.2 Arcadis heeft met stelligheid bestreden dat het onmogelijk zou zijn geweest om de zes rioolputten te maken zoals door haar in het bestek voorzien en heeft bewijs aangeboden dat het zo wel te realiseren was. OBP heeft daarop een verklaring overgelegd van [A] (van [betrokkene 3]), naar aanleiding van de vraag waarom de zes rioolputten zo niet waren te realiseren:

Op de T-splitsing staan 6 rioolputten geprojecteerd. De drie rioolstelsels komen hier samen en kruisen elkaar. Verder moet er een overstortvoorziening op dit punt worden gerealiseerd. Door de uitwendige maatvoering van de putten, de verschillende hoogtes van de drie rioolstelsels en de overstortvoorziening was het niet mogelijk om de besteksoplossing uit te voeren.

OBP heeft in haar antwoordakte na comparitie nog verwezen naar een tweetal schetsen in productie 68. Deze onderbouwen volgens haar dat, indien voor de zes afzonderlijke putten op basis van de noodzakelijke inwendige maatvoering de uitwendige maatvoering wordt bepaald, blijkt dat een aantal putten minder dan 0,4 meter ten opzichte van elkaar is geprojecteerd en een aantal putten op in plaats van naast elkaar komen te liggen. Daarnaast moet in elke put één van de drie buisaansluitingen worden aangemetseld of aangestort (klampconstructie). De hiervoor vereiste extra ruimte rond de putten is er niet in de oplossing die in het bestek is voorzien.

4.3.7.3 De uitleg die OBP in haar antwoordakte na comparitie heeft gegeven ligt wellicht deels al besloten in het rapport van AGEL en de verklaring van [A], doch is op een aantal punten meer gedetailleerd. Omdat Arcadis nog niet in de gelegenheid is geweest daarop te reageren, zal zij zich daarover nog kunnen uitlaten bij akte.

4.3.8 Wadi

4.3.8.1 Aan de dagvaarding (nr. 40) wordt het volgende ontleend:

Bij de uitvoering bleek dat ARCADIS de wadi (een zogenoemde waterinfiltratievoorziening) nabij de snelweg A2 ten onrechte deels had ingetekend op gronden van Rijkswaterstaat. Dit werd (logischerwijs) niet geaccepteerd door Rijkswaterstaat. (..) Het gevolg was dat de wadi tijdens de uitvoering moest worden aangepast en worden verkleind. (..) Het was noodzakelijk om de tekeningen aan te passen aan de eigendomsgrenzen.

4.3.8.2 Arcadis heeft aangevoerd omtrent de locatie van de wadi in de ontwerpfase contact te hebben gehad met Rijkswaterstaat. Daarbij heeft Rijkswaterstaat volgens Arcadis niet aangegeven dat zij bezwaar tegen de locatie zou hebben.

4.3.8.3 In productie 69 bevindt zich correspondentie van de gemeente met Arcadis, waarbij de gemeente Arcadis vraagt zich akkoord te verklaren met aanpassing van de eigendomsgrenzen doordat de wadi door Arcadis aanvankelijk gedeeltelijk op grond van Rijkswaterstaat was ingetekend. Bij brief van 29 juni 2007 heeft Arcadis zich met die aanpassing akkoord verklaard. Daarin ligt naar het oordeel van de rechtbank besloten dat zij zich ook akkoord verklaart met de eventuele extra kosten van die aanpassing, ook als die hun oorzaak vinden in extra tekenwerk. In dat licht bezien is het verweer van Arcadis niet relevant.

4.4.1 Behalve de misgelopen korting vanwege het meerwerk van [betrokkene 3] vordert OBP vergoeding van extra kosten van directie en toezicht die AGEL in verband met de verschillende meerwerkposten heeft moeten maken en bij OBP in rekening heeft gebracht, tot een bedrag van € 26.183,16 (productie 55).

4.4.2 Die vordering is gegrond voor zover het meerwerk valt te herleiden tot tekortkomingen van Arcadis in de opdracht. Dat heeft de rechtbank tot dusver beslist met betrekking tot de uitstroombak van de blusvijver (rov. 4.3.2.2), de leidinginspecties (rov. 4.3.5.2), de leeflaag (rov. 4.3.5.3) en de wadi (rov. 4.3.8.3). In de huidige stand van het geding is dus maar een klein deel van die vordering toewijsbaar. In dat verband wordt OBP uitgenodigd bij akte een meer gedetailleerd overzicht in het geding te brengen dan productie 55, namelijk gespecificeerd per afzonderlijke gestelde tekortkoming.

