Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP5945

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
200048
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval

De rechtbank is van oordeel dat artikel 18 lid 1 laatste volzin WAM zo moet worden uitgelegd dat een benadeelde ook jegens de vrijgestelde gemoedsbezwaarde de rechten heeft welke hij anders jegens de verzekeraar zou hebben, met andere woorden, dat daaruit volgt dat de van de verzekeringsplicht vrijgestelde gemoedsbezwaarde jegens de benadeelde aansprakelijk is (indien met het motorrijtuig een ongeval wordt veroorzaakt). Op grond van artikel 6 WAM zou immers ook de verzekeraar jegens de benadeelde rechtstreeks aansprakelijk zijn geweest.

Bewijsopdracht aan gedaagde dat slachtoffer ten tijde van de aanrijding geen autogordel droeg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/134

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 200048 / HA ZA 10-883

Vonnis van 2 februari 2011

in de zaak van

de stichting

STICHTING WAARBORGFONDS MOTORVERKEER,

gevestigd te Rijswijk,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R. Gruben te Voorburg,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOP HEKWERKEN B.V.,

gevestigd te Barneveld,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.H. Blok te Utrecht.

Partijen zullen hierna het Waarborgfonds en Hop Hekwerken genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 augustus 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 15 november 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 11 september 2009 om 18.20 uur heeft op de Esvelderweg te Kootwijkerbroek een ernstig verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit ongeval waren betrokken een bestelauto Volkwagen Caddy met het kenteken 43-VL-N8, bestuurd door de heer [betrokkene1] (hierna: [betrokkene1]) en een bestelauto Citroën Berlingo met het kenteken 21-VV-LN, bestuurd door de heer [betrokkene2] (hierna: [betrokkene2]).

2.2. Het ongeval vond plaats op een T-kruising van de Esvelderweg met de Donkervoorterweg, buiten de bebouwde kom. De maximumsnelheid ter plaatse bedroeg 80 kilometer per uur. [betrokkene1] sloeg vanaf de Donkervoorterweg linksaf, de Esvelderweg op, op het moment dat [betrokkene2] hem van rechts over de Esvelderweg naderde.

2.3. De Citroën Berlingo heeft de Volkswagen Caddy aan de rechterzijde geraakt. De Citroën Berlingo is vervolgens in de rechterberm van de Esvelderweg tegen een boom tot stilstand gekomen. [betrokkene2] heeft bij dit ongeval zeer ernstig letsel opgelopen, waaronder een complete dwarslaesie.

2.4. Hop Hekwerken was ten tijde van de aanrijding de kentekenhouder van de Volkswagen Caddy. Het betrof een bedrijfsauto. [betrokkene1] was ten tijde van de aanrijding bij Hop Hekwerken in dienst. Aan Hop Hekwerken was – op de voet van de artikelen 18 en 19 van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (hierna: WAM) – wegens gemoedsbezwaren vrijstelling van de verzekeringsplicht verleend. Er was derhalve geen sprake van een WAM-verzekering voor de Volkswagen Caddy.

2.5. Zowel [betrokkene2] als de directeur van Hop Hekwerken behoren tot het kerkgenootschap van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland te Barneveld. Ook [betrokkene2] beschikt niet over verzekeringen ter dekking van de schade die hij heeft geleden. [betrokkene2] heeft vanwege gemoedsbezwaren vrijstelling verkregen van de verzekeringsplicht ingevolge de Zorgverzekeringswet. [betrokkene1] is geen gemoedsbezwaarde. Hij beschikt over een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren bij Univé.

3. Het geschil

3.1. Het Waarborgfonds vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, i) voor recht verklaart dat Hop Hekwerken aan het Waarborgfonds dient te vergoeden al hetgeen het Waarborgfonds ten gevolge van het ongeval van 11 september 2009 zal uitkeren en ii) Hop Hekwerken veroordeelt aan het Waarborgfonds te betalen het door het Waarborgfonds reeds uitgekeerde bedrag van

€ 248.420,85, te vermeerderen met de nader te bepalen kosten van beslaglegging en de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Hop Hekwerken in de kosten van de procedure.

3.2. Het Waarborgfonds legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [betrokkene2] heeft zowel Hop Hekwerken als [betrokkene1] aansprakelijk gesteld, maar beiden hebben de aansprakelijkheid afgewezen. [betrokkene2] heeft zich vervolgens op de voet van artikel 25 lid 1 onder e WAM met een verzoek om schadevergoeding tot het Waarborgfonds gewend. Het Waarborgfonds heeft de aansprakelijkheid erkend – waarbij het zich een beroep op eigen schuld van [betrokkene2] aan de aanrijding heeft voorbehouden – en de schaderegeling ter hand genomen. Het Waarborgfonds stelt dat het voor de ten behoeve van [betrokkene2] betaalde en te betalen bedragen een verhaalsrecht heeft op Hop Hekwerken, aangezien Hop Hekwerken als ‘aansprakelijke persoon’ is te beschouwen in de zin van artikel 27 lid 1 sub a WAM en aangezien een dergelijk verhaalsrecht ook voortvloeit uit artikel 27 lid 1 laatste volzin WAM. De grondslag voor de aansprakelijkheid van Hop Hekwerken jegens [betrokkene2] is primair artikel 18 lid 1, laatste volzin, in samenhang met artikel 17 lid 1 WAM. Uit die bepalingen volgt dat de benadeelde jegens de vrijgestelde gemoedsbezwaarde dezelfde rechten heeft als hij anders jegens de verzekeraar zou hebben. Subsidiair is de grondslag dat Hop Hekwerken ingevolge artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor de schade die haar werknemer [betrokkene1] heeft veroorzaakt. Bij zowel de primaire als de subsidiaire grondslag is het uitgangspunt van het Waarborgfonds dat [betrokkene1] jegens [betrokkene2] aansprakelijk is aangezien hij heeft verzuimd de van rechts komende [betrokkene2] voorrang te verlenen.

3.3. Hop Hekwerken heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft als preliminair verweer aangevoerd dat het Waarborgfonds rechtens onvoldoende belang bij zijn vordering heeft omdat de omvang van de schade nog niet vast staat en omdat het Waarborgfonds eerst Hop Hekwerken kan aanspreken nadat het Univé, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [betrokkene1], tot betaling heeft aangesproken.

Hop Hekwerken heeft verder het verhaalsrecht van het Waarborgfonds betwist. Ook betwist zij dat zij ingevolge artikel 17 jo 18 WAM jegens [betrokkene2] aansprakelijk is. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat het beroep van het Waarborgfonds op zijn verhaalsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, althans dat slechts verhaal naar draagkracht kan worden gezocht.

Hop Hekwerken heeft betwist dat zij ingevolge artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor de verkeersfout van [betrokkene1], aangezien [betrokkene1] in strijd met de uitdrukkelijke instructies in privétijd en voor privé doeleinden de bedrijfsauto heeft gebruikt.

Meer subsidiair heeft Hop Hekwerken aangevoerd dat [betrokkene2] eigen schuld treft aan de aanrijding, aangezien hij met onder de omstandigheden te hoge snelheid het kruispunt naderde en geen gordel droeg. Ook heeft Hop Hekwerken een billijkheidscorrectie te harer gunste bepleit. Ten slotte heeft zij een beroep op matiging gedaan en zich overigens nog tegen de diverse schadeposten verweerd.

Zij heeft vervolgens geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het Waarborgfonds althans ontzegging van diens vorderingen, met veroordeling van het Waarborgfonds in de kosten van het geding en - voor zover vereist bij wege van reconventionele vordering – met opheffing van het gelegde beslag, met veroordeling van het Waarborgfonds in de kosten van het beslag.

4. De beoordeling

De preliminaire verweren

4.1. Hop Hekwerken heeft allereerst aangevoerd dat het Waarborgfonds niet in zijn vorderingen kan worden ontvangen, althans dat deze dienen te worden afgewezen, althans dat de procedure naar de parkeerrol dient te worden verwezen, omdat de omvang van de door het Waarborgfonds aan [betrokkene2] of ten behoeve van [betrokkene2] uit te keren bedragen nog niet vaststaat. De rechtbank begrijpt Hop Hekwerken zo dat zij bepleit dat op de vorderingen van het Waarborgfonds pas zal worden beslist nadat de schade van [betrokkene2] geheel is geregeld. Volgens Hop Hekwerken kan pas dan goed worden beoordeeld hoe hoog de schade is (mede in aanmerking genomen de door [betrokkene2] van de kerkelijke gemeenschap ontvangen bedragen) en welk deel daarvan op Hop Hekwerken kan worden verhaald. Daarom heeft het Waarborgfonds thans rechtens onvoldoende belang bij zijn vordering, aldus nog steeds Hop Hekwerken.

4.2. Deze verweren worden verworpen. Het feit dat nog niet duidelijk is wat de omvang van de door het Waarborgfonds aan of ten behoeve van [betrokkene2] uit te keren bedragen zal zijn, brengt niet mee dat het Waarborgfonds thans geen belang heeft bij zijn vorderingen op Hop Hekwerken. Het Waarborgfonds heeft er een rechtens te respecteren belang bij dat zal komen vast te staan of Hop Hekwerken al dan niet aansprakelijk is voor de schade die het Waarborgfonds dient te vergoeden. Daarop ziet de verklaring voor recht. Verder heeft het Waarborgfonds er een rechtens te respecteren belang bij dat Hop Hekwerken wordt veroordeeld tot vergoeding van de bedragen die het Waarborgfonds reeds heeft uitgekeerd. Dat de totale omvang van de schade nog niet bekend is, maakt dat niet anders. De verweren omtrent de hoogte van de schade zullen bij de beoordeling aan de orde moeten komen, maar maken niet dat de rechtbank de vordering thans niet eens in behandeling zou kunnen nemen. Het Waarborgfonds is derhalve ontvankelijk in zijn vorderingen. De zaak zal in dit stadium ook niet naar de parkeerrol worden verwezen.

Het verhaalsrecht

4.3. Dan ligt de vraag voor of het Waarborgfonds op grond van de WAM een verhaalsrecht jegens Hop Hekwerken heeft. Bij de beoordeling hiervan zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.

Artikel 2 lid 1 WAM:

“De bezitter van een motorrijtuig en degene aan wie het kenteken voor een motorrijtuig is opgegeven, zijn verplicht voor het motorrijtuig een verzekering te sluiten en in stand te houden welke aan de bij en krachtens deze wet gestelde bepalingen voldoet, (…).”

Artikel 6 lid 1 WAM:

“De benadeelde heeft jegens de verzekeraar door wie de aansprakelijkheid volgens deze wet is gedekt, een eigen recht op schadevergoeding. (…)”

Artikel 17 lid 1 WAM (opgenomen in hoofdstuk 2 van de wet, getiteld ‘Vrijstellingen’):

“De Staat is vrijgesteld van de verplichting tot het sluiten van een verzekering. Indien een motorrijtuig waarvoor de vrijstelling geldt, aanleiding geeft tot burgerrechtelijke aansprakelijkheid, heeft de benadeelde jegens de Staat de rechten welke hij overeenkomstig deze wet anders tegenover de verzekeraar zou hebben, terwijl de bepaling van artikel 7 van overeenkomstige toepassing is. (…)”

Artikel 18 lid 1 WAM:

“Van de verplichting tot het sluiten van een verzekering kunnen, op een daartoe aan Onze Minister van Financiën gedaan verzoek, worden vrijgesteld de in artikel 2, eerste en tweede lid, bedoelde personen die gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering. Rechtspersonen kunnen van de in de vorige zin bedoelde verplichting worden vrijgesteld, indien natuurlijke personen die bij die rechtspersonen betrokken zijn gemoedsbezwaren hebben tegen het sluiten van een verzekering. (…) Het bepaalde in de tweede (…) zin van het eerste lid van het vorige artikel is, ingeval een vrijstelling is verleend, van overeenkomstige toepassing.”

Artikel 27 lid 1 onder a WAM:

“Het fonds heeft een recht van verhaal tegen:

a. alle aansprakelijke personen; (…)

(…) Het fonds heeft voorts tegenover de verzekeraars van de aansprakelijke personen de rechten van een benadeelde.”

4.4. De vraag die thans voorligt valt in twee delen uiteen: ten eerste of artikel 18 lid 1 laatste volzin WAM meebrengt dat een benadeelde ook jegens een vrijgestelde gemoedsbezwaarde de rechten heeft welke hij overeenkomstig deze wet anders tegenover de verzekeraar zou hebben en, zo die vraag bevestigend wordt beantwoord, ten tweede de vraag of er een wettelijke grondslag bestaat voor het verhaal door het Waarborgfonds op Hop Hekwerken. In het kader van dat laatste komt de vraag aan de orde of onder het begrip ‘aansprakelijke personen’ in artikel 27 lid 1 onder a WAM ook vallen de vrijgestelde gemoedsbezwaarden die ingevolge artikel 18 WAM jegens de benadeelde aansprakelijk zijn.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat artikel 18 lid 1 laatste volzin WAM zo moet worden uitgelegd dat een benadeelde ook jegens de vrijgestelde gemoedsbezwaarde de rechten heeft welke hij anders jegens de verzekeraar zou hebben, met andere woorden, dat daaruit volgt dat de van de verzekeringsplicht vrijgestelde gemoedsbezwaarde jegens de benadeelde aansprakelijk is (indien met het motorrijtuig een ongeval wordt veroorzaakt). Op grond van artikel 6 WAM zou immers ook de verzekeraar jegens de benadeelde rechtstreeks aansprakelijk zijn geweest. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.

4.6. Om te beginnen is de tekst van artikel 17 lid 1 en artikel 18 lid 1 WAM redelijkerwijs niet voor meerdere uitleg vatbaar. In artikel 17 wordt de Staat vrijgesteld van de verzekeringsplicht, waartegenover de Staat in wezen in de positie van de verzekeraar treedt, zodat benadeelden jegens de Staat een eigen recht op schadevergoeding kunnen geldend maken. In artikel 18 lid 1 laatste volzin wordt dat bepaalde op de vrijgestelde gemoedsbezwaarde van overeenkomstige toepassing verklaard. De rechtbank ziet niet in wat dat anders zou kunnen betekenen dan dat de benadeelde ook tegenover de vrijgestelde gemoedsbezwaarde de rechten heeft welke hij overeenkomstig de wet anders tegenover de verzekeraar zou hebben. Ingevolge artikel 6 WAM (de action directe) brengt dat inderdaad een recht op schadevergoeding jegens de vrijgestelde gemoedsbezwaarde mee. Hop Hekwerken heeft ook niet verduidelijkt wat artikel 18 lid 1 laatste volzin WAM naar haar mening anders zou kunnen betekenen dan dit. Als die bepaling niet de door het Waarborgfonds bepleite betekenis zou hebben, dan is zij zinledig.

4.7. De parlementaire geschiedenis biedt bovendien, anders dan Hop Hekwerken bepleit, geen aanknopingspunt voor het oordeel dat een recht op schadevergoeding van de benadeelde jegens de vrijgestelde gemoedsbezwaarde kentekenhouder niet is beoogd. Weliswaar heeft de Minister de vrijstelling voor de Staat gemotiveerd door verwijzing naar diens draagkracht, welke motivering voor de vrijgestelde gemoedsbezwaarden niet opgaat, en ook is juist dat de Minister de gelijkstelling van de vrijgestelde gemoedsbezwaarden met de Staat verder niet heeft gemotiveerd, maar het ontbreken van een afzonderlijke motivering voor die gelijkstelling wil nog niet zeggen dat het niet de bedoeling is geweest dat ook de vrijgestelde gemoedsbezwaarden, gelijk de Staat, jegens de benadeelden aansprakelijk zijn. Dat die aansprakelijkheid wel degelijk de bedoeling is geweest blijkt niet alleen uit de tekst van de wet, maar ook overigens uit de parlementaire geschiedenis. Daartoe wordt naar de volgende passages verwezen:

Kamerstukken II 1960-61, 6342, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 14 en 15:

“Artikel 17 (…) De vrijstelling bedoeld in artikel 2 § 1 onder 3 van het verdrag wordt in het eerste lid van de onderhavige bepaling verleend aan de Staat. In verband met de grote omvang van zijn bezittingen en de grote spreiding van zijn risico’s pleegt de Staat geen verzekeringen te sluiten. De benadeelden komen daardoor niet in een slechtere positie: geen verzekeringsmaatschappij is draagkrachtiger dan de Staat.

De tweede zin verleent aan de benadeelde, naast de rechten die hij tegen de Staat krachtens de artikelen 1401 e.v. Burgerlijk Wetboek en 31 Wegenverkeerswet heeft, bovendien dezelfde rechten die hij anders jegens een verzekeraar zou hebben gehad. De verzekering moet dekken de wettelijke aansprakelijkheid niet alleen van de eigenaar van het motorrijtuig, doch ook die van iedere houder en bestuurder, ook wanneer de eigenaar niet, b.v. op grond van artikel 1403 B.W., of 31 Wegenverkeerswet, naast hen aansprakelijk is. Tengevolge van de tweede zin zal nu ook de Staat aansprakelijk zijn, indien de bestuurder van een hem toebehorend motorrijtuig een ongeval veroorzaakt, ook al is die aansprakelijkheid niet met behulp van artikel 1403 B.W. of 31 Wegenverkeerswet te construeren. (…).

Artikel 18-21 Evenals in andere gevallen van verplichte verzekering is het wenselijk een uitzondering toe te laten voor hen die gemoedsbezwaren tegen iedere verzekering hebben. Het verdrag laat in artikel 2 § 1 onder 1 zodanige vrijstelling toe, mits er een andere zekerheid is, waarop de benadeelden zich kunnen verhalen.

Artikel 18. Dit artikel behoeft na het voorgaande geen toelichting.

(…)

Artikelen 20 en 21. De gemoedsbezwaarden dragen in principe hun eigen risico. Ten behoeve van de benadeelden dient er echter een voorziening te zijn, waardoor zij steeds verhaal zullen vinden. Er moet dus, gelijk trouwens het verdrag voorschrijft, subsidiaire zekerheid zijn. Aangezien het echter te bezwarend zou zijn voor de gemoedsbezwaarden, indien zij elk voor zich een afdoende zekerheid zouden moeten stellen, is gezocht naar een gezamenlijke zekerheid. Deze kan het waarborgfonds bieden. Daartoe moet echter een geldsbedrag in het fonds worden gestort, waartoe alle gemoedsbezwaarden zullen moeten bijdragen. Ten overvloede zij er op gewezen dat het waarborgfonds niet optreedt als verzekeraar, doch uitsluitend als garant. De aansprakelijkheid van de gemoedsbezwaarden jegens het slachtoffer wordt dus ten volle gehandhaafd en het waarborgfonds kan, in de gevallen waarin het heeft betaald, zich in principe ten volle op de gemoedsbezwaarde verhalen. (…)”

4.8. Uit deze toelichting blijkt dat de gemoedsbezwaarden in principe hun eigen risico dragen. Dat wil zeggen dat gemoedsbezwaarden in principe zelf het risico dragen dat met een motorrijtuig waarvoor zij in beginsel verzekeringsplichtig zijn, een ongeval wordt veroorzaakt. Dat rechtvaardigt dat de benadeelde ook jegens gemoedsbezwaarden de rechten geldend kan maken welke hij anders jegens de verzekeraar zou hebben. Uit de geciteerde toelichting bij de artikelen 20 en 21 WAM blijkt voorts dat voor het Waarborgfonds slechts de rol van garant is weggelegd, dat wil zeggen als zekerheid voor de benadeelde voor die gevallen waarin de vrijgestelde gemoedsbezwaarde geen verhaal biedt. De toelichting spreekt met zoveel woorden van ‘subsidiaire zekerheid’, terwijl met zoveel woorden wordt gezegd dat het Waarborgfonds, indien het heeft betaald, zich in principe ten volle op de gemoedsbezwaarde kan verhalen. De eerste in 4.4. geformuleerde vraag wordt dus bevestigend beantwoord.

4.9. Dan de vraag of er een wettelijke grondslag is voor verhaal door het Waarborgfonds, indien hij aan de benadeelde schadevergoeding betaalt, op de vrijgestelde gemoedsbezwaarde.

4.10. Behalve naar de hiervoor geciteerde passages kan hieromtrent aanvullend worden gewezen op de volgende passages uit de parlementaire geschiedenis:

Kamerstukken II 1962-63, 6342, nr. 5 (Voorlopig Verslag), p. 10:

“M. Het Waarborgfonds en de financiering daarvan

(…) Het verhaal van artikel 27, lid 1, zal zich kunnen richten tegen personen, die ingevolge artikel 18 op grond van gemoedsbezwaren van verzekeringsplicht zijn vrijgesteld. Naar welke maatstaf wordt het bedrag, dat deze personen jaarlijks moeten voldoen (op grond van artikel 20) vastgesteld? Wordt gedacht aan vaststelling op basis van een normale premie of aan een lager bedrag? In het eerste geval zou er sprake zijn van een dubbele belasting van de gemoedsbezwaarde, die enerzijds zou moeten betalen, als ware hij verzekerd, en anderzijds toch voor de schade moet opkomen, omdat hij niet verzekerd is. (…)”

Kamerstukken II 1962-63, 6342, nr. 6 (Memorie van Antwoord):

“M. Het Waarborgfonds en de financiering daarvan

(…) De bijdrage van de gemoedsbezwaarden zal moeten dienen, enerzijds tot financiering van een evenredig deel van de algemene kosten van het fonds en anderzijds voor een omslag van de ten behoeve van deze groep gedane uitkeringen. Het ligt voor de hand dat deze bijdrage lager zal zijn dan een verzekeringspremie, omdat de gemoedsbezwaarden die daartoe in staat zijn, de door hun schuld veroorzaakte schade zelf zullen moeten dragen. (…)

Wel is het overeenkomstig de strekking van de wet dat de gelden, verkregen uit regres op gemoedsbezwaarden, ten goede komen aan de door hen in het bijzonder gefinancierde kas, tenzij het fonds in dat geval is opgetreden ter uitvoering van artikel 25a of c. (…)” (p. 8)

“Artikel 27. De tekst van artikel 27 is bij de nota van wijzigingen herzien. (…)

Ten slotte wordt voorgesteld het fonds de rechten van een benadeelde te geven; dit is vooral van belang voor het “eigen recht” van artikel 6 tegenover de verzekeraar van de aansprakelijke persoon.”

4.11. De Minister heeft, behalve in de slotsom van rechtsoverweging 4.7. geciteerde passage, ook in de laatste passage tot uitgangspunt genomen dat sprake zal zijn van regres op gemoedsbezwaarden. Dit strookt ook met het systeem van de wet, waarbij het Waarborgfonds de functie van garant heeft, hetgeen immers impliceert dat het Waarborgfonds tot zekerheid voor de slachtoffers strekt, maar niet tot bescherming van de vrijgestelde gemoedsbezwaarden. Of ook Hop Hekwerken is te beschouwen als een ‘aansprakelijke persoon’ als bedoeld in artikel 27 lid 1 onder a WAM kan in het midden blijven. Vast staat dat [betrokkene1] jegens [betrokkene2] aansprakelijk is omdat hij [betrokkene2] geen voorrang heeft verleend. [betrokkene1] is dus in ieder geval te beschouwen als een ‘aansprakelijke persoon’ in de zin van die bepaling. Uit artikel 27 lid 1 laatste volzin WAM volgt dat het fonds tegenover de verzekeraars van de aansprakelijke personen de rechten van een benadeelde heeft. De strekking van deze bepaling is dat aan het Waarborgfonds, gelijk aan de benadeelde zelf, een eigen recht op die verzekeraar toekomt, zo blijkt uit de hierboven geciteerde passage uit de memorie van antwoord. Dat betekent dat het Waarborgfonds jegens de verzekeraar van [betrokkene1] als bestuurder van de Volkswagen Caddy een verhaalsrecht heeft. Hop Hekwerken treedt ingevolge artikel 17 lid 1 jo 18 lid 1 WAM in de positie van de verzekeraar, zodat daaruit volgt dat het Waarborgfonds zich op Hop Hekwerken kan verhalen.

4.12. De conclusie is dan ook dat Hop Hekwerken in beginsel op grond van artikel 27 lid 1 WAM jo de artikelen 17 en 18 WAM jegens het Waarborgfonds aansprakelijk is voor de schade die het Waarborgfonds aan [betrokkene2] dient te betalen.

4.13. Nu de aansprakelijkheid van Hop Hekwerken op grond van het voorgaande is gegeven, behoeft de subsidiaire grondslag (artikel 6:170 BW) geen bespreking.

Het beroep op artikel 6:101 BW

4.14. Hop Hekwerken heeft zich voorts verweerd met de stelling dat sprake is van eigen schuld bij [betrokkene2], aangezien hij zijn gordel niet heeft gedragen en aangezien hij onder de gegeven omstandigheden te hard heeft gereden. Indien die stelling juist zou zijn, zou dat aanleiding zijn de vordering van € 248.420,85 te verminderen in evenredigheid met de mate van eigen schuld van [betrokkene2]. Bovendien zou dan de verklaring voor recht zoals gevorderd (namelijk dat voor recht wordt verklaard dat Hop Hekwerken aan het Waarborgfonds dient te vergoeden al hetgeen het Waarborgfonds ten gevolge van het ongeval van 11 september 2009 zal uitkeren, cursivering rechtbank) niet kunnen worden toegewezen, aangenomen dat het Waarborgfonds tot nu toe de schade volledig heeft voldaan. Over dat verweer wordt het volgende overwogen.

4.15. Hop Hekwerken, die zich beroept op het rechtsgevolg van de door haar gestelde feiten die een beroep op eigen schuld zouden rechtvaardigen, draagt daarvan ingevolge artikel 150 Rv de bewijslast. Het is derhalve aan Hop Hekwerken aan te tonen dat [betrokkene2] onder de omstandigheden te hard heeft gereden en dat hij geen gordel heeft gedragen.

4.16. De politie Gelderland-Midden heeft een Proces-Verbaal Verkeers Ongeval Analyse (hierna: VOA) opgemaakt. Uit dit proces-verbaal worden omtrent de Citroën Berlingo de volgende passages geciteerd:

“Autogordels

Wij zagen dat de zitplaats bestemd voor de bestuurder was voorzien van een autogordel. Wij zagen dat deze gordel doorgeknipt was door de brandweer en dat de clip aan het restant van de gordel hing. Hierdoor concluderen wij dat de bestuurder de gordel niet gedragen kan hebben. Indien de clip in het sluitstuk had gezeten en vervolgens de gordel door de brandweer doorgeknipt was, dan had de clip nog steeds in het sluitstuk gezeten.

Wij zagen dat de veiligheidsgordel bestemd voor de bestuurder plaatselijk geen sporen van uitrekking en verhitting vertoonde.” (p. 16)

“4.1.1. Proefnemingen/berekeningen

(…)

Enkel gebruikmakend van de lengte van het remblokkeerspoor van 21.7 meter (20,6 meter vóór en 1,1 meter ná de botsing) en de minimale remvertraging van 7,17 m/s2 en de maximale remvertraging van 7,70 m/s2 blijkt dat de Citroën heeft gereden met een snelheid van ten minste minimaal ongeveer 63 km/h en maximaal ongeveer 66 km/h.

(…) Het is niet aannemelijk dat de snelheid van de Citroën, inclusief het snelheidsverlies door voornoemde botsingen, direct voor eerste aftekening van de remblokkeersporen hoger heeft gelegen dan de ter plaatse maximum toegestane snelheid van 80 km/h.” (p. 19 en 20)

4.17. Als vaststaand kan worden aangenomen dat [betrokkene2] kort voor de aanrijding een snelheid had van minimaal 63 en maximaal 66 kilometer per uur. Dat volgt uit de VOA. Hop Hekwerken heeft die snelheid niet betwist terwijl ook het Waarborgfonds ter zitting heeft verklaard dat [betrokkene2] zich erbij aansluit dat hij ongeveer 66 kilometer per uur reed. Het staat echter niet vast dat [betrokkene2] ten tijde van de aanrijding geen gordel droeg. Hop Hekwerken heeft dat weliswaar onder verwijzing naar de bovengeciteerde passage uit de VOA gesteld, maar ter zitting is dat door het Waarborgfonds betwist. [betrokkene2] ontkent dat hij geen gordel heeft gedragen, zo stelt het Waarborgfonds, terwijl bovendien onduidelijk is waarom de brandweer de gordel heeft moeten doorknippen als deze niet werd gedragen. Die betwisting is voldoende gemotiveerd. Hop Hekwerken zal daarom de opdracht krijgen te bewijzen dat [betrokkene2] geen gordel droeg.

4.18. In afwachting van die bewijslevering zal het oordeel over het beroep op eigen schuld worden aangehouden. Meer in het bijzonder wordt ook aangehouden het oordeel over de vraag of de snelheid van [betrokkene2] onder de omstandigheden te hard was.

4.19. Reeds thans wordt over de billijkheidscorrectie als volgt overwogen. Hop Hekwerken heeft uiterst subsidiair bepleit dat een billijkheidscorrectie te harer gunste wordt toegepast, zeker in de rechtsverhouding tussen haar en het Waarborgfonds, in die zin dat haar aansprakelijkheid geheel vervalt. Zij heeft daartoe gesteld dat de [betrokkene2] rechtens treffende verwijten in het niet vallen bij de verkeersovertreding van [betrokkene1], mede gelet op het feit dat [betrokkene1] met geringe snelheid heeft gereden en dat hij de auto tot stilstand heeft gebracht, althans nagenoeg tot stilstand heeft gebracht alvorens de kruising op te rijden. De rechtbank neemt aan dat bedoeld zal zijn dat de [betrokkene1] treffende verwijten in het niet vallen bij de [betrokkene2] treffende verwijten. Ook heeft Hop Hekwerken aan haar beroep op de billijkheidscorrectie ten grondslag gelegd de wettelijke positie van het Waarborgfonds ten opzichte van gemoedsbezwaarden in het algemeen en [betrokkene2] en Hop Hekwerken in het bijzonder.

4.20. Zou dit verweer worden gehonoreerd, dan zou een onderzoek naar de mate van eigen schuld overbodig zijn. Het wordt echter verworpen. Hop Hekwerken kan het eigenschuldverweer jegens het Waarborgfonds inroepen op grond van in wezen het verweer dat zij niet gehouden is de schade te voldoen aan het Waarborgfonds voorzover het Waarborgfonds die niet aan [betrokkene2] had behoeven te voldoen, met andere woorden voorzover het Waarborgfonds onverplichte uitkeringen heeft gedaan. Een uitkering zou onverplicht kunnen zijn voorzover het Waarborgfonds zich op eigen schuld had kunnen beroepen. Het gaat bij dit beroep op artikel 6:101 BW dus om de rechtsverhouding tussen [betrokkene2] en [betrokkene1]. In die rechtsverhouding is er geen sprake van dat de billijkheidscorrectie zou meebrengen dat de vergoedingsplicht van [betrokkene1] (en dus Hop Hekwerken) wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of de andere omstandigheden van het geval geheel vervalt. Niet alleen is de aan [betrokkene1] te verwijten verkeersfout, het geen voorrang verlenen aan van rechts komend verkeer, bepaald ernstig, bovendien is sprake van zeer ernstig letsel aan de zijde van [betrokkene2]. Daar komt bij dat de in de WAM geboden mogelijkheid van vrijstelling van de verzekeringsplicht wegens gemoedsbezwaren niet vrijblijvend is. De keerzijde daarvan is dat in voorkomend geval de gemoedsbezwaarde jegens de benadeelde aansprakelijk is. Die aansprakelijkheid kan dan niet met een beroep op de billijkheidscorrectie vervallen op grond van het argument dat de aansprakelijkheid van de gemoedsbezwaarde wegens het ontbreken van een verzekering hard aankomt. Op die grond gaat ook het beroep op het geheel vervallen van de vergoedingsplicht gezien de bijzondere relatie tussen het Waarborgfonds en Hop Hekwerken niet op.

4.21. De beslissing op de vraag of en in welke zin overigens een billijkheidscorrectie op zijn plaats is, wordt verder aangehouden totdat op het eigenschuldverweer kan worden beslist.

Is het regres naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

4.22. Voor het geval de rechtbank zou oordelen dat aan het Waarborgfonds een verhaalsrecht toekomt, heeft Hop Hekwerken verder aangevoerd dat het beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.23. Zij baseert dat onder meer op de stelling dat de uit het ongeval voortvloeiende schade onder de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering particulieren van [betrokkene1] bij Univé valt. Het Waarborgfonds had eerst Univé dienen aan te spreken alvorens zich tot Hop Hekwerken te wenden. Hop Hekwerken heeft ter comparitie in dat verband nog opgemerkt dat [betrokkene1] bereid is aan het Waarborgfonds een procesvolmacht te verlenen om zijn vordering jegens Univé geldend te maken. Het Waarborgfonds heeft daartegen onder overlegging van correspondentie met Univé (brieven van Univé van 20 en 27 september 2010 en 5 oktober 2010) aangevoerd dat het Univé heeft aangeschreven maar dat Univé dekking heeft geweigerd. Voorts heeft het Waarborgfonds aangevoerd dat het hem vrij staat de debiteur te kiezen die hij het meest in aanmerking vindt komen.

4.24. [betrokkene1] en Hop Hekwerken zijn hoofdelijk jegens het Waarborgfonds aansprakelijk. Op ieder van hen rust immers een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade in de zin van artikel 6:102 BW, op [betrokkene1] ingevolge artikel 6:162 BW, op Hop Hekwerken ingevolge artikel 17 en 18 WAM (in combinatie met het gegeven dat [betrokkene1] als bestuurder van het motorrijtuig uit onrechtmatige daad jegens [betrokkene2] aansprakelijk is). Het Waarborgfonds handelt niet onaanvaardbaar door gebruik te maken van de hem toekomende vrijheid van deze hoofdelijke schuldenaren juist Hop Hekwerken aan te spreken. [betrokkene1] zelf zit in een gemeentelijk schuldsaneringstraject, zo heeft het Waarborgfonds onbetwist gesteld. Het is daarom niet aannemelijk dat hij enig serieus verhaal biedt, afgezien van de door Univé betwiste verzekeringsdekking onder de aansprakelijkheidsverzekering particulieren. Het is aan het Waarborgfonds de proceskansen af te wegen van een vordering jegens Univé (op basis van een door [betrokkene1] te geven procesvolmacht) en die van een vordering jegens Hop Hekwerken. Dat Hop Hekwerken zich desbewust niet heeft verzekerd is niet een reden waarom het Waarborgfonds met doorbreking van het systeem van hoofdelijke aansprakelijkheid eerst (de verzekeraar van) [betrokkene1] zou moeten aanspreken. Dat betekent dat dit verweer wordt verworpen. De rechtbank ziet hierin dus ook geen grond om het Waarborgfonds niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de zaak naar de parkeerrol te verwijzen in afwachting van een procedure tegen Univé, zoals Hop Hekwerken nog heeft bepleit.

4.25. Hop Hekwerken heeft haar stelling dat de vordering van het Waarborgfonds naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, voorts nog gebaseerd op het volgende. Zowel Hop Hekwerken als [betrokkene2] zijn wegens gemoedsbezwaren niet verzekerd. Indien aan een gemoedsbezwaarde een ongeval overkomt, kan deze daardoor niet terugvallen op verzekeringen, maar vindt geldelijke ondersteuning plaats vanuit de familie, sociale verbanden, diaconie en de (kerkelijke) gemeenschap. Een dit systeem doorkruisende risico-aansprakelijkheid (waarmee Hop Hekwerken bedoelt: een aansprakelijkheid die niet is gebaseerd op haar eigen onrechtmatige daad, maar op de onrechtmatige daad van een ander, namelijk [betrokkene1]) wordt door Hop Hekwerken als niet passend beschouwd en ervaren. Ter toelichting heeft Hop Hekwerken nog aangevoerd dat de gemoedsbezwaren zijn ingegeven door bezwaren tegen het onzekerheidsbeginsel dat een essentieel deel uitmaakt van de verzekeringsovereenkomst. Voor het vergaren van vermogen teneinde zekere – want zich reeds voorgedane – tegenslagen te boven te komen, gelden die bezwaren niet. Daarom ook dragen gemoedsbezwaarden zonder enig bezwaar bij aan het afzonderlijk beheerde fonds van het Waarborgfonds. Dat het Waarborgfonds dan verhaal zou kunnen halen op de kentekenhouder, gaat Hop Hekwerken te ver. Ten slotte wijst Hop Hekwerken er in dit verband op dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het Waarborgfonds niet alle uitgekeerde schade verhaalt.

4.26. Dit verweer wordt verworpen. Het wettelijk systeem zoals dat uit de hiervoor geciteerde citaten naar voren komt, houdt nu juist in dat de gemoedsbezwaarden vanwege hun levensovertuiging zelf het risico dragen dat met een motorrijtuig waarvoor zij in beginsel verzekeringsplichtig zouden zijn, een ongeval wordt veroorzaakt. Daarmee heeft de wetgever de gemoedsbezwaarden de ruimte gegeven overeenkomstig hun bezwaren tegen het onzekerheidsbeginsel te leven. Dat brengt dan in beginsel mee dat zij zelf het vermogen moeten vergaren ter dekking van hun aansprakelijkheid indien het risico zich verwezenlijkt. Slechts ter bescherming van de benadeelden vervult het Waarborgfonds de functie van garant. Niet valt in te zien waarom het uitoefenen van het daaruit voortvloeiende verhaalsrecht onaanvaardbaar zou zijn. Indien [betrokkene2] vanuit de gemeenschap ondersteuning ondervindt, zal dat misschien de hoogte van zijn vordering op het Waarborgfonds (en dus van diens verhaal op Hop Hekwerken) drukken, maar dat maakt het uitoefenen van dat verhaalsrecht niet onaanvaardbaar.

4.27. Dat het Waarborgfonds in de praktijk niet alle uitgekeerde schade op de vrijgestelde gemoedsbezwaarde verhaalt of kan verhalen, maakt het uitoefenen van het verhaalsrecht ook niet onaanvaardbaar. Wel zou deze omstandigheid mee kunnen worden gewogen bij de beoordeling van het verweer van Hop Hekwerken dat volledig verhaal door het Waarborgfonds haar draagkracht verre te boven gaat, zodat ook om die reden het uitoefenen van het verhaalsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij heeft er daarbij onder meer op gewezen dat zij een jong bedrijf is, dat grote investeringen heeft gedaan en dat in 2009 door de economische crisis een omvangrijk verlies heeft gedraaid. Zij heeft 25 werknemers, veelal afkomstig uit dezelfde kerkelijke kring. Het uitoefenen van het verhaal zal tot haar faillissement leiden.

4.28. Het komt de rechtbank voor dat dit verweer zal dienen te worden beoordeeld in samenhang met het beroep op matiging (artikel 6:109 BW), dat Hop Hekwerken uiterst subsidiair heeft gedaan. Hop Hekwerken baseert de stelling dat het verhaal naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en het beroep op matiging op grotendeels dezelfde, hiervoor genoemde, omstandigheden.

4.29. Het Waarborgfonds heeft aangevoerd dat het, zoals gebruikelijk, ook bij het verhaal op Hop Hekwerken prudentie zal betrachten en rekening zal houden met de draagkracht van Hop Hekwerken. Het is niet de bedoeling van het Waarborgfonds om Hop Hekwerken tot faillissement te brengen.

4.30. Het Waarborgfonds heeft ten aanzien van het beroep op matiging bepleit dat dit wordt verworpen, reeds omdat artikel 6:109 lid 2 BW naar analogie toepassing moet vinden. Artikel 6:109 lid 2 BW bepaalt dat de matiging niet mag geschieden tot een lager bedrag dan waarvoor de schuldenaar zijn aansprakelijkheid verplicht was te dekken. Weliswaar, zo stelt het Waarborgfonds, zijn de vrijgestelde gemoedsbezwaarden strikt genomen niet verplicht hun aansprakelijkheid door verzekering te dekken, maar dat neemt niet weg dat de ratio van die bepaling meebrengt dat terzake van hun aansprakelijkheid geen ruimte bestaat voor matiging. Zou dit verweer opgaan, dan zou geen reden bestaan bij het beroep op matiging de omstandigheden genoemd in artikel 6:109 lid 1 BW, waaronder de draagkracht van Hop Hekwerken, te betrekken. Het verweer dat reeds enkel op grond van 6:109 lid 2 BW geen ruimte bestaat voor matiging wordt echter verworpen. In het parlementaire debat is dit aspect aan de orde geweest, zie parl. gesch. boek 6, p. 423, waar prof. Meijers heeft opgemerkt:

“(…) het punt der personen, die zich niet willen verzekeren. (…) In Nederland zal men nooit zover gaan, dat men zegt: met die personen houden wij geen rekening. De vraag is echter: Moet hun positie gunstiger zijn dan die van de anderen? (…) Als men deze personen een matigingsrecht toekent, dat andere personen ontgaat, dan is het de vraag, of men hen, als grote groep tezamen genomen, niet te veel bevoordeelt. (…) Ik zou willen opmerken, de grond dat men geen voldoende middelen heeft, moet een matigingsgrond zijn, die met uiterste voorzichtigheid moet worden toegepast. Als men het Zwitserse wetboek neemt, ziet men, dat daar die matigingsgrond alleen wordt toegepast, als het voor de schuldenaar de economische ondergang of de onmogelijkheid het bedrijf voort te zetten (een Notlage) zou betekenen. Die grond zou men ook kunnen erkennen voor deze personen, maar voor het overige hebben zij zelf verkozen door zich niet te verzekeren een gelijk risico op zich te nemen als de anderen, die het risico gemeenschappelijk dragen.”

