Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP5618

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
AWB 09/4180
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 13d, negende lid, van de Wet VpB. Liquidatieverlies in aanmerking te nemen op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid. Voorts niet voldaan aan de voorwaarden als genoemd in besluit Staatssecretaris van Financiën d.d. 26 februari 2008 (nr. CPP2008/257M). Liquidatieverlies niet aftrekbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 711
FutD 2011-0477
V-N 2011/25.18.25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 09/4180

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 22 februari 2011

inzake

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Zwolle, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2006 een aanslag (aanslagnummer [000].V.66.0112) vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 352.362. Tevens is bij beschikking € 14.596 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 september 2009 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 15 oktober 2009, ontvangen door de rechtbank op 19 oktober 2009, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2011 te Arnhem.

Namens eiseres is daar verschenen mr. [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen mr. drs. [gemachtigde].

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiseres heeft in februari 2006 een belang van 45% verworven in [A] B.V.

Het voor dit belang opgeofferde bedrag bedraagt € 2.500.000.

[A] B.V. is op 11 augustus 2006 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is nog niet afgewikkeld.

Eiseres heeft het voor de deelneming opgeofferde bedrag als liquidatieverlies in haar aangifte VpB voor het jaar 2006 opgenomen.

Verweerder heeft dit bedrag bij het opleggen van de aanslag gecorrigeerd.

Eiseres heeft bij een brief van 22 december 2009 het Ministerie van Financiën verzocht om toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Dit verzoek is op 9 februari 2010 door het Ministerie van Financiën afgewezen.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of eiseres het voor de deelneming opgeofferde bedrag als liquidatieverlies ten laste van haar resultaat kan brengen. Deze vraag wordt door eiseres bevestigend en door verweerder ontkennend beantwoord.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Artikel 13d van de Wet Vpb (tekst 2006) luidt – voor zover van belang – als volgt:

1. De deelnemingsvrijstelling vindt geen toepassing ten aanzien van een verlies op een deelneming dat tot uitdrukking komt nadat het lichaam waarin de belastingplichtige deelneemt is ontbonden (liquidatieverlies). Ten aanzien van een deelneming in een buiten Nederland gevestigd lichaam wordt een liquidatieverlies slechts in aanmerking genomen, indien de belastingplichtige gedurende de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde jaren voor ten minste een vierde gedeelte belang heeft in dat lichaam.

2. Het liquidatieverlies wordt gesteld op het bedrag waarmede het door de belastingplichtige voor de deelneming opgeofferde bedrag het totaal van de liquidatie-uitkeringen overtreft. (…).

9. Het liquidatieverlies wordt eerst op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid in aanmerking genomen, mits:

a. geen recht geldt op enigerlei tegemoetkoming bij de belastingheffing ter zake van verliezen die bij het ontbonden lichaam onverrekend zijn gebleven, anders dan op de voet van dit artikel of artikel 13e, voor:

1°. de belastingplichtige, of een met hem verbonden lichaam;

2°. het lichaam dat of de persoon die de onderneming geheel of gedeeltelijk voortzet, of een met dat lichaam verbonden lichaam;

b. de onderneming van het ontbonden lichaam:

1°. geheel is gestaakt, dan wel

2°. geheel of gedeeltelijk is voortgezet uitsluitend door een ander dan de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam;

c. de omvang van het liquidatieverlies is gebleken en tevens blijkt dat is voldaan aan het bepaalde in de onderdelen a, 1°, en b.

In het besluit van de Staatssecretaris van Financiën d.d. 26 februari 2008

(nr. CPP2008/257M) is ten aanzien van artikel 13d, negende lid van de Wet VpB het volgende opgenomen:

“5.9. Artikel 13d, negende lid, Wet Vpb

Het negende lid van artikel 13d Wet Vpb bepaalt dat het liquidatieverlies eerst op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid in aanmerking wordt genomen, mits wordt voldaan aan een aantal wettelijke vereisten.

De keuze voor het tijdstip waarop de vereffening is voltooid wordt in de parlementaire behandeling nog nader gemotiveerd:

a.door de liquidatie van de dochter heeft de fiscus de zekerheid dat de mogelijkheid van verliescompensatie voorgoed verloren is gegaan;

b.in een eerder jaar dan waarin de vereffening van de dochter plaatsvindt kan het liquidatieverlies nog niet worden berekend, omdat dit mede afhankelijk is van de liquidatie-uitkeringen.

5.9.1. Vereffening

5.9.1.1. Tijdstip vereffening voltooid; Langlopende liquidatie

In een aantal gevallen van een langlopend faillissement of een langlopende liquidatie van lichamen waarin een deelneming wordt gehouden is mij verzocht artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toe te passen. Naar aanleiding van deze verzoeken is het volgende beleid ontwikkeld.

Indien in het achtste jaar volgende op ofwel het jaar waarin de dochter in staat van faillissement is verklaard, ofwel het jaar waarin het besluit tot liquidatie van de dochter is genomen de vereffening, buiten de wil van belanghebbende, nog niet is voltooid, keur ik goed dat het liquidatieverlies ten laste van de winst van dat achtste jaar wordt gebracht, mits belanghebbende ten genoegen van de belastingdienst verklaart dat, indien in enig jaar nog voordelen uit hoofde van de deelnemingen opkomen, deze voordelen bij het bepalen van de winst niet buiten aanmerking zullen blijven.

Indien het nog niet voltooid zijn van de vereffening is te wijten aan belanghebbende, of indien overigens bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, zulks ter beoordeling van de belastingdienst, dient het verzoek te worden voorgelegd aan het ministerie. Daar zal per geval worden bezien of er aanleiding is tot toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

(…).”

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 13d, negende lid, van de Wet VpB kan een liquidatieverlies eerst in aanmerking worden genomen op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid. Gelet op het feit dat de vereffing in het jaar 2006 niet was voltooid en eiseres niet heeft voldaan aan de voorwaarden in voornoemd besluit, heeft eiseres ten onrechte een liquidatieverlies ten laste van haar resultaat gebracht.

Ook een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule heeft eiseres niet mogen baten. Tegen de afwijzende beslissing van het Ministerie van Financiën staat echter geen beroep open bij de rechtbank. Genoemde beslissing kan immers niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 26, eerste lid, van de AWR.

Voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat de wettelijke bepalingen tot een voor haar onredelijk resultaat leiden, kan deze beroepsgrond haar niet baten. Immers, op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen staat het de rechter niet vrij formele wetgeving te toetsen op haar grondwettigheid, dan wel de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.F. Geerling, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well en mr. A.I. van Amsterdam, rechters, in tegenwoordigheid van mr.drs. J.A. Vriezen griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 22 februari 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.