Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP6018

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
183062
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart voor recht dat de charterovereenkomst tussen partijen is ontbonden en wijst de vordering tot schadevergoeding van eiseres in conventie gedeeltelijk toe. De vordering tot schadegoeding van eiseres in reconventie wordt eveneens gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 183062 / HA ZA 09-563

Vonnis van 9 februari 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RIVER CRUISE MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Bemmel,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. B.S. Witteveen te Nijmegen,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

POLITOURS S.A.,

gevestigd te Madrid,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna River Cruise en Politours genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 juli 2010

- de akte houdende uitlating in conventie van Politours

- de akte houdende uitlating, tevens verandering en vermeerdering van eis van River Cruise

- de antwoordakte in reconventie van River Cruise

- de antwoordakte in conventie van Politours.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1. Bij het genoemde vonnis van 7 juli 2010, waarnaar de rechtbank verwijst, is de zaak naar de rol verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten omtrent hetgeen in dat vonnis is overwogen, in conventie in r.ov. 4.10 en 4.11 en in reconventie in r.ov. 4.11 van dat vonnis. Die rechtsoverwegingen luiden:

4.10. Het gevorderde bedrag van € 509.049,83 vormt schade, bestaande uit het saldo van een aantal kosten, waarvan River Cruise als productie 8 een overzicht heeft overgelegd. Politours betwist de verschuldigdheid van dat bedrag. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde River Cruise in de gelegenheid te stellen dit onderdeel van haar vordering nader te onderbouwen, mede in het licht van het door Politours gevoerde verweer, zoveel mogelijk onder overlegging van bewijsstukken betreffende de op bedoeld overzicht vermelde bedragen.

4.11. Het gevorderde bedrag van € 93.219,65 betreft winstderving. Politours betwist deze schade bij gebrek aan wetenschap, nu zij geen inzicht heeft in de administratie van River Cruise. De rechtbank acht het voorshands nodig terzake een deskundigenbericht in te winnen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door River Cruise moeten worden betaald.

In dat vonnis is voorts onder meer overwogen en beslist (in r.ov. 4.6) dat River Cruise een voldoende juridische grondslag had om de charterovereenkomst met Politours te ontbinden.

voorts in conventie

De vordering

2.2. River Cruise had eerder een overzicht gemaakt van de kosten die zij stelt te hebben gemaakt met betrekking tot de My Story. Volgens River Cruise zijn correcties daarop noodzakelijk. In verband daarmee heeft zij opnieuw een kostenoverzicht gemaakt. Volgens dat gecorrigeerde kostenoverzicht (overgelegd als productie 24 bij haar akte van 15 september 2010) zijn de kosten hoger dan aanvankelijk was berekend. River Cruise stelt dat die hogere kosten ook gevolgen hebben voor de gederfde winst.

2.3. In verband daarmee heeft River Cruise haar eis opnieuw vermeerderd en veranderd. Zij vordert na die vermeerdering en verandering van eis:

- een verklaring voor recht dat de charterovereenkomst tussen partijen voor wat betreft de My Story is ontbonden per 4 augustus 2008 en voor wat betreft de Serenity per 22 september 2008 en

de veroordeling van Politours tot betaling van

- € 65.625,00, vermeerderd met rente,

- € 557.989,60 wegens gemaakte kosten, vermeerderd met rente,

- € 104.872,10, zijnde schadevergoeding wegens gederfde winst, vermeerderd met rente,

- € 45.026,43 wegens onbetaald gebleven facturen, vermeerderd met rente,

- de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 5.160,00,

- de kosten van dit geding.

2.4. Tegen die vermeerdering en verandering van eis heeft Politours zich op zichzelf niet verzet, zodat daarop zal worden recht gedaan.

2.5. In het navolgende zal de rechtbank de onderdelen van de vordering achtereenvolgens beoordelen.

de verklaring voor recht

2.6. Zoals de rechtbank in het vonnis van 7 juli 2010 (r.ov. 4.8) heeft overwogen en beslist, is de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar.

de vordering tot betaling van € 65.625,00 met rente

2.7. Politours heeft de verschuldigdheid van dit bedrag, dat betrekking heeft op de chartersom voor de periode van 28 juli 2008 tot 4 augustus 2008, niet betwist. Politours heeft echter een beroep op haar opschortingsrecht gedaan. Gezien de beslissing in reconventie is dit beroep gegrond, zodat de vordering zal worden afgewezen.

