Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP5381

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
05/701115-10 en 05/514384-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft vandaag een 33-jarige man uit Nijmegen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en een ter beschikkingstelling met dwangverpleging. De man heeft op 7 maart 2010 een 22-jarige beroepsmilitair bij een uitgaansgelegenheid te Groesbeek neergestoken met een mes. Het slachtoffer is tengevolge van zijn ernstige verwondingen overleden. Door de officier van justitie was voor de doodslag een gevangenisstraf van 8 jaar geëist en een ter beschikkingstelling met dwangverpleging. Door de verdediging was vrijspraak bepleit nu geen sprake zou zijn van (voorwaardelijk) opzet van de man op de dood van het slachtoffer.

De rechtbank heeft zwaarder gestraft dan door de officier van justitie was geëist omdat zij de eis onvoldoende recht vindt doen aan de ernst van deze zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/701115-10, 05/514384-08

Data zittingen : 9 juni 2010, 25 augustus 2010, 10 november 2010, 2 februari 2011,

9 februari 2011

Datum uitspraak : 23 februari 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in PI Achterhoek, HvB De Kruisberg, Hogenslagweg 8

Doetinchem.

Raadsvrouw : mr. S van Oers, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 07 maart 2010 te Groesbeek, in elk geval in de gemeente

Groesbeek, althans in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte

opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren

genomen besluit, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes,

althans een soortgelijk scherp steekwapen in de keel/hals en/of in het lichaam

en/of een of meer (andere) lichaamsdelen heeft gestoken en/of gesneden,

tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 07 maart 2010 te Groesbeek, in elk geval in de gemeente

Groesbeek, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft

beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk die [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een soortgelijk scherp

steekwapen in de keel/hals en/of in het lichaam en/of een of meer (andere)

lichaamsdelen heeft gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde

persoon is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 7 maart 2010 in de Groesbeek, in elk geval in de gemeente Groesbeek, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (een steekwond in het bovenlichaam/de hals waardoor de linker hoofdarmader, de hoofdlymfebuis en de linker grote armslagader zijn beschadigd/doorgesneden en/of de linkerlong kwab oppervlakkig is geperforeerd), heeft toegebracht, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes althans een soortgelijk scherp steekwapen in de keel/hals en/of in het lichaam en/of een of meer (andere) lichaamsdelen gestoken en/of gesneden, terwijl dat de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 9 februari 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. S van Oers, advocaat te Nijmegen.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen:

[benadeelde partij].

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie geëist dat de rechtbank de ter beschik¬kingstelling van verdachte zal gelasten en dat de rechtbank zal bevelen dat de verdachte als ter beschikking gestelde van overheids¬wege zal worden verpleegd.

De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij], waar het betreft de materiële kosten en de gederfde inkomsten van de nabestaanden. De officier van justitie verzoekt hierbij de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 7 maart 2010 te Groesbeek, heeft verdachte [slachtoffer] met een mes in zijn hals gestoken, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht de voorbedachte raad niet bewezen en vraagt vrijspraak van de onder primair ten laste gelegde moord.

De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde, doodslag, wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft opzet op de dood van het slachtoffer gehad. De officier van justitie wijst hierbij op de betrokkenheid van verdachte bij een eerder steekincident; verdachte weet uit ervaring hoe met een mes verwondingen kunnen worden toegebracht. Indien de rechtbank niet van opzet uitgaat, kan volgens de officier van justitie in elk geval voorwaardelijk opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer bewezen worden. Het steken richting het bovenlichaam met een mes met een lemmet van een bepaalde lengte behelst de aanmerkelijke kans op de dood. Bovendien, zo stelt de officier van justitie, is de wil van verdachte ook naar de uiterlijke verschijningsvorm op dit gevolg gericht. De aanmerkelijke kans op de dood mag bekend verondersteld worden.

Standpunt verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde. De verdediging heeft betoogd dat er geen sprake was van voorbedachte rade. De verdachte heeft geen tijd gehad zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat niet de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte eveneens vrij te spreken van het subsidiair tenlastegelegde. Er is geen sprake van opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer. Verdachte heeft immers weliswaar het mes gepakt en het slachtoffer van zich afgeduwd, maar heeft op dat moment niet bedacht dat hij het slachtoffer van het leven wilde beroven. Ook van voorwaardelijk opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer is geen sprake. Uit de enkele omstandigheid dat verdachte de wetenschap zou hebben dat de kans op de dood naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten in een dergelijke situatie kan niet afgeleid worden dat verdachte deze kans welbewust heeft aanvaard. Er is bij verdachte wel sprake van bewuste schuld. Hij heeft immers met grove onachtzaamheid gehandeld. Verdachte heeft echter nooit de kans op de dood van het slachtoffer op de koop toegenomen.

