Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP3503

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-01-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
695563 - CV EXPL 10-8518
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitsplitsing op grond van artikel 19 Gerechtsdeurwaarderswet na faillissement niet toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Arnhem

zaakgegevens 695563 \ CV EXPL 10-8518 \ PH\392\mvl

uitspraak van 31 januari 2011

vonnis

in de zaak van

mr. Eric Rene Looyen,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Stucadoorscentrum Oost Nederland B.V.

gevestigd te Arnhem

eisende partij

gemachtigde mr. J.H. Steverink

tegen

1.

de openbare maatschap Maatschap [naam maatschap]

gevestigd te [vestigingsplaats]

2.

[gedaagde sub 2]

wonende te [woonplaats]

3.

[gedaagde sub 3]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partijen

gemachtigde [naam gemachtigde]

Eiser wordt hierna Looyen q.q. genoemd en gedaagden gezamenlijk als [gedaagde partij]

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 juni 2010 met producties

- de conclusie van antwoord met producties

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek met een productie.

2. De feiten

2.1 De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Stucadoorscentrum Oost Nederland (hierna: ‘SON’) is bij vonnis van 1 februari 2010 failliet verklaard. Looyen q.q. is tot curator benoemd.

2.2 [gedaagde partij] hebben in opdracht van SON incassowerkzaamheden verricht. Ten tijde van het faillissement had de maatschap elf zaken ter incasso voor SON in behandeling.

2.3 [gedaagde partij] houden op hun kwaliteitsrekening (derdengeldrekening) een bedrag van € 3.414,60 terzake van ontvangen betalingen in de elf in opdracht van SON in behandeling zijnde zaken.

3. De vordering en het verweer

3.1 Looyen q.q. vordert hoofdelijke veroordeling van [gedaagde partij] tot het doen overschrijven van een bedrag van € 3.414,60, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de facturen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag vanaf vijf dagen na dit vonnis met een maximum van € 20.000,00. Voorts vordert Looyen q.q. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van een bedrag van € 535,50 terzake van buitengerechtelijke kosten en tot betaling van de kosten van deze procedure, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf vijf dagen na dit vonnis.

3.2 Looyen q.q. legt aan zijn vordering ten grondslag de stelling dat [gedaagde partij] ten onrechte het door hen op hun kwaliteitsrekening gehouden bedrag niet doen overmaken aan de boedel.

3.3 [gedaagde partij] voeren gemotiveerd verweer waarop hierna, waar nodig, wordt ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 [gedaagde partij] voeren aan dat SON aan hen een bedrag van € 4.568,97 (inclusief btw) aan verdiensten verschuldigd is en een bedrag van € 2.527,20 (inclusief btw) aan verschotten. Niet in geschil is dat het [gedaagde partij] niet is toegestaan het door hen van SON gevorderde bedrag te verrekenen als bedoeld in artikel 6:127 BW respectievelijk 53 Fw. met het op de kwaliteitsrekening ten behoeve van SON ontvangen bedrag.

4.2 [gedaagde partij] voeren primair aan dat het hen echter op grond van artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: ‘Gdw’) wel is toegestaan het ontvangen bedrag ‘uit te splitsen’ in het aan de opdrachtgever (SON) toekomende bedrag en het aan de deurwaarder voor zijn werkzaamheden toekomende bedrag (honorarium en verschotten). Dit laatste bedrag overstijgt het door Looyen q.q. gevorderde, zodat [gedaagde partij] niets aan Looyen q.q. verschuldigd zijn.

4.3 De kantonrechter verstaat het verweer van [gedaagde partij] aldus dat zij aanvoeren dat de ‘uitsplitsing’ direct na ontvangst van betalingen plaatsvindt, althans dat het ‘uitsplitsen’ en het (dientengevolge) doen van betalingen vanaf de kwaliteitsrekening aan de kantoorrekening van [gedaagde partij] ook na datum van het faillissement kan geschieden, nu het ervoor gehouden moet worden dat SON voordien [gedaagde partij] daartoe reeds had gemachtigd. [gedaagde partij] wijzen daarbij op de parlementaire geschiedenis van artikel 19 lid 2 Gdw waarin is opgemerkt dat de opdrachtverlening aan de gerechtsdeurwaarder impliciet inhoudt dat de gerechtsdeurwaarder door de rechthebbende is gemachtigd ‘de nodige betalingen’ ten laste van de kwaliteitsrekening te verrichten.

4.4 De kantonrechter is van oordeel dat, anders dan [gedaagde partij] stellen, in de parlementaire geschiedenis niet is bepaald dat de ‘uitsplitsing’ geacht moet worden direct na ontvangst van het bedrag plaats te vinden. Evenmin is voldoende onderbouwd dat de ‘uitsplitsing’ op de datum van het faillissement reeds had plaatsgevonden. Het op grond van de in opdracht van SON uitgevoerde incassowerkzaamheden ontvangen bedrag stond immers nog als totaalbedrag op de kwaliteitsrekening van [gedaagde partij], er was geen sprake van dat reeds een bedrag naar de kantoorrekening van [gedaagde partij] was overgemaakt.

4.5 Voorts is onvoldoende onderbouwd dat desalniettemin wel met SON overeenstemming bestond over het precieze bedrag dat [gedaagde partij] in de in behandeling zijnde dossiers ten laste van SON toekwam. Gesteld noch gebleken is dat aan SON reeds door [gedaagde partij] was gefactureerd (en die factuur door SON was geaccordeerd). De verwijzing van [gedaagde partij] in zijn algemeenheid naar de door hen gehanteerde tarieven is onvoldoende. Dat al een definitieve afrekening met SON had plaatsgevonden ligt ook niet in de rede omdat, zo begrijpt de kantonrechter uit de stellingen van [gedaagde partij], de behandeling van de zaken nog niet was voltooid en zonder faillissement zou zijn voortgegaan.

4.6 Van instemming van SON tot het ‘uitsplitsen’ van het totaalbedrag, te weten het afsplitsen daarvan van het beweerde aan [gedaagde partij] toekomende bedrag aan honorarium en verschotten en (vervolgens) een impliciete machtiging tot het overmaken van dit bedrag op de kantoorrekening is dan ook onvoldoende gebleken, terwijl gesteld noch gebleken is dat door SON vóór het faillissement een expliciete machtiging is gegeven tot het doen van betalingen aan de kantoorrekening van [gedaagde partij] ten laste van de kwaliteitsrekening met betrekking tot de door [gedaagde partij] verrichte verdiensten en betaalde verschotten.

4.7 Naar het oordeel van de kantonrechter maken voornoemde omstandigheden dat [gedaagde partij] niet thans na de datum van het faillissement het volgens hen door SON verschuldigde bedrag kunnen vaststellen en, met voorrang op de overige crediteuren van SON, aan de eigen kantoorrekening uitbetalen op grond van de beweerde impliciete machtiging van SON die in zijn algemeenheid strekt tot het doen van de ‘nodige betalingen’.

4.8 Daarbij is van belang dat grond van artikel 23 Fw. vanaf de datum van het faillissement SON niet op de wijze als vóór het faillissement kan beschikken over haar vermogen, doch dat de beschikkingsbevoegdheid is overgegaan op Looyen q.q. als rechtsgeldig vertegenwoordiger van de boedel. Door Looyen q.q. is het door [gedaagde partij] vastgestelde bedrag aan honorarium en verschotten betwist. Gesteld noch gebleken is voorts van een door Looyen q.q. gegeven machtiging tot betaling aan de kantoorrekening [gedaagde partij] in de bedoelde elf zaken of bekrachtiging van de impliciete machtiging van SON terzake daarvan door Looyen q.q.

