Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP5963

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
208274
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil over percentage eigen schuld bij een aanrijding waarbij een motorambulance betrokken is. Wel deelgeschil, ondanks dat het deels eventuele toekomstige schade betreft. Toch afwijzing verzoek omdat bewijslevering ter zake van de feiten noodzakelijk is. Bij kostenbgegroting specialisatiefactor teruggebracht tot 1.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019w
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2011/66
NJF 2011/163
VR 2012/114

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 208274 / HA RK 10-235

Beschikking van 7 februari 2011

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. M.A. Smits te Nijmegen,

tegen

de onderlinge waarborgmaatschappij

TVM U.A.,

gevestigd te Hoogeveen,

verweerster,

advocaat mr. H.N. Kuiper te Hoogeveen.

De partijen worden verder [verzoeker] en TVM genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift

- het faxbericht van 10 december 2010 met bijlagen van de zijde van [verzoeker]

- de mondelinge behandeling op 14 december 2010. Verschenen zijn [verzoeker], vergezeld van mr. Smits voornoemd, en mr. Kuiper, vergezeld van haar collega mr. H.E. Schuurmans. Mr. Kuiper heeft de standpunten van TVM mede aan de hand van op schrift gestelde ‘comparitieaantekeningen’ toegelicht. Ook die behoren tot de stukken van het geding.

2. De feiten, het geschil en de beoordeling

2.1. [verzoeker] is motorambulanceverpleegkundige. Op [datum] is hij tijdens een spoed¬eisende rit met zijn motorambulance in botsing gekomen met een bestelbus die werd bestuurd door [ ]. [betrokkene]. [verzoeker] heeft daarbij let¬selschade opgelopen waarvoor TVM als WAM-verzekeraar van de bestelbus aansprakelijk is.

2.2. Tussen partijen is in geschil of, en zo ja in welke mate [verzoeker] zelf schuld heeft aan het ver¬keersongeval en uit dien hoofde op de voet van artikel 6:101 BW al dan niet een gedeelte van de schade zelf dient te dragen. De onderhandelingen zijn erop blijven steken dat TVM niet meer dan 75% van de schade wilde vergoeden, terwijl [verzoeker] met minder dan 90% geen genoegen wilde nemen.

2.3. [verzoeker] heeft de rechtbank op de voet van artikel 1019w Rv verzocht voor recht te verklaren dat in de toedracht van het ongeval van [datum] redenen zijn gelegen om TVM 100% aansprakelijk te laten zijn zodat TVM ter zake van de toedracht geen beroep toekomt op artikel 6:101 BW en zij 100% van de in redelijkheid aan het ongeval toe te rekenen letselschade aan [verzoeker] dient te vergoeden, met begroting van de kosten van het deelgeschil op de voet van artikel 1019aa Rv.

2.4. TVM meent allereerst dat het onderhavige verzoek niet voldoet aan het bepaalde in art. 1019w Rv, omdat de beslissing niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Overigens concludeert zij tot afwijzing van het verzoek, althans tot verklaring voor recht dat de aansprakelijkheid van TVM wordt vastgesteld op maximaal 75%. Zij beroept zich in dit verband op eigen schuld van [verzoeker] aan het ontstaan van de aanrijding (art. 6:101 BW). Voorts meent zij dat de rechtbank het namens [verzoeker] opgevoerde bedrag aan te begroten proceskosten dient te matigen.

2.5. Ingevolge het bepaalde in artikel 1019w lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is een deelgeschil een geschil tussen partijen waarbij een persoon een ander aansprakelijk houdt voor de schade die hij lijdt door dood of letsel, omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Artikel 1019z Rv bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen indien de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat daarbij geldt dat de investering in tijd, geld en moeite moet worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18).

2.6. Allereerst zal worden beslist op het formele verweer van TVM dat de te geven beslissing niet kan bijdragen aan een vaststellingsovereenkomst. TVM baseert dit verweer hierop dat geen alomvattende vaststellingsovereenkomst in het verschiet ligt, nu [verzoeker] zijn aanspraak op vergoeding van mogelijk in de toekomst nog te lijden schade wegens verlies van verdienvermogen open wil houden en TVM dat onwenselijk acht. [verzoeker] heeft hiertegen ingebracht dat een minnelijke regeling inzake de geleden schade - die overzichtelijk is en van beperkte omvang is - tot de reële mogelijkheden behoort, indien de vraag wordt beantwoord of op grond van art. 6:101 BW een deel van zijn schade al dan niet voor zijn rekening behoort te blijven.

