Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP5155

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-02-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
05-900083-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt een luitenant-kolonel tot een werkstraf gedurende veertig uren wegens schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats voor het openbaar verkeer bestemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire kamer

Promis II

Parketnummer : 05/900083-10

Data zittingen : 11 oktober 2010 en 7 februari 2011

Datum uitspraak : 21 februari 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte]

geboren op : 13 juli 1965 te Weert,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

rang/rnr : [functie] ‘s-Gravenhage

raadsman : mr. M.E. Pennings, advocaat te Rotterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 13 januari 2010 te Delft,

opzettelijk de eerbaarheid heeft geschonden

door zich op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten

het parkeerterrein van het IKEA-warenhuis ter hoogte van [adres]

met ontbloot geslachtsdeel te bevinden en/of door (daarbij) te masturberen;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 11 oktober 2010 ter terechtzitting onderzocht. Bij tussenvonnis van 25 oktober 2010 heeft de militaire kamer het onderzoek heropend, waarna de zaak op 7 februari 2011 ter terechtzitting is onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.E. Pennings, advocaat te Rotterdam.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd: [benadeelde partij].

De officier van justitie, mr. S.Z. Wiarda, heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiar 20 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft voorts gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde partij] thans nog geen schade heeft geleden aangezien zij bij haar vordering, die uitsluitend materiële schade omvat, geen rekening maar slechts een offerte heeft overgelegd, nog daargelaten dat er naar de mening van de officier van justitie onvoldoende causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde en de gevorderde schade. De officier van justitie verzoekt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte bevond zich op 13 januari 2010 op het parkeerterrein van het IKEA-warenhuis ter hoogte van [adres] in Delft en heeft daar contact gehad met aangeefster ([benadeelde partij]), terwijl verdachte in zijn auto zat, welke auto was geparkeerd náást de auto van aangeefster. Zij hebben met elkaar gesproken..

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, kort samengevat, aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats voor het openbaar verkeer bestemd. Zij wijst daartoe op de verklaring van aangeefster die wordt ondersteund door camerabeelden. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte ongeloofwaardig, nu verdachte inconsistent heeft verklaard.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent dat hij op het parkeerterrein van het IKEA-warenhuis zijn geslachtsdeel heeft ontbloot of dat hij aldaar heeft gemastubeerd. Door de raadsman van verdachte is vrijspraak van het tenlastegelegd bepleit. Er is niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), aangezien de verklaring van aangeefster het enige bewijsmiddel is waaruit het tenlastegelegde blijkt. Aan de enkele verklaring van aangeefster kan in ieder geval niet de overtuiging worden ontleend dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Aangeefster heeft ter terechtzitting verklaard dat zij na het winkelen bij IKEA terugkwam bij haar auto en zag dat er een auto, type “jeep”, naast haar auto geparkeerd stond. Deze auto stond in de tegenovergestelde richting van haar auto en er was weinig ruimte tussen de beide auto’s. Daardoor moest ze zijwaarts met haar rug tegen haar auto tussen de auto’s lopen om in te kunnen stappen. De man die in de auto naast haar zat, deed toen het raam naar beneden en vroeg iets aan haar in het Nederlands. Ze zei dat ze geen Nederlands sprak. Ze zag dat de man met zijn linkerarm door het geopende raam het portier van haar auto vastpakte. De man had zijn broek geopend en zat met zijn geslachtsdeel ontbloot. Hij had een stijf geslachtsdeel en zat zich met zijn rechterhand af te trekken. Hij vroeg op dat moment in het Engels aan haar of alles bij haar zo groot was, ook haar borsten. Ze probeerde zo snel mogelijk het portier dicht te trekken, maar dat lukte niet omdat verdachte het vasthield. Uiteindelijk slaagde ze erin het portier met beide handen dicht te trekken. Aangeefster wilde het kenteken van de jeep noteren. Toen ze het kenteken aan het noteren was, reed verdachte weg. Daarop is ze een stuk achter hem aangereden en uiteindelijk kon ze het kenteken noteren. Het kenteken was [x].