Terzijde merkt de rechtbank nog op dat deze vordering ziet op de nakoming van de overeenkomst over de periode van 28 juli 2008 tot en met 4 augustus 2008, ook al meent River Cruise zelf van niet (getuige haar akte van 10 november 2009, punt 16). Volgens haar verklaring ter comparitie heeft die vordering immers betrekking op (het restant van) de verschuldigde cruisesom over die periode, die bovendien is gelegen vóór de datum van ontbinding.

de vordering tot betaling van € 557.989,60 met rente

2.8. River Cruise stelt dat dit onderdeel van haar vordering bestaat uit de aan de My Story toe te rekenen kosten die zij heeft gemaakt over de periode na de ontbinding van de overeenkomst over de periode 28 juli 2008 tot en met 28 september 2008. De gecorrigeerde kostenstaat (zoals reeds is vermeld onder 2.2 is deze overgelegd als productie 24 bij haar akte van 15 september 2010) bevat de gespecificeerde opgave van deze kosten. Daaruit en uit de toelichting daarop maakt de rechtbank op dat het enerzijds algemene bedrijfskosten betreft die ten dele worden toegerekend aan de My Story en anderzijds specifieke rechtstreeks ten behoeve van de My Story gemaakte kosten. Ter toelichting op dit onderdeel van de vordering heeft River Cruise het volgende gesteld (akte d.d. 15 september 2010, onder punt 11):

De totale kosten die RCM (River Cruise, rechtbank) over 2008 heeft gehad voor het deel dat aan de My Story is toe te rekenen, worden gedeeld door 210 vaardagen (het normale vaarseizoen van de My Story bedraagt gemiddeld 210 dagen) en vervolgens vermenigvuldigd met het aantal dagen dat in de maanden juli tot en met september 2008 niet door Politours is gevaren.

2.9. De rechtbank merkt allereerst op dat volgens de eigen stellingen van River Cruise de overeenkomst ten aanzien van de My Story is ontbonden per 4 augustus 2008 niet per 28 juli 2008. De periode na de ontbinding waarover aanspraak op schadevergoeding zou kunnen bestaan, vangt dus aan op 4 augustus 2008. Reeds op die grond moet de schadevordering over de periode van 28 juli tot en met 4 augustus 2008 worden afgewezen.

2.10. Het voorgaande nog daargelaten, zijn de werkelijk gemaakte kosten niet gelijk aan de schade van River Cruise. Die schade bestaat immers uit het geleden verlies en de gederfde winst als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst, zo volgt uit artikel 6:96 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Met andere woorden, relevant is het vermogensverlies van River Cruise. Dat vermogensverlies bestaat uit het verschil tussen enerzijds de vermogenstoestand van River Cruise indien de overeenkomst zou zijn nagekomen en anderzijds de vermogenstoestand van River Cruise nu de overeenkomst is ontbonden. Daarin geven de werkelijk gemaakte kosten geen inzicht.

2.11. Nu dit onderdeel van de vordering nog altijd niet is onderbouwd, dient het op die grond te worden afgewezen.

de vordering tot betaling van € 104.872,10 met rente

2.12. Volgens River Cruise heeft dit onderdeel van de vordering, dat zij dus eveneens heeft vermeerderd, betrekking op gederfde winst, en wel over 63 dagen. Dit betreft kennelijk, evenals het hiervoor besproken onderdeel van de vordering, de periode van 28 juli 2008 tot en met 28 september 2008. Zoals eerder is overwogen, vangt de periode waarover aanspraak op schadevergoeding bestaat, echter aan op 4 augustus 2008. Politours heeft voorts het verweer gevoerd dat River Cruise de laatste cruise van 2008 (die zou plaatsvinden in de week van 22 tot 29 september 2008) heeft afgekocht, waartoe zij verwijst naar een overgelegde e-mail van 13 mei 2008 van River Cruise. Daarop heeft River Cruise niet gereageerd, zodat van de juistheid van dat verweer zal worden uitgegaan. Dit betekent dat de periode waarover River Cruise aanspraak heeft op schadevergoeding, begint op 4 augustus en eindigt op 21 september 2008, en aldus uit 49 dagen bestaat.