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde overweegt de verdediging dat er geen sprake is van opzet dan wel voorwaardelijk opzet van verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten gevolge waarvan het slachtoffer zou komen te overlijden. De verdediging overweegt hierbij dat de kans op zwaar lichamelijk letsel wel groter is dan de kans op de dood. Op dit punt wenst de verdediging zich echter te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

Feit 1, primair

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de feiten en omstandigheden niet voldoende vast komen te staan dat verdachte het mes voor het verlaten van de discotheek in zijn broekzak heeft gestoken en de discotheek vervolgens heeft verlaten met het voorgenomen besluit [slachtoffer] dodelijk letsel met dat mes toe te brengen. Met de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank niet bewezen dat er sprake is van voorbedachte rade van de verdachte gericht op de dood van [slachtoffer].

De rechtbank acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Feit 1, subsidiair

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. De in dit kader aangehaalde inhoud van bewijsmiddelen wordt steeds zakelijk weergegeven.

Op 6 maart 2010 gaat verdachte naar discotheek De Hoeve. Hij heeft een mes meegenomen, het mes waarmee [slachtoffer] uiteindelijk gestoken is. Volgens verdachte is in De Hoeve [slachtoffer] tegen hem aangelopen. Verdachte was hierover geïrriteerd en is daarom achter [slachtoffer] aan gelopen, heeft hem bij de keel gepakt en hem vervolgens tegen de muur gedrukt. [slachtoffer] deed toen niets om zich te verweren. De barman, getuige [getuige1], heeft verdachte vervolgens bij [slachtoffer] weggetrokken.

Getuige [getuige2], werkzaam in de beveiliging in De Hoeve , heeft verdachte op een gegeven moment in de gaten gehouden. Hij zag dat verdachte telkens een stapje dichter in de buurt van [slachtoffer] ging staan. Op een gegeven moment wilde verdachte heel dicht bij [slachtoffer] gaan staan. Getuige is toen tussen hen in gaan staan en heeft verdachte aangesproken. Verdachte is daarop op een blok, een stukje verderop, gaan zitten. Ongeveer twee minuten later liep [slachtoffer] weg langs de balustrade. Getuige ziet dat verdachte opstaat en in de richting van [slachtoffer] loopt. Getuige wil verdachte tegen houden en legt een arm over verdachtes borst, maar verdachte wil doorlopen. Getuige heeft dat belemmerd door verdachte stevig om de hals te pakken en tegen zich aan te trekken.

Getuige [getuige3] , werkzaam in De Hoeve als bedrijfsleider, zag dat verdachte [slachtoffer] aan wilde vallen. Getuige [getuige2] heeft verdachte daarop vastgegrepen en tegen de bar gedrukt, zodat [slachtoffer] er langs kon lopen. Getuige heeft tegen [slachtoffer] gezegd dat hij beter naar huis kon gaan. [slachtoffer] zei dat hij zou gaan. Verdachte is vervolgens met drie portiers meegelopen naar het portiershok beneden.

Getuige [getuige2] brengt met zijn collega’s verdachte naar het portiershok. Verdachte was wat onrustig en zei dat hij naar huis wilde. Getuige zag ondertussen op de camerabeelden dat [slachtoffer] bij de garderobe stond. Verdachte gaf telkens aan niet te willen gaan zitten en naar huis te willen gaan. Verdachte haalde op een gegeven moment €50,- uit zijn zak en zei dat de portiers dan wat konden drinken van hem. Verdachte zei ‘dat hij het met hem nog wel op zou lossen’. [getuige2] begreep dat verdachte hiermee kennelijk [slachtoffer] bedoelde. Uiteindelijk hebben de portiers verdachte laten gaan.

In een proces-verbaal van bevindingen is door verbalisanten beschreven wat er op de camerabeelden van diverse camera’s van De Hoeve te zien is vanaf het moment dat verdachte het portiershok verlaat. Verdachte loopt vanuit het portiershok richting de uitgang van De Hoeve. Verdachte bukt, tilt zijn rechtervoet op, en met zijn handen verricht hij handelingen bij zijn opgeheven enkel. Vanuit een andere camera is te zien dat de verdachte vervolgens kennelijk overeind komt. Verdachte beweegt beide handen naar achter zijn rug (op heuphoogte). Verdachte loopt naar buiten. Hij kijkt naar rechts, dan naar links en loopt dan naar links.