Uit onderzoek is gebleken dat het kenteken [x] op naam van verdachte staat.

Op de camerabeelden van de beveiliging van IKEA in Delft, is – onder meer – het volgende te zien. De auto van verdachte rijdt om 10:11:51 de parkeergarage van IKEA in Delft binnen en parkeert om 10:13:38 uur achteruitrijdend in parkeervak D. Er zijn op dat moment veel lege parkeerplaatsen in de vakken B en C. Vervolgens rijdt de auto van verdachte vanaf het parkeervak D naar het parkeervak C en parkeert daar om 10:16:22 uur. De auto van aangeefster rijdt om 10:19:34 uur de parkeergarage binnen en parkeert om 10:20:19 uur vooruitrijdend in parkeervak C. Om 10:24:18 is te zien dat de persoon die van deze Audi wegloopt in de richting van de IKEA winkel een vrouw is. Om 10:25:30 uur parkeert de auto van verdachte achteruitrijdend op de parkeerplaats direct naast de auto van aangeefster. Om 10:25:33 uur rijdt verdachtes auto iets naar voren en direct weer achteruit en om 10:26:03 uur rijdt hij ongeveer twee meter naar voren en direct weer achteruit en stopt. Om 10:30:33 uur rijdt de auto van verdachte vooruit tot midden op de rijbaan, staat even stil en rijdt direct weer achteruit hetzelfde parkeervak in en stopt om 10:31:00. Er is geen persoon te zien die uitstapt of wegloopt van de auto van verdachte. Om 11:39:05 uur loopt aangeefster naar haar auto en laadt spullen in de auto. Om 11:42:16 rijdt de auto van aangeefster achteruit, stopt en rijdt om 11:43:16 nog een stukje achteruit. Om 11:43:26 rijdt de auto van verdachte vooruitrijdend recht voor de auto van aangeefster naar links weg. Daarna rijden beide auto’s achter elkaar de parkeergarage uit. Om 11:44:00 uur is het kenteken van de auto van verdachte zichtbaar.

Verdachte ontkent dat hij de tenlastegelegde handelingen heeft verricht. Hij verklaart dat hij wel met aangeefster heeft gesproken - waarbij hij heeft opgemerkt dat hij aangeefster niet aansprak maar dat hij juist door haar werd aangesproken - maar dit gesprek had een heel andere inhoud, waarbij juist door aangeefster interesse in verdachte zou zijn getoond. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij zijn auto heeft geparkeerd in het eerste vak dat hij zag dicht bij de ingang. Hij weet niet waarom hij zijn auto meerdere malen heeft verplaatst. Verder verklaart hij bij de Marechaussee, ook als hem wordt verteld dat uit de beelden blijkt dat niemand in of uit zijn auto stapte - dat hij echt wel in IKEA is geweest.

Ter terechtzitting heeft verdachte hierover een andere verklaring afgelegd. Hij kon zijn auto niet eenvoudig kwijt, omdat het die dag redelijk druk was, en hij heeft een parkeerplek gezocht die groot genoeg was voor zijn auto. Nadat hij zijn auto had geparkeerd, zag hij op zijn mobiele telefoon dat hij een gemiste oproep had en merkte hij dat hij geen ontvangst had op zijn autoradio, omdat hij zich 3 tot 4 meter onder de grond bevond. Hij heeft zijn auto toen verplaatst naar een plek waar hij wel radio-ontvangst had. Ongeveer 6 minuten nadat hij zijn auto naast de auto naast hem had geparkeerd, heeft hij zijn auto naar voren gezet omdat hij vond dat hij te dicht tegen die auto geparkeerd stond. Het kan kloppen dat hij 1 uur en 9 minuten in de auto was blijven zitten. Eigenlijk wilde hij IKEA bezoeken maar dat is er niet van gekomen. Hij heeft wel vaker een of twee uur in de auto gezeten. In die periode had hij, in verband met spanningen thuis, wel vaker een moment rust voor zichzelf nodig.

De verklaringen van verdachte zijn naar het oordeel van de militaire kamer tegenstrijdig en geven geen aannemelijke verklaring voor zijn opvallende rij- en parkeergedrag in de garage van IKEA. Verdachte heeft zijn auto meerdere malen verplaatst en heeft in totaal bijna 1,5 uur in zijn auto gezeten in een parkeergarage bij IKEA zonder IKEA te hebben bezocht. Dit laatste wordt door verdachte in eerste instantie ontkend. Nadat aangeefster haar auto in de garage heeft gezet heeft verdachte zijn auto naast de hare geplaatst. Verdachte geeft geen afdoende verklaring waarom zijn auto juist dicht naast de auto van aangeefster heeft geparkeerd, terwijl er voldoende andere lege parkeervakken beschikbaar waren. De reden die hij voor deze verplaatsing geeft, is dat hij op de eerdere parkeerplaats geen radio-ontvangst had. Echter, hij heeft zijn auto verplaatst naar een andere, nabij gelegen parkeerplaats in het zelfde parkeervak C en eveneens gelegen 3 tot 4 meter onder de grond. Daarna heeft hij zijn auto nog drie maal op en neer gereden waarna hij steeds opnieuw in dit parkeervlak, direct grenzend aan dat van aangeefster, parkeerde. Verdachte verklaart dat hij dit eenmaal heeft gedaan omdat hij vond dat hij te dicht naast de auto van aangeefster stond, maar voor de latere verplaatsingen geeft hij geen verklaring. De verklaringen die verdachte, voor het eerst ter terechtzitting, voor zijn opvallende rijgedrag geeft, wijken op meerdere punten af van zijn eerdere verklaringen bij de Marechaussee. De militaire kamer acht de verklaring van verdachte gelet op het voorgaande ongeloofwaardig.

Tegenover de verklaring van verdachte staat de verklaring van aangeefster, die op de hoofdzaken consistent is, die inhoudelijk gelijk is aan de verklaring zij kort ná het incident heeft gegeven aan verbalisanten die zij trof bij een benzinestation – terwijl zij daarbij volgens de verbalisanten een gespannen indruk maakte – en welke verklaring, ten slotte, nergens afwijkt met wat er op de camerabeelden is te zien. Die verklaring is daarmee naar het oordeel van de militaire kamer geloofwaardig en zal door de militaire kamer tot het bewijs worden gebezigd.

De verklaring van aangeefster wordt naar het oordeel van de militaire kamer ondersteund door de voornoemde camerabeelden met het opvallende (rij)gedrag van verdachte. Met name het verplaatsen door verdachte van zijn auto naast die van aangeefster, korte tijd nadat zij daar parkeerde en het IKEA-warenhuis was ingelopen, en het daar in de auto blijven zitten totdat aangeefster terug naar haar auto kwam, is een bevestiging van haar verklaring dat hij háár aansprak - en niet andersom - en vervolgens jegens haar oneerbaar gedrag vertoonde. Aangeefster heeft voorts verklaard dat zich tussen de beide auto’s zo weinig ruimte bevond dat zij zich slechts zijdelings naar de bestuurdersportier kon verplaatsen. Zij heeft verder verklaard dat verdachte vanuit zijn auto door het geopend raam met de ene hand haar portier vasthield, terwijl hij met de andere masturbeerde. De militaire kamer is van oordeel dat het opvallende gemanoeuvreer van de auto van verdachte nadat hij de auto voor het eerst naast die van aangeefster had gezet, ondersteuning bieden voor dit onderdeel van haar verklaring. Immers, temeer nu verdachte daar geen andere – aannemelijke – verklaring voor geeft, is de militaire kamer van oordeel dat deze drie manoeuvres kennelijk geen ander doel hadden dan de auto van verdachte zo te plaatsen dat deze dicht bij die van aangeefster stond waardoor aangeefster werd gedwongen om, teneinde bij haar portier te kunnen komen, verdachte zeer dicht te naderen zodat hij haar met zijn gedrag kon confronteren en waardoor verdachte de portier van aangeefster kon beetpakken.

Op basis van de verklaring van aangeefster en de camerabeelden, zoals hiervoor weergegeven, alsmede op basis van de verklaring van verdachte voor zover inhoudende dat hij op 13 januari 2010 op de parkeerplaats bij de IKEA in Delft zijn auto naast die van aangeefster had geparkeerd en aldaar contact met haar heeft gehad acht de militaire kamer wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op voor het openbaar verkeer bestemde plaats met ontbloot geslachtsdeel bevond en daarbij masturbeerde. Verdachte heeft daarmee opzettelijk de eerbaarheid geschonden.

Gelet op het vorenstaande wordt het verweer van de verdediging dat niet aan het wettelijk bewijsminimum zoals dat voortvloeit artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan verworpen. In de onderhavige zaak zijn voor het tenlastegelegde feit naast de verklaring van aangeefster immers nog andere wettige bewijsmiddelen voorhanden, te weten de camerabeelden en - een deel van - de verklaring van verdachte.

Bewezenverklaring

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 13 januari 2010 te Delft, opzettelijk de eerbaarheid heeft geschonden door zich op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten het parkeerterrein van het IKEA-warenhuis ter hoogte van [adres] met ontbloot geslachtsdeel te bevinden en door (daarbij) te masturberen;

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats voor het openbaar verkeer bestemd.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sancties

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 21 december 2010.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ter zake van het tenlastegelegde gerekwireerd tot oplegging van een werkstraf voor de duur van 40 uren. De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege het feit dat verdachte een ‘first offender’ is en dat hij het portier van de auto van mevrouw Johannessen heeft vastgepakt, wat het feit naar het oordeel van de officier van justitie ernstiger maakt.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Er is geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Verdachte bevond zich op het parkeerterrein van IKEA met een ontbloot geslachtsdeel en masturbeerde daarbij. Dergelijk aanstootgevend gedrag levert een forse verstoring van de openbare orde op. De militaire kamer merkt daarbij op dat verdachte op het moment dat hij aan het masturberen was, het portier van de auto van aangeefster vasthield en haar op die wijze belette zich aan de gedragingen van verdachte te onttrekken.

Uit de aangehaalde justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet door de strafrechter is veroordeeld.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de militaire kamer dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een werkstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een bedrag van € 2.515,-.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu de benadeelde partij thans nog geen schade heeft geleden en nu nog niet is gebleken dat er een causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde en de eventuele schade.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering, omdat de vordering te laat is ingediend. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen omdat de benadeelde partij geen schade heeft geleden, omdat het alarmsysteem nog niet is aangelegd.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Ingevolge artikel 51g, eerste lid, Sv geschiedt de voeging als benadeelde partij voor de aanvang ter terechtzitting door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. Ingevolge het derde lid van artikel 51g Sv geschiedt de voeging ter terechtzitting door de opgave, bedoeld in het eerste lid, bij de rechter uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig artikel 311 het woord te voeren.

De zaak is op 11 oktober 2010 ter terechtzitting onderzocht. Bij tussenvonnis van 25 oktober 2010 heeft de militaire kamer het onderzoek heropend. De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft op 31 januari 2011 een vordering, strekkende tot vergoeding van de geleden schade, ingediend. Vervolgens is de zaak op 7 februari 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij hebben de officier van justitie en de verdachte (overeenkomstig artikel 322, derde lid, Sv) ingestemd met hervatting van het onderzoek in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond. Nu de officier van justitie reeds op 11 oktober 2010 heeft gerekwireerd, is de vordering tot schadevergoeding door de benadeelde partij naar het oordeel van de militaire kamer niet tijdig ingediend.

De militaire kamer zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. .

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 329 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 40 (veertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 20 (twintig) dagen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. E. de Boer (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen (rechter) en kapitein ter zee van administratie mr. H.T. Wagenaar (militair lid),

in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 februari 2011.