2.7. Van belang is dat, zoals zij ter zitting heeft verklaard, ook volgens TVM een minnelijke regeling omtrent de thans bekende schadeposten tot de mogelijkheden behoort. Gelet daarop wordt geconstateerd dat een beslissing over de omvang van de schadevergoedingsplicht van TVM - een punt dat partijen thans verdeeld houdt - in het onderhavige geval, waarin de bekende schade relatief gering van omvang is, strikt genomen kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst inzake de thans bekende schade. Dat die overeenkomst (waarschijnlijk) niet mede de definitieve afwikkeling inhoudt van (mogelijk) in de toekomst nog te verschijnen schade - en dus niet leidt tot finale kwijting - doet daaraan niet af. Noch de tekst, noch de parlementaire geschiedenis van de wettelijke regeling van de deelgeschilprocedure bevat concrete aanwijzingen dat de deelgeschilprocedure alleen beoogt finale schaderegelingen te faciliteren. Bovendien wordt geconstateerd dat op dit moment niet vaststaat of [verzoeker] op termijn, wegens aan het ongeval toe te schrijven toekomstige lichamelijke beperkingen, geheel of gedeeltelijk ongeschikt zal worden voor zijn werk als motorambulanceverpleegkundige en ook niet of hij daardoor schade wegens verlies aan verdienvermogen zal lijden. Indien en voor zover toekomstige schade uitblijft, zal de thans eventueel te bereiken vaststellingsovereenkomst (toch) alomvattend zijn. Dit verweer van TVM wordt op grond van het voorgaande verworpen.

2.8. Daarmee wordt toegekomen aan de verdere beoordeling van het deelgeschil, aan de hand van de (materiële) vraag of de verzochte beslissing in dit concrete geval kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Uitgangspunt daarbij is dat TVM in beginsel gehouden is de schade te vergoeden die [verzoeker] als gevolg van het verkeersongeval lijdt, behalve indien en voor zover aan [verzoeker] toe te rekenen omstandigheden komen vast te staan die maken dat de omvang van de schadevergoedingsplicht wegens eigen schuld van [verzoeker] op de voet van artikel 6:101 BW dient te worden verminderd. Op TVM rust de plicht om de feiten te stellen waarop zij haar beroep op eigen schuld baseert, alsmede de last deze stellingen zo nodig te bewijzen.

2.9. Op grond van de stellingen van de beide partijen kan van de volgende feiten omtrent de toedracht van het ongeval worden uitgegaan. Op [datum] reed [verzoeker] op zijn motorambulance vanuit [A] via [B] in de richting van [C] voor een reanimatie. Hij voerde zwaailicht en sirene, waarvoor hij toestemming had. Op de [weg] in de bebouwde kom van [B] is hij op een gegeven mo¬ment op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer gaan rijden met een aanzien¬lijk hogere snelheid dan de normaliter geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Op grond van paragraaf 5.1 van de Brancherichtlijn Optische en geluidssignalen Spoedeisende medische hulpverlening (hierna: de brancherichtlijn) was het [verzoeker] in beginsel toegestaan maximaal 40 km/u harder dan de geldende maximumsnelheid te rijden. De bestelbus van [betrokkene] voornoemd reed met lage snelheid op de rechter rijbaan in dezelfde richting als [verzoeker]. [betrokkene] heeft op enig moment zijn richtingaan¬wijzer naar links aangezet. Op het moment dat [verzoeker] hem voorbij reed is [betrokkene] linksaf geslagen in de richting van de [weg], met de botsing tot gevolg.

2.10. TVM baseert haar beroep op eigen schuld van [verzoeker] op, samengevat, de volgende stellingen. [verzoeker] reed (naar zijn eigen zeggen) met een snelheid van 80 à 100 kilometer per uur. Die snelheid is niet alleen veel hoger dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, maar ook onverantwoord hoog in verband met de volgende feiten en omstandigheden: [verzoeker] naderde een (hem bekende) zijstraat, ter hoogte van die zijstraat bevond zich de langzaam rijdende bestelbus van [betrokkene], van die bestelbus was het linker knipperlicht in werking gesteld, [betrokkene] wachtte op het passeren van een tegenligger om daarna linksaf te slaan en [verzoeker] was niet goed zichtbaar voor [betrokkene] omdat [verzoeker] op een motor reed en omdat [verzoeker] niet steeds volledig op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer reed. Op grond van paragraaf 5.1 van de Brancherichtlijn had [verzoeker] in verband met de genoemde feiten en omstandigheden vaart moeten minderen en zich ervan bewust moeten zijn dat het overige verkeer mogelijk niet adequaat zou reageren ondanks de gevoerde sirene en zwaailichten.

2.11. [verzoeker] heeft gemotiveerd bewist dat hij harder heeft gereden dan in de gegeven omstandigheden was toegestaan en daarbij het volgende aangevoerd. De ingevolge art. 5.3 van de Brancherichtlijn toegestane maximumsnelheid heeft hij niet overschreden. [betrokkene] heeft de richtingaanwijzer van de bestelbus pas aangezet op hetzelfde moment dat hij linksaf sloeg en [verzoeker] zich al naast hem bevond. Ondanks het naderen van de zijstraat was er geen aanleiding vaart te minderen, aangezien [verzoeker] ervan uitging en ervan uit mocht gaan, gelet op het verkeersgedrag van het overige verkeer waaronder [betrokkene], dat hij ([verzoeker]) was opgemerkt. [verzoeker] reed dan ook al geruime tijd op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer - met de optische en geluidssignalen aan - en was dus goed zichtbaar voor het overige verkeer. Er was geen tegenligger, althans geen zich zo nabij bevindende tegenligger dat [verzoeker] niet voor langere tijd op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer kon rijden en er bestond dan ook voor [betrokkene] geen tegenligger wiens passeren hij ([betrokkene]) moest afwachten alvorens linksaf te kunnen slaan, aldus [verzoeker].