Getuige [getuige4] fietste langs De Hoeve en ziet een jongen met kort donker stekeltjeshaar (hierna: verdachte) die achter een jongen met een kaal hoofd (hierna: [slachtoffer]) en twee meisjes (getuigen [getuige5] en [getuige6]) aan loopt. Verdachte maakte een achterwaartse beweging met zijn rechter been en vervolgens met kracht een voorwaartse beweging. De voet van verdachte kwam op het rechterbovenbeen van [slachtoffer] terecht. [slachtoffer] draaide zich om en pakte verdachte met twee armen stevig bij zijn middel en duwde hem naar de grond. Verdachte was hierbij op de grond terecht gekomen. [slachtoffer] sloeg verdachte. [slachtoffer] maakte met een gebalde vuist een achterwaartse beweging. Getuige [getuige4] heeft niet gezien of [slachtoffer] verdachte geraakt heeft.

Getuige [getuige5] heeft verklaard dat zij samen met [getuige6] en [slachtoffer] die avond naar buiten liep. Na een aantal meters kwam een jongen (hierna: verdachte) achter hen aan. Verdachte begon onmiddellijk met [slachtoffer] te vechten. [getuige5] en [getuige6] zijn toen weggerend om de bewaking te halen. Toen ze later weer terug kwam zag ze verdachte bij [slachtoffer] staan. [slachtoffer] lag op de grond in het bloed en was niet meer bij bewustzijn.

Getuige [getuige7], werkzaam als beveiliger in De Hoeve, werd gewaarschuwd en toen hij buiten kwam zag hij dat verdachte bij [slachtoffer] stond. [slachtoffer] lag op de grond.

De bevindingen van het NFI houden in dat [slachtoffer] is overleden aan de gevolgen van uitwendig inwerkend perforerend geweld op het lichaam. Het vermoedelijke steekkanaal verloopt van voor aan de hals, iets rechts van het midden, van rechts naar links en voetwaarts. Het vermoedelijke steekkanaal is 8 tot 9 centimeter lang. Het steekletsel is bij leven opgelopen door steken met een scherp voorwerp, zoals een mes. In een proces-verbaal van bevindingen is opgenomen dat in de achterzijde van de jas van [slachtoffer], in het midden van het rugpand, een scherprandige perforatie van ongeveer 4 centimeter lang en 2 centimeter breed zichtbaar is. Op de rug van [slachtoffer] zijn twee onder elkaar gelegen iets winkelhaakvormige huidontvellingen geconstateerd door het NFI. Uit het schouwverslag blijkt dat de twee verwondingen op de rug kunnen passen bij een afglijdend, schampend scherp voorwerp, zoals een mes. Voorts is door het NFI een scherprandig en oppervlakkig huidletsel aan de linkerduim van [slachtoffer] geconstateerd. Deze snee kan volgens het NFI passen bij afweerletsel.

Opzet

Uit het bovenstaande blijkt dat verdachte vanaf het moment dat [slachtoffer] tegen hem is aangelopen, voortdurend de confrontatie met [slachtoffer] heeft gezocht. Ingrijpen van de beveiliging was telkens nodig om verdachte daarvan te weerhouden. Het is de portiers ook niet gelukt verdachte wat langer in het portiershok te houden omdat verdachte hoe dan ook weg wilde. Als de portiers de verdachte laten gaan voert de verdachte in de gang nog een handeling uit in de buurt van zijn enkel, waarbij hij zijn rechtervoet optilt. Verdachte geeft hiervoor ter terechtzitting geen aannemelijke verklaring. De rechtbank sluit niet uit dat verdachte het mes, waarmee hij uiteindelijk gestoken heeft, reeds hier gepakt heeft en achter zijn rug in zijn broekzak of broeksband heeft weggestoken. Uit de verklaring van getuige [getuige4] blijkt dat verdachte achter [slachtoffer] aanloopt en hem van achteren een trap geeft met zijn rechterbeen. Vervolgens ontstaat er kennelijk een worsteling tussen beiden. Op enig moment heeft verdachte hierbij het mes gebruikt, dat hij al de hele avond bij zich had. De rechtbank merkt hierbij op dat uit de diverse onderzoeken van het NFI niet volledig duidelijk is geworden in welke positie de verdachte en [slachtoffer] zich ten opzichte van elkaar bevonden vlak vóór en op het moment dat verdachte heeft gestoken. Gezien de lengte van het steekkanaal en de gaten in de jas, waarvoor geen andere aannemelijke verklaring is dan dat deze zijn veroorzaakt door het steken met een mes, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] met opzet en met kracht een diepe, dodelijke steekwond toegebracht heeft in de hals.