2.13. Ter onderbouwing van dit onderdeel van de vordering heeft River Cruise een stuk overgelegd (als productie 25 bij haar akte d.d. 15 september 2010), dat zij omschrijft als “gewijzigde berekening”. Die bestaat kennelijk – een toelichting op dit punt ontbreekt – uit een vaarschema van een cruise die River Cruise voor Politours heeft verzorgd met de My Story in de periode van 2 tot en met 16 juni (2008?), gevolgd door een berekening. Dat vaarschema bevat onder meer voor de dagen waarop wordt gevaren, de plaatsen en tijden van vertrek en van aankomst en een kolom met bedragen met het opschrift “price”. Het totaalbedrag van die kolom is € 10.911,78 met als omschrijving “Mooring for two weeks”. Onder dat vaarschema en het hiervoor bedoelde totaalbedrag staat een berekening die luidt als volgt:

Prices for two weeks

Mooring € 10.911,78

Fuel € 13.302,72

Water € 1.188,05

Garbage € 759,00

Catering € 42.770,00

Totaal € 68.931,55

Kosten per dag Omzet per dag profit

€ 10.835,36 € 12.500,00 € 1.664,64

Gemiste profit over 63 dagen € 104.872,10

Vaste kosten € 82.763,54

Totaal € 151.695,09

2.14. Deze benaderingswijze, de berekening van de gederfde winst door de gemiste omzet te verminderen met de bespaarde kosten die zouden zijn gemaakt indien de overeenkomst niet zou zijn ontbonden, acht de rechtbank op zichzelf juist. Die omzet volgt uit de charterovereenkomst en de kosten heeft Politours onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat deze en daarmede ook de gederfde winst vaststaan.

2.15. Zoals reeds is overwogen, heeft River Cruise naar het oordeel van de rechtbank echter aanspraak op schadevergoeding over 49 dagen. Voorts laat River Cruise ten onrechte buiten beschouwing dat de My Story na de ontbinding door derden is gecharterd.

2.16. Doordat de My Story was gecharterd door derden, heeft River Cruise in de periode na de ontbinding een omzet van € 142.765,00 gemaakt, zo stelt River Cruise en wordt ook bevestigd door een door haar overgelegd overzicht (productie 54 bij de akte van 15 september 2010). Deze omzet heeft zij (volgens productie 24 bij de akte d.d. 15 september 2010) wel verwerkt in de berekening die ten grondslag ligt aan de vordering van € 557.989,60, maar hoort (als feitelijk gemaakte omzet) thuis in deze onderhavige berekening van de gederfde winst.

2.17. Volgens dat overzicht is de My Story gecharterd door derden in de periode van 3 tot en met 27 september 2008. Dit betekent dat bij de berekening van de schade onderscheid moet worden gemaakt tussen twee perioden, die waarin de My Story niet en die waarin de My Story wel gecharterd was door derden.

2.18. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 2.13 en 2.14, bedraagt over de eerstbedoelde periode (waarin de My Story dus niet gecharterd was door derden) de omzet € 12.500,00, de (bespaarde) kosten € 10.835,36 en de schade in de vorm van gederfde winst € 1.664,64 per dag. De schade over die periode kan dan als volgt worden berekend:

- periode van 4 augustus 2008 tot en met 2 september 2008

Omzet: 30 dagen x € 12.500,00 = € 375.000,00

Kosten: 30 dagen x € 10.835,36 = € 325.060,80

Gederfde winst: € 49.939,20

2.19. Over de laatstbedoelde periode (waarin de My Story dus wel gecharterd was door derden) heeft River Cruise kennelijk getracht haar schade te beperken door de My Story aan een derde in charter te geven. Daardoor is de schade feitelijk echter niet beperkt: de omzet bedroeg immers € 142.765,00, terwijl de kosten (25 dagen x € 10.835,36 =) € 270.884,00 bedroegen. Nu dus de schade niet is beperkt maar integendeel is vergroot, blijft deze extra schade voor eigen rekening van River Cruise.

De schade als bedoeld in r.ov. 2.13 en 2.14 over deze periode bedraagt:

- periode van 3 september 2008 tot en met 21 september 2008

Omzet: 19 dagen x € 12.500,00 = € 237.500,00

Kosten: 19 dagen x € 10.835,36 = € 205.871,84

Gederfde winst: € 31.628,16

2.20. Van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW aan de zijde van River Cruise, waarop Politours nog een beroep doet, is geen sprake.

2.21. De totale schade bedraagt dus in hoofdsom € 81.567,36. In zoverre is dit onderdeel van de hoofdsom toewijsbaar en voor het overige zal deze worden afgewezen.

2.22. Het verweer dat over een geldbedrag verschuldigd wegens onrechtmatige daad, uitsluitend de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW en niet de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW verschuldigd kan zijn, is gegrond, zodat de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW zal worden toegewezen. Deze rente is verschuldigd vanaf 4 augustus 2008, nu daartegen geen verweer is gevoerd.

de vordering tot betaling van € 45.026,43 met rente

2.23. Dit onderdeel van de vordering heeft betrekking op openstaande facturen. River Cruise heeft ter onderbouwing van deze vordering aanvankelijk bij haar akte d.d. 10 november 2009 (onder punt 20) verwezen naar haar producties 8, 9 en 13 en later in haar akte d.d. 15 september 2010 (onder punt 40-42) naar haar producties 9, 10, 13 en 56.

Productie 8 geeft een specificatie van het gevorderde bedrag van € 509.049,83, waarvan, zo begrijpt de rechtbank, openstaande facturen deel uitmaakten. Bij deze productie zijn geen facturen overgelegd. Daarop behoeft dan ook niet separaat te worden beslist.

Bij de facturen overgelegd als productie 9, zijn achteraf extra brandstofkosten in rekening gebracht. Onder verwijzing naar r.ov. 2.28-2.31 van dit vonnis is dit onderdeel van de vordering niet toewijsbaar.

De facturen overgelegd als productie 10, hebben betrekking op de Serenity. Politours voert gemotiveerd het verweer deze te hebben betaald. Daarop heeft River Cruise niet meer gereageerd, zodat van de juistheid van dat verweer zal worden uitgegaan.

Productie 13 bestaat onder meer uit een zestal facturen, waarvan betaling wordt gevorderd. Bij vier facturen is “Tourist Tax” in rekening gebracht en bij twee facturen respectievelijk “Drink Packages Allianz Group” en “Board Account My Story: Politours beverages”.

Politours stelt die vier facturen waarbij Tourist Tax in rekening is gebracht, inmiddels te hebben betaald. Daarop heeft River Cruise niet meer gereageerd, zodat van de juistheid van dat verweer zal worden uitgegaan. Voorts voert zij het verweer dat zij een van die beide andere facturen, na correctie, rechtstreeks aan Seachefs heeft voldaan en dat zij de andere niet verschuldigd is. Ook hierop heeft River Cruise niet gereageerd.

Op grond van het bovenstaande zal dit onderdeel van de vordering worden afgewezen.

de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten

2.24. In het licht van het verweer van Politours heeft River Cruise naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar buitengerechtelijke werkzaamheden meer hebben omvat dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De daarop betrekking hebben de kosten moeten, nu een geding is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen

proceskosten

2.25. Nu beide partijen over en weer ten dele in het ongelijk gesteld zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als hierna te melden.

voorts in reconventie

de vordering tot betaling van € 196.875,00

2.26. Zoals de rechtbank in het vonnis van 7 juli 2010 (r.ov. 4.13) heeft overwogen en beslist, is dit onderdeel van de vordering toewijsbaar.

de vordering tot betaling van € 250.000,00

2.27. Zoals de rechtbank in het vonnis van 7 juli 2010 (r.ov. 4.14) heeft overwogen en beslist, is dit onderdeel van de vordering niet toewijsbaar. In die overweging is overigens abusievelijk een bedrag van € 500.000,00 genoemd.

de vordering tot betaling van € 36.867,78

2.28. Partijen verschillen van mening over de uitleg van de navolgende bepaling in de charterovereenkomst:

(6) Fuel costs

The charter price according to this contract includes fuel costs calculated at average price of 400 euro / 1000 l. If there is a substantial increase in the costs, the Operator has the right, by adhering to a notice period of 30 days, to demand corresponding fuel supplement from the charterer. A substantial increase in fuel costs is deemed to be one of at least 15%.

Volgens Politours is dat laatstgenoemde percentage 20%, maar dat percentage speelt geen rol in het debat tussen partijen.

2.29. De vraag, hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers volgens vaste jurisprudentie aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (HR 13 maart 1981, NJ 1981/635).

