Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP2911

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-01-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
205882 / HA RK 10-195
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil over aansprakelijkheid. Het enkele feit dat geen noemenswaardige onderhandelingen zijn gevoerd is onvoldoende voor niet-ontvankelijkheid. In dit geval afwijzing op de voet van 1019z Rv. Onvoldoende concrete aanwijzingen dat beslechting van het deelgeschil voldoende aan een vaststellingsovereenkomst zal bijdragen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019w
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019z
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/111
JA 2011/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 205882 / HA RK 10-195

Beschikking van 10 januari 2011

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats]

verzoekster,

advocaat mr. J.H. van der Wouden te Rotterdam,

tegen

1. de stichting

STICHTING BERG TOT BERG RACE,

gevestigd te Wageningen,

verweerster,

advocaat thans mr. S.E. Phoelich-Pontier te Den Haag,

2. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

verweerster,

advocaat mr. S.W. Polak te Utrecht,

3. [verweerder sub 3],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

advocaat mr. S.W. Polak te Utrecht.

De partijen worden verder [verzoekster], Berg tot Berg, Reaal en [verweerder sub 3] genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift van de zijde van Reaal en [verweerder sub 3]

- het verweerschrift van de zijde van Berg tot Berg

- de mondelinge behandeling. Verschenen zijn [verzoekster] vergezeld van mr. Van der Wouden voornoemd, en mrs. Phoelich-Pontier en Polak voornoemd.

2. De beoordeling

2.1. [verzoekster] was toeschouwer van een door Berg tot Berg georganiseerde mountainbike¬wedstrijd te Arