Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP5314

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
05-800783-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van een poging tot zware mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

SECTOR STRAFRECHT

MILITAIRE KAMER

Promis II

Parketnummer : 05/800783-10

Datum zitting : 7 februari 2011

Datum uitspraak : 21 februari 2011

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : 28 november 1983 te Zeist,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

rang/reg : Soldaat der 1e klasse/ [rangnummer]

ingedeeld bij : [adres].

Raadsvrouw : mr. C.M.H. van Vliet, advocaat te 's-Gravenhage.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 oktober 2010 te Zeist tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer1], opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer1]

(met kracht) meermalen, althans eenmaal, heeft geslagen en/of gestompt en/of

voornoemde [slachtoffer1] meermalen, althans eenmaal, met geschoeide voet tegen het

hoofd heeft geschopt of getrapt (terwijl die [slachtoffer1] op de grond lag), terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 03 oktober 2010 te Zeist met een ander of anderen, op of

aan de openbare weg, [adres], in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer1] en/of [slacht[slachtoffer2] en/of [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4] en/of [slachtoffer5] en/of [slachtoffer6] en/of [slachtoffer7], welk geweld bestond uit het (meermalen)

- stompen/slaan op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer1] en/of die [slachtoffer2] en/of die [slachtoffer3] en/of die [slachtoffer4] en/of die [slachtoffer5]

en/of die [slachtoffer6] en/of die [slachtoffer7]

en/of

- (met geschoeide voet(en)) schoppen/trappen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer1] en/of die [slachtoffer2] en/of die [slachtoffer3] en/of die [slachtoffer4] en/of die [slachtoffer5]

en/of die [slachtoffer6] en/of die [slachtoffer7];

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 7 februari 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. C.M.H. van Vliet, advocaat te 's-Gravenhage.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd: [slachtoffer1].

De benadeelde partij is niet ter terechtzitting verschenen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

“Salduz’-verweer raadsvrouwe en standpunt Openbaar Ministerie

De raadsvrouw voert aan dat de verklaringen van verdachte die hij bij de politie heeft afgelegd, moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor op 3 oktober 2010 geen afstand heeft gedaan van het recht een advocaat te consulteren. In het proces-verbaal van aanhouding (pagina 46 dossier) is opgenomen dat “de verdachte voor een 2e maal gevraagd (moet) worden met betrekking tot advocaat. Verdachte is onder invloed waardoor er geen goed antwoord te verkrijgen is”.

De officier van justitie heeft benadrukt dat verdachte ook op maandag 4 oktober 2010 is gehoord, dat hij toen bij zijn eerdere verklaring is gebleven en dat hij voorafgaand aan dat verhoor wél is gewezen op zijn recht een advocaat te raadplegen, zodat het verweer niet opgaat.

Beoordeling van de standpunten

Hoewel naar het oordeel van de militaire kamer is gebleken dat verdachte op 3 oktober 2011 niet, althans niet ondubbelzinnig, afstand heeft gedaan van zijn recht een advocaat te raadplegen voor het eerste verhoor, behoeft het verweer geen nadere bespreking omdat de militaire kamer de door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen niet tot het bewijs zal bezigen.

Met inachtneming van het voorgaande wordt op grond van de bewijsmiddelen het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Vaststaande feiten

Op 3 oktober 2010 waren (’s nachts) [slachtoffer1] (hierna ‘[slachtoffer1]’), [slachtoffer5], [slachtoffer3], [slachtoffer7], [slachtoffer6], [slachtoffer4] en [slachtoffer2] ([slachtoffer2]) aanwezig op [adres].

Verdachte en zijn broer [broer verdachte] (hierna ook ‘[broer verdachte]’) zijn in diezelfde nacht van 3 oktober 2010 samen met een derde persoon (bestuurder) in een auto naar het gebied ter hoogte van de HEMA-winkel (hierna: de Hema) in Zeist gereden. De Hema is gelegen aan [adres].

Verdachte en [broer verdachte] zagen ter hoogte van de Hema een grote groep mensen staan. Zij zijn uit de auto gestapt en op de groep afgelopen. Toen is een vechtpartij ontstaan. Op 3 oktober 2010 te Zeist is [slachtoffer1] in elkaar geslagen.

Verdachte had voorafgaand aan de vechtpartij alcoholhoudende drank gedronken.

Verdachte en [broer verdachte] zijn allebei blond. Verdachte droeg die avond een spijkerbroek met een donkerbruin lederen Jack en [broer verdachte] een licht (wit) lederen korte jas. Verdachte is een stuk groter dan [broer verdachte].

Ten aanzien van feit 1

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard dat hij zich alleen nog kan herinneren dat het hem, nadat na een eerder incident waarbij hij zelf geslagen en geschopt was terug bij zijn broer in de auto was en ze terug reden naar de plek van dat eerdere incident, zwart voor zijn ogen werd en dat hij niet meer weet wat er daarna is gebeurd. De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde nu er onvoldoende bewijs voorhanden is. De verklaringen van de getuigen komen onderling niet overeen en zijn innerlijk tegenstrijdig. Alleen getuige [slachtoffer2] zou hebben gezien dat verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer1] zou hebben geschopt. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat de getuigenverklaringen, gezien het late tijdstip en de alcoholconsumptie, niet als wettig bewijs kunnen worden gebezigd. Het ontstane letsel is voorts zo beperkt dat er kennelijk geen sprake was van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voor zover [slachtoffer1] door een ander zou zijn geschopt kan verdachte daarvoor niet verantwoordelijk worden gehouden nu er geen sprake is geweest van een nauwe en bewust samenwerking. Voorts heeft bij verdachte het opzet tot het toebrengen van (zwaar) letsel ontbroken.

Beoordeling van de standpunten

Getuigenverklaringen

De militaire kamer is, anders dan door de verdediging is betoogd, van oordeel dat uit de processtukken niet blijkt en ook overigens niet aannemelijk is gemaakt dat het late tijdstip en het alcoholgebruik van de nadien als getuigen gehoorde betrokkenen, van een dusdanige invloed op hun waarnemingsvermogen is geweest dat hun verklaring in het geheel niet als bewijsmiddel zouden kunnen worden gebruikt. De militaire kamer verwerpt het verweer.

Ten aanzien van het door de raadsvrouwe ingenomen standpunt dat de verklaring van getuige [slachtoffer6] (hierna ‘[slachtoffer6]’) onbetrouwbaar is merkt de militaire kamer het volgende op.

[slachtoffer6] heeft verklaard dat ze [broer verdachte] niet kende. Zij verklaart dat het deze ‘[broer verdachte]’ was die eerder op de avond werd gezocht door haar groep omdat hij iemand zou hebben geslagen. Uit onder meer de eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting, dat men dacht dat hij iemand uit de andere groep zou hebben geslagen en dat hij daarom in elkaar was geslagen , leidt de militaire kamer af dat [slachtoffer6] met ‘[broer verdachte]’ verdachte moet hebben bedoeld. Dat is ook af te leiden uit de omschrijving die [slachtoffer6] van de persoon die zij “[broer verdachte]” noemt geeft, te weten een blonde man met een spijkerbroek en een bruin jack [broer verdachte] droeg die avond echter een wit jack terwijl verdachte een bruin jack droeg en ook overigens aan die omschrijving voldoet. De militaire kamer gaat er dan ook van uit dat [slachtoffer6] de namen van verdachte en diens broer heeft verward, en dat waar [slachtoffer6] in haar verklaring spreekt van [broer verdachte], ze verdachte heeft bedoeld. Met inachtneming van die aanpassing, acht de militaire kamer de verklaring van [slachtoffer6] op voorhand niet onbetrouwbaar.

De beoordeling van de feiten

[broer verdachte] heeft verklaard dat hij hoorde dat verdachte van achteren was aangevallen door een groep ter hoogte van de Hema op [adres] en dat hij daarop samen met verdachte en een derde persoon naar die Hema zijn gereden. Toen zij bij de Hema aankwamen zagen zij een grote groep mensen staan en hoorde [broer verdachte] verdachte zeggen: “Zijn ze dat?” waarna verdachte en [broer verdachte] uit de auto stapten“

[slachtoffer1], [slachtoffer5] en [slachtoffer2] verklaren dat zij zagen dat twee (blonde) jongens die uit een auto stapte op de groep kwamen afrennen/afspringen . [slachtoffer5] heeft verklaard dat hij zag dat de twee jongens echt met een doel direct de groep in liepen, dat ze eigenlijk voor iemand wilden gaan in de groep. [slachtoffer1] heeft verklaard dat hij zag dat twee mannen zijn kant op renden. Ook [slachtoffer3] heeft verklaard dat hij zag dat twee Nederlandse jongens direct met gebalde vuisten op [slachtoffer1] af kwam rennen. [slachtoffer1] heeft verklaard dat hij daarop direct zag en voelde dat hij een klap in het gezicht kreeg en dat hij daarna door de twee mannen tegelijkertijd met de vuist in het gezicht werd geslagen en meer klappen kreeg en dat hij bewusteloos werd geslagen. [slachtoffer3] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat een van de jongens, volgens de grote blonde jongen, [slachtoffer1] een trap tegen zijn rechter enkel gekregen waarop hij direct door zijn benen zakte. De kleinere blonde jongen maakte vervolgens een trappende beweging in de richting van de maagstreek van [slachtoffer1] maar deze raakte hem niet. [slachtoffer2] verklaart dat de “oudste” blonde jongen, die een bruin jack droeg, [slachtoffer1], toen deze op de grond terecht was gekomen nog drie maal tegen zijn hoofd heeft getrapt. Getuige [slachtoffer6] heeft hierover verklaard dat ze zag dat verdachte (“[broer verdachte]”) met de punt van zijn voet met veel kracht tegen het hoofd van [slachtoffer1] aantrapte. [slachtoffer7] heeft verklaard dat ze zag dat [slachtoffer1] door een trap tegen zijn been op de grond viel en dat [broer verdachte] en zijn broer [slachtoffer1] vervolgens bleven schoppen. Hij werd tegen zijn achterhoofd geschopt en heeft ook nog een aantal stompen gekregen. [slachtoffer1] heeft verklaard diverse bulten in zijn gelaat en op zijn hoofd te hebben opgelopen, waaronder een dikke bult onder zijn linker oog en voorts pijn aan zijn rechter oog

De militaire kamer is op basis van deze verklaringen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [slachtoffer1] door verdachte en zijn broer tezamen is aangevallen en door hen met kracht tegen het hoofd is getrapt. Anders dan de verdediging stelt sluiten de verklaringen van de verschillende getuigen op hoofdlijnen op elkaar aan en bevestigen zij elkaar over en weer. Evenmin is gebleken dat het uiteindelijk door [slachtoffer1] opgelopen letsel zo beperkt was dat dit een contra-indicatie zou zijn voor de ernst van het op hem uitgeoefende geweld. Uit de omschrijving door aangever en de getuigen van de gedragingen van de twee broers volgt dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Dat zowel verdachte als [broer verdachte] hebben ontkend dat vooraf duidelijke afspraken waren gemaakt over wat ze zouden gaan doen doet aan bovenstaand oordeel niet af. Geen van beiden hebben zich immers op enig moment van de situatie gedistantieerd, en ieder van hen is meegegaan in het gedrag van de ander terwijl beiden daarbij fors geweld tegen [slachtoffer1] zijn blijven toebrengen. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij zich de bewuste vechtpartij niet meer kan herinneren doet naar het oordeel van de militaire kamer evenmin af aan het oordeel dat ten tijde van de vechtpartij van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en diens broer sprake was.

De verweren op dit punt door de verdediging worden dan ook verworpen.

Het (met kracht) tegen het hoofd van iemand aantrappen maakt naar het oordeel van de militaire kamer dat sprake is van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd het meest kwetsbare gedeelte is van het menselijk lichaam waarbij in geval van geweld het gevolg niet zelden fataal blijkt te zijn. Bij het willekeurig trappen tegen het hoofd heeft men het niet meer in de hand of het hoofd op kwetsbare gedeelten (de slaap of het strottenhoofd) wordt geraakt. Verdachte was boos en had alcoholhoudende drank gedronken. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij in een waas heeft gehandeld. Er moet dan ook worden aangenomen dat hij ‘ongericht’ heeft getrapt.

De militaire kamer is op grond hiervan van oordeel dat verdachte en [broer verdachte], door [slachtoffer1] tegen het hoofd aan te trappen, willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat [slachtoffer1] als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Ook hierbij is niet van belang dat verdachte zich achteraf niet meer kan herinneren wat er is gebeurd. Ook het (bewijs-)verweer op dit punt wordt daarom verworpen.

Op basis van het bovenstaande acht de militair kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2

De militaire kamer is van oordeel dat ook dit feit wettig en overtuigend moet worden bewezen en overweegt daartoe het volgende.

Op het moment dat verdachte en [broer verdachte] geweld toepasten op [slachtoffer1] (feit 1) probeerde [slachtoffer3] te voorkomen dat [slachtoffer1] in zijn maag zou worden getrapt door [broer verdachte] maar dat hij vervolgens door [broer verdachte] werd geslagen. [slachtoffer3] heeft hierover verklaard dat hij zag dat de kleine blonde jongen een gebalde vuist in de richting van zijn gezicht maakte en dat hij vervolgens zag en voelde dat deze vuist tegen zijn neus en rechter oog aan kwam waarbij hij direct pijn voelde. [slachtoffer4] heeft verklaard dat hij zag dat [broer verdachte] [slachtoffer3] op zijn neus sloeg en [slachtoffer3] aansluitend een bloedneus had. [slachtoffer6] heeft verklaard dat ze zag dat [broer verdachte] [slachtoffer3] heeft geslagen. [slachtoffer7] heeft verklaard dat ze zag dat [slachtoffer3] een klap kreeg van [broer verdachte] waardoor [slachtoffer3] een bloedneus kreeg.

[slachtoffer7] is, toen ze dat laatste zag, naar beiden toegelopen en heeft gezegd dat ze het niet nodig vond dat haar vrienden werden geslagen, maar werd, zo verklaart zij, toen door [broer verdachte] geslagen. Ze heeft verklaard dat ze een klap in haar nek kreeg van [broer verdachte], waardoor ze pijn kreeg en dat ze vervolgens zag dat hij [slachtoffer6] ook een klap gaf. [slachtoffer5] heeft verklaard dat hij zag dat [slachtoffer6] een klap in de nek kreeg en [slachtoffer7] een klap in de zijkant van haar gezicht kreeg.

[slachtoffer4] werd vervolgens door [broer verdachte] bij zijn jas gegrepen, door hem tegen de ruit van de Hema aangegooid en vervolgens meerdere malen op zijn hoofd geslagen met de rechter vuist, zowel op zijn voorhoofd als op zijn achterhoofd. [slachtoffer4] heeft hierover verklaard “Ik zag dat het zwart voor mijn ogen werd, nadat hij mij had geslagen. Hij heeft mij op mijn voorhoofd geslagen en een keer op mijn achterhoofd”.

Op basis van het bovenstaande acht de militaire kamer wettig en overtuigend bewezen dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer1], [slachtoffer3], [slachtoffer7], [slachtoffer6] en [slachtoffer4].

