Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP3749

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
05/900502-09 en 05/700184-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BW4764, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moord zonder lijk. Zwijgrecht. Vrijspraak. Onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor strafbare betrokkenheid van verdachte bij moord, doodslag danwel diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend. Veroordeling voor wapenbezit, diefstal, heling, valsheid in geschrift en oplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummers : 05/900502-09 en 05/700184-10, ter terechtzitting gevoegd

Data zittingen : 2 september 2009, 18 november 2009, 3 februari 2010, 31 maart 2010, 7 april

2010, 23 juni 2010, 1 september 2010, 17 november 2010 en 26 januari 2011

Datum uitspraak : 9 februari 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te Arnhem,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in HvB Ooyerhoekseweg - Zutphen, Verlengde Ooyerhoekseweg 21

Zutphen.

Raadsman : mr. F.G.L. van Ardenne, advocaat te Rotterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank ten aanzien van 05/900502-09 toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

05/900502-09

1.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 29 april 2009 tot en met

25 mei 2009 te Doorwerth, gemeente Renkum en/of te Oosterbeek, gemeente

Renkum, in elk geval in de gemeente Renkum en/of Arnhem en/of elders in

Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer1]

van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes

mededader(s) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een

(kort) tevoren genomen besluit, met een vuurwapen, meermalen, althans

eenmaal een aantal kogels/projectielen in het lichaam en/of het hoofd en/of de

nek van die [slachtoffer1] heeft/hebben geschoten en/of een of meer andere vormen van

geweld en/of andere geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die

[slachtoffer1] en/of tegen die [slachtoffer1] heeft/hebben toegepast/uitgeoefend, tengevolge

waarvan voornoemde persoon is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeksde periode van 29 april 2009 tot en met 25 mei 2009 te

Doorwerth, gemeente Renkum en/of te Oosterbeek gemeente Renkum, in elk geval

in de gemeente Renkum en/of in de gemeente Arnhem en/of elders in Nederland,

althans alleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk [slachtoffer1] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande

dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk met een vuurwapen een

aantal kogels/projectielen in het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van

die [slachtoffer1] heeft/hebben geschoten en/of een of meer andere vormen van geweld

en/of geweldshandelingen heeft/hebben toegepast/uitgeoefend op het hoofd en/of

het lichaam van die [slachtoffer1] en/of tegen die [slachtoffer1], tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd

gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

diefstal van de auto (VW Golf/[nummer]) en/of de fotocamera (canon) en/of het

rijbewijs van die [slachtoffer1], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk

om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere

deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk

verkregene te verzekeren;

meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 29 april 2009 tot en met 25 mei 2009 te

Doorwerth, gemeente Renkum en/of de gemeente Oosterbeek, gemeente Renkum, in

elk geval in de gemeente Renkum en/of in de gemeente Arnhem en/of elders in

Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer1] van het leven heeft beroofd,

hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk met

een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal een aantal kogels/projectielen in

het lichaam en/of het hoofd en/of de nek van die [slachtoffer1] heeft/hebben geschoten

en/of een of meer andere vormen van geweld en/of andere geweldshandelingen op

het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer1] en/of tegen die [slachtoffer1] heeft/hebben

toegepast/uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

meest subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 29 april 2009 tot en met 25 mei 2009 te

Doorwerth, gemeente Renkum en/of te Oosterbeek, gemeente Renkum, in elk geval

in de gemeente Renkum en/of te Arnhem en/of elders in Nederland, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto

(VW Golf/[nummer]) en/of een fotocamera (Canon) en/of een rijbewijs (ten name

van [slachtoffer1]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer1], gepleegd met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of verdachtes mededader(s) met een vuurwapen, een aantal

kogels/projectielen in het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die [slachtoffer1]

heeft/hebben geschoten en/of een aantal andere vormen van geweld en/of een of

meer andere geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer1]

en/of tegen die [slachtoffer1] heeft/hebben toegepast/uitgeoefend

terwijl dit feit/welk feit de dood van die [slachtoffer1] ten gevolge heeft

gehad;

2.

hij op of omstreeks 4 mei 2009, in elk geval in of omstreeks de periode van

29 april 2009 tot en met 10 mei 2009 te Arnhem en/of te Oosterbeek, gemeente

Renkum en/of te Doorwerth, gemeente Renkum, in elk geval in de gemeente Renkum

en/of elders in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen,

een aanvraag voor vervanging van een (vermist) kentekenbewijs voor de auto met

kenteken [nummer] op naam van [slachtoffer1], - zijnde een geschrift dat bestemd

was om tot bewijs van enig feit te dienen -, valselijk heeft opgemaakt of

vervalst, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken

of door anderen te doen gebruiken, hebbende verdachte en/of een of meer van

verdachtes mededaders(s) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de

waarheid op die aanvraag aangegeven dat het kenteken van voormelde auto door

de aanvrager werd vermist en/of op die aanvraag een (valse/vervalste)

handtekening geplaatst, een handtekening die moest doorgaan voor de

handtekening van "aanvrager" [slachtoffer1] en/of een telefoonnummer vermeld

niet zijnde het telefoonnummer van die [slachtoffer1] en/of (vervolgens) bij

"naam aanvrager" de naam en/of de geboortedatum en/of het adres van die [slachtoffer1] ingevuld(((, als ware dat formulier/die aanvraag door die [slachtoffer1] zelf

ingevuld en/of ondertekend en/of als ware die [slachtoffer1] zelf degene die de

aanvraag voor dat vervangende kentekenbewijs ((voor die auto(, volkswagen

golf/kenteken [nummer] deed)));

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 29 april 2009 tot en met 10 mei 2009 te

Veendam en/of Arnhem en/of te Oosterbeek gemeente Renkum en/of te Doorwerth,

gemeente Renkum, in elk geval in de gemeente Renkum en/of elders in

Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk

te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse

hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, Rijksdienst voor het Wegverkeer heeft bewogen tot de afgifte van

een (vervangend) kentekenbewijs voor de auto met kenteken [nummer] op naam van

[slachtoffer1], in elk geval van enig goed, hierin bestaande dat verdachte

tezamen met verdachtes mededader(s), althans alleen,met vorenomschreven

oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid opzettelijk valselijk en/of in

strijd met de waarheid verdachte en/of verdachtes mededader(s)

-zich bij de Rijkdsdienst voor het Wegverkeer en/of naar de Rijksdienst voor

het Wegverkeer toe heeft/hebben voorgedaan/uitgegeven als [slachtoffer1] en/of

(vervolgens)

- bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer een (zogenaamde) aanvraag voor

vervanging van een (vermist) kentekenbewijs heeft/hebben ingediend op naam van

die [slachtoffer1] ter verkrijging van een vervangend kentekenbewijs voor de auto

(Volkswagen golf) met kenteken [nummer] van die [slachtoffer1] en/of

-(vervolgens) op die aanvraag voor vervanging van een (vermist) kentekenbewijs

heeft/hebben ingevuld dat "de aanvrager" [slachtoffer1] het kenteken vermist van

een/zijn auto (een volkswagen golf/[nummer]) en/of verdachte en/of verdachtes

mededader(s) op die aanvraag een (valse/vervalste) handtekening heeft/hebben

geplaatst, een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van

aanvrager [slachtoffer1] en/of op die aanvraag een telefoonnummer heeft/hebben

geplaatst dat moest doorgaan voor het telefoonnummer van die [slachtoffer1] en/of

op die aanvraag bij "aanvrager" de naam en/of de geboortedatum en/of het

adres van die [slachtoffer1] heeft/hebben vermeld/ingevuld en/of (dus) die

aanvraag heeft/hebben ingevuld als ware verdachte en/of verdachtes

mededader(s) die [slachtoffer1] en/of als ware die aanvraag ingevuld en/of

ondertekend door ("aanvrager") [slachtoffer1] en/of

-bij die aanvraag een kopie rijbewijs van die [slachtoffer1] heeft/hebben

ingeleverd/bijgevoegd en/of een begeleidende brief met als afzender [slachtoffer1] met daarop ook een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening

van [slachtoffer1] en/of

-verdachte en/of verdachtes mededdader(s) (voorafgaand aan die aanvraag)

middels een bankrekening op naam van verdachte en/of verdachtes mededader(s)

(door middel van internetbankieren en/of per computer) een betaling (van

29.50 euro) heeft/hebben verricht aan de Rijksdienst voor het wegverkeer ter

verkrijging van dat vervangende kentekenbewijs en/of verdachte en/of

verdachtes mededader zich op die manier heeft/hebben voorgedaan als ware zij

gerechtigd tot de aanvraag van voormeld vervangende kentekenbewijs en/of als

waren hij/zij zelf die [slachtoffer1] en/of als ware die aanvraag gedaan door die

[slachtoffer1], waardoor de Rijksdienst voor het Wegverkeer werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

05/700184-10

1.

hij in of omstreeks de periode van 29 april 2009 tot en met 25 mei 2009 te

Doorwerth, gemeente Renkum en/of te Oosterbeek, gemeente Renkum, in elk geval

in de gemeente Renkum en/of te Arnhem en/of elders in Nederland, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om de moord, althans de doodslag op [slachtoffer1] of de oorzaak

van het overlijden van die [slachtoffer1], te verhelen het lijk van die [slachtoffer1] heeft begraven en/of verbrand en/of vernietigd en/of verborgen en/of

weggevoerd en/of weggemaakt;

2.

hij in of omstreeks de periode van de maand februari 2009 tot en met 25 mei

2009 te Arnhem en/of te Oosterbeek, gemeente Renkum en/of te Doorwerth

gemeente Renkum, in elk geval in de gemeente Renkum en/of elders in

Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een

vuurwapen/pistool (merk Walther/type PPK/kaliber 7.65mm), en/of munitie van

categorie III, te weten 45, althans een aantal patronen en/of stuks munitie,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij in of omstreeks de periode van 15 mei 2009 tot en met 27 mei 2009 te

Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen een kentekenplaat ([nummer]), in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan ING Carlease en/of R. [slachtoffer2], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 15 mei 2009 tot en met 27 mei 2009 te

Arnhem, in elk geval in de gemeente Arnhem en/of te Oosterbeek, in elk geval

in de gemeente Oosterbeek en/of elders in Nederland, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft

verworven, voorhanden heeft gehad en / of heeft overgedragen een

kentekenplaat ([nummer]), terwijl hij/zij ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van voormeld(e) goed(eren) wist(en), althans redelijkerwijs

had(den) moeten vermoeden dat dit/deze door diefstal in elk geval door enig

misdrijf was/waren verkregen;

4.

hij op een tijdstip in of omstreeks de maand september 2008 te Arnhem, in

elk geval in de gemeente Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een creditcard ten name van/op

naam van S.I.S. [slachtoffer3], in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan S.I.S. [slachtoffer3] en/of R.C. [slachtoffer4], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

5.

hij in of omstreeks de periode van 08 september 2007 tot en met 5 oktober

2007 te Arnhem in elk geval in de gemeente Arnhem en/of in de gemeente

's-Gravenhage en/of te Oosterbeek, in elk geval in de gemeente Renkum en/of

elders in Nederland, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een

valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel

van verdichtsels,

-[slachtoffer5] en/of [slachtoffer[6]] en/of [slachtoffer7] heeft bewogen

tot de afgifte van een aantal geldbedragen (zijnde aankoopbedragen van

gekochte goederen) afgeschreven van een bankrekening met nummer [nummer]

(bij elkaar een bedrag van ongeveer 3584,94 euro), in elk geval van enig goed

en/of

-De Harense Smid BV Arnhem heeft bewogen tot de afgifte van LCD TV en/of een

wandsteun en/of cleaner (ter waarde van 2375,--) , in elk geval van enig goed

en/of

-Business and Travel Shop te 's-Gravenhage heeft bewogen tot de afgifte van

een hoeveelheid goederen ter waarde van 20,-- euro, in elk geval van enig goed

en/of

-Madison te 's-Gravenhage heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid

kleding (jasje en/of pantalon merk Black Boss en/of een blouse, piazza

Sempione/ ter waarde van 810,-- euro), in elk geval van enig goed en/of

-Perry Sport te 's-Gravenhage heeft bewogen tot de afgifte van een paar

tennisschoenen (merk nike/ter waarde van 119,99 euro), in elk geval van enig

goed en/of

-The Phone House te 's-Gravenhage, heeft bewogen tot de afgifte van een

mobiele telefoon (merk Nokia/imei [nummer]/ ter waarde van 259,95

euro), in elk geval enig goed, hierin bestaande dat verdachte (telkens)

tezamen met verdachtes mededader(s), althans alleen,met vorenomschreven

oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich heeft/hebben uitgegeven als

gerechtigd gebruiker(s) van een creditcard ten name van [slachtoffer5] en/of met

een creditcard aangevraagd op naam van [slachtoffer5] naar voormelde

winkels/bedrijven (De Harense Smid BV en/of Business and Travel shop en/of

Madison en/of Perry Sport en/of The Phone House) is/zijn gegaan en/of

(vervolgens) in voormelde winkels/bedrijven (voormelde) goederen, heeft/hebben

uitgezocht en/of (vervolgens) die (voormelde) goederen heeft/hebben betaald

met deze creditcard aangevraagd op naam van [slachtoffer5], als ware verdachte

en/of verdachtes mededader(s) [slachtoffer5] en/of gerechtigd gebruiker(s) van

die creditcard op naam van [slachtoffer5] en/of (vervolgens) waarna de door

verdachte en/of verdachtes mededader(s) aangekochte goederen door voormelde

winkels/bedrijven aan verdachte en/of verdachtes mededader(s) werden

meegegeven/afgegeven en/of (vervolgens) de aankoopbedragen van deze goederen

van de bankrekening van [slachtoffer7],

(bankrekeningnummer [nummer]) welke bankrekening aan voormelde creditcard was

gekoppeld, werden afgeschreven, waardoor [slachtoffer5] en/of [slachtoffer[6]]

en/of [slachtoffer7] en/of de

Harense Smid BV te Arnhem en/of de Business and Travel Shop 's Gravenhage

en/of Madison te 's Gravenhage en/of Perry Sport te 's Gravenhage en/of The

Phone House te 's Gravenhage (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven

afgifte(n);

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 26 januari 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. F.G.L. van Ardenne, advocaat te Rotterdam.

Ter terechtzitting van 26 januari 2011 zijn de zaken van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem, onder bovenstaande parketnummers bij afzonderlijke dagvaardingen aanhangig gemaakt, gevoegd.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

• [benadeelde partij1],

• [benadeelde partij2],

• [benadeelde partij3].

De benadeelden [benadeelde partij2] en [benadeelde partij3] zijn ter terechtzitting van 26 januari 2011 verschenen, vertegenwoordigd door mevrouw J. Oosting van Slachtofferhulp.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 05/700184-10 onder 3 primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 05/900502-09 feiten 1 primair, 2 primair en ter zake van het onder 05/700184-10 feiten 1, 2, 3 subsidiair en 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie aangegeven dat ten aanzien van de goederen vermeld op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen goederen op pagina 3970 en 3971 met uitzondering van de nrs. 315 t/m 317, geen beslissing genomen hoeft te worden nu verdachte stelt dat die niet van hem zijn. Ten aanzien van de goederen onder nrs. 315 en 316 heeft de officier van justitie gevorderd dat deze teruggegeven zullen worden aan verdachte. Ten aanzien van de in beslag genomen goederen vermeld op pagina 3970 onder nr. 317 en op pagina 750 van het dossier heeft de officier van justitie gevorderd dat deze verbeurd worden verklaard met uitzondering van nrs. 2207, 2247 en 3206. Ten aanzien van de in beslag genomen goederen vermeld onder nr. 2207 heeft de officier van justitie gevorderd dat deze teruggegeven zullen worden aan verdachte.

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen vermeld op pagina 750 van het dossier onder nrs. 2247 en 3206 heeft de officier van justitie gevorderd dat deze worden onttrokken aan het verkeer.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vorderingen van de benadeelde partijen zoals hiervoor genoemd worden afgewezen.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. Eerder aangehouden beslissingen op onderzoekswensen

Ter terechtzitting van 7 april 2010 heeft de rechtbank de beslissing over een aantal onderzoeks-wensen van de verdediging aangehouden. Ter terechtzitting van 26 januari 2011 heeft de verdediging niet te kennen gegeven nog nadere onderzoekshandelingen te willen laten verrichten.

De rechtbank begrijpt daaruit dat de verdediging geen belang ziet deze onderzoekswensen te handhaven. De rechtbank zal dan ook de eerder gedane verzoeken waarover de beslissing is aangehouden, thans afwijzen nu de verdediging daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad.

3. De beslissing inzake het bewijs

05/900502-09

Feit 1

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer1] opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht door met een vuurwapen een of meer kogels op hem af te vuren, danwel door een andere vorm van geweldpleging.

Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.

a. [slachtoffer1] is overleden

Sinds 29 april 2009 is geen levensteken meer van [slachtoffer1] vernomen. Er is geen contact meer geweest met zijn familie, [slachtoffer1] heeft na die datum zijn telefoon niet meer gebruikt en ook geen geld meer opgenomen. De verklaringen van getuigen die gemeld hebben dat ze [slachtoffer1] na die datum nog gezien hebben, zijn twijfelachtig of staan op zichzelf. Nader onderzoek naar aanleiding van die meldingen hebben niet geleid tot het vinden van [slachtoffer1]. Een gedragswetenschapper die jarenlang onderzoek heeft gedaan naar vermissingen, heeft geconcludeerd dat in dit geval de scenario’s van zelfdoding, een ongeval en vrijwillige verdwijning, bijna uitgesloten zijn en dat er zeer waarschijnlijk sprake is van een misdrijf.

De officier van justitie concludeert dat een vrijwillig verdwijnen van [slachtoffer1] uitgesloten is. [slachtoffer1] heeft na 29 april 2009 niet meer gepind of gebeld. Zijn pinpas had hij ook niet bij zich die dag en zijn camera’s, die alles voor hem waren, heeft hij niet meegenomen. Ook gelet op de persoon van [slachtoffer1] is een vrijwillig verdwijnen uitgesloten.

b. Een ongeluk en zelfmoord zijn uitgesloten: strafbaar feit

Een ongeluk is tot op heden niet ontdekt. Het meest voor de hand liggende ongeluk zou een auto-ongeluk zijn vanuit Arnhem op weg naar huis. De auto duikt echter ergens anders onbeschadigd op. Er is geen indicatie dat [slachtoffer1] dronken of onder invloed was. Er is gezocht naar zijn lichaam door middel van een groot aantal duikacties.

Een zelfmoord is eveneens uitgesloten. Daarvoor biedt het dossier geen serieuze indicaties of aanwijzingen. Een zus van [slachtoffer1] heeft hierover slechts een wanhoopsuggestie geuit. De getuige [getuige1] verklaart niet over een concreet voornemen en bovendien is in het water gezocht naar het lichaam van [slachtoffer1], welke zoekacties niets hebben opgeleverd. Daar komt bij dat [getuige1] verklaart over wat hij van getuige [getuige2] heeft gehoord terwijl [slachtoffer1] deze [getuige2] toen hij deze voor het laatst zag nog gevraagd heeft of hij nog staatsloten voor hem moest halen.

Bovendien heeft [slachtoffer1] op de avond van 29 april 2009 nog foto’s van het optreden van Kane gemaakt en had hij een afspraak om op Koninginnedag met zijn zus naar Apeldoorn te gaan. Daarnaast is niemand iets op dit punt aan [slachtoffer1] opgevallen, heeft onderzoek geen reden voor zelfmoord blootgelegd en is er geen afscheidsbrief aangetroffen.

De goederen van [slachtoffer1], waaronder zijn auto en camera’s, goederen die hij volgens zijn familie nooit vrijwillig af zou geven, worden kort na zijn verdwijning onder verdachte omstandigheden aangetroffen. Dan wordt ook het rijbewijs van [slachtoffer1] aangetroffen.

Ook wordt een bloedspoor van [slachtoffer1] aangetroffen op een plaats waarvan niet te verklaren is vanuit onverdachte omstandigheden hoe dat daar terecht is gekomen. Daarnaast is er het gedrag van en belastend bewijsmateriaal tegen verdachte. Derhalve kan worden vastgesteld dat [slachtoffer1] door een strafbaar feit om het leven is gekomen.

c. Verdachte is op strafbare wijze betrokken bij de dood van [slachtoffer1]

Vastgesteld kan worden dat [slachtoffer1] tussen 23.00 uur en 24.00 uur iets is overkomen omdat hij niet opneemt als zijn moeder hem om 23.12 uur belt. De telefoon beweegt zich dan buiten het centrum van Arnhem tegenovergesteld aan de richting naar zijn woning. [slachtoffer1] is voor het laatst gezien rond 23.00 uur bij Kane en een afspraak daarna is niet vastgesteld.

Vastgesteld kan worden dat verdachte zeer kort na het verdwijnen van [slachtoffer1] beschikt over de auto van [slachtoffer1]. Bewezen kan worden dat verdachte deze door middel van geweld heeft verkregen. Volgens de familie van [slachtoffer1] zou [slachtoffer1] deze alleen afgeven als geweld op hem zou worden uitgeoefend. Daarbij komt dat verdachte bij de politie eerst heeft gelogen over waar hij de nacht van 29 op 30 april 2009 was en over het uitlenen van zijn parkeerpas aan een ander, terwijl op beelden van de parkeergarage waar hij werkt te zien is dat hij toen daar was en de auto van [slachtoffer1] naar binnen heeft gereden met gebruik van zijn eigen pas. Later beroept hij zich hierover op zijn zwijgrecht. Met andere scenario’s dan verkrijging door middel van geweld hoeft derhalve geen rekening gehouden te worden, mede gelet op het feit dat verdachte ook andere goederen van [slachtoffer1] in zijn bezit heeft en zijn gedrag na de verdwijning van [slachtoffer1] in geen verhouding staat tot een andere manier van verkrijging.