2.12. De door TVM gestelde feiten kunnen, nu zij door [verzoeker] zijn betwist, niet als vaststaand worden aangenomen. De stellingen van TVM omtrent de feiten kunnen ook niet (alle) worden gepasseerd zonder dat aan een bewijsopdracht aan TVM wordt toegekomen. Anders dan het geval was in het deelgeschil waarover de rechtbank te ’s-Gravenhage bij beschikking van 3 november 2010 (LJN BO3565) heeft geoordeeld - dat eveneens zag op de vraag naar de aanwezigheid van ‘eigen schuld’ - hebben de partijen in de onderhavige procedure geen afstand gedaan van het recht bewijs te leveren van hun stellingen. Een beslissing op het onderhavige deelgeschil vereist bij de huidige stand van zaken instructie, in de vorm van in elk geval getuigenverhoren. Daardoor weegt naar het oordeel van de rechtbank de investering in tijd, geld en moeite die met de beslissing op dit deelgeschil gepaard zou gaan, niet op tegen het (thans bekende) belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. Van betekenis daarbij is dat door de benodigde instructie van een snelle beslissing geen sprake zal kunnen zijn en ook dat de investering in geld aanzienlijk zal zijn. Bij dit oordeel komt voorts betekenis toe aan de verwachting dat de te treffen regeling geen finale regeling zal (kunnen) betreffen (zie hiervoor, onder 2.7). Het verzochte met betrekking tot de omvang van de schadevergoedingsplicht van TVM zal daarom worden afgewezen.

2.13. Ter zake van de kosten geldt het volgende. [verzoeker] heeft verzocht zijn kosten bij de behandeling van het verzoek op de voet van artikel 1019aa Rv te begroten op een bedrag van € 6.747,30 (18 uren x € 210,00 per uur inclusief 5% kantoorkosten x specialisatiefactor 1,5 + 19% omzetbelasting), te vermeerderen met het door [verzoeker] verschuldigde griffierecht. TVM heeft geconcludeerd tot matiging van dat bedrag, aangezien de relatief eenvoudige aard van het thans voorliggende geschil niet rechtvaardigt dat het hier gepresenteerde hoge specialistentarief wordt gehanteerd. Nadat de advocaat van [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling, onder overlegging van een urenstaat, heeft gesteld dat op dat moment inmiddels 19,2 uren aan het deelgeschil waren besteed, heeft TVM het aantal uren alsnog betwist.

2.14. TVM heeft niet betwist dat het op zichzelf redelijk was dat aan de zijde van [verzoeker] kosten in verband met dit deelgeschil zijn gemaakt. Ook de rechtbank neemt dit tot uitgangspunt. Het verweer dat een basistarief van (niet hoger dan) € 185,00 exclusief kantoorkosten en omzetbelasting redelijk is, wordt verworpen. Het door de advocaat van [verzoeker] gehanteerde basistarief van € 210,00 - inclusief kantoorkosten, exclusief omzetbelasting - komt de rechtbank niet bovenmatig voor. Voor zover het verweer van TVM ziet op de hantering van de specialisatiefactor slaagt het wel. Binnen het kader van het onderhavige deelgeschil, dat enkel ziet op de vaststelling van de omvang van de schadevergoedingsplicht van TVM in verband met het gevoerde eigen schuldverweer in een op zichzelf niet gecompliceerde verkeersaansprakelijkheidszaak, bestaat voor toepassing van een specialisatiefactor geen aanleiding. Het aantal uren waarvoor een vergoeding wordt gevorderd - naar aanleiding van het verhandelde tijdens de zitting inmiddels 19,2 uren - is door TVM zonder motivering bestreden. Waar zij aanvankelijk niets heeft ingebracht tegen het aantal van 18 uur, had het op haar weg gelegen haar ter zitting alsnog geuite bezwaar toe te lichten, hetgeen zij niet heeft gedaan. Uit de overgelegde urenstaat valt in één oogopslag op te maken dat de geringe extra tijd wordt opgevoerd in verband met de mondelinge behandeling en dat komt de rechtbank niet onredelijk voor.

2.15. De kosten worden gelet op het voorgaande begroot op € 5.023,08 (19,2 uren x € 210,00 = € 4.032,00, te vermeerderen met 19% omzetbelasting = 4.798,08, te vermeerderen met het griffierecht ad € 255,00).

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst het verzochte af,

3.2. begroot de kosten bij de behandeling van dit verzoek aan de zijde van [verzoeker] op € 5.023,08.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2011.