Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP4561

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
16/600320-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een officier van justitie bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door in een telefoongesprek met te zeggen dat hij binnen twee dagen de kop van de officier van justitie eraf geschoten zou worden. De officier van justitie heeft zich ernstig bedreigd gevoeld door deze bewoordingen. Tevens heeft hij zich door de bedreiging aan zijn adres ernstige zorgen gemaakt over de veiligheid van zijn naasten. De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring onder meer op een vergelijkend stemonderzoek. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM, zittinghoudende te UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600320-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1982] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

Gedetineerd in P.I. Vught – Nieuw Vosseveld 2 GEV te Vught

raadsman mr. M.A.W. Nillesen, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 februari 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte al dan niet samen met (een) ander(en) op 1 maart 2010 officier van justitie [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door in een telefoongesprek met parketsecretaris [getuige 1] te zeggen dat hij aan [benadeelde partij] door moest geven dat binnen twee dagen de kop van [benadeelde partij] eraf geschoten zou worden.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte van [benadeelde partij], de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] alsmede de uitkomsten van het stemvergelijkend onderzoek van deskundige Broeders en zijn aanvullende verklaring daarover bij de rechter-commissaris voor strafzaken.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op de verklaringen van twee penitentiaire inrichtingswerkers en een verbalisant die het telefoongesprek hebben beluisterd en niet de stem van verdachte, maar de stem van zijn stiefvader [getuige 3] hebben herkend.

De raadsman heeft voorts een aantal kritische kanttekeningen geplaatst bij het door deskundige Broeders uitgevoerde vergelijkend spraakonderzoek. Broeders is de enige deskundige op het gebied van het spraakonderzoek, waardoor er niemand is die hem controleert. Bovendien zijn door Broeders in zijn onderzoek slechts drie stemfragmenten van [getuige 3] gebruikt, terwijl het aantal fragmenten met de stem van verdachte dat is gebruikt in dit onderzoek veel groter was. Tenslotte sluit Broeders de mogelijkheid van stemverdraaiing niet uit.

Met betrekking tot de verklaring van getuige [getuige 2] heeft de raadsman aangevoerd dat deze verklaring niet betrouwbaar is, omdat [getuige 2] een hekel had aan verdachte en [getuige 2], bovendien bang was voor het verlies van zijn V.I..

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De handelingen die verdachte daartoe heeft verricht en die de rechtbank redengevend oordeelt voor de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – bedreiging zijn de navolgende.

Vaststaande feiten

Op 1 maart 2010, omstreeks 10.45 uur, wordt parketsecretaris [getuige 1] op zijn mobiele telefoon gebeld. Hij is op dat moment in zijn werkkamer samen met zijn collegae [benadeelde partij] en [A]. Nadat hij het gesprek heeft aangenomen, wordt door de beller - die zich Jansen noemt - gevraagd of [benadeelde partij] er is. Vervolgens zegt deze man (Jansen) dat [getuige 1] tegen [benadeelde partij] moet zeggen dat [benadeelde partij] binnen twee dagen een kogel door zijn kop zal krijgen. Daarna wordt de verbinding verbroken. Na dit gesprek heeft [getuige 1] aan [benadeelde partij] verteld wat er in het gesprek gezegd is. [benadeelde partij] heeft deze bedreiging, blijkens zijn aangifte op 2 maart 2010 uiterst serieus genomen, omdat hij vermoedde dat de bedreiging werk- gerelateerd was; bij hem bestond de overtuiging dat de bedreiging ook werkelijk ten uitvoer zou worden gebracht.

Uit nader onderzoek is gebleken dat het telefoongesprek, waarin de bedreiging plaats vond, was gevoerd vanaf toestelnummer [nummer]. Dit nummer behoort bij het telefoontoestel dat staat op afdeling C van de Penitentiaire Inrichting Achterhoek, locatie Zutphen. De letterlijke tekst van dit telefoongesprek is nader uitgewerkt in een proces-verbaal van bevindingen.