2.30. River Cruise legt die bepaling aldus uit (dagvaarding sub 6) dat de brandstofkosten apart worden berekend tegen een tarief van € 400,00 per 1.000 liter en dat zij gerechtigd is een meerprijs in rekening te brengen ingeval van een toename van de brandstofkosten van 15% of meer gedurende een periode van 30 dagen. Dat standpunt met betrekking tot de meerprijs, dat zij niet en zeker niet uitdrukkelijk heeft verlaten, volgt echter geenszins uit die bepaling: gezien de zinsnede “by adhering to a notice period of 30 days” heeft River Cruise het recht een brandstoftoeslag te verlangen ingeval van een toename van de brandstofkosten van minimaal 15% of 20%, mits zij zulks minimaal 30 dagen tevoren aankondigt. Gezien de – in dit opzicht – duidelijke bewoordingen van deze bepaling en bij gebreke van aanwijzingen dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst een andere bedoeling daarmee hebben gehad, dient deze letterlijke uitleg te worden gevolgd.

2.31. Politours stelt dat de achtergrond van de geciteerde bepaling is dat Politours de mogelijkheid heeft hogere brandstofkosten door te berekenen aan haar klanten. Dit wordt door River Cruise niet betwist. Politours zal – praktisch gesproken – slechts dan in de gelegenheid zijn hogere brandstofkosten aan haar klanten door te berekenen, indien deze haar voor de aanvang van de cruise bekend zijn. In dat licht dient bedoelde bepaling dan ook aldus te worden uitgelegd dat River Cruise gerechtigd is ingeval van minimaal 15 dan wel 20% hogere brandstofprijzen een brandstoftoeslag aan Politours in rekening te brengen, indien zij die ten minste 30 dagen voor vertrek aan Politours heeft aangekondigd. De enkele algemene aankondiging dat hogere brandstofkosten in rekening zullen worden gebracht, zonder de hoogte van het desbetreffende bedrag te noemen, is onvoldoende. Op basis van een dergelijke algemene aankondiging zal Politours de brandstoftoeslag immers niet kunnen doorbelasten aan haar klanten.

In haar mailberichten van 12 maart 2008 en 6 juni 2008 aan Politours meldt River Cruise wel dat zij hogere brandstofkosten dan de in de overeenkomst genoemde brandstofkosten aan Politours in rekening zal brengen, maar niet hoe hoog die in rekening te brengen kosten zullen zijn. Daardoor zijn de hogere brandstofkosten dus niet aangezegd als bepaald in genoemd artikel. Nu aldus niet is voldaan aan de voorwaarden die tussen partijen zijn overeengekomen, ten aanzien van het in rekening mogen brengen van een brandstoftoeslag, heeft River Cruise geen contractuele aanspraak op de in verband daarmee in rekening gebrachte bedragen. Politours was die bedragen dus niet verschuldigd en kan hetgeen zij heeft betaald als onverschuldigd terugvorderen.

Dit onderdeel van de vordering is dan ook toewijsbaar.

rente

2.32. De gevorderde vertragingsrente is als onbetwist toewijsbaar.

buitengerechtelijke incassokosten

2.33. Tegen dit onderdeel van de vordering is geen zelfstandig verweer gevoerd, zodat het toewijsbaar is.

proceskosten

2.34. Nu beide partijen over en weer ten dele in het ongelijk gesteld zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als hierna te melden.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. verklaart voor recht dat de overeenkomst door River Cruise voor wat betreft de My Story is ontbonden per 4 augustus 2008 en voor wat betreft de Serenity per 22 september 2008,

3.2. veroordeelt Politours aan River Cruise te betalen een bedrag van € 81.567,36 (eenentachtigduizend vijfhonderdzevenenzestig euro en zesendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf 4 augustus 2008 tot de dag der voldoening,

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. wijst af het meer of anders gevorderde,

3.5. compenseert de proceskosten in die zijn dat elke partij haar eigen kosten draagt,

in reconventie

3.6. veroordeelt River Cruise aan Politours te betalen een bedrag van € 196.875,00 (honderdzesennegentigduizend achthonderdvijfenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf 4 augustus 2008 tot de dag der voldoening,

3.7. veroordeelt River Cruise aan Politours te betalen een bedrag van € 36.867,78 (zesendertigduizend achthonderdzevenenzestig euro en achtenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf 4 augustus 2008 tot de dag der voldoening,

3.8. veroordeelt River Cruise aan Politours te betalen een bedrag van € 5.160,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten

3.9. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.10. wijst af het meer of anders gevorderde.

3.11. compenseert de proceskosten in die zijn dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2011.