Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP5594

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/864
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskosten. Werkwijze verweerdeer waarbij BPM-aangifte werd geweigerd is in strijd met het wettelijk systeem. Vergaande onzorgvuldigheid. Integrale proceskostenvergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/24.6 met annotatie van Redactie
FutD 2011-0453 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 10/864

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 22 februari 2011

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Noord, kantoor Nijmegen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Eiser heeft op 7 oktober 2009 op aangifte een bedrag van € 7.760 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan.

1.2 Bij brief van 9 oktober 2009, ontvangen door verweerder op 12 oktober 2009, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze betaling.

1.3 Bij uitspraak op bezwaar van 1 februari 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de op aangifte voldane BPM deels gegrond verklaard. Verweerder heeft de betaling verminderd met € 45 tot € 7.715.

1.4 Eiser heeft daartegen bij brief van 2 maart 2010, ontvangen door de rechtbank op 5 maart 2010, beroep ingesteld.

1.5 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.6 Eiser heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.7 Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2010 te Arnhem. Namens eiser is daar verschenen mr. [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde]), gemachtigde, bijgestaan door deskundige [A], erkend taxateur. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde].

1.8 Ter zitting hebben zowel eiser als verweerder een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op de door eiser ter zitting als bijlage bij zijn pleitnota overgelegde stukken.

Voorts achtte de rechtbank voor een juiste vaststelling van de feiten de aanwezigheid ter zitting van [B] en [C] (namens verweerder) en eiser in persoon noodzakelijk.

1.9 Eiser heeft bij brief van 2 november 2010, ontvangen door de rechtbank op 3 november 2010, een nieuw stuk, te weten een historische koerslijstuitdraai van X-Ray, ingediend.

1.10 Verweerder heeft bij brief van 18 november 2010, ontvangen door de rechtbank op 22 november 2010, gereageerd op het schorsingsbesluit.

1.11 De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2010. Namens verweerder is daar verschenen mr. [gemachtigde], bijgestaan door [C] en [B]. Eiser is daar in persoon verschenen. Naast eiser zijn mr. [gemachtigde] (gemachtigde) en [A] (hierna: [A], taxateur) verschenen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1 Eiser heeft op 6 oktober 2009 getracht om bij verweerder aangifte BPM te doen ter zake van de registratie van een personenauto van het merk [D] (hierna: de auto). De verschuldigde BPM bedroeg volgens deze aangifte

€ 6.469. Dit bedrag was gebaseerd op een taxatierapport van [A] waarin de waarde op basis van inkoop handel is vastgesteld op € 27.536. In dit taxatierapport van [A] van 6 oktober 2009 is onder meer het volgende opgenomen:

“Basiswaarde € 31.512

Correctie totaal € -3.976

Totale waarde € 27.536

(…).

Correctie van -5.500,00 op basis van marktomstandigheden (zie toelichting) doorgevoerd.

De waarde van deze auto is bepaald op basis van:

? Marktonderzoek (zie bijlagen)

(…)

Marktomstandigheden:

Wij constateren omstandigheden op de vrije Europese markt voor Automobielen op basis waarvan wij als onafhankelijke en erkende deskundige taxateurs een waardecorrectie op de voormelde koerslijst relevant vinden.”

2.2 Voornoemde aangifte is door verweerder geweigerd.

2.3 Op 7 oktober 2009 heeft eiser opnieuw aangifte gedaan. Basis hiervoor was een gewijzigd taxatierapport van [A]. Het gewijzigde taxatierapport gaat uit van een handelswaarde van € 32.841 (afschrijvingspercentage 68,80%). De te betalen BPM bedroeg € 7.715. Dit bedrag is door eiser voldaan.

2.4 In een brief van eiser met dagtekening 7 oktober 2009 gericht aan de heer [B] heeft eiser zijn bezwaren met betrekking tot de gang van zaken neergelegd. Eiser heeft deze brief persoonlijk overhandigd aan de heer [B].

2.5 Eiser heeft op 7 oktober 2009 in een e-mailbericht gericht aan [A] verslag gedaan van de gang van zaken met betrekking tot het doen van aangifte. Dit e-mailbericht luidt als volgt:

“Van: [X] [[X]@upcmail.nl]

Verzonden: woensdag 7 oktober 2009 10:01

Aan: info@[E].nl

Onderwerp: even bpm aangifte doen.

Gister, dinsdag 6 oktober had een leuke dag moeten zijn ,even bpm aangifte doen van mijn nieuwe auto bij het douane kantoor in [Q].

Maar helaas ik heb het als een ongeloofwaardige en zeer negatieve dag ervaren.

Even een uiteenzetting van mijn ervaring gister:

Ik rij met mijn nieuwe auto met eendaags kenteken naar [E] (gerechtelijk beëdigd auto taxateur ) en laat daar een taxatie doen voor de aan te geven bpm bij de douane.

Ik krijg een zeer goed uitgebreid taxatie rapport mee en ga met volle moed er mee op weg naar de douane in [Q]. Ik arriveer in [Q] en loop naar het douane kantoor en bemerk, terwijl ik langs het kantoor loop dat de raam bestikkert is met leuze als I LOVE TAX , waarna ik bij mezelf denk oei oei als dat maar goed gaat! Ik meld me bij een douane medewerker en die neemt mijn taxatie rapport aan en gaat er mee aan de slag. Na een tijde zegt hij tegen mij dat hij even moet overleggen met [R].

Hij belt naar [R] en komt met de uitslag dat het taxatie rapport niet te accepteren is en dat ze met [E] altijd problemen hebben.

Ik ben verbijstert en bel [E] wat ik moet ondernemen.

[E] verteld mijn dat ik een her taxatie aan moet vragen, dus doe ik dit en de douane medewerker gaat hiermee akkoord en vult de papieren in en zegt tegen mijn dat ik gebeld word door het taxatie bedrijf dat de douane heeft ingeschakeld.

Ik verlaat het kantoor en rij teleurgesteld naar huis.

Onderweg naar huis word ik gebeld door het door de douane ingeschakelde taxatie bedrijf en de vraagt me of hij de auto kan taxeren op donderdag 8 oktober.

Ik ga akkoord met de afspraak en rij rustig verder.

Even daarna word ik weer gebeld, deze keer door een medewerker van het douane kantoor in [Q] en meld mij dat er geen her taxatie gaat plaatsvinden .

Waarna ik hem mededeelde , hoe is dat nu mogelijk! want uw taxateur heeft met mij net een afspraak gemaakt en u hebt met mij de her taxatie papieren toch ingevuld?

Waarna hij antwoord: ja dat weet ik maar het gaat niet meer door ik heb de taxateur al afgebeld.

Mijn verstand stond even stil op dat moment en dacht ik, dit moet ik dromen, maar helaas na even mijn hoofd buiten de raam te hebben gestoken kwam ik tot de ontdekking dat dit geen droom was.

Dat de douane afspraken met me maakt en ze door derde vast laat leggen, en ze daarna zomaar heel vrolijk ze weer in kan trekken gaat mijn verstand te boven.

Je leert een kind al dat afspraak afspraak is en dat je daar niet zonder enige rede op terug kan komen, maar de douane heeft deze opvoeding waarschijnlijk gemist.

Met vriendelijke groet ,

Een teleurgestelde man:

[X]

(…).”

2.6 Eiser heeft op 9 oktober 2009 bezwaar gemaakt tegen de op aangifte voldane BPM.

2.7 Ter zitting heeft eiser medegedeeld dat gemachtigde [gemachtigde] directeur is [F] B.V. Bestuurder en enig aandeelhouder van [F] B.V. is [G] B.V. [G] B.V. is ook bestuurder en enig aandeelhouder van [H] B.V. De aandelen van [G] B.V. zijn in handen van een vennootschap onder firma waarvan [A] en [I] de vennoten zijn. [A] is werkzaam bij [H]

3. Geschil

Ten aanzien van de verschuldigde BPM

3.1 Tot de tweede zitting op 2 december 2010 was in geschil welk bedrag aan BPM eiser verschuldigd is in verband met de registratie van de auto. In het bijzonder was de inkoopwaarde van de auto in geschil. Het geschil spitste zich toe op de vraag of rekening moet worden gehouden met een hogere afschrijving zoals staat vermeld in het eerste, door verweerder geweigerde, taxatierapport.

3.2 Voorafgaand aan de tweede zitting heeft eiser bij aanvullend stuk van 2 november 2010 een koerslijstuitdraai van Xray (hierna: Xray-uitdraai) ingebracht. Op basis van die uitdraai heeft eiser de waarde van de auto bepaald op € 20.290, waarbij rekening is gehouden met kosten ad € 2.585. Op basis daarvan is sprake van een afschrijvingspercentage van 80,73 en bedraagt de BPM € 4.700.

3.3 Naar aanleiding van deze Xray-uitdraai heeft verweerder in een brief van 18 november 2010 besloten akkoord te gaan met de Xray-uitdraai, waarbij de BPM volgens hem dient te worden bepaald op € 4.765.

3.4 Ter zitting van 2 december 2010 heeft eiser medegedeeld akkoord te gaan met het door verweerder bepaalde BPM bedrag van € 4.765.

Ten aanzien van de proceskosten

3.5 In geschil is het antwoord op de vraag of aan eiser een vergoeding van de werkelijke proceskosten ad

€ 3.522,21 op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, kan worden toegekend.

4. Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

4.1 Ingevolge artikel 6, lid 1, van de de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) moet de belasting op aangifte worden voldaan.

4.2 Ingevolge het tweede lid, onder a, sub 1 van artikel 6 van de BPM moet in afwijking van artikel 10, tweede lid, en artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) de belasting ter zake van de registratie, indien deze verschuldigd is, worden betaald voorafgaande aan het tijdstip waarop het kenteken op naam wordt gesteld.

4.3 In het wettelijk systeem van heffing door middel van voldoening of afdracht op aangifte (hierna: het wettelijk systeem) rust op eiser de verplichting de door hem op de aangifte aangegeven belasting te voldoen. Eiser was derhalve gehouden een bedrag van € 6.469 op aangifte te voldoen.

4.4 Indien verweerder de hoogte van de op aangifte voldane belasting betwist kan hij de te weinig betaalde belasting op grond van het bepaalde in artikel 20 AWR naheffen. In het wettelijke systeem bestaat geen ruimte voor verweerder om (reeds voordat de belasting op aangifte is voldaan) een kenteken voor de auto te weigeren.

Ten aanzien van de verschuldigde BPM

4.5 Partijen hebben hun rechtsstrijd met betrekking tot de verschuldigde BPM in de onderhavige procedure beëindigd, in die zin dat zij eenparig concluderen tot een nadere vaststelling van de verschuldigde BPM op een bedrag van € 4.765. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

4.6 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

5.1 Eiser heeft met betrekking tot de door hem in verband met de onderhavige procedure gemaakte proceskosten in de bezwaar- en beroepsfase aanspraak gemaakt op vergoeding van de werkelijke kosten. Verweerder heeft in dit verband betoogd dat de vergoeding van de proceskosten dient te worden berekend overeenkomstig de forfaitaire normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

5.2 Indien sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit kan grond bestaan voor een integrale vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die een eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep heeft gemaakt.

5.3 Vooropgesteld dient te worden dat de heren [B] en [C] ter zitting desgevraagd – en nadat hen diverse tot de gedingstukken behorende bescheiden zijn voorgehouden – herhaaldelijk hebben verklaard zich niets te kunnen herinneren van hetgeen zich op 6 en 7 oktober 2009 heeft voorgedaan. Dit is voor de rechtbank aanleiding om de gang van zaken zoals door eiser geschetst als vaststaand aan te merken.

5.4 Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat in redelijkheid geen andere conclusie kan worden getrokken dat verweerder bij de registratie van de auto in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld en dat dit grond oplevert om een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit aanwezig te achten (vergelijk Hoge Raad 4 februari 2011, LJN: BP2975).

5.5 Eiser heeft, onder overlegging van nota’s en nadere toegelichting ter zitting, gesteld dat de kosten ter zake van de beroepsmatig verleende rechtsbijstand een bedrag van € 3.522,21 hebben belopen. Verweerder heeft tegen de hoogte van dit bedrag geen enkel verweer gevoerd. Mitsdien zal de rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding van dit bedrag – dat de rechtbank niet onredelijk voorkomt – uitgaan.

5.6 Voorts heeft verweerder gesteld, maar onvoldoende onderbouwd, dat [A] ter zitting van 27 oktober 2010 niet als deskundige maar tot bijstand van gemachtigde [gemachtigde], aanwezig is geweest. Eiser heeft verweerders stelling gemotiveerd betwist. De rechtbank volgt de stelling van eiser en overweegt dat [A] vanuit zijn specifieke deskundigheid als taxateur van auto’s op zitting van 27 oktober 2010 aanwezig is geweest. De gemachtigde van eiser, [gemachtigde], is geen taxateur en ontbeert derhalve die specifieke deskundigheid. In casu heeft eiser derhalve kosten gemaakt vanwege inschakeling van twee verschillende personen, die ieder beschikken over hun eigen specifieke expertise.

5.7 Voorts overweegt de rechtbank dat ook de omstandigheid dat [F] en [H] B.V. gelieerde vennootschappen zijn, niet in de weg aan het gegeven dat [A] als onafhankelijke deskundige wordt aangemerkt. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de gemachtigde van eiser en [A] in een gezagsverhouding tot elkaar staan. Dat vermenging van de functies van gemachtigde en deskundige heeft plaatsgevonden, is niet aannemelijk geworden. De omstandigheid dat de ondernemingen waarvoor beiden werken kantoor houden op hetzelfde adres, is daarvoor niet voldoende.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert het verschuldigde bedrag aan BPM tot € 4.765;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 3.522,21;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan eiser vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.F. Geerling, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M.J. Sangster, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 22 februari 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.