Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP5109

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/1395
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 117, onderdeel b, Waterschapswet

Waterschapssysteemheffing.

Belanghebbende is eigenaar van diverse percelen grond, gelegen op 20,6 meter boven NAP. Aan belanghebbende zijn voor de jaren vóór 2009 geen aanslagen waterschapsbelasting opgelegd omdat de percelen waren ingedeeld in de nulklasse. Voor 2009 heeft het waterschap aan belanghebbende een aanslag watersysteemheffing opgelegd. De rechtbank oordeelt dat de aanslag terecht is opgelegd omdat bij de watersysteemheffing niet is voorzien in de mogelijkheid van indeling in een zogenoemde nulklasse en uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever steeds een belang bij de taakuitoefening van het waterschap aanwezig acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 611
FutD 2011-0437
Belastingblad 2011/363
V-N 2011/17.32

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 10/1395

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 17 februari 2011

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Rivierenland, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 17 juli 2009 voor het belastingjaar 2009 als eigenaar van de hierna genoemde onroerende zaken de volgende aanslagen watersysteemheffing (met aanslagnummer [000]) opgelegd:

Watersysteemheffing ongebouwd (binnendijks) 6.29.35 ha GBK00 O [001] € 331,54

Watersysteemheffing ongebouwd (binnendijks) 0.05.30 ha GBK00 O [002] € 2,79

Watersysteemheffing ongebouwd (binnendijks) 0.11.75 ha GBK00 O [003] € 6,19

Watersysteemheffing ongebouwd (binnendijks) 0.05.52 ha GBK00 O [004] € 2,91

Watersysteemheffing ongebouwd (binnendijks) 18.43.52 ha GBK00 O [005] € 971,17

Watersysteemheffing ongebouwd (binnendijks) 8.37.00 ha GBK00 O [006] € 440,93

Watersysteemheffing gebouwd € 229.000 [A-straat 1] [Z] € 70,27

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen watersysteemheffing ongebouwd.

Verweerder heeft bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar, gedagtekend 6 maart 2010, de aanslagen watersysteemheffing gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 14 april 2010, ontvangen door de rechtbank op 15 april 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting de bij het verweerschrift behorende bijlagen ingediend. Deze bijlagen zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2010 te Arnhem. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

Ter zitting heeft eiser een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser woont in [Z]. Eiser is sinds 2005 eigenaar van zes percelen grond waarvoor verweerder de onder 1. vermelde aanslagen watersysteemheffing heeft opgelegd.

De percelen grond liggen binnen het taakgebied van het Waterschap Rivierenland op een hoogte van 20,6 meter boven NAP.

Aan eiser zijn voor de betrokken percelen voor de jaren tot en met 2008 geen aanslagen waterschapsbelasting opgelegd, omdat de percelen waren ingedeeld in de zogenoemde nulklasse.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht aan eiser voor het jaar 2009 aanslagen watersysteemheffing ongebouwd (binnendijks) heeft opgelegd.

Verweerder beantwoordt deze vraag bevestigend.

Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend. Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van een onredelijke belastingheffing. Eiser stelt dat hij op last van de gemeente € 25.000 heeft geïnvesteerd in een infiltratiesysteem en hem door het waterschap geen enkele waterafvoermogelijkheid is geboden. Eiser wijst er op dat in het verleden geen waterschapsbelasting verschuldigd was. Volgens eiser zijn de taken van het waterschap niet veranderd. Eiser stelt voorts dat bij de bepaling van de aankoopprijs van de percelen rekening is gehouden met het feit dat geen waterschapsbelasting verschuldigd was. Eiser doet in verband met het voorgaande ook een beroep op de hardheidsclausule. Eiser stelt verder dat het tarief te hoog is. Volgens eiser hanteert de gemeente Bergen (Noord-Limburg) een lager tarief per hectare, te weten € 30 per hectare.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat de percelen grond van eiser binnendijks zijn gelegen.

4. Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 110 van de Waterschapswet besluit het algemeen bestuur van het waterschap tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een waterschapsbelasting door het vaststellen van een belastingverordening.

Ingevolge artikel 117, onderdeel b, van de Waterschapswet wordt ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem onder de naam watersysteemheffing een heffing geheven van hen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen.

Op grond van artikel 120, eerste lid, eerste volzin, van de Waterschapswet stelt het algemeen bestuur van het waterschap een kostentoedelingsverordening vast, waarin voor elk van de categorieën heffingplichtigen de toedeling van het kostendeel is opgenomen. Op grond van artikel 120, vierde lid, van de Waterschapswet wordt de toedeling van het kostendeel voor de categorieën, bedoeld in artikel 117, onderdeel b tot en met d, bepaald op basis van de waarde van de onroerende zaken in het economische verkeer.

Op grond van artikel 121, eerste lid, onderdeel b, van de Waterschapswet geldt voor de heffing als heffingsmaatstaf ter zake van ongebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 117, onderdeel b, de oppervlakte, waarbij het tarief wordt gesteld op een gelijk bedrag per hectare.

Op grond van artikel 122, eerste lid, van de Waterschapswet, voor zover hier van belang, kan in de kostentoedelingsverordening de heffing voor buitendijks gelegen onroerende zaken en voor onroerende zaken die als waterberging worden gebruik, de heffing maximaal 75% lager worden vastgesteld.

De Verordening op de watersysteemheffing Waterschap Rivierenland 2009 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

(…)

e. kostentoedelingsverordening: de verordening van het waterschap, bedoeld in artikel 120, eerste lid, eerste volzin, van de Waterschapswet;

f. buitendijks gelegen onroerende zaken: onroerende zaken die geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn gelegen en die niet zijn onttrokken aan het stroomprofiel van de rivier; deze gebieden zijn aangegeven op de bij de kostentoedelingsverordening behorende kaart;

(…)

h. ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn;

(…)

Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen

(…)

2. De heffing wordt geheven van hen die:

(…)

b. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap;

(…)

Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken

1. Met in achtneming van het bepaalde hierover in de Kostentoedelingsverordening bedraagt het tarief van de heffing voor ongebouwde onroerende zaken € 52,68 per hectare.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met inachtneming van het bepaalde hierover in artikel 3, eerste lid van de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief voor buitendijks gelegen onroerende zaken, die geen natuurterreinen zijn € 26,34 per hectare.(…)”.

In artikel 11 van de Wet algemene bepalingen is bepaald dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.

Onredelijke belastingheffing?

Anders dan bij de met ingang van 1 januari 2009 vervallen waterschapsbelasting, is bij de watersysteemheffing in de gewijzigde Waterschapswet niet voorzien in de mogelijkheid van indeling in een zogenoemde nulklasse. De classificatie in omslagklassen is komen te vervallen. In de Memorie van Toelichting is daarover onder meer het volgende opgemerkt:

“In de nieuwe opzet worden (…) de volgende categorieën van belanghebbenden

bij het watersysteembeheer onderscheiden:

– De ingezetenen.

Zij vertegenwoordigen het algemene belang van het kunnen wonen, werken en recreëren in het waterschapsgebied.

– De eigenaren van agrarische en overige ongebouwde gronden.

Vanuit hun dagelijkse bedrijfsvoeringsbelangen hebben zij een meer dan gemiddeld belang bij peilbeheer en waterkwaliteit (beregening, irrigatie).

– De eigenaren van natuurterreinen

Het te beschermen belang betreft voor deze categorie de natuur(landschappelijke) waarde van natuurterreinen. Dit raakt het kwantitatief en kwalitatief beheer van het watersysteem.

– De eigenaren van gebouwde onroerende zaken (woningen en bedrijfspanden)

Hun belang is met name de bescherming van hun eigendom tegen wateroverlast.

Degenen die tot deze categorieën behoren, hebben per definitie belang bij de uitoefening van de taken van het waterschap. Hun rechten (zeggenschap), maar ook hun plichten (betaling) zijn daarop gebaseerd.” (Tweede Kamer, 2005-2006, 30 601, nr. 3, blz. 13-14).

en

“In de huidige bekostigingsstructuur bestaat de mogelijkheid om – door het instellen van omslagklassen – een nadere detaillering in de kostentoedeling aan te brengen (classificatie). Door te classificeren beogen waterschappen zo goed mogelijk de kosten toe te rekenen aan degenen die belang hebben bij de maatregelen. In beginsel wordt getracht zo nauwkeurig mogelijk invulling te geven aan het beginsel van kostenveroorzaking.

Bij dit wetsvoorstel is besloten de classificatie te laten vervallen. De relatie tussen de mate van belang en de omvang van de betaling is in de nieuwe kostentoedelingssystematiek een globale, hetgeen past bij het collectieve karakter van het watersysteembeheer. Classificatie, welke veelal is gebaseerd op kostenveroorzaking, past daar niet bij en verhoudt zich ook niet goed met het streven naar een eenvoudige, transparante en fiscaal-juridisch robuuste bekostigingsstructuur.

Er is echter wel reden de tarieven van de heffing van gebouwde en ongebouwde onroerende zaken niet in alle gevallen gelijk te stellen. Voor bepaalde onroerende zaken is het belang bij het watersysteembeheer duidelijk afwijkend van andere onroerende zaken. In die gevallen heeft het algemeen bestuur de mogelijkheid, maar niet de verplichting, de tarieven te differentiëren. Uit een oogpunt van uniformiteit en vereenvoudiging zijn de situaties waarin tariefdifferentiatie mogelijk is, limitatief opgesomd in de wet. Om dezelfde reden is de bandbreedte van de tariefdifferentiatie wettelijk begrensd. Afwijkende tarieven kunnen alleen worden vastgesteld voor buitendijks gelegen onroerende zaken voor onroerende zaken gelegen in bemalen gebieden en voor onroerende zaken die in hoofdzaak bestaan uit glasopstanden). De regeling is bedoeld voor uitzonderingssituaties waar het toepassen van het normale tarief evident onredelijk zou zijn.”(MvT, Kamerstukken II 2005/2006,30 601, nr. 3, pagina 26).

Uitdrukkelijk blijkt uit de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis dat de wetgever steeds een belang bij de taakuitoefening van het waterschap aanwezig acht en dat de Waterschapswet voor de watersysteemheffing in geen andere tariefsdifferentiatie voorziet dan welke is voorzien in artikel 122 van de Waterschapswet. Het geval van eiser valt daar niet onder. Deze beroepsgrond kan niet daarom slagen.

Overigens staat het de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrij om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.

Dat de aankoopprijs van de gronden mogelijk mede is bepaald door het ontbreken van waterschapslasten voor de betrokken percelen kan eiser evenmin baten. Dat raakt alleen de contractuele verhouding tussen eiser en de verkoper.

Op grond van artikel 63 van de AWR is de Minister van Financiën bevoegd om voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen.

Ingevolge artikel 126 van de Waterschapswet is dat artikel ook van toepassing in zaken betreffende de watersysteemheffing. Gelet op artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet komt deze bevoegdheid toe aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Eiser dient zich met zijn verzoek om toepassing van de hardheidsclausule dan ook daartoe te wenden. De rechtbank kan daarover geen oordeel geven.

Hoogte van tarief

Eiser heeft gesteld dat het tarief per hectare, in vergelijking met het tarief in de gemeente Bergen te Limburg, te hoog is. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat aan de categorie ongebouwde onroerende zaken teveel kosten zijn toegedeeld. Eiser heeft daarvoor te weinig aangevoerd.

Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G. Schokker, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 17 februari 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.