4.9 Daarop stuit het primaire en het subsidiaire verweer van [gedaagde partij] af, daar beide verweren neerkomen op het na de datum van het faillissement vaststellen, uitsplitsen en betalen aan de kantoorrekening van de verschillende bedragen. Slotsom is dat [gedaagde partij] het door hen ten behoeve van SON op hun kwaliteitsrekening gehouden bedrag dienen af te dragen aan Looyen q.q. en met betrekking tot de door hen verrichte verdiensten en betaalde verschotten een vordering hebben die in de boedel van SON valt.

4.10 [gedaagde partij] hebben nog gewezen op de omstandigheid dat de openstaande vorderingen van SON op haar debiteuren zijn overgedragen aan een derde partij ([bedrijf X]., hierna: [bedrijf X]). [gedaagde partij] voeren aan dat [bedrijf X] het bij [gedaagde partij] gehouden reeds bij de debiteuren van SON geïncasseerde bedrag misloopt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Looyen q.q. er terecht op gewezen dat deze omstandigheid enkel van belang is in de verhouding tussen Looyen q.q. en [bedrijf X] en niet afdoet aan de verschuldigdheid van [gedaagde partij] jegens Looyen q.q.

4.11 De vordering van Looyen q.q. tot het doen overschrijven door [gedaagde partij] naar de faillissementsrekening van een bedrag van € 3.414,60 wordt op grond van het vorenstaande toegewezen. Het over te maken bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente en niet de gevorderde handelsrente, nu het bedrag niet op grond van een handelsovereenkomst verschuldigd is. De door Looyen q.q. gestelde ingangsdatum van de rente, de vervaldatum van de facturen, is onvoldoende onderbouwd. De rente wordt toegewezen vanaf de datum van ontvangst door [gedaagde partij] van de diverse in het totaalbedrag begrepen termijnen.

4.12 Aan de veroordeling kan, zoals door Looyen q.q. gevorderd, een dwangsom worden verbonden. [gedaagde partij] voeren aan dat de gevorderde dwangsom dient te worden afgewezen nu mag worden aangenomen dat zij - als deurwaarders - aan het vonnis zullen voldoen. De kantonrechter is van oordeel dat de gevorderde dwangsom toewijsbaar is, met dien verstande dat deze eerst verschuldigd is vanaf vijf dagen na betekening van dit vonnis.

4.13 Anders dan [gedaagde partij] stellen bestaat er voldoende grond om de gevorderde buitengerechtelijke kosten (ad € 535,50) toe te wijzen. Onweersproken is immers dat door Looyen q.q. uitvoerig met [gedaagde partij] is gecorrespondeerd teneinde buiten rechte betaling van de onderhavige vordering te verkrijgen. De buitengerechtelijke kosten zijn aan te merken als vermogensschade van de boedel. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat deze kosten al zijn betaald.

4.14 De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis is door [gedaagde partij] bestreden met de stelling dat zij mogelijk in hoger beroep wensen te komen tegen dit vonnis. Bij een eventueel andersluidend oordeel van het gerechtshof is het bedrag dan nodeloos overgemaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter is die omstandigheid onvoldoende zwaarwegend om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.15 [gedaagde partij] worden in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. De proceskosten worden vermeerderd met de wettelijke rente, omdat voor vermeerdering met de gevorderde handelsrente geen grondslag bestaat.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1 veroordeelt [gedaagde partij] hoofdelijk, in die zin dat voor zover de een betaalt ook de anderen zijn bevrijd, tot het doen overschrijven naar de faillissementsrekening van een bedrag van € 3.414,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van ontvangst van de verschillende in dat bedrag begrepen termijnen tot de dag van algehele voldoening;

5.2 veroordeelt [gedaagde partij] hoofdelijk, in die zin dat voor zover de een betaalt ook de anderen zijn bevrijd, tot betaling aan Looyen q.q. van een bedrag van € 535,50 aan buitengerechtelijke kosten;

5.3 veroordeelt [gedaagde partij] hoofdelijk, in die zin dat voor zover de een betaalt ook de anderen zijn bevrijd, in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Looyen q.q. begroot op € 87,93 aan dagvaardingskosten, € 208,00 aan vastrecht en € 350,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vijf dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

5.4 verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. P.A. Huidekoper en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2011.