Hier heeft de spreker een algehele uitsluiting van vrijgestelde gemoedsbezwaarden van het beroep op matiging niet willen aanvaarden. Ook de rechtbank acht een dergelijke categorische uitsluiting onjuist. Van een verzekeringsplicht is immers geen sprake. Bovendien dragen de vrijgestelde gemoedsbezwaarden door middel van de jaarlijkse bijdrage aan de Staat (op grond van artikel 20 WAM) in feite reeds bij aan de financiële gevolgen van het risico dat één hunner niet de draagkracht heeft om de schade van een benadeelde te vergoeden. Deze bijdrage komt immers ten goede aan het Waarborgfonds ter financiering van de functie als garant. Redelijkerwijs moet het hun dan ook mogelijk zijn zich op matiging te beroepen, indien voor matiging van hun schadevergoedingsplicht op grond van de criteria van artikel 6:109 lid 1 BW aanleiding is. Dat neemt niet weg dat het feit dat de gemoedsbezwaarden zelf hebben verkozen zich niet te verzekeren, waar anderen tot het aangaan van een verzekering verplicht zijn, een gezichtspunt kan zijn bij de beoordeling van het beroep op matiging ingevolge artikel 6:109 lid 1 BW.

4.31. De beoordeling van het matigingsverweer dan wel het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid dient mede te omvatten een afweging van de vermogenspositie van Hop Hekwerken en de hoogte van de schade. De hoogte van de totale schade zal echter in deze procedure niet worden vastgesteld. De vordering van het Waarborgfonds is daar ook niet op gericht. Uit de opzet van het petitum leidt de rechtbank af dat het Waarborgfonds niet heeft beoogd in deze procedure reeds tot uitputtende schadebegroting over te gaan. Het Waarborgfonds heeft een verklaring voor recht gevorderd ‘dat Hop Hekwerken aan het Waarborgfonds dient te vergoeden al hetgeen het Waarborgfonds ten gevolge van het ongeval van 11 september 2009 zal uitkeren’ (cursivering rechtbank) en verder heeft het veroordeling tot betaling van € 248.420,85 gevorderd, de tot dusver gedane uitkeringen.

4.32. Zou de verklaring voor recht worden toegewezen zoals gevorderd, dan zou dat een verwerping van het beroep op matiging en op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid impliceren. Aan de andere kant kan op de genoemde verweren eerst worden geoordeeld nadat inzicht in de hoogte van de schade is verkregen, tot op een hoogte die meer omvat dan de algemeenheid dat een complete dwarslaesie zeer ernstig letsel betreft dat doorgaans met hoge kosten gepaard zal gaan en tot hoge schadevergoedingen leidt. Er is dus sprake van een patstelling. De rechtbank ziet de oplossing daarvoor aldus dat zij tezijnertijd bij eindvonnis weliswaar voor recht zou kunnen verklaren dat Hop Hekwerken jegens het Waarborgfonds aansprakelijk is, maar niet dat Hop Hekwerken al hetgeen het Waarborgfonds uitkeert aan [betrokkene2], dient te vergoeden. Een dergelijke verklaring voor recht zal ruimte laten om in een later stadium, indien over de totale hoogte van de schade meer duidelijkheid bestaat of indien het Waarborgfonds tussentijds nog voor verdere bedragen dan de thans gevorderde € 248.420,85 regres neemt, alsnog op het beroep op matiging en/of de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid te beslissen, zo de partijen die kwestie dan nog aan de rechtbank voorleggen.

4.33. Dat neemt niet weg dat het beroep van Hop Hekwerken op matiging en de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ook ziet, naar de rechtbank begrijpt, op de vordering van € 248.420,85 en dat daarop reeds in deze procedure dient te worden beslist. Hop Hekwerken zal bij haar conclusie na enquête gegevens in het geding kunnen brengen ter onderbouwing van haar - naar zij stelt geringe - draagkracht. De beslissing op die verweren wordt thans aangehouden.

4.34. Op de vordering tot betaling van € 248.420,85 kan voorts eerst worden beslist nadat op het eigenschuldverweer zal zijn geoordeeld. Indien er aanleiding is de vergoedingsplicht van Hop Hekwerken op grond van artikel 6:101 BW te verminderen, heeft dat immers ook gevolgen voor die vordering.

4.35. Hop Hekwerken heeft bij gebrek aan wetenschap de aansprakelijkstelling door [betrokkene2] en de erkenning van de aansprakelijkheid door het Waarborgfonds betwist. Verder heeft Hop Hekwerken betwist dat het Waarborgfonds € 248.420,85 ten behoeve van [betrokkene2] heeft betaald. Het Waarborgfonds zal bij conclusie na enquête de aansprakelijkstelling, de erkenning en de betalingsbewijzen in het geding dienen te brengen.

4.36. De beslissing op de overige verweren ten aanzien van (de hoogte van) de schade wordt eveneens aangehouden.

4.37. In de conclusie van antwoord schuilt kennelijk een reconventionele vordering tot opheffing van het beslag, die eerder aan de aandacht van de rechtbank en – naar de rechtbank aanneemt – van die van het Waarborgfonds was ontsnapt en waarover tijdens de comparitie geen debat heeft plaatsgevonden. Zo het Waarborgfonds op die vordering nog wenst te reageren kan het dat bij zijn conclusie na enquête doen.

4.38. Verder wordt iedere beslissing aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. draagt Hop Hekwerken op te bewijzen dat [betrokkene2] ten tijde van de aanrijding op 11 september 2009 geen gordel droeg,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 februari 2011 voor uitlating door Hop Hekwerken of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat Hop Hekwerken, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4. bepaalt dat Hop Hekwerken, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op donderdagen in de maanden maart tot en met mei 2011 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. A.E.B. ter Heide in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.8. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp, mr. A.E.B. ter Heide en mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2011.

coll.: AtH