4.5.1 OBP verwijt Arcadis ook dat zij bij het onderzoek naar het voorkomen van beschermde diersoorten in het plangebied (de natuurtoets) (productie 6) de aanwezigheid van een steenuil over het hoofd heeft gezien. Deze omissie leidde volgens OBP tot het moeten verstrekken van een nieuwe opdracht in februari 2008, aan Faunaconsult, om te onderzoeken hoe het beste rekening kon worden gehouden met deze (en andere) natuurwaarde(n) in het gebied (productie 56). De daarmee gemoeide kosten van € 3.125,50 wenst OBP op Arcadis te verhalen.

4.5.2 Volgens OBP had Arcadis al door eenvoudige literatuurstudie op het spoor kunnen komen van de steenuil, nu de lokale vogelwerkgroep in haar jaarlijkse tellingen melding maakt van de aanwezigheid ervan in het gebied Pannenweg. Arcadis heeft aangevoerd haar opdracht te hebben uitgevoerd volgens de richtlijnen Flora & Fauna die daarvoor gelden en dat er geen enkele norm of richtlijn is die voorschrijft dat de lokale vogelwerkgroep geraadpleegd moet worden.

4.5.3 In haar desbetreffende offerte van 17 februari 2005 heeft Arcadis aangegeven dat van de steenuil bekend is dat in het plangebied broedparen voorkomen. Onder die omstandigheid had zij naar het oordeel niet kunnen volstaan met het afleggen van drie veldbezoeken, zoals de "richtlijnen voor vogelonderzoek" volgens haar offerte kennelijk voorschrijven. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente zich indertijd aan de exclusieve toepassing van die richtlijnen heeft geconformeerd. Blijkens haar website bestaat de Vogelwerkgroep Nederweert al sinds 1993. Arcadis heeft niet betwist dat raadpleging van die vogelwerkgroep zekerheid over de aanwezigheid van de steenuil had kunnen verschaffen. Door dat niet te doen heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet als een goed en zorgvuldig opdrachtnemer gehandeld.

4.5.4 De vraag is of daarmee het gehele bedrag van € 3.125,50 toewijsbaar is, nu het onderzoek van Faunaconsult ook (voor een klein deel) betrekking heeft op andere natuurwaarden dan de aanwezigheid van de steenuil, alsmede op natuurcompensatie. Zou Arcadis de steenuil hebben ontdekt, dan had sowieso een vervolgonderzoek gericht op natuurcompensatie moeten plaatsvinden. In de offerte van Arcadis is daar ook een afzonderlijk bedrag voor ingeruimd. Onduidelijk is trouwens of de gemeente of OBP dat bedrag aan Arcadis heeft voldaan. Partijen kunnen zich bij akte nog over deze punten uitlaten.

4.6 De door OBP gevorderde vergoeding van de kosten gemoeid met het rapport van Brekelmans (€ 425,-) is voor toewijzing vatbaar als geconcludeerd kan worden dat Arcadis is tekortgeschoten door ongewapende buizen in het bestek voor te schrijven (zie rov. 4.3.4).

4.7 OBP vordert ten slotte vergoeding van de kosten (€ 680,-) van een door Bouw- & Managementservice Nederland B.V. in opdracht van AGEL verricht onderzoek naar de wijze waarop door Arcadis het onderzoek naar de bodemgesteldheid verricht had moeten worden. Hoewel die vordering door Arcadis op zichzelf niet is betwist, gaat de rechtbank er ook hier vanuit dat zij eerst toewijsbaar is als geconcludeerd kan worden dat Arcadis is tekortgeschoten door zich bij het onderzoek naar de bodemgesteldheid te beperken tot het onderzoek van Grontmij (zie rov. 4.3.1.9).

4.8 De zaak zal naar de rol worden verwezen voor gelijktijdige uitlating bij akte door OBP omtrent hetgeen hierboven onder 4.2.3, 4.3.1.9, 4.3.1.10, 4.3.4.3, 4.3.5.4, 4.4.2 en 4.5.4 is overwogen en door Arcadis omtrent hetgeen onder 4.3.1.9, 4.3.1.10, 4.3.5.4, 4.3.7.3 en 4.5.4 is overwogen, waarna partijen over en weer op elkaars uitlatingen kunnen reageren.

4.9 De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de roldatum van 30 maart 2011 voor uitlating bij akte door OBP omtrent hetgeen hierboven onder 4.2.3, 4.3.1.9, 4.3.1.10, 4.3.4.3, 4.3.5.4, 4.4.2 en 4.5.4 is overwogen en door Arcadis omtrent hetgeen onder 4.3.1.9, 4.3.1.10, 4.3.5.4, 4.3.7.3 en 4.5.4 is overwogen (waarna partijen over en weer op elkaars uitlatingen kunnen reageren);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2011.