De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft gegeven, namelijk dat hij [slachtoffer] per ongeluk gestoken zou hebben met het mes terwijl hij hem wegduwde, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. Verdachte heeft verklaard dat het mes opeens half geopend op de grond bleek te liggen en dat hij, terwijl [slachtoffer] op hem zat, het mes bij het handvat heeft vastgepakt en dat hij het mes vervolgens niet heeft in- of uitgeklapt maar half-geopend in zijn hand hield. Zo heeft hij [slachtoffer] weggeduwd, met het mes in zijn hand. Het kan niet anders of het snijvlak van het lemmet was daarbij naar verdachtes eigen hand gericht. Het letsel bij [slachtoffer] kan echter onmogelijk zijn ontstaan op de door verdachte omschreven wijze en bij verdachte ontbreekt bovendien het letsel dat bij hem zou moeten zijn ontstaan. De handelingen van verdachte zien er, gelet op het voorgaande uit als zozeer gericht op de dood van [slachtoffer], dat het niet anders kan dan dat de verdachte het opzet had [slachtoffer] te doden.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 07 maart 2010 te Groesbeek, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk die [slachtoffer] met een mes in de hals heeft gestoken, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 13 januari 2011;

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 20 mei 2010, betreffende verdachte;

• een voorlichtingsrapport van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum, gedateerd 26 november 2010, betreffende verdachte.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie onderbouwt zijn eis met de justitiële documentatie van verdachte, het reclasseringsadvies waarin aangegeven is dat het recidiverisico hoog is en de NIFP-rapportage waarin het advies gegeven wordt een ter beschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. Voorts wijst de officier van justitie erop dat mensen die willen uitgaan dit zonder angst behoren te kunnen doen. Een levensdelict past hier niet bij. De officier van justitie wijst bovendien op de grote gevolgen van de dood van [slachtoffer] voor diens familie, vrienden en kennissen. De officier van justitie wijst er ook op dat elk berouw bij de verdachte lijkt te ontbreken en dat hetgeen gebeurd is die avond net geen voorbedachte rade oplevert.

Standpunt verdediging

Indien de rechtbank besluit tot de bewezenverklaring van één van de tenlastegelegde feiten, verzoekt de verdediging de rechtbank bij de oplegging van een straf rekening te houden met het belang van verdachte om de behandeling zo spoedig mogelijk een aanvang te laten nemen. Dat de behandeling ten spoedigste een aanvang neemt is volgens de verdediging niet alleen in het belang van verdachte zelf, maar het is ook belangrijk uit het oogpunt van beveiliging van de maatschappij. Subsidiair verzoekt de verdediging de rechtbank een executieadvies op te nemen dat inhoudt dat met de ter beschikkingstelling zal worden begonnen nadat verdachte een derde (1/3) deel van zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten.

De verdediging wijst de rechtbank voorts op enkele vergelijkbare zaken waarin lagere straffen opgelegd zijn dan zoals door de officier van justitie geëist.

Beoordeling

De rechtbank overweegt het navolgende.

Verdachte heeft bij een uitgaansgelegenheid een jonge volwassene op zeer wrede wijze het leven ontnomen. Verdachte heeft steeds de confrontatie met [slachtoffer] gezocht, nadat een onbenullig incident had plaatsgevonden, en [slachtoffer] heeft de confrontatie steeds proberen te ontlopen. Uiteindelijk heeft verdachte [slachtoffer] aangevallen. Toen [slachtoffer] zich kennelijk verweerde heeft verdachte hem krachtig in de hals gestoken met fataal gevolg. Verdachte heeft niet duidelijk weten te maken waarom hij juist met [slachtoffer] de confrontatie heeft gezocht en deze uiteindelijk heeft gestoken. Het lijkt erop dat [slachtoffer] een willekeurig ‘uitgekozen’ slachtoffer is. Een willekeurige jongeman, die geen enkele aanleiding heeft gegeven voor een agressieve reactie, vindt tijdens een avondje uit zomaar en opeens de dood door een snelle messteek.

De nabestaanden van [slachtoffer] zullen moeten leven met het nauwelijks te bevatten feit dat [slachtoffer], op deze gruwelijke wijze om het leven is gekomen. Uit hetgeen ter terechtzitting door de zus van [slachtoffer] naar voren is gebracht, blijkt te meer van het grote verdriet dat zij hebben en de grote impact die het gemis van hun zoon en broer op hun leven heeft. Voor de nabestaanden is dit een bijzonder traumatische ervaring die, naar de ervaring leert, nog gedurende lange tijd hun leven zal beïnvloeden.

De gewelddadige en zinloze doodslag op [slachtoffer] heeft bovendien de rechtsorde zeer ernstig geschokt en in de maatschappij hevige gevoelens van verontwaardiging, onrust en onveiligheid veroorzaakt.

Ook het feit dat het delict gepleegd is bij een uitgaansgelegenheid acht de rechtbank zeer kwalijk. Men gaat naar uitgaansgelegenheden toe om plezier te maken. Men dient zich hier veilig te voelen. Vechtpartijen en dodelijk geweld passen hier niet bij.

Uit het aangehaalde uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt voorts dat verdachte reeds eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld. De rechtbank neemt artikel 63 Wetboek van Strafrecht in aanmerking bij de op te leggen straf.

De rechtbank houdt er ook rekening mee dat verdachte zich gedurende de periode van voorwaardelijke invrijheidstelling schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit.

In voormeld voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland wordt aangegeven dat het recidiverisico hoog wordt ingeschat. De rapporteur beschrijft voorts dat verdachte geen zelfinzicht toont en dat hij geen last heeft van zijn delictgedrag. Emoties laat verdachte niet zien.

De rechtbank houdt ook rekening met hetgeen door C.T.H.M. Salet, psycholoog en Th. Rinne, psychiater in hun rapport naar voren is gebracht, waaraan het volgende wordt ontleend:

Bij betrokkene is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in de zin van zowel een narcistische als een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Genoemde persoonlijkheidsstoornissen zijn zodanig geprononceerd aanwezig dat gesproken kan worden van psychopathie. Daarbij is er sprake van ten minste misbruik van een sedativum en misbruik van cocaïne. Mogelijk is er sprake van afhankelijkheid van genoemde middelen en medicijnen. (…) Zonder een extern opgelegde structuur kan betrokkene in complexe, bedreigende en stressvolle situaties, in een uiterste poging om zijn controle te hervinden, zich makkelijk verbaal, maar ook fysiek agressief gedragen. Vanuit zijn narcistische persoonlijkheidsstoornis probeert betrokkene -teneinde zijn binnenwereld enigszins op orde te houden- de buitenwereld onder controle te houden door zich dominant en onkrenkbaar op te stellen. (…) Zijn rationele en weinig doorleefde spijtbetuigingen wijzen op het ontbreken van een daadwerkelijk geinternaliseerd geweten; betrokkene heeft wel weet dat hij fouten heeft begaan, echter van empathisch meeleven en/of inleven met het slachtoffer is geen sprake, hij ervaart vooral de negatieve gevolgen voor zichzelf. Genoemde stoornissen en disfuncties zijn vast verankerd in de persoonlijkheid en waren ook ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig. (…) Op grond van het bovenstaande adviseren rapporteurs betrokkene voor het tenlastegelegde, indien bewezen verklaard, verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. (…) Gezien de aard en het pathologisch karakter is het onwaarschijnlijk dat de bij betrokkene gediagnosticeerde stoornis in de impulsbeheersing, de narcistische en antisociale persoonlijkheidsstoornis en zijn middelenmisbruik zonder tussenkomst van een behandeling zullen verdwijnen. (…) Gelet op het sterk verhoogde recidivegevaar bij betrokkene en de moeizame behandelbaarheid van de bij betrokkene gediagnosticeerde stoornissen, is een behandeling binnen een gesloten setting waar betrokkene zich niet kan onttrekken aan een behandeling geïndiceerd.

De deskundigen adviseren betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

De rechtbank neemt bovenstaande bevindingen en conclusies over en maakt die tot de hare.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit, de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

De maatregel wordt voorts gegrond op het door verdachte begane misdrijf, dat behoort tot een der misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid onder 1? van het Wetboek van Strafrecht.