Overige bewijsmiddelen:

In het kader van het onderzoek is medegedetineerde [getuige 2] als getuige gehoord. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij op 1 maart 2010 door [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) benaderd werd met de vraag of hij het telefoonnummer van [benadeelde partij] had. Hij heeft het telefoonnummer aan [verdachte] gegeven, die het op een blaadje schreef. Verdachte liep vervolgens direct naar de telefooncel en ging bellen. Binnen drie minuten kwam verdachte terug en [getuige 2] hoorde hem tegen [getuige 3] - stiefvader van verdachte en celgenoot van [getuige 2] - zeggen dat hij gebeld had en dat hij om te voorkomen dat hij herkend zou worden had gezegd dat hij Jansen heette. Verdachte vertelde voorts dat hij tegen de persoon aan de telefoon had gezegd dat deze aan [benadeelde partij] door moest geven dat binnen drie dagen zijn kop eraf geschoten zou worden.

Na het beluisteren van de opname van het telefoongesprek heeft [getuige 2] zowel bij de politie als ook later bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in het gesprek de stem van verdachte herkent.

Twee penitentiaire inrichtingswerkers met de dienstnummers [nummer] respectievelijk [nummer] alsmede verbalisant [verbalisant] hebben de opname van het telefoongesprek ook beluisterd en hebben in dat telefoongesprek de stem van [getuige 3] herkend.

Prof. dr. A.P.A. Broeders heeft een vergelijkend spraakonderzoek uitgevoerd waarin hij

- onder meer - spraakfragmenten van verdachte en van [getuige 3] heeft vergeleken met het bewuste telefoongesprek.

Op basis van zijn onderzoek concludeert Broeders dat het betwiste materiaal hoogstwaarschijnlijk afkomstig is van dezelfde spreker als het onderzochte vergelijkingsmateriaal van [verdachte]. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is het betwiste materiaal niet van dezelfde spreker als het onderzochte vergelijksmateriaal van [getuige 3].

De rechtbank hecht grote waarde aan de uitkomsten van dit onderzoek. Broeders heeft ruime ervaring als deskundige op het gebied van vergelijkend spraakonderzoek, hetgeen mede blijkt uit het door hem tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris voor strafzaken overgelegde curriculum vitae. Ook de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, waarover Broeders ook uitvoerig heeft verklaard tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris, draagt hiertoe bij. Het feit dat Broeders in de zogenaamde blinde analyse de fragmenten van [getuige 3] allemaal in één groep plaatst en de fragmenten van verdachte, op een na, ook allemaal in één groep heeft geplaatst, maakt dat de rechtbank de conclusies van Broeders overneemt en tot de hare maakt. Bovendien heeft Broeders verklaard dat in deze zaak sprake is van optimaal vergelijkingsmateriaal.

Bewijsoverwegingen:

De rechtbank gaat voorbij aan de verklaringen van voornoemde penitentiaire inrichtingwerkers en voornoemde verbalisant omdat de rechtbank deze verklaringen niet betrouwbaar acht. De rechtbank baseert zich daarbij mede op de rapportage van Broeders en zijn aanvullende verklaring bij de rechter-commissaris. Broeders heeft bij de rechter-commissaris het belang van een zogenaamde blinde analyse benadrukt, te weten stemherkenning zonder enige voorkennis van de inhoud van de zaak. Voor de penitentiaire inrichtingwerkers geldt dat zij al wisten van de telefonische bedreiging van officier van justitie [benadeelde partij]. Bovendien hebben zij hun herkenning gebaseerd op verschillend materiaal, namelijk het zogenaamde stemgeluid dat je hoort wanneer je face-to-face met elkaar praat en het stemgeluid in een telefoonlijnopname. Dit maakt een mogelijke herkenning lastig, aldus Broeders bij de rechter-commissaris.

Verbalisant [verbalisant] heeft de stem van [getuige 3], die door hem meerdere malen is gehoord, herkend zonder dat hij tevoren wist wat voor gesprek hij te horen zou krijgen. [verbalisant] is echter niet bekend met de stem van verdachte, zodat de rechtbank ook deze verklaring onvoldoende betrouwbaar acht.

De rechtbank acht eerder genoemde verklaring van [getuige 2] geloofwaardig, met name op grond van het feit dat uit zijn verklaring een aantal elementen van daderwetenschap naar voren komt. De verdediging heeft gewezen op inconsistenties in deze verklaring. Tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft [getuige 2] een, naar het oordeel van de rechtbank redengevende, verklaring gegeven voor het feit dat zijn verklaring niet geheel consistent was, omdat hij bang was voor nadelige consequenties voor zichzelf. Het enkele feit dat [getuige 2] zichzelf op de luchtplaats van de penitentiaire inrichting kennelijk ook negatief over [benadeelde partij] heeft uitgelaten doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring niet af.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet bewezen kan worden dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd, zodat hij van dat gedeelte van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 1 maart 2010 te Zutphen en/of Arnhem [benadeelde partij] (officier van justitie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte gebeld met [getuige 1] (parketsecretaris) en die [getuige 1] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd:

- dat hij, verdachte, een mededeling had voor [benadeelde partij]

- dat binnen twee dagen de kop van die [benadeelde partij] er af geschoten wordt

- met het verzoek deze mededeling aan [benadeelde partij] door te geven,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking (welke mededeling

door die [getuige 1] aan die [benadeelde partij] is doorgegeven);

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden onvoorwaardelijk met aftrek van voorarrest.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, in geval van een bewezenverklaring, de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen, omdat deze in vergelijking met soortgelijke zaken zeer fors is.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft op 1 maart 2010 officier van justitie [benadeelde partij] bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door in een telefoongesprek met parketsecretaris [getuige 1] tegen deze [getuige 1] te zeggen dat hij aan [benadeelde partij] door moest geven dat binnen twee dagen de kop van [benadeelde partij] eraf geschoten zou worden.

[benadeelde partij] heeft zich, blijkens de door hem gedane aangifte, ernstig bedreigd gevoeld door deze bewoordingen. Tevens heeft hij zich door de bedreiging aan zijn adres ernstige zorgen gemaakt over de veiligheid van zijn naasten.

De bedreiging van [benadeelde partij] houdt direct verband met zijn werk als officier van justitie. De aanleiding voor de bedreiging was kennelijk het feit dat verdachte door de rechtbank veroordeeld was tot een langdurige gevangenisstraf en TBS in een strafzaak, waarin [benadeelde partij] de officier van justitie was. Officieren van justitie, advocaten en rechters zijn in ons land verantwoordelijk voor de handhaving van de rechtsorde. Een aanval op één van deze beroepsbeoefenaren is tevens een aanval op het rechtssysteem. De rechtbank neemt dit verdachte bijzonder kwalijk, te meer daar het hoger beroep van verdachte tegen dit vonnis nog in behandeling was en de drijfveer van verdachte onvrede lijkt te zijn over de voorlopige afloop van zijn rechtszaak. Door zijn handelen heeft verdachte blijk gegeven louter oog te hebben gehad voor zijn eigen problemen en niet stil te hebben gestaan bij de angst die hij heeft veroorzaakt bij anderen.

De bedreiging van officier van justitie [benadeelde partij] rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dit geldt te meer nu uit het uittreksel van het Justitieel Documentatieregister van 27 december 2010 blijkt dat verdachte vele malen eerder is veroordeeld. Hoewel de eerdere veroordelingen met name betrekking hebben op vermogensdelicten heeft verdachte het gebruik van geweld daarbij niet geschuwd.

De rechtbank heeft onder ogen gezien dat verdachte door deze veroordeling hoogst waarschijnlijk te zijner tijd niet in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

Alles overwegende acht de rechtbank de oplegging van een straf als door de officier van justitie is gevorderd passend en geboden.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Bruins, voorzitter, mrs. J. Ebbens en S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Koster-Nieuwenhuis, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 februari 2011.