Nu [slachtoffer5] verklaart niet aan de vechtpartij te hebben deelgenomen en zelfs niet zo dichtbij te zijn geweest dat hij de details heeft gezien, wordt verdachte vrijgesproken van het plegen van openlijk geweld voor zover dat op hem ziet. Ditzelfde geldt voor [slachtoffer2], die weliswaar bij een eerdere - niet in de tenlastelegging opgenomen - vechtpartij betrokken was maar ten aanzien van wie onduidelijk is in hoeverre het later door verdachte en zijn broer uitgeoefende geweld ook op hem gericht was.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 03 oktober 2010 te Zeist tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer1] (met kracht) meermalen heeft geslagen en/of gestompt en/of voornoemde [slachtoffer1] meermalen met geschoeide voet tegen het hoofd heeft of getrapt terwijl die [slachtoffer1] op de grond lag terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 03 oktober 2010 te Zeist met een ander aan de openbare weg, [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer1] en [slachtoffer3] en [slachtoffer5] en [slachtoffer6] en [slachtoffer7], welk geweld bestond uit het (meermalen)- stompen/slaan op/tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer1] enen/of die [slachtoffer3] en/of die [slachtoffer4] en/of die [slachtoffer6] en/of die [slachtoffer7] en met geschoeide voet(en)schoppen/trappen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer1]

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van een poging tot zware mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

5. De strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op (extensief) noodweerexces. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat er sprake was van een geval van een ‘verlengde noodweersituatie’; dit omdat verdachte eerder zelf is aangevallen en ernstig is mishandeld, als gevolg waarvan bij verdachte een hevige gemoedsbeweging is ontstaan en hij, zij het op een later tijdstip maar nog steeds onder invloed daarvan, de toelaatbare grenzen van zelfverdediging heeft overschreden. Dat er bij verdachte sprake was van een hevige gemoedstoestand blijkt volgens de raadsvrouw uit het feit dat verdachte woede, verontwaardiging, drift, angst, vrees en radeloosheid voelde. Verdachte heeft zijn toestand dan ook als “zwart voor de ogen en dacht niet meer helder” beschreven.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat, omdat verdachte meerdere klappen op zijn hoofd heeft gehad, hij een hersenschudding en tijdelijk geheugenverlies heeft opgelopen. De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat op de bewuste avond er geen moment is geweest waarop emoties langzaam hebben kunnen wegebben omdat juist het tempo van de gebeurtenissen steeds meer werd opgevoerd.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van noodweer en evenmin van noodweerexces. Uit het dossier komt veeleer naar voren dat verdachte, nadat hij zelf was aangevallen, bewust de groep is gaan opzoeken om verhaal te halen.

Beoordeling van de standpunten

Wil een beroep op extensief noodweerexces slagen, moeten de gedragingen van verdachte het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die werd veroorzaakt door een daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Verdachte heeft verklaard dat hij op zondag 3 oktober 2010 is mishandeld door meerdere personen waardoor hij hevig was geschrokken. Hij was namelijk van achteren aangevallen als gevolg waarvan hij niet in staat was geweest om zichzelf te verdedigen, terwijl hij daartoe normaliter gezien zijn vechtsportervaring, wel toe in staat zou zijn geweest.

De militaire kamer is van oordeel dat aannemelijk is dat verdachte eerder is mishandeld door (een aantal personen uit) de groep die hij later heeft opgezocht en heeft aangevallen. Eveneens acht de militaire kamer aannemelijk dat deze eerdere mishandeling, gezien de aard en intensiteit daarvan bij verdachte een hevige gemoedstoestand teweeg heeft gebracht.

