Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP2991

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
05/730819-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 21-jarige man uit Nijmegen wordt veroordeeld voor meerdere autodiefstallen en pogingen daartoe. Samen met medeverdachte stal hij de auto’s om er in te rijden en vervolgens, wanneer de benzine op was, weer ergens achter te laten. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarden verplicht reclasseringscontact en het volgen van een cova+-training. Daarnaast dient hij nog een straf van zeven maanden uit te zitten die hij eerder voorwaardelijk opgelegd had gekregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/730819-10 Parketnummer tul: 05/700636-09

Datum zitting : 18 januari 2011

Datum uitspraak : 1 februari 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement A[verdachte]

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : 7 februari 1989 te Nijmegen,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

thans gedetineerd in PI Achterhoek, HvB De Kruisberg, Hogenslagweg 8

Doetinchem.

Raadsvrouw : mr. R.J.T. Leijzer, advocaat te Elst.

Officier van justitie : mr. M.A.E. Schot

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 oktober 2010 te Nijmegen,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening weg te nemen een (personen)auto, merk Fiat, type Cinquecento,

kenteken [x]) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij2], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en

zich daarbij de toegang tot die plaats des misdrijfs te verschaffen en/of

voormeld goed onder hun of verdachtes bereik te brengen door middel van braak

en/of verbreking, tezamen en in vereniging met verdachtes mededader(s),

althans alleen,

-voornoemde (personen)auto heeft opengebroken/opengewrikt en/of

-(vervolgens) het (contact)slot van voornoemde (personen)auto heeft

geforceerd/verwijderd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 04 oktober 2010 te Nijmegen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (personen)auto (merk

Fiat, type Cinquecento, kenteken [x]) heeft weggenomen een geldbedrag

(van ongeveer vier/vijf euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde partij2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van braak en/of verbreking (te weten het openbreken/openwrikken

van (een deur van) voornoemde (personen)auto;

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 september

2010 tot en met 03 oktober 2010 te Nijmegen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen meerdere,

althans een (personen)auto('s) (merk Suzuki en/of Fiat) in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij1] en/of [benadeelde partij6] en/of

[benadeelde partij7] en/of [benadeelde partij8] en/of [benadeelde partij9] en/of [benadeelde partij10], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft

en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben

gebracht door middel van braak en/of verbreking (te weten het

opentrekken/forceren van een (contact)slot van voornoemde (personen)auto('s));

en

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 september 2010 tot en met 01 oktober 2010 te Nijmegen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (personen)auto (merk Suzuki, type Alto GLX S9, kleur wit, kenteken [x]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij11] en/of [benadeelde partij12], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van meerdere, althans een valse sleutel(s) (te weten meerdere, althans een sleutel(s) welke niet behoorde(n) bij voornoemde (personen)auto);

4.

hij op of omstreeks 01 oktober 2010 te Nijmegen,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening weg te nemen een (personen)auto (merk Suzuki, type Alto, kleur

groen, kenteken [x]), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij13] en/of [benadeelde partij14], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die

plaats des misdrijfs te verschaffen en/of voormeld goed onder hun of

verdachtes bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking,

tezamen en in vereniging met verdachtes mededader(s), althans alleen, een

(contact)slot van voornoemde (personen)auto heeft opengetrokken/geforceerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij in of omstreeks de periode van 03 oktober 2010 tot en met 04 oktober 2010

te Nijmegen, althans in Nederland,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen

een motor (merk Kawasaki, kenteken [x]), terwijl hij ten tijde van het

verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld goed wist, althans

redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit goed door diefstal, in elk geval

door enig misdrijf was verkregen;

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

1a. De vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich een vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 05/700636-09.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 18 januari 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. R.J.T. Leijzer, advocaat te Elst.

Als benadeelde is ter terechtzitting verschenen:

• [benadeelde partij6]

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

• [benadeelde partij3]

• [benadeelde partij1]

• [benadeelde partij2]

• [benadeelde partij4]

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig geweest mr. M.A.E. Schot.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging met betrekking tot feit 3 na de wijziging van de tenlastelegging onduidelijk en onleesbaar is geworden. De onleesbaarheid zou te wijten zijn aan onduidelijkheid over de plaats waar de wijziging dient te worden ingevoegd. De dagvaarding dient voor dat feit dan ook nietig te worden verklaard, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging ook na de wijziging voldoende leesbaar en duidelijk is en verwerpt dit verweer. Uit het woorden “onder feit 3”en “en” aan het begin van de in te voegen tekst blijkt evident dat deze in te voegen tekst dient te worden geplaatst ná de oorspronkelijke tekst van het onder feit 3 tenlastegelegde.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Ten aanzien van feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zijn:

? Proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij2] d.d. 4 oktober 2010, 1.1 ;

? Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 18 januari 2011.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 04 oktober 2010 te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening weg te nemen een (personen)auto, merk Fiat, type Cinquecento,

kenteken [x]toebehorende aan [benadeelde partij2], en zich daarbij de toegang tot

die plaats des misdrijfs te verschaffen en

voormeld goed onder hun bereik te brengen door middel van braak

en verbreking, tezamen en in vereniging met verdachtes mededader,

-voornoemde (personen)auto heeft opengebroken en

-(vervolgens) het (contact)slot van voornoemde (personen)auto heeft

geforceerd/verwijderd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 2

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de aangifte en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte LJN BP 2958]. [getuige] heeft weliswaar de verklaring van verdachte bevestigd, namelijk dat [medeverdachte LJN BP 2958] het geld uit de auto heeft gepakt en in zijn broek heeft gestopt, zij kan echter niet gezien hebben wat er is gebeurd.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor dit feit moet worden vrijgesproken. Het geld is bij medeverdachte [medeverdachte LJN BP 2958] aangetroffen en ook [getuige] heeft verklaard dat [medeverdachte LJN BP 2958] het geld bij zich had. Uit de verklaringen blijkt niet van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte LJN BP 2958].

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft dit feit vanaf zijn eerste verhoor ontkend. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij pas op de hoogte kwam van het feit dat er geld uit de auto was gestolen, toen hij en medeverdachte [medeverdachte LJN BP 2958] waren aangehouden en het geld bij [medeverdachte LJN BP 2958] werd aangetroffen. Alleen [medeverdachte LJN BP 2958] verklaart dat verdachte degene is geweest die het geld uit de auto heeft gepakt. Nu zich in het dossier geen andere bewijsmiddelen bevinden die dit bevestigen en evenmin bewijs voorhanden is dat verdachte het oogmerk had om geld uit de auto weg te nemen, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank zal dit verzamelfeit per aangifte behandelen.

[benadeelde partij10]

Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben vrijspraak gevorderd voor de diefstal van de auto toebehorende aan [benadeelde partij10]. Medeverdachte [medeverdachte LJN BP 2958] heeft verklaard dat hij samen met [verdachte] deze auto heeft weggenomen. Verdachte heeft dit feit echter vanaf zijn eerste verhoor ontkend. Er bevinden zich geen andere bewijsmiddelen in het dossier die verdachte in verband brengen met deze diefstal. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de auto van [benadeelde partij10] heeft gestolen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

[benadeelde partij1]

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zijn:

? Proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij1] d.d. 8 oktober 2010 ;

? Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 18 januari 2011.

[benadeelde partij6]

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zijn:

? Proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij6] d.d. 3 oktober 2010 ;

? Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 18 januari 2011.

[benadeelde partij8]

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie niet voor het bewijs gebruikt kan worden. Hij spreekt immers over een blauwe Suzuki, terwijl uit de aangifte blijkt dat het om een rode Suzuki gaat.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van verdachte met betrekking tot de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd overeenkomt met de verklaring van medeverdachte [medeverdachte LJN BP 2958]. Voorts heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van medeverdachte [getuige].

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging reeds om de reden dat het proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de politie niet voor het bewijs zal worden gebruikt. Verdachte heeft immers ter terechtzitting een volledig bekennende verklaring afgelegd. In combinatie met de aangifte van [benadeelde partij7] en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte LJN BP 2958] , die heeft gezegd dat hij het feit samen met verdachte heeft gepleegd, acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

[benadeelde partij9]

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zijn:

? Proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij9] d.d. 29 september 2010 ;

? Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 18 januari 2011.

[benadeelde partij12]

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zijn:

? Proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij11] d.d. 1 oktober 2010 ;

? Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 18 januari 2011.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

3.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 september2010 tot en met 03 oktober 2010 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander telkens

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen meerdere (personen)auto (merk Suzuki of Fiat) toebehorende aan [benadeelde partij1] en [benadeelde partij6] en

[benadeelde partij8] en [benadeelde partij9] waarbij verdachte en zijn mededader zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben

gebracht door middel van braak en verbreking (te weten het opentrekken/forceren van een (contact)slot van voornoemde (personen)auto('s));en

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 30 september 2010 tot en met 01 oktober 2010 te Nijmegen,

tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (personen)auto (merk Suzuki, type Alto GLX S9, kleur wit, kenteken [x]), toebehorende aan [benadeelde partij12] waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels (te weten sleutels welke niet behoorden bij voornoemde (personen)auto);

Ten aanzien van feit 4

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zijn:

? Proces verbaal van aangifte [benadeelde partij13] d.d. 4 oktober 2010 ;

? Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 18 januari 2011.

4.

hij op 01 oktober 2010 te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening weg te nemen een (personen)auto (merk Suzuki, type Alto, kleur

groen, kenteken [x]), toebehorende aan [benadeelde partij14] en zich daarbij de

toegang tot die plaats des misdrijfs te verschaffen en voormeld goed onder hun bereik te brengen door middel van braak en verbreking, tezamen en in vereniging met verdachtes mededader een (contact)slot van voornoemde (personen)auto heeft opengetrokken/geforceerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 5

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zijn:

? Proces-verbaal aangifte [benadeelde partij3] d.d. 7 oktober 2010 ;

? Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 18 januari 2011.

5.

hij in de periode van 03 oktober 2010 tot en met 04 oktober 2010 te Nijmegen, althans in Nederland, voorhanden heeft gehad een motor (merk Kawasaki, kenteken [x]), terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voormeld goed wist dat dit goed door diefstal was verkregen;art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking

Ten aanzien van feit 3:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking, meermalen gepleegd

en

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel

Ten aanzien van feit 4

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldigezich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking

Ten aanzien van feit 5

Opzetheling

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt het volgen van een cova+-training en voorts met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen schroevendraaiers en handschoenen verbeurd worden verklaard.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de eis van de officier van justitie te hoog is. Verdachte heeft volledig meegewerkt aan het onderzoek, waardoor veel strafzaken zijn opgelost. Bovendien heeft hij oprecht spijt betuigd voor zijn handelen. Verdachte is bereid in de toekomst hulp te accepteren. Gezien de richtlijnen zou een gevangenisstraf voor de duur van 40 weken meer passend zijn.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie d.d. 15 december 2010, betreffende verdachte; en

• een voorlichtingsrapport van de Reclassering Leger des Heils d.d. 6 december 2010, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan een groot aantal autodiefstallen dan wel een poging daartoe. Als reden voor de diefstallen geeft verdachte dat hij en de medeverdachte vervoer nodig hadden. Verdachte toont hiermee aan geen enkel respect te hebben voor het eigendom van anderen en puur te handelen uit eigen belang. Nadat verdachte in september vrij is gekomen na een langdurige gevangenisstraf is hij direct doorgegaan met het plegen van strafbare feiten. De verklaring van verdachte dat hij na zijn vrijlating slechts twintig dagen de tijd heeft gehad zichzelf te bewijzen, vindt de rechtbank dan ook onbegrijpelijk en laat bovendien zien dat verdachte niet de ernst van de door hem gepleegde feiten werkelijk inziet.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een gevangenisstraf.

Uit het reclasseringsrapport blijkt evenwel dat verdachte reeds van jongs af aan bekend is bij de hulpverlening. Hij is op zijn jonge leeftijd al veelvuldig met justitie in aanraking gekomen. Het recidiverisico wordt bij verdachte als hoog ingeschat. Hij heeft begeleiding nodig om weerbaarder te worden en zichzelf een halt toe te kunnen roepen als hij weer dreigt te verzanden in delictgedrag. Het vorige toezicht heeft nauwelijks een maand geduurd omdat verdachte voor de onderhavige feiten werd aangehouden.

De rechtbank ziet, evenals de officier van justitie, in deze persoonlijke omstandigheden aanleiding verdachte nog één laatste kans te bieden en een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Verdachte heeft verklaard mee te willen werken aan een woon- werktraject en het volgen van een cova+-training. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke straf derhalve de voorwaarde verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een cova+-training.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven handschoenen en schroevendraaiers betreffen voorwerpen met behulp waarvan het feit is begaan. De rechtbank zal deze voorwerpen verbeurd verklaren.

6a. De beoordeling van de vorderingen benadeelde partij

Standpunt officier van justitie

[benadeelde partij1]

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] tot een bedrag van € 900 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 18 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

[benadeelde partij2]

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2] tot een bedrag van € 135 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis.

[benadeelde partij3]

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3] ziet op feit 5, waarbij verdachte ‘slechts’ de heling ten laste is gelegd. Nu de schade geen rechtstreeks verband houdt met dit strafbare feit, heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

[benadeelde partij6]

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2] tot een bedrag van € 750 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis.

[benadeelde partij4]

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij4] niet ziet op een feit dat aan verdachte ten laste is gelegd. De officier van justitie verzoekt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Standpunt verdediging

[benadeelde partij1]

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] moet worden afgewezen, nu het op grond van de onderbouwing lijkt alsof de auto is verkocht. Indien de auto total loss is verklaard, zou er een vrijwaringsbewijs moeten zijn.

[benadeelde partij2]

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2].

[benadeelde partij3]

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3] moet worden afgewezen, nu de schade niet rechtstreeks is toegebracht door het feit waarvan verdachte wordt beschuldigd, namelijk de heling.

[benadeelde partij6]

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij6] dient te worden afgewezen. Het schadetaxatierapport dat ter onderbouwing van de vordering is toegevoegd, is vier maanden na de diefstal opgemaakt. Op dat moment kon niet meer worden vastgesteld dat deze schade door verdachte is toegebracht bij het plegen van het strafbare feit, zodat er geen rechtstreeks verband tussen het feit en de schade bestaat.

[benadeelde partij4]

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij4] dient te worden afgewezen, nu het feit waarop deze vordering betrekking heeft niet op de dagvaarding van verdachte staat.

Beoordeling door de rechtbank

[benadeelde partij1]

De rechtbank zal de civiele vordering van [benadeelde partij1] tot een bedrag van € 900, aan materiële schade toewijzen, waarbij de omvang van de schade door de rechtbank op basis van de overgelegde stukken naar billijkheid op dat bedrag is begroot.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering, omdat dit deel van de vordering onvoldoende met stukken is onderbouwd, niet nader te begroten is en daarmee een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.

[benadeelde partij2]

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde [benadeelde partij2] (gedeeltelijk) weersproken. De rechtbank acht de vordering - nu het tenlastegelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd - toewijsbaar. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

[benadeelde partij3]

De rechtbank is van oordeel dat er in geval van heling sprake kan zijn van rechtstreekse schade toegebracht aan de eigenaar van het geheelde goed. Daarbij zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend (NJ 1998, 537). De rechtbank oordeelt dat de schade aan het contactslot geen rechtstreeks gevolg is van het handelen van verdachte. De gebruiksschade en het arbeidsloon kunnen echter wel als een rechtsreeks gevolg van de heling worden beschouwd. Door met de motor te rijden, wetende dat deze gestolen was, en deze vervolgens in het centrum van Nijmegen achter te laten, heeft verdachte in ieder geval bewust het risico genomen op het ontstaan van deze (verder ook niet betwiste) schade en kosten van herstel.

[benadeelde partij6]

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde [benadeelde partij6] (gedeeltelijk) weersproken. De rechtbank acht de vordering - nu het tenlastegelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd - toewijsbaar.

De vordering zal dan ook worden toegewezen.

[benadeelde partij4]

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde partij4] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering omdat het strafbare feit waarop deze vordering betrekking heeft niet op de dagvaarding van verdachte staat.

6b. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Standpunt officier van justitie

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling heeft de officier van justitie gevorderd de tenuitvoerlegging van 7 maanden gevangenisstraf die door de rechtbank Arnhem op 27 oktober 2009 voorwaardelijk is opgelegd.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering na voorwaardelijke veroordeling primair geheel en subsidiair deels moet worden afgewezen. De feiten waar verdachte destijds voor is veroordeeld betreffen afpersingen. Dit zijn feiten met een geweldscomponent en daar heeft de zware straf op gezien. In deze zaak gaat het alleen om diefstal en is er geen sprake van een geweldscomponent. Het is dan ook niet proportioneel om de vordering toe te wijzen.

Beoordeling door de rechtbank

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank de feitelijke grondslag van de vordering van de officier van justitie juist. Verdachte heeft zich vrijwel direct na zijn vrijlating in korte tijd schuldig gemaakt aan meerdere autodiefstallen. Deze feiten acht de rechtbank ernstig genoeg om het proportioneel te achten tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf over te gaan, met name vanwege de frequentie en de wijze waarop de diefstallen hebben plaatsgevonden.

Zij zal derhalve de tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijke gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Arnhem d.d. 27 oktober 2009.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b. 14c, 14d, 14g, 14h, 14i, 14j, 24c, 27, 33a, 36f, 45, 47, 57, 63, 310, 311 en 417 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook indien dit zal inhouden het volgen van een cova+-training, voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

leren handschoenen en twee schroevendraaiers

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Arnhem, d.d. 27 oktober 2009, onder parketnummer 05/700636-09.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde par[benadeelde partij1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover [medeverdachte LJN BP 2958] betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [benadeelde partij1] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [benadeelde partij1], te betalen € 900 (zegge negenhonderd euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk nu de vordering voor dat gedeelte een onevenredige belasting van het strafproces zal opleveren. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Maatregel van schadevergoeding ad € 900, subsidiair 18 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij1], te betalen € 900 (zegge negenhonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere betalingsverplichting doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover [medeverdachte LJN BP 2958] betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [benadeelde partij2] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [benadeelde partij2], te betalen € 135 (zegge hondervijfendertig euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 135, subsidiair 2 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij2], te betalen € 135, (zegge hondervijfendertig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover[medeverdachte LJN BP 2958] betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [benadeelde partij3] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [benadeelde partij3], te betalen € 161,96 (zegge honderdeenenzestig euro en zesennegentig cent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk nu de vordering voor dat gedeelte een onevenredige belasting van het strafproces zal opleveren. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Maatregel van schadevergoeding ad € 161,96 subsidiair 3 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij3], te betalen € 161,96, (zegge honderdeenenzestig euro en zesennegentig cent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere betalingsverplichting doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij6].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover[medeverdachte LJN BP 2958] betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [benadeelde partij6] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [benadeelde partij6], te betalen € 750 (zegge zevenhonderdvijftig euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 750, subsidiair 15 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij6], te betalen € 750, (zegge zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij[benadeelde partij4].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mrs. M.M.L.A.T. Doll, M.F. Gielissen en D.R. Sonneveldt,

in tegenwoordigheid van mr. S.H. Keijzer, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 februari 2011.