Kort na de verdwijning van [slachtoffer1] is verdachte ook in het bezit van alle andere goederen die verdwenen zijn met [slachtoffer1], zoals zijn huissleutels, rijbewijs, fotocamera’s en een map met documenten.

Daarnaast is in de auto van verdachte bloed van [slachtoffer1] aangetroffen op een rubber aan de binnenkant van een geopend kofferdeksel. De verklaringen van verdachte over contacten met [slachtoffer1] verklaren dit niet en over het bloed beroept verdachte zich op zijn zwijgrecht.

Verdachte gedraagt zich bovendien na de verdwijning van [slachtoffer1] als een schuldige. Over zijn relatie tot [slachtoffer1] verklaart hij onjuist danwel onvolledig (slechts vluchtige contacten), terwijl onderzoek heeft uitgewezen dat verdachte [slachtoffer1] op de dag voor zijn verdwijning twee keer heeft gebeld en koffie met hem heeft gedronken.

Verdachte heeft een ander proberen aan te wijzen als betrokkene bij de verdwijning van [slachtoffer1] en heeft samen met [vriendin van verdachte] de auto van [slachtoffer1] schoongemaakt en benadert al vóór zijn aanhouding sites van advocatenkantoren en rechtshulp. Bovendien bezoekt hij na de verdwijning van [slachtoffer1] sites over verrotting en dood en sites over [slachtoffer1].

Op 7 mei 2009 heeft verdachte, zich voordoende als [slachtoffer1], gebeld naar de politie en gezegd hem niet te zoeken. Ook heeft hij op 12 mei 2009 gebeld met een begrafenisondernemer om het overlijden van [slachtoffer1] aan te kondigen en heeft hij naar de moeder van [slachtoffer1] gebeld.

De vriendin van verdachte, [vriendin van verdachte], heeft verklaard dat verdachte haar gezegd heeft dat hij zijn mond zou houden omdat ze dan niets hadden en het niet rond zouden krijgen en dat als zij haar mond zou houden de politie van niets zou weten.

Verdachte heeft geen alibi voor het moment van de verdwijning van [slachtoffer1].

Verdachte heeft denkbare motieven. Zo heeft hij tegen een collega gezegd dat [slachtoffer1] een aanrander/crimineel zou zijn. Ook lijkt er een financieel motief te zijn gelet op de te bewijzen creditcardfraude en de verklaring van [vriendin van verdachte] dat verdachte haar vroeg hem geld te lenen. Verdachte wilde de auto van [slachtoffer1]. Hij heeft valsheid in geschrifte gepleegd om aan een overschrijvingsbewijs te komen van de auto van [slachtoffer1] en is daarvoor aan de deur van de woning van [slachtoffer1] geweest en heeft daar ook goederen gestolen onder een valse identiteit.

Verdachte heeft tevens voorafgaand en rondom de verdwijning van [slachtoffer1] zeer belastend internetgedrag vertoond, waaronder zoekacties naar ‘kogel door het hoofd’, ‘vermissing volwassene’ (terwijl [slachtoffer1] toen nog niet als vermist was opgegeven), ‘nekschot’ en ‘Walter PPK onderhoud’.

In het ladeblok dat aan verdachte te koppelen is en waarin goederen van [slachtoffer1] zijn aangetroffen zijn ook goederen aangetroffen die geschikt zijn voor het plegen van een geweldsdelict, waaronder een Walther PKK, een zakje tierips van een verpakking van 100 waar er nog 99 inzaten, 45 patronen, terwijl er in het doosje 50 behoren te zitten, alsook materiaal om een vuurwapen schoon te maken, tape en handschoenen. In combinatie met het zoeken naar ‘onderhoud’ op internet levert dit bewijs voor gebruik door verdachte van een vuurwapen kort voor 30 april 2009. Daaraan draagt bij het zoeken naar ‘nekschot’ alsook het op 5 mei 2009 zoeken op ‘verrottingsproces’. Het zoeken naar onderhoud van het wapen, naar ‘nekschot’ en naar de verkrijging van een kenteken is in één adem gebeurd, dat kan maar één doel hebben gehad, namelijk het verkrijgen van het kenteken van [slachtoffer1].

Het zwijgen van verdachte onder zulke belastende omstandigheden maakt dat daar gevolgtrekkingen aan verbonden kunnen worden die het belastende karakter versterken.

d. Moord

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte [slachtoffer1] met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd op grond van hetgeen hij hiervoor opgemerkt heeft over een financieel motief, het vuurwapen, het internetgedrag voor 28 april 2009 en de aanwezigheid van een uitdraai van de route van verdachtes woning naar de woning van het slachtoffer van maart 2009 en de verklaring van [getuige3] dat zij met verdachte voor het verdwijnen van [slachtoffer1] langs diens woning is gereden en verdachte daar interesse voor had. Daarbij betrekt de officier van justitie ook het zwijgen van verdachte over de belastende omstandigheden en de kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte met betrekking tot het moment waarop de auto van [slachtoffer1] de garage in wordt gereden.

e. Geen bewijs voor gekwalificeerde doodslag

Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd verdachte vrij te spreken van de tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag nu het tenlastegelegde oogmerk niet bewezen kan worden.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij het volgende betoogd.

a. Niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer1] is overleden.

Zo verklaren de getuigen [getuige4] en[getuige5] schlachtoffer 1 na 29 april 2009 nog te hebben gezien. De getuigen zijn stellig en betrouwbaar en hun verklaringen zijn gedetailleerd. Ook vier andere getuigen verklaren [slachtoffer1] na die datum nog gezien te hebben. Nu niet valt uit te sluiten dat deze getuigen [slachtoffer1] daadwerkelijk gezien hebben, kan niet worden uitgesloten dat hij nog in leven is. Daar komt bij dat [slachtoffer1] op de website www.vermistepersonen.info nog steeds als vermist wordt vermeld waarbij is aangegeven dat hij zich mogelijk ophoudt in de buurt van station Arnhem.

b. Niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer1] zelfmoord heeft gepleegd of door een ongeluk om het leven is gekomen.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer1] zelfmoord heeft gepleegd. Daarbij heeft de raadsman gewezen op de verklaring van [getuige6], een collega van [slachtoffer1], en de verklaring van een zus van [slachtoffer1]. Tevens kan uit de verklaringen van de zussen van [slachtoffer1] worden afgeleid dat hij een gesloten persoon is met weinig sociale contacten waaruit volgt dat, als [slachtoffer1] daadwerkelijk overwoog zichzelf van het leven te beroven, hij die gedachte niet met anderen zou delen.

Ook kan niet worden uitgesloten dat [slachtoffer1] bijvoorbeeld door een ongeluk om het leven is gekomen. In ieder geval kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat een ander dan [slachtoffer1] verantwoordelijk is voor zijn dood.

c. Geen aanwijzingen voor directe betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde.

Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat zich in het dossier geen aanwijzingen bevinden voor directe betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde feit. Ook is niet duidelijk wat het motief van verdachte hiervoor zou zijn en of hij in staat is gebleken dusdanig geweld toe te passen dat [slachtoffer1] als gevolg daarvan is komen te overlijden. Er is niet doorgerechercheerd naar aanleiding van CIE-info dat [slachtoffer1] zou zijn vermoord omdat hij meisjes seksueel heeft misbruikt.

Verdachte heeft betrokkenheid bij de moord van [slachtoffer1] ontkend. Zelfs tegenover een politie-informant, nadat hij een tijd lang in beperkingen had gezeten, heeft hij verteld dat hij het niet gedaan had. Naar de uitlatingen van verdachte tegenover deze informant dat [slachtoffer1] met anderen problemen over geld zou hebben, is geen nader onderzoek verricht.

Bovendien kan uit het dossier worden afgeleid dat [slachtoffer1] zich in kringen begaf die als risicovol en duister omschreven kunnen worden. Dit maakt, aldus de raadsman, dat de vraag of [slachtoffer1] daadwerkelijk overleden is met meer onzekere factoren is omgeven dan bij een ander persoon in andere omstandigheden. Die meer onzekere factor geldt ook voor het antwoord op de vraag wie [slachtoffer1] -in geval van overlijden door een misdrijf- om het leven zou hebben gebracht.

d. Geen bewijs voor moord

Voorts heeft de raadsman betoogd dat op geen enkele wijze uit bewijsmiddelen blijkt van voorbedachte raad en dat verdachte derhalve van moord moet worden vrijgesproken. Er is immers niet duidelijk wat zich direct voorafgaand aan een overlijden van [slachtoffer1] heeft afgespeeld. De eventuele zoekslagen van verdachte op internet zijn zo ver verwijderd van het moment waarop [slachtoffer1] zou zijn overleden dat hieruit geen voorbedachte raad kan worden afgeleid, temeer nu de doodsoorzaak niet kan worden vastgesteld.

e. Geen bewijs voor gekwalificeerde doodslag

Ook de tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag kan niet bewezen worden naar het oordeel van de raadsman nu het tenlastegelegde oogmerk niet kan worden vastgesteld, omdat niet duidelijk is wat zich exact heeft afgespeeld.

Beoordeling

A. Is [slachtoffer1] overleden?

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat [slachtoffer1] is overleden. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

A1. Persoon van [slachtoffer1]

Om tot een beoordeling van de vraag naar de oorzaak van de verdwijning van [slachtoffer1] te komen is het van belang om allereerst een zo helder mogelijk beeld van de persoon van [slachtoffer1] en van zijn leven te krijgen. De rechtbank heeft in grote lijnen het volgende vastgesteld, op basis van de diverse getuigenverklaringen in het dossier en de samenhang daartussen.

[slachtoffer1], een zwakbegaafde man, was 41 jaar oud toen hij verdween. [slachtoffer1] had een regelmatig leefpatroon in een beperkte leefomgeving. Hij had geen echte vrienden. Hij had een goede relatie met zijn moeder en zussen. [slachtoffer1] woonde bij zijn bejaarde moeder aan de [adres] en verzorgde haar in verband met haar afnemende gezondheid. Hij werkte al 24 jaar bij dezelfde baas (sociale werkvoorziening), gedurende vijf dagen in de week. Hij bezocht en belde regelmatig, zeker eens per week, ‘zijn’ vaste prostituee met wie hij veel deelde.

[slachtoffer1] hield van fotograferen, deed dat vaak op en rond NS-station Arnhem, fotografeerde graag evenementen en ongelukken. Veel mensen kenden hem hiervan, in ieder geval van gezicht. Hij luisterde veel, ‘doorlopend’ volgens getuigen, naar de scanner. [slachtoffer1] had zijn mobiele telefoon altijd bij zich, belde regelmatig en was zelf ook goed te bereiken. Op 4 mei 2009 moest [slachtoffer1] weer werken.

A2. Feiten met betrekking tot het lot van [slachtoffer1] vanaf 29 april 2009

Op basis van het dossier stelt de rechtbank voorts het volgende vast.