Nu voldaan is aan de wettelijke voorwaarden zal de rechtbank de ter beschikkingstelling gelasten en bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank acht daarnaast een gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank weegt de ernst van het gepleegde delict tegen de achtergrond van de omstandigheden waaronder het is gepleegd zwaar en acht een hogere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist passend en geboden. De rechtbank legt op een gevangenissstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Artikel 37b lid 2 Wetboek van Strafrecht biedt de rechtbank de mogelijkheid om een advies op te nemen omtrent het tijdstip waarop de ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen. De rechtbank acht het wenselijk dat zo spoedig mogelijk met de tenuitvoerlegging van de ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt aangevangen. Bij voorkeur dient deze in ieder geval na ommekomst van éénderde deel van de gevangenisstraf aan te vangen.

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mes, betreft een voorwerp met behulp waarvan het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde is begaan. De rechtbank zal dit voorwerp verbeurd verklaren.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven vier wikkels met cocaïne dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

6a. De beoordeling van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling

De feiten

Bij onherroepelijk geworden arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem d.d. 26 september 2008 is veroordeelde, tevens verdachte, onder parketnummer 21/003427-07 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Bovendien is de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 05/650561-05, zijnde 1 week hechtenis. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 01/856625-05, zijnde 1 maand gevangenisstraf. Ook is de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 05/771392-05, zijnde 2 weken gevangenisstraf.

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter van de rechtbank Arnhem d.d. 30 januari 2009 is veroordeelde, tevens verdachte, onder parketnummer 05/514384-08 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Bij onherroepelijk geworden arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam d.d. 11 juni 2009 is veroordeelde, tevens verdachte, onder parketnummer 23/005612-08 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Veroordeelde, tevens verdachte, is gelet op artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, op 19 februari 2010 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd, te weten 19 februari 2011, niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De voorwaardelijke invrijheidsstelling is, evenals genoemde algemene voorwaarde, gebaseerd op het besluit voorwaardelijke invrijheidsstelling van 6 januari 2010, welk besluit op 12 januari 2010 aan veroordeelde in persoon is uitgereikt.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft d.d. 3 augustus 2010 een schriftelijke vordering bij de rechtbank ingediend die er toe strekt dat de rechtbank de aan veroordeelde, tevens verdachte, verleende voorwaardelijke invrijheidsstelling voor de duur van 59 dagen in de zaken met parketnummers 21/003427-07, 05/514384-08 en 23/005612-08 herroept nu veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit zoals tenlastegelegd in de onderhavige zaak met parketnummer 05/701115-10.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij zijn vordering.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit tot vrijspraak van de onderhavige zaak met parketnummer 05/701115-10.

Beoordeling van de standpunten

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vordering voornoemd, nu de vordering onverwijld, te weten op 3 augustus 2010 is ontvangen op de griffie van de rechtbank en de vordering de grond bevat waarop zij berust.

De rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de vordering, omdat het strafbare feit dat in de proeftijd zou zijn gepleegd (met parketnummer 05/701115-10), haar ook ter beoordeling is voorgelegd.

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting d.d. 9 februari 2011 en de bewezen verklaring zoals hierboven vermeld is komen vast te staan dat veroordeelde zich gedurende de periode van de voorwaardelijke invrijheidsstelling schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Gelet op het voorgaande kan de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling worden toegewezen.

De vordering dient derhalve volledig te worden toegewezen.

6b. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorde¬ring, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een bedrag van € 362.000,- ten behoeve van haarzelf en haar gezin.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard wordt in haar vordering.

Beoordeling

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De ingediende vordering betreft een vordering van schade geleden door het gehele gezin. Daar uit de opgave van de vordering onvoldoende duidelijk blijkt welke schade door welk gezinslid geleden is, kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen.

Mogelijk kan de benadeelde partij de schade verhalen via de burgerlijke rechter.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 15g, 15i, 15j, 27, 36b, 36c, 36d, 37a, 37b, 63, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mes.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven 4 wikkels cocaïne.

Beveelt de teruggave aan de rechthebbende van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven 4 strips kamagra medicijnen.

De beslissing ten aanzien van de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling

Wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling in de zaken met parketnummers 21/003427-07, 05/514384-08, 23/005612-08/ vi-nummer 99/000018-16.

Gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 59 dagen, alsnog moet worden ondergaan.

Aldus gewezen door:

mr. H.P.M. Kester-Bik, rechter, als voorzitter,

mr. M.A.E. Somsen, rechter,

mr. H.C. Leemreize, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.E. Schaap, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 februari 2011.