Uit de verklaringen van verdachte ter terechtzitting en uit de verklaring van [broer verdachte] blijkt dat verdachte daarna is weggerend, dat hij op enig moment zijn broer is tegengekomen, dat hij bij zijn broer in een auto is gestapt, dat de bestuurder van de auto besloten heeft af te slaan in de richting van de groep, dat ze in deze auto een korte tijd hebben rondgereden en dat ze vervolgens de hierboven genoemde groep personen weer tegen zijn gekomen. Vervolgens is verdachte uit de auto gekomen en is naar de groep toegegaan. Uit deze gang van zaken volgt dat er tussen het gevecht waarbij verdachte werd aangevallen en het moment waarop hij en zijn broer de groep weer tegen kwam een aanzienlijke tijdsperiode heeft gezeten. Ook uit de verklaringen van [slachtoffer3] volgt dat er tussen deze twee momenten ongeveer 10 minuten heeft gelegen. De militaire kamer van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de hevige gemoedstoestand gedurende die hele periode is voortgezet en dat er geen moment is geweest dat verdachte zich in emotioneel opzicht weer in de hand heeft gehad. Aannemelijker is dat er een nieuwe woede/wraaklust is ontstaan op het moment dat verdachte de groep weer tegen kwam. Dit wordt bevestigd door zijn eigen verklaring ter zitting waarin hij zegt dat hij denkt dat hij is uitgestapt omdat hij de jongens had gezien die hem geslagen hadden en dat hij toen pissig is geworden omdat ze hem (eerder) tegen het hoofd hadden getrapt. Deze tweede hevige gemoedstoestand had voorkomen kunnen worden door niet samen met de broer en bestuurder terug te rijden naar de groep die verdachte had aangevallen. Gelet hierop is het oorzakelijke verband tussen de eerdere aanranding, de daardoor onstane gemoedsbeweging en het geweld dat verdachte heeft uitgeoefend te ver verwijderd om nog te kunnen spreken van noodweerexces.

Aldus is niet gebleken van feiten en omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 22 december 2010;

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de militaire kamer verzocht bij het opleggen van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de gevolgen die de gebeurtenissen van 3 oktober 2010 voor verdachte hebben gehad.

Beoordeling van de standpunten

Verdachte heeft zich, na een uitgaansavond in Zeist, samen met zijn broer schuldig gemaakt aan twee geweldsdelicten, gepleegd op de openbare weg. Daarbij is het geweld dat is gebruikt, zo heftig geweest dat als gevolg van dat geweld een slachtoffer enige minuten het bewustzijn heeft verloren en een ander slachtoffer een bloedneus heeft opgelopen. Niet alleen heeft verdachte door zijn handelen het gevoel van veiligheid van zijn slachtoffers in ernstige mate aangetast, tevens heeft verdachte door zijn handelen het gevoel van veiligheid van uitgaanspubliek in het algemeen beschadigd. Dit zijn ernstige feiten waarvoor op zichzelf oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De militaire kamer rekent verdachte zijn gedrag te meer aan omdat hij bekend is met vechtsporten en vanuit zijn beroep van militair bekend is, en getraind is op, het op verantwoorde wijze omgaan met geweldssituaties.

De militaire kamer houdt echter in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat verdachte heeft gehandeld als reactie op het feit dat hij zelf eerder die nacht door een groep personen is aangevallen waarbij hij flink letsel, waaronder een hersenschudding, heeft opgelopen.

En voorts houdt de militaire kamer rekening met de persoonlijke gevolgen voor verdachte van de gebeurtenissen van 3 oktober 2010. Verdachte heeft, zoals hij ter terechtzitting heeft toegelicht, nog steeds psychische klachten en hij staat daarvoor onder behandeling bij een psycholoog. Ten slotte is van belang dat de rechtszaak tegen zijn medeverdachte is geseponeerd.

De militaire kamer is daarom van oordeel dat voor afdoening van deze zaak volstaan kan worden met het opleggen van een werkstraf voor de duur van 80 uren.

6a. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij heeft zich overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd maar heeft geen opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van de geleden schade, nu de geleden schade reeds door de verzekeringsmaatschappij is vergoed.

De militaire kamer verklaard de benadeelde partij derhalve niet-ontvankelijk in zijn vordering.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 45, 47, 56, 141, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Het verrichten van een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, door het geval veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 40 (veertig) dagen.

De beslissing op de benadeelde partij [slachtoffer1]

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen, rechter, als voorzitter,

mr. E. de Boer, rechter,

kapitein ter zee van administratie mr. H.T. Wagenaar, militair lid,

in tegenwoordigheid van M.H. van de Pol, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 februari 2011.