Op 29 april 2009 heeft [slachtoffer1] om 18.40 uur een afspraak gemaakt met zijn zus om de volgende ochtend (Koninginnedag) vroeg samen naar Apeldoorn te gaan in verband met het bezoek van de Koninklijke familie. [slachtoffer1] is aan het begin van de avond van 29 april 2009 vanuit huis vertrokken in zijn auto met medeneming van zijn camera. Zijn portemonnee en bankpas had hij niet bij zich en lagen nog thuis. [slachtoffer1] is voor het laatst aantoonbaar gezien op 29 april 2009 rond 23.15 uur in Arnhem, terwijl hij foto’s nam bij het concert van Kane. Daarna is [slachtoffer1] niet meer gezien en is er niets meer van [slachtoffer1] vernomen. Hij is die nacht niet naar huis gekomen en de volgende ochtend niet op de afspraak met zijn zus verschenen. Op 1 mei 2009 is door zijn moeder melding gedaan van vermissing. Op 4 mei 2009 is [slachtoffer1] niet op zijn werk verschenen Hij heeft geen contact meer opgenomen met zijn familie, noch met anderen. Er hebben sinds 29 april 2009 geen geldopnames of overschrijvingen van zijn rekening(en) plaatsgevonden. Zijn mobiele telefoon is sinds 29 april 2009 niet meer gebruikt en niet te traceren. In de loop van mei 2009 blijkt dat [slachtoffer1] niet (meer) in het bezit is van zijn originele rijbewijs, zijn auto en autosleutels en zijn huissleutels.

Zijn auto is onbeschadigd op 27 mei 2009 aangetroffen in de parkeergarage aan de Langstraat. Uit onderzoek is gebleken dat deze auto daar op 30 april 2009 rond 00.55 uur is binnengereden.

De politie heeft binnengekomen tips over het signaleren van [slachtoffer1] en andere aanwijzingen in de richting van een vrijwillige verdwijning steeds nader onderzocht, maar dit onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat daadwerkelijk de vermiste [slachtoffer1] is gezien en dat hij nog in leven is. Ten tijde van de behandeling ter terechtzitting, 26 januari 2011, is er nog steeds geen teken van leven van [slachtoffer1] vernomen.

A3. Verklaringen dat [slachtoffer1] na 29 mei 2009 nog is gezien.

Ten aanzien van de verklaringen van de getuigen die verklaren dat zij [slachtoffer1] ná 29 mei 2009 nog hebben gezien overweegt de rechtbank het volgende.

De getuigenverklaring van [getuige4], inhoudende dat zij de auto met het kenteken [nummer] in juli 2009 heeft gezien, is aantoonbaar onjuist nu de auto met dat kenteken op 27 mei 2009 is aangetroffen en in beslag is genomen en eerst op 25 november 2009 is vrijgegeven.

Getuige [getuige7] verklaart dat hij [slachtoffer1] tussen 30 april 2009 en eind juni 2009 op verschillende plaatsen nog heeft gezien, waaronder in een café. Ook de door de raadsman genoemde getuigen [getuige8] (zou [slachtoffer1] op 5 mei 2009 gezien hebben), [getuige9] (zou [slachtoffer1] op 25 juli 2009 gezien hebben), [getuige10] (verklaart op 17 augustus 2009 [slachtoffer1] gezien te hebben) en [getuige11] (zou [slachtoffer1] eind juni, begin juli 2009 gezien hebben) verklaren dat ze [slachtoffer1] na 29 april 2009 nog hebben gezien. Echter deze waarnemingen vallen in het geheel niet te rijmen met het beeld van de persoon [slachtoffer1] zoals hiervoor is weergegeven noch met de vaststaande feiten dat [slachtoffer1] na 29 april 2009 met niemand meer contact op heeft genomen, geen gebruik heeft gemaakt van zijn bankrekeningen en vanaf dat moment niet in het bezit was van zijn portefeuille of een bankpas. Ook de naspeuringen van de politie naar aanleiding van deze getuigenverklaringen hebben geen positief resultaat opgeleverd of een bevestiging van de waarneming. Een vergissing in de herkenning door de getuigen lijkt aannemelijk.

Daarbij komt dat de getuige [getuige10] verklaart later te twijfelen over haar herkenning en dat getuige [getuige11] verklaart dat de man ‘veel weg had’ van de foto van [slachtoffer1] die zij in een tijdschrift gezien heeft. Voor wat betreft de verklaringen van [getuige4] en [getuige7] ziet de rechtbank in het dossier geen verklaringen waaruit blijkt dat [slachtoffer1] regelmatig cafés bezocht. [slachtoffer1] rookte volgens zijn familie niet en heeft nooit een cowboyhoed heeft gehad, zoals getuige [getuige7] meent gezien te hebben. Bovendien concluderen de getuigen [getuige4] en [getuige7] dat de man die zij gezien hebben [slachtoffer1] is nádat zij diens foto en naam op de politiesite hebben gezien.

Niet uitgesloten kan worden dat de verklaringen van deze getuigen hierdoor beïnvloed zijn.

De rechtbank acht de getuigenverklaringen die inhouden dat zij [slachtoffer1] hebben gezien na 29 april 2009 dan ook niet betrouwbaar en laat deze buiten beschouwing.

A4. Conclusie

Uit het dossier komen geen aanwijzingen naar voren die tot de conclusie kunnen leiden dat [slachtoffer1] vrijwillig is verdwenen. Bovenstaande feiten en omstandigheden leiden naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat buiten redelijke twijfel vast staat dat [slachtoffer1] is overleden.

B. Hoe is [slachtoffer1] overleden?

B1. Algemeen

Het lichaam van [slachtoffer1] is niet gevonden, ondank de diverse zoekacties door politie, duikers en luchtmacht. Getuigen die kunnen verklaren over de doodsoorzaak van [slachtoffer1] ontbreken. Zolang het lichaam van [slachtoffer1] niet is gevonden, kan geen medisch-forensische oorzaak van de dood worden vastgesteld. Wel kan op basis van de feiten en omstandigheden uit het dossier worden onderzocht of, en zo ja, welke van de mogelijke oorzaken van het overlijden buiten redelijke twijfel kan of kunnen worden uitgesloten.

Mogelijke oorzaken van de dood van [slachtoffer1] (limitatief):

- natuurlijk overlijden

- onnatuurlijk overlijden door een ongeval

- onnatuurlijk overlijden door zelfmoord

- onnatuurlijk overlijden door opzettelijk handelen van een ander

B2. Ongeval of natuurlijk overlijden.

Het feit dat de auto van [slachtoffer1] op 30 april 2009 de parkeergarage in de Langstraat is binnengereden, waar deze op 27 mei 2009 vervolgens onbeschadigd is aangetroffen, sluit de mogelijkheid van een dodelijk auto ongeval uit. Een ander dodelijk ongeval dat [slachtoffer1] zou zijn overkomen is niet te verenigen met het feit dat geen lichaam is gevonden. Voor een onverwachte dood door een natuurlijke oorzaak is geen enkele aanknoping in het dossier te vinden maar is bovendien niet te verenigen met het feit dat geen lichaam is gevonden.

De rechtbank neemt hierbij in overweging dat uit het dossier blijkt dat [slachtoffer1] zich op de avond van de 29e april 2009 c.q. de nacht van de 29e op de 30e april 2009 in of het nabij het centrum van Arnhem bevond en dat die avond (Koninginnenacht) veel mensen op de been waren. Het is in dat licht hoogst onwaarschijnlijk dat een dodelijk ongeluk of een natuurlijk overlijden onopgemerkt zou zijn gebleven.

B3. Onnatuurlijk overlijden door zelfmoord.

Ten aanzien van het scenario van zelfdoding zijn de vastgestelde feiten van belang als hiervoor onder A.1 en 2 weergegeven. Met name het leefpatroon van [slachtoffer1], de afspraak die hij had met zijn zus om op 30 april 2009 naar Apeldoorn te gaan alsmede het feit dat hij op 29 april 2009 rond 23.15 uur nog gezien is terwijl hij foto’s maakte bij het concert van Kane. De auto van [slachtoffer1] is onbeschadigd teruggevonden Niet is gebleken dat [slachtoffer1] depressief was of andere problemen had die in de richting van een zelfmoord wijzen of deze achteraf zouden kunnen verklaren. Een afscheidsbrief van [slachtoffer1] is niet aangetroffen.

Er zijn twee getuigen die over zelfmoord als mogelijke doodsoorzaak verklaren, getuige [getuige6] en getuige [slachtoffer1]. Getuige [getuige6], een collega van [slachtoffer1], heeft verklaard: ‘Ongeveer 1 of 1,5 week voor de vermissing vertelde [slachtoffer1] over ongevallen en gebeurtenissen. We spraken daarover. [slachtoffer1] had het over ongevallen en toen zei hij: ‘ik rijd met de auto het water in of ik ga van de brug springen.’ Ik zei nog tegen [slachtoffer1]: wat is dat nou voor flauwekul. [slachtoffer1] zei: ik doe het echt (…) ik heb hem er daarna niet meer over gehoord. We hadden het wel vaker over ongelukken, zoals het voor de trein springen en zo (…) We hadden het dan over wat zo iemand dan zou denken. [slachtoffer1] heeft het nooit gehad over dat hij zich zelf iets aan zou doen (…) De dagen ervoor heb ik niet gemerkt dat hij anders was (…) ’s Morgens voordat [slachtoffer1] weg moest vroeg hij nog of hij staatsloten moest kopen’.

Gelet op het kader van het gesprek waarin door [slachtoffer1] over zelfmoord is gesproken (een gesprek over ongelukken), gelet op vervolgens de vraag van [slachtoffer1] of hij nog loten moest kopen, bezien tegen de achtergrond van de persoon van [slachtoffer1] zoals die uit het dossier naar voren is gekomen en in het licht van het feit dat niet gebleken is van depressiviteit of een ander probleem dat zelfmoord zou verklaren, ziet de rechtbank in de verklaring van deze getuige geen serieuze aanwijzing dat [slachtoffer1] zelfmoord gepleegd heeft.

Getuige [getuige12], een zus van [slachtoffer1], heeft op 18 mei 2009 verklaard: ‘ik denk dat [slachtoffer1] zo in de problemen zat dat hij geen uitweg meer zag. Misschien heeft hij wel zelfmoord gepleegd. Als hij echt geen uitweg meer zag, je weet het niet. Het zijn vaak de mensen van wie we het niet verwachten. Ik heb hem er nooit over gehoord maar ik denk wel dat mijn broer het zou kunnen. Daar is hij het type wel voor. Je denkt nu aan alles’. De rechtbank duidt deze verklaring veeleer als het zoeken naar een antwoord op de vraag naar de reden van de verdwijning van [slachtoffer1] dan als een reële aanwijzing in de richting van een zelfmoord. Daar komt bij dat de getuige bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij dan wel een afscheidsbrief zou verwachten, welke niet is aangetroffen. Gelet hierop en tevens met in achtneming van hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank ook in deze verklaring geen serieuze aanwijzing dat [slachtoffer1] zelfmoord gepleegd heeft.

B4. Conclusie

De doodsoorzaken: natuurlijke dood, zelfdoding en ongeval, kunnen op grond van het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid worden uitgesloten. Dit laat slechts de mogelijkheid open dat [slachtoffer1] door geweld om het leven is gekomen en dat het lichaam met opzet is weggemaakt om onderzoek naar de sporen van dat geweld onmogelijk te maken. Daarmee staat buiten redelijke twijfel vast dat [slachtoffer1] door het gewelddadig handelen van een ander om het leven is gekomen.

C. Heeft verdachte een strafbare betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer1]?

C1. Vaststaande feiten

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting staan naar het oordeel van de rechtbank, voor zover voor de beoordeling van belang, de navolgende feiten en omstandigheden vast (chronologisch weergegeven).

11 februari 2009

1. Verdachte zoekt op internet naar afbeeldingen van vuurwapens van het merk Walther PPK.

28 februari 2009

2. Verdachte zoekt op internet naar Walther PPK 765 onderhoud, naar filmpjes over de werking hiervan en naar een PDF-file over de gebruiksaanwijzing hiervan.

16 april 2009

3. Met het toestel met nummer 06-[nummer], in gebruik bij verdachte, is uitgebeld naar de huistelefoon van [slachtoffer1] gedurende 103 seconden.

23 april 2009

4. Verdachte heeft op internet onder meer gezocht naar ‘wapenhandelaar [naam]’, ‘lijkbezorging’, ‘overleden’, ‘dood’, ‘kogel door het hoofd’, ‘opgelicht’ en heeft een afbeelding van een ingedroogd lichaam bekeken.

28 april 2009

5. Om 15.29 en om 21.14 uur is met het toestel met nummer 06-[nummer], in gebruik bij verdachte, uitgebeld naar het mobiele nummer van [slachtoffer1].

6. Om 21.22 uur ontmoet verdachte [slachtoffer1] in de portierslounge van de parkeergarage Langstraat, alwaar verdachte werkt.

29 april 2009

7. [slachtoffer1] is aan het begin van de avond van huis weggegaan met zijn auto en camera en zonder zijn portemonnee en bankpas.

8. [slachtoffer1] is omstreeks 23.15 uur bij het concert van Kane te Arnhem waar hij met zijn camera foto’s maakt.

30 april 2009

9. Om 00.45 uur komt verdachte de portierslounge van de parkeergarage Langstraat binnen. Hij heeft zijn eigen parkeerpas bij zich.

10. Om 00.54 wordt de auto van [slachtoffer1] de parkeergarage Langstraat ingereden waarbij de parkeerpas van verdachte wordt gebruikt.

11. Om 07.47 uur komt verdachte de lounge van de parkeergarage binnen met een jerrycan in zijn hand.

12. Om 20.50 uur wordt met het toestel met nummer 06-[nummer], in gebruik bij verdachte gedurende 8 seconden uitgebeld naar het mobiele nummer van [slachtoffer1].

13. Om 22.12 uur heeft verdachte op zijn computer een file aangemaakt naar een Word document onder ‘[verdachte]/mijn documenten/vermissing volwassene’.

14. Om 22.35 uur zoekt verdachte op internet naar ‘nekschot’. Tussen 22.35 uur en 22.41 uur heeft hij de internetsite van het RDW bezocht. Om 22.43 uur zoekt hij naar ‘Walther PPK 765mm onderhoud’.

1 mei 2009

15. De moeder van [slachtoffer1] doet melding van zijn vermissing.

4 mei 2009

16. [vriendin van verdachte] heeft op verzoek van verdachte een aanvraag voor een vervangend kentekenbewijs voor de auto van [slachtoffer1] ingevuld. Verdachte had daartoe een kopie van het kentekenbewijs van de auto van [slachtoffer1] en het rijbewijs van [slachtoffer1] bij zich. Verdachte dicteerde haar het telefoonnummer dat bij de gegevens van [slachtoffer1] ingevuld moest worden, te weten ‘06-[nummer]’. De betaling van de kosten van de aanvraag zijn, op verzoek van verdachte, gedaan door R.C. [slachtoffer4] via [slachtoffer4]’s bankrekening, eveneens op verzoek van verdachte.

17. Verdachte heeft ’s avonds op internet onder meer gezocht naar ‘Walther PPK 765’, ‘golf aut 2006’, ‘uzi wapen 1990’, ‘hector en koch wapen’, ‘politie +wapens’ en ‘telefoon + tap’ en naar filmpjes over Walther PPK.

5 mei 2009

18. Verdachte heeft ’s avonds op internet gezocht naar onder meer ‘dood’ en ‘verrotting’.

7 mei 2009

19. Om 12.38 uur heeft verdachte met het toestel met nummer 06-[nummer] gebeld naar de politie en heeft zich daarbij voorgedaan als [slachtoffer1]. Hij meldde daarbij dat hij niet vermist was en bij zijn vriendin was en dat hij niet wilde dat er nog langer naar hem gezocht werd.

20. Verdachte heeft ’s avonds op zijn computer het document ‘vermissing volwassene’ benaderd.

9 mei 2009

21. Verdachte zoekt op internet onder meer naar ‘dood’, ‘tv Gelderland’, ‘politie Arnhem’.

11 mei 2009

22. Omstreeks 21.30 uur is er een ‘nepagent’ aan de deur geweest bij de moeder van [slachtoffer1]. Deze persoon vertelde dat [slachtoffer1] overleden was en in Apeldoorn was gevonden.

12 mei 2009

23. Om 12.13 uur is er met het toestel met nummer 06-[nummer], in gebruik bij verdachte, gebeld naar de uitvaartverzorging Mijnhart met het verzoek contact op te nemen met mevrouw [moeder van slachtoffer1] teneinde de begrafenis van de heer [slachtoffer1] te regelen.

13 mei 2009

24. Verdachte bekijkt’s middags op zijn werk een opsporingsbericht naar aanleiding van de verdwijning van [slachtoffer1] en op de site van tv Gelderland een item over de vermissing van [slachtoffer1]. Hij bekijkt ook een site van ‘kenteken-kwijt-verloren’, en de site van het RDW, onder andere een pagina waarop men een vervangend kentekenbewijs kan aanvragen.

14 mei 2009

25. Aanhouding van R.C. [slachtoffer4].

26. Verdachte heeft samen met [vriendin van verdachte] de auto van [slachtoffer1] die in de parkeergarage aan de Langstraat stond, schoongemaakt van buiten en binnen. Het was de tweede keer dat zij samen de auto schoon maakten. Verdachte heeft beide voorstoelen met plakband schoongemaakt. De eerste keer heeft verdachte de auto van het eerste parkeerdek naar het dak van de parkeergarage gereden en heeft daar de auto schoongemaakt.

27. Verdachte heeft ’s avonds op de computer van zijn werk via Google gezocht naar ‘Walther PPK’, ‘[slachtoffer1]’ en bekeek hij via de site ‘vermistepersonen.info' een foto van de vermiste [slachtoffer1].

21 mei 2009

28. Verdachte heeft ‘s avonds op zijn computer thuis vier bestanden gedownload waaronder ‘u wordt verdacht’, ‘u moet terecht staan’. Verdachte heeft ook op Google gezocht naar ‘rechtsbijstand Arnhem’ en ‘Van Veen Noppen en De Vries advocaten’.

27 mei 2009

29. Om 15.33 uur wordt de auto van [slachtoffer1] aangetroffen in de parkeergarage Langstraat. De auto was voorzien van één “valse” kentekenplaat. Op de achterkant van die kentekenplaat is een vingerafdruk van verdachte aangetroffen.

29 mei 2009

30. Om 17.00 uur wordt een ladeblok met allerlei goederen aangetroffen. Het ladeblok en de daarin aangetroffen goederen zijn in het bezit van verdachte. Deze goederen betreffen onder meer:

a. een vuurwapen Walther PPK 7.65 mm met bijbehorende patronen,

b. een schoonmaakset ten behoeve van een wapen,

c. het originele rijbewijs van [slachtoffer1],

d. de autosleutel, huissleutels en originele SNS-bankpas van [slachtoffer1],

e. 4 geheugenkaartjes van camera’s met daarop ook foto’s van [slachtoffer1] en door hem gemaakte foto’s,

f. een mobiele telefoon met daarop de tekst, ‘telefoon [verdachte], afblijven svp’,

g. 2 rollen geel tape,

h. een paar zwarte handschoenen,

i. een zwarte muts,

j. een zak met tierips, 99 stuks, in een verpakking van 100 stuks,

k. een print afkomstig van Google van een deel van de plattegrond van Doorwerth waarbij de [adres], aan welke laan [slachtoffer1] woonde, geel is gearceerd; uitgedraaid op 25 maart 2009,

l. een print van een online-bevraging van het RDW op 1 maart 2009 door het parkeerbeheer systeem van gemeente Arnhem waarin het kenteken van de auto van [slachtoffer1] staat vermeld alsook zijn persoonlijke gegevens. Daar staat onder geschreven het nummer van de huistelefoon van [slachtoffer1] en de woorden ‘man’ en ‘singel’,

m. een geschreven briefje met daarop de persoonlijke gegevens van [slachtoffer1], het kenteken van zijn auto, het bijbehorende kenmerk van de RDW en het algemene nummer van de politie,

n. een geschreven briefje met daarop de naam van [slachtoffer1], het nummer 06-[nummer], en de vermelding: ‘vervangend kentekenbewijs wordt altijd verstuurd naar adres van kentekenhouder’,

o. een kopie van de ID-kaart van [slachtoffer1],

p. een brief van de SNS-bank gericht aan [slachtoffer1] met daarin vermeld de bijbehorende pincode,

q. een bankafschrift van de SNS-rekening van [slachtoffer1].

31. Op 2 juni 2009 is de auto van verdachte onderzocht. Daarbij wordt op 4 plaatsen in de auto bloed aangetroffen: op de zitting van de achterbank, op de onderrand van de kofferklep, op de kofferbakzijde van de achterbank en op het rubber van de kofferklep rechts boven het achterlicht. Het laatste bloedspoor en het bloed op de onderrand van de kofferklep zitten op plaatsen die bij een gesloten kofferklep van buitenaf niet bereikbaar zijn. Alleen het spoor op het rubber van de kofferklep boven het achterlicht, ter grootte van minder dan 1 vierkante centimeter, kon onderzocht worden op DNA. Het DNA-profiel in het bloed matcht met dat van [slachtoffer1].

C2. De verklaringen en het zwijgen van verdachte

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 29 april 2009 rond 22.00 uur in de stad (Arnhem) was. Hij is even naar het optreden van Kane geweest en heeft zijn auto geparkeerd in de Langstraat. Tot 22.30/23.00 uur is hij in de stad geweest en daarna is hij naar [slachtoffer4] gegaan om zijn parkeerpas van de Langstraat af te geven, welke hij 6 of 7 mei 2009 weer heeft teruggekregen. Volgens verdachte was [slachtoffer4] bezig met een auto die hij veilig wilde stellen en in de Langstraat wilde parkeren. Daarna is hij naar huis gegaan en rond 00.00 uur lag hij in bed, aldus verdachte. Verdachte is op 30 april 2009 volgens zijn eigen verklaring rond 09.00 uur wakker geworden.

Ten aanzien van de aanvraag van het vervangend kentekenbewijs en het door [slachtoffer4] laten betalen hiervan heeft getuige [vriendin van verdachte] verklaard dat verdachte zei dat hij de betaling van de aanvraag van een nieuw kentekenbewijs zou doen via de rekening van [slachtoffer4]. Verdachte heeft haar gezegd dat [slachtoffer4] een perfecte keuze was. [slachtoffer4] was het perfecte slachtoffer omdat [slachtoffer4] een apart leven had en daardoor de ideale verdachte was. Verdachte zei haar ook dat hij [slachtoffer4] zou vragen om via internet en op de computer van [slachtoffer4] het bedrag over te maken naar de RDW voor het nieuwe kentekenbewijs.

Nadat verdachte door de politie de camerabeelden zijn getoond, waarop te zien is dat hij zich op 30 april om 00.45 uur en om 07.47 in de portiersloge van de parkeergarage bevindt, heeft verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht. Ook ter terechtzitting van 26 januari 2011 heeft verdachte zich, op de vraag van de rechtbank of hij degene was die in de portiersloge te zien was, beroepen op zijn zwijgrecht. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat verdachte omtrent waar hij was in de nacht van 29 op 30 april 2009 en op de ochtend van 30 april 2009 bij de politie een leugenachtige verklaring afgelegd waarbij hij een vals spoor heeft willen creëren richting [slachtoffer4].

Verdachte is door de politie 22 keer verhoord, waarvan de laatste malen op indringende wijze. Daarbij heeft hij zich, ook als hij werd geconfronteerd met belastend bewijsmateriaal, telkens beroepen op zijn zwijgrecht. Alleen over de termen ‘nekschot’ en ‘kogel door het hoofd’ die hij op internet opgezocht heeft, heeft hij verklaard hoe hij erbij kwam om op die sites te zoeken. In het algemeen heeft hij verklaard over het zoeken op internet dat hij ‘een brede interesse’ heeft.

Verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat er een goede verklaring is voor het in bezit hebben van spullen van [slachtoffer1], maar dat hij op advies van zijn advocaat wilde wachten met een verklaring daarover. Later zegt hij dat hij over bepaalde zaken, zoals de auto, wel iets kan verklaren. Ook verklaart hij dat moord een te grote stap is en hij niet voor een ander op de blaren gaat zitten. Hij weet niet van A tot Z, maar heeft zijn vermoedens, aldus verdachte.

Verdachte is telkens stellig geweest in zijn ontkenning dat hij iets met de verdwijning van [slachtoffer1] te maken heeft en in zijn ontkenning dat hij hem vermoord heeft. Hij weet ook niet waar [slachtoffer1] is en of hij dood is. Ook tegenover een ingezette politie-informant zegt verdachte dat hij het niet gedaan heeft en geen bloed aan zijn handen heeft.

Ter terechtzitting van 26 januari 2011 heeft verdachte zich met betrekking tot de hem voorgehouden belastende omstandigheden consequent beroepen op zijn zwijgrecht, met uitzondering van het noemen van zijn ‘brede interesse’ als verklaring voor zijn zoeken op internet.

De vastgestelde feiten roepen een scenario op van betrokkenheid van verdachte bij de verdwijning en/of dood van [slachtoffer1]. De onderzoeksresultaten wijzen naar verdachte en stoppen bij hem. Vragen die aan verdachte zijn gesteld waren en zijn van groot belang voor de waarheidsvinding, maar zijn door verdachte niet beantwoord. Verdachte was en is de enige die over een aantal (hem ogenschijnlijk belastende) feiten en omstandigheden meer duidelijkheid kon en kan verschaffen. Verdachte heeft dat echter nagelaten en dat is bijzonder onbevredigend, niet in de laatste plaats voor de nabestaanden.

Het zwijgen betekent dat de rechtbank op basis van de bovenstaande vastgestelde feiten en omstandigheden dient te beoordelen of verdachte bij de dood van [slachtoffer1] betrokken is geweest.

De rechtbank stelt vast dat de volgende voor het vaststellen van de feiten van belang zijnde vragen niet beantwoord kunnen worden :

-wanneer is [slachtoffer1] overleden en waar was verdachte op dat moment;

-was de telefoon in het bezit van [slachtoffer1] toen het laatste signaal werd opgevangen;

-hoe heeft verdachte de auto van [slachtoffer1] verkregen;

-was verdachte degene die de auto van [slachtoffer1] de garage aan de Langstraat heeft ingereden;

-is met het vuurwapen van verdachte geschoten;

-hoe en wanneer is het bloedspoor van [slachtoffer1] op de auto van verdachte gekomen;

-hoe en wanneer is verdachte in het bezit gekomen van het rijbewijs, de huis- en autosleutels, de bankpas en de geheugenkaartjes van [slachtoffer1];

C3. Gebruik van het zwijgen van verdachte voor het bewijs van het tenlastegelegde

Over een eventueel gebruik van het zwijgrecht van een verdachte voor het bewijs heeft de Hoge Raad bepaald dat ‘weliswaar de omstandigheid dat een verdachte weigert een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf niet tot het bewijs kan bijdragen, maar dat dat niet meebrengt dat een rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken’.

Volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens mogen, wanneer het gaat om een ‘prima facie’ case, pas conclusies uit het stilzwijgen van een verdachte worden getrokken wanneer de verdachte omtrent een bepaald punt juist een verklaring kan geven. In de bewijsoverweging kan het zwijgen dan als ondersteuning dienen voor de juistheid van de conclusies die de rechter uit het aanwezige bewijs trekt. Volgens het Europese Hof is een ‘prima facie’ case ‘a case consisting of direct evidence which, if believed and combined with legitimate inferences based upon it, could lead a properly directed jury to be satisfied beyond reasonable doubt that each of the essential elements of the offence is proved’.

C4. Alternatief scenario

De vragen die worden opgeroepen door:

-de kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte omtrent zijn aanwezigheid in de nacht van 29 op 30 april 2009 en de vroege ochtend van 30 april 2009 in de parkeergarage waar toen de auto van [slachtoffer1] is ingereden met zijn parkeerpas;

-het zwijgen van verdachte over het wassen van de auto van [slachtoffer1];

-het zwijgen van verdachte over het in bezit hebben van spullen van [slachtoffer1];

-het zwijgen van verdachte over het doen van een aanvraag voor een vervangend kentekenbewijs voor de auto van [slachtoffer1];

-het zwijgen van verdachte over het doen van de valse melding naar de politie en het bellen naar de begrafenisonderneming;

kunnen alle beantwoord worden door uit te gaan van het door de officier van justitie naar voren gebrachte scenario, kort gezegd inhoudende dat verdachte [slachtoffer1] opzettelijk van het leven heeft beroofd.

Een ander scenario is echter ook mogelijk met name nu niet vaststaat hoe kort vóór of ná het overlijden van [slachtoffer1] verdachte de beschikking kreeg over diens auto en autosleutels en nu niet vast staat waar verdachte op het moment van overlijden van [slachtoffer1] was. Dezelfde vragen kunnen immers ook vanuit een ander scenario worden beantwoord, een scenario waarbij verdachte géén betrokkenheid bij de verdwijning en dood van [slachtoffer1] heeft gehad en slechts, in het kader van het feit waarvan hij werd verdacht, heeft willen verhullen dat hij de beschikking had over de auto van de vermiste of dode [slachtoffer1]. In dit scenario past het feit dat medeverdachte [vriendin van verdachte] heeft verklaard dat de reden waarom verdachte de auto schoon wilde maken was, dat als de auto gevonden zou worden ze zouden denken dat hij iets met de verdwijning te maken had. Bovendien heeft verdachte telkens expliciet ontkend [slachtoffer1] vermoord te hebben. Het opvallende internetgedrag kan deels verklaard worden uit deze zelfde betrokkenheid bij de auto van de vermiste [slachtoffer1], welke vermissing in de (regionale) media ruim aandacht kreeg. Het is ook niet uit te sluiten dat verdachte getuige van een en ander is geweest en derhalve wetenschap had over het lot van [slachtoffer1], de eigenaar van de door verdachte kennelijk begeerde auto. Mogelijk is dat ook een verklaring voor het internetgedrag.

C5. Conclusie

De rechtbank overweegt dat in deze zaak geen direct bewijs voorhanden is dat verdachte, al dan niet in samenwerking met een ander of anderen, opzettelijk geweld op [slachtoffer1] heeft uitgeoefend, laat staan direct bewijs voor voorbedachte rade daarbij.

Ten aanzien van de belastende omstandigheden waarover verdachte zwijgt, geldt dat deze belastende omstandigheden, ook in samenhang met de hiervoor vastgestelde feiten, niet dusdanig redengevend zijn voor het bewijs van het onder feit 1 ten laste gelegde dat dit zwijgen meegenomen kan worden in een bewijsoverweging op grond waarvan wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk geweld heeft uitgeoefend op [slachtoffer1]. Dit geldt derhalve ook voor het hiervoor onder C1 omschreven internetgedrag van verdachte, het voorhanden hebben van het wapen en voor het bloedspoor van [slachtoffer1] dat is aangetroffen op de auto van verdachte, temeer daar dit een klein bloedspoor betrof en niet bekend is hoe oud dit bloedspoor is. Het feit dat een geringe hoeveelheid bloed is aangetroffen op een plek die maakt dat het bloed daar alleen kan zijn achtergelaten op een moment dat de kofferbak geopend was, is niet redengevend voor het bewijs van dodelijk geweld op [slachtoffer1], opzettelijk uitgeoefend door verdachte.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte, al dan niet in samenwerking met anderen, opzettelijk geweld op [slachtoffer1] heeft uitgeoefend. Derhalve zal de rechtbank verdachte van het onder 1 primair, subsidiair, meer en meest subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Feit 2

De feiten.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 4 mei 2009 is verdachte naar de woning van getuige [vriendin van verdachte] te Arnhem gegaan met een aanvraag voor een vervanging van een vermist kentekenbewijs en een rijbewijs. Verdachte heeft [vriendin van verdachte] gevraagd dit formulier in te vullen. Verdachte had een kopie van een kentekenbewijs bij zich en een rijbewijs en een zorgpas. De gegevens van het rijbewijs moest [vriendin van verdachte] invullen op het formulier. Verdachte dicteerde het telefoonnummer dat [vriendin van verdachte] op het formulier vermeldde. Verdachte heeft op de aanvraag de handtekening geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van ‘aanvrager’ [slachtoffer1]. Op dit formulier is als kenteken vermeld: [nummer] en als gegevens van de aanvrager staan vermeld: [slachtoffer1], adres: [adres], geboortedatum 24-07-1967 en als telefoonnummer 06-[nummer], wat niet het telefoonnummer van [slachtoffer1] is.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van dit feit.

Beoordeling

Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld acht de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht bewezen dat:

2.

hij op 4 mei 2009, te Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander,

een aanvraag voor vervanging van een (vermist) kentekenbewijs voor de auto met

kenteken [nummer] op naam van [slachtoffer1], - zijnde een geschrift dat bestemd

was om tot bewijs van enig feit te dienen -, heeft vervalst, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende verdachte en

verdachtes mededader opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op die aanvraag aangegeven dat het kenteken van voormelde auto door de aanvrager werd vermist en op die aanvraag een (valse/vervalste) handtekening geplaatst, een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van "aanvrager" [slachtoffer1] en een telefoonnummer vermeld

niet zijnde het telefoonnummer van die [slachtoffer1] en (vervolgens) bij

"naam aanvrager" de naam en/of de geboortedatum en het adres van die [slachtoffer1] ingevuld, als ware die aanvraag door die [slachtoffer1] zelf

ingevuld en/of ondertekend en als ware die [slachtoffer1] zelf degene die de

aanvraag voor dat vervangende kentekenbewijs voor die auto, volkswagen

golf/kenteken [nummer] deed;

05/700184-10

Feit 1

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit gepleegd heeft gelet op hetgeen hij onder 05/900502-09 onder 1 heeft betoogd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat verdachte van dit vrijgesproken moet worden nu, gelet op hetgeen hij onder 05/900502-09 onder 1 heeft aangegeven, niet vaststaat dat [slachtoffer1] overleden is.

Beoordeling

Gelet op hetgeen de rechtbank onder 05/900502-09 onder 1 heeft weergegeven, acht zij buiten redelijke twijfel vast staan dat [slachtoffer1] is overleden doch acht zij niet bewezen dat verdachte strafrechtelijke betrokkenheid heeft gehad bij de dood van [slachtoffer1]. De redenering en argumenten als vermeld onder 1 leiden ook ten aanzien van het onder parketnummer 05/700184-10 onder 1. tenlastegelegde feit tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend kan worden dat verdachte, al dan niet in samenwerking met een ander of anderen, het onderhavige feit heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte derhalve ook van dit feit vrijspreken.

Feit 2

De feiten.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 29 mei 2009 wordt in Arnhem in een kelderbox een ladeblok aangetroffen met daarin een vuurwapen van het merk Walther. Tevens worden daarin aangetroffen 45 patronen van het kaliber 7.65mm. Het pistool is van het type PPK, kaliber 7.65mm en is een vuurwapen in de zin van artikel I, onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III van de Wet Wapens en Munitie. De patronen zijn munitie als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder 4e en artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet Wapens en Munitie.

Verdachte is op 25 mei 2009 aangehouden.

Verdachte heeft op 28 februari 2009 op internet gezocht naar ‘walter ppk 765 onderhoud’. Op 23 april 2009 heeft hij op internet gezocht naar ‘wapenhandel [naam]’. Op 30 april 2009 heeft hij op internet gezocht naar ‘Walter ppk 765mm onderhoud’. Op 4 mei 2009 heeft hij op internet gezocht naar ‘Walter ppk 765’. Op 28 februari 2009 heeft hij ook diverse filmpjes op internet bekeken over de werking van een Walther PPK en een PDF-file van de gebruiksaanwijzing van een Walther bekeken.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het vuurwapen en de patronen voorhanden heeft gehad op grond van de verklaring van [vriendin van verdachte] en het feit dat zich in hetzelfde ladeblok spullen te vinden zijn aan verdachte te koppelen zijn.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat verdachte van het feit vrijgesproken dient te worden. Daartoe heeft hij betoogd dat verdachte aangeeft niets met het aangetroffen vuurwapen te maken hebben. De raadsman meent dat het gegeven dat er in een ladeblok, dat niet bij verdachte is aangetroffen maar waarvan de medeverdachte aangeeft dat het van verdachte is, een vuurwapen wordt aangetroffen, niet maakt dat verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Beoordeling

Medeverdachte I.M. [vriendin van verdachte] heeft op 31 mei 2009 verklaard dat het kastje waarin het wapen is aangetroffen van verdachte is die haar had gevraagd of het kastje bij haar kon staan. Ze verklaart voorts dat zij het kastje al ongeveer een half jaar heeft. Verdachte had haar garagesleutel waarmee hij bij het kastje kon. Over het ladekastje heeft verdachte haar gezegd dat als dat gevonden wordt, hij een probleem zou hebben.

In hetzelfde ladenblok is een uitdraai van de RDW aangetroffen. Hierop is een vingerafdruk aangetroffen welke is vergeleken met de vingerafdruk van verdachte. Door een deskundige is geconcludeerd dat de vingerafdruk op de uitdraai identiek is aan de vingerafdruk van verdachte.

In het ladeblok is ook een telefoon aangetroffen met daarop een briefje waarop staat ‘telefoon [verdachte], afblijven svp’.

Conclusie

Voorgaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen hiervoor onder de feiten is weergegeven, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het wapen en de patronen in de genoemde tenlastegelegde periode voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht bewezen dat:

2.

hij in de periode van de maand februari 2009 tot en met 25 mei

2009 te Arnhem, een wapen van categorie III, te weten een

vuurwapen/pistool (merk Walther/type PPK/kaliber 7.65mm), en munitie van

categorie III, te weten 45, patronen, voorhanden heeft gehad;

Feit 3

De feiten.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de periode van 13 mei 2009 tot en met 15 mei 2009 is een kentekenplaat met kenteken

[nummer] gestolen van de auto van R. [slachtoffer2].

De kentekenplaat is op 27 mei 2009 aangetroffen op de auto van [slachtoffer1] die in de parkeergarage aan de Langstraat stond. De originele kentekensplaten waren van die auto verwijderd. Op de achterkant van de aangetroffen kentekenplaat is een vingerafdruk van verdachte aangetroffen. De auto van [slachtoffer1] is op 30 april 2009 de genoemde parkeergarage binnengereden met de parkeerpas van verdachte.

Op 14 mei 2009 heeft verdachte de auto van [slachtoffer1] voor een tweede keer gewassen van binnen en van buiten.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde (heling van de kentekenplaat) heeft gepleegd. Daarbij heeft de officier van justitie gewezen op de aangifte van [slachtoffer2], het aantreffen van de kentekenplaat op de auto van [slachtoffer1] met op de achterkant een vingerafdruk van verdachte en de verklaring van [vriendin van verdachte] over het schoonmaken van de auto door verdachte.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte van het tenlastegelegde vrij te spreken. Daartoe heeft hij betoogd dat het bewijs van het tenlastegelegde niet alleen kan worden gegrond op het proces-verbaal waarin staat dat op de kentekenplaat een vingerafdruk van verdachte is aangetroffen. Volgens de raadsman bevinden zich voorts in het dossier geen stukken met betrekking tot de verdenking waaruit iets anders of meer kan worden afgeleid. Los daarvan heeft de raadsman opgemerkt dat op basis van het proces-verbaal niet kan worden vastgesteld dat verdachte de kentekenplaat heeft weggenomen dan wel wist of had moeten weten dat de kentekenplaat door een misdrijf was verkregen.

Beoordeling

Verdachte heeft zich ten aanzien van zijn aangetroffen vingerafdruk op de kentekenplaat zowel bij de politie als ter terechtzitting van 26 januari 2011 beroepen op zijn zwijgrecht.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen wanneer het zwijgen van een verdachte betrokken mag worden in de bewijsoverweging.

Gelet op hetgeen hiervoor omtrent de feiten is overwogen en verdachte ten aanzien van zijn aangetroffen vingerafdruk geen verklaring heeft willen afleggen, acht de rechtbank het subsidiair als opzetheling tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht bewezen dat:

3.

hij in de periode van 15 mei 2009 tot en met 27 mei 2009 te

Arnhem, voorhanden heeft gehad een kentekenplaat ([nummer]), terwijl hij ten tijde van het

voorhanden krijgen van voormeld goed wist dat dit door diefstal was verkregen;

Feit 4

De feiten.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 29 mei 2009 worden in een ladeblok goederen aangetroffen die in het bezit van verdachte zijn. In dit ladeblok is ook een Postbank Goldcard aangetroffen ten name van S.I.S. [slachtoffer3]. Deze kaart is in september 2008 uit de woning van R. [slachtoffer4] te Arnhem gestolen. Met deze kaart zijn door verdachte op 8 september 2008 verschillende aankopen verricht.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit gepleegd heeft op grond van het aantreffen van de creditcard in het ladeblok dat gekoppeld kan worden aan verdachte, de verklaringen van R. [slachtoffer4] en R.M. [getuige3], de afschriften van de Postbank waaruit blijkt dat de aankopen met deze creditcard op 8 september zijn gedaan en het aantreffen van de aangekochte goederen in de woning van verdachte.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte van dit feit vrij te spreken. Daartoe heeft hij aangegeven dat verdachte aangeeft niet betrokken te zijn bij de diefstal van de creditcard.

Beoordeling

Ten aanzien van dit feit heeft verdachte zich bij de politie en ook ter terechtzitting van 26 januari 2011 beroepen op zijn zwijgrecht. Daar doet niet aan af dat de raadsman zegt dat verdachte aangeeft niet bij de diefstal betrokken te zijn.

Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor omtrent de feiten is opgenomen en in aanmerking genomen het zwijgen van verdachte zoals hiervoor genoemd, acht de rechtbank het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht bewezen dat:

4.

hij in maand september 2008 te Arnhem, in elk geval in de gemeente Arnhem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een creditcard ten name van/op

naam van S.I.S. [slachtoffer3], toebehorende aan S.I.S. [slachtoffer3];

Feit 5

De feiten.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 29 mei 2009 worden in een ladeblok goederen aangetroffen van verdachte . In dit ladeblok wordt ook een Visa Creditcard aangetroffen op naam van [slachtoffer5] en een briefje met daarop de naam [slachtoffer5], zijn geboortedatum, bankrekeningnummer [nummer] en bijbehorende pincode. Tevens wordt hierin aangetroffen een brief afkomstig van Lasercards, d.d. 16 augustus 2007, gericht aan [slachtoffer5] waarin bedankt wordt voor de aanvraag van deze creditcard.

[slachtoffer5] heeft deze aanvraag niet gedaan en is nooit in het bezit geweest van deze creditcard.

Met de Visa Creditcard zijn de volgende aankopen gedaan. Op 8 september 2007 zijn bij de Harense Smid BV Arnhem een LCD tv van het merk JVC type nummer LT 46Z70B, een wandsteun en cleaner gekocht ter waarde van in totaal € 2375,-. Op 5 oktober 2007 zijn bij Madison te ’s-Gravenhage een jasje maat 42 en pantalon van het merk Black Boss en een blouse van Piazza Sempione gekocht ter waarde van in totaal € 810,-. Op 5 oktober 2007 is bij Perry Sport te ’s-Gravenhage een paar tennisschoenen van het merk Nike gekocht ter waarde van

€ 119,99. Op 5 oktober 2007 is bij The Phone House te ’s-Gravenhage een mobiele telefoon gekocht van het merk Nokia type 6300 met IMEI nr. [nummer] ter waarde van € 259,95. Op 5 oktober 2007 is bij de Business and Travel Shop te ’s-Gravenhage een goed gekocht ter waarde van € 20,-.

De aankopen met de creditcard zijn afgeschreven van het bankrekeningnummer [nummer].

Dit bankrekeningnummer staat op naam van [slachtoffer7].

Op 25 mei 2009 zijn in de woning van verdachte een flatscreen TV van het merk JVC type LT-46270BU met een wandsteun in beslag genomen, alsook een jasje en broek van het merk Hugo Boss, maat L/42, een witte blouse van het merk Piazza Sempione en een mobiele telefoon van het merk Nokia type 6300.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft gepleegd, met uitzondering van het eerste tenlastegelegde gedachtestreepje. De officier van justitie heeft hiertoe gewezen op de aangifte van [slachtoffer5], het aantreffen van de creditcard in genoemd ladeblok en het aantreffen van de daarmee aangekochte goederen in de woning van verdachte.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte van dit feit vrij te spreken. Daartoe heeft hij betoogd dat verdachte aangeeft niet betrokken te zijn geweest bij dit feit. Subsidiair heeft de raadsman verzocht verdachte in ieder geval van het eerste ten laste gelegde gedachtestreepje vrij te spreken nu niet bewezen kan worden dat [slachtoffer5], [slachtoffer5] en [slachtoffer7] door verdachte zijn bewogen tot de afgifte van geldbedragen.

Beoordeling

De rechtbank is evenals de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat hetgeen onder het eerste gedachtestreepje ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Verdachte heeft zich ten aanzien van het ten laste gelegde feit zowel bij de politie als ter terechtzitting van 26 januari 2011 beroepen op zijn zwijgrecht. Daar doet niet aan af dat de raadsman zegt dat verdachte aangeeft niet bij de diefstal betrokken te zijn.

Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor omtrent de feiten is opgenomen en in aanmerking genomen het zwijgen van verdachte zoals hiervoor genoemd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een creditcard heeft aangevraagd op naam van [slachtoffer5] en daarmee, zich voordoend als gerechtigd gebruiker van die creditcard, verschillende aankopen heeft gedaan waardoor de genoemde winkels telkens werden bewogen tot de afgifte van genoemde goederen.

De rechtbank acht bewezen dat:

5.

hij in de periode van 08 september 2007 tot en met 5 oktober

2007 te Arnhem en/of in de gemeente 's-Gravenhage, (telkens) met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een

valse hoedanigheid

-De Harense Smid BV Arnhem heeft bewogen tot de afgifte van LCD TV en een

wandsteun en cleaner (ter waarde van 2375,--) , en

-Business and Travel Shop te 's-Gravenhage heeft bewogen tot de afgifte van

een goed ter waarde van 20,-- euro, en

-Madison te 's-Gravenhage heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid

kleding (jasje en pantalon merk Black Boss en een blouse, piazza

Sempione/ ter waarde van 810,-- euro), en

-Perry Sport te 's-Gravenhage heeft bewogen tot de afgifte van een paar

tennisschoenen (merk nike/ter waarde van 119,99 euro), en

-The Phone House te 's-Gravenhage, heeft bewogen tot de afgifte van een

mobiele telefoon (merk Nokia/imei [nummer]/ ter waarde van 259,95

euro), hierin bestaande dat verdachte (telkens) met vorenomschreven

oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk zich heeft uitgegeven als

gerechtigd gebruiker van een creditcard ten name van [slachtoffer5] en aangevraagd op naam van [slachtoffer5] naar voormelde winkels (De Harense Smid BV en Business and Travel shop en Madison en Perry Sport en The Phone House) is gegaan en

(vervolgens) in voormelde winkels (voormelde) goederen, heeft

uitgezocht en (vervolgens) die (voormelde) goederen heeft betaald

met deze creditcard aangevraagd op naam van [slachtoffer5], als ware verdachte

[slachtoffer5] en/of gerechtigd gebruiker van die creditcard op naam van [slachtoffer5] waarna de door verdachte aangekochte goederen door voormelde winkels aan verdachte werden

meegegeven/afgegeven en (vervolgens) de aankoopbedragen van deze goederen

van de bankrekening van [slachtoffer7], (bankrekeningnummer [nummer]) welke bankrekening aan voormelde creditcard was gekoppeld, werden afgeschreven, waardoor de

Harense Smid BV te Arnhem en de Business and Travel Shop 's Gravenhage

en Madison te 's Gravenhage en Perry Sport te 's Gravenhage en The Phone House te 's Gravenhage (telkens) werden bewogen tot bovenomschreven afgiften;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van 05/900502-09 feit 2 primair:

Valsheid in geschrift

Ten aanzien van 05/700184-10

Feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en

Handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III

Feit 3 subsidiair:

Opzetheling

Feit 4:

Diefstal

Feit 5:

Oplichting, meermalen gepleegd

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 28 december 2010;

• een briefrapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, gedateerd 17 juni 2009, betreffende verdachte;

• een briefrapport van Reclassering Nederland inhoudende een retourzending rapportageverzoek, gedateerd 10 juli 2009, betreffende verdachte;

• een briefrapport van Centrum Maliebaan inhoudende een retourzending rapportageverzoek, gedateerd 23 maart 2010, betreffende verdachte;

• een pro justitia rapportage opgemaakt door J.M.J.F. Offermans, psychiater, gedateerd 6 maart 2010, betreffende verdachte en

• een pro justitia rapportage opgemaakt door drs. P.K. Kristensen, gezondheidspsycholoog, gedateerd 19 maart 2010, betreffende verdachte.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zijn eis met name gegrond op het onder 05/900502-09 feit 1 tenlastegelegde.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de door de rechtbank bewezen verklaarde feiten geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling

Verdachte heeft een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens is gevaarlijk en verboden en moet worden tegengegaan.

De bewezen verklaarde valsheid in geschift, diefstal, oplichting en heling, hebben kennelijk allemaal de zelfverrijking van verdachte tot doel gehad. Verdachte heeft meermalen met passen of documenten van een ander gehandeld alsof het zijn eigen passen of documenten waren en daarmee anderen benadeeld, geprobeerd te benadelen en zichzelf verrijkt of (uiteindelijk) willen verrijken.

In onderhavige zaak zijn de omstandigheden rond de heling van de kentekenplaat van belang voor de strafmaat. Uit de feiten valt af te leiden dat de kentekenplaat is gebruikt met de bedoeling om de identiteit van de auto te verbergen. Deze auto was van een op dat moment vermiste en mogelijk dode eigenaar. Voor verdachte moet het volstrekt duidelijk zijn geweest dat de auto van de vermiste [slachtoffer1], waar de geheelde kentekenplaat op werd aangebracht, een zeer belangrijk aanknopingspunt voor de politie was in het onderzoek naar de vermissing van [slachtoffer1]. De rechtbank weegt deze omstandigheden mee in de strafmaat.

Hoewel verdachte op basis van zijn documentatie kan worden aangemerkt als first offender, ziet de rechtbank in de aaneenschakeling van de onder 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden van elk strafbaar feit en de aard van de feiten een patroon dat zou kunnen duiden op een zich ontwikkelende criminele oriëntatie van verdachte. Ook dit weegt de rechtbank mee in de strafmaat.

De rechtbank acht gelet hierop een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na melden duur passend en geboden.

Gelet op de duur van de reeds door verdachte ondergane voorlopige hechtenis zal de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte opheffen.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwer¬pen genoemd op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen goederen vermeld op p. 3970 onder nrs. SVO-503, SVO-505A-1 en SVO-505 E2 t/m 4 en SVO-505 F1, met betrekking tot waarvan het onder 05/700184-10 feit 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan danwel die tot het begaan van het feit zijn bestemd, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen genoemd op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen goederen vermeld op p. 750 onder nrs. 506e, 506f, 506h, 506j, 2245, 2246, 2249 t/m 2252, 3304-2, 3304-3, 3310 en vermeld op p. 3971 onder SVO-3209, SVO-3304, SVO-3305 en SVO-3308 betreffen voorwerpen met behulp waarvan een bewezenverklaard feit is begaan of voorbereid of die door een bewezenverklaard feit zijn verkregen. De rechtbank zal deze voorwerpen verbeurd verklaren.

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zijn voorwerpen die aan verdachte toebehoren en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang en die bij gelegenheid van het onderzoek naar de feiten waarvan verdachte werd verdacht, zijn aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

Deze voorwerpen dienen derhalve te worden onttrokken aan het verkeer.

Het betreft de voorwerpen genoemd op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen goederen vermeld op p. 750 onder nrs. 3304-5, 3304-6 en 3306-2 en de goederen vermeld op p. 3970 onder nrs. SVO-3201, 3203, 3204, 3205, 3207, 3208 en 3214 t/m 3303.

Ten aanzien van de overige goederen vermeld op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen goederen beveelt de rechtbank de teruggave aan de rechthebbenden.

Dit betreft derhalve de goederen vermeld op p. 750 onder nrs. 505d t/m 506d, 506g, 506i, 506q, 2207, 2247, 3206, 3304-1, 3304-4 en 3307 t/m 3309-1b; de goederen vermeld op p. 3970 onder nrs. SVO-315 t/m 317, 504 t/m 505A, 505E en de goederen vermeld op p. 3971 onder nrs. SVO-3210/3, 3306 en 3402.

6a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partijen [benadeelde partij1], [benadeelde partij2] en [benadeelde partij3] vorderen ieder ten aanzien van het onder 05/900502-09 feit 1 tenlastegelegde een bedrag van

€ 5.000,- terzake emotionele en/of shockschade.

Nu de rechtbank verdachte van het desbetreffende feit heeft vrijgesproken, zal zij de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 57, 91, 225, 310, 326 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de onder 05/900502-09 feit 1 primair, subsidiair, meer en meest subsidiair en de onder 05/700184-10 feit 1 en 3 primair tenlastegelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer¬legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van veroordeelde voornoemd.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwer¬pen, vermeld op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen goederen op p. 750 onder nrs. 3304-5, 3304-6 en 3306-2; de goederen vermeld op p. 3970 onder nrs. SVO-503, 505A-1, 505 E2 t/m 4, 505 F1, 3201, 3203, 3204, 3205, 3207, 3208 en 3214 t/m 3303.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, vermeld op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen goederen op p. 750 onder nrs. 506e, 506f, 506h, 506j, 2245, 2246, 2249 t/m 2252, 3304-2, 3304-3, 3310 en vermeld op p. 3971 onder SVO-3209, SVO-3304, SVO-3305 en SVO-3308.

Beveelt de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, vermeld op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen goederen op p. 750 onder nrs. 505d t/m 506d, 506g, 506i, 506q, 2207, 2247, 3206, 3304-1, 3304-4 en 3307 t/m 3309-1b; de goederen vermeld op p. 3970 onder nrs. SVO-315 t/m 317, 504 t/m 505A, 505E en de goederen vermeld op p. 3971 onder nrs. SVO-3210/3, 3306 en 3402.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partij1], [benadeelde partij2] en [benadeelde partij3] (05/900502-09 feit 1)

Verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen.

Aldus gewezen door:

mr. M.A.E. Somsen, rechter als voorzitter,

mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra, rechter,

mr. J.M. Hamaker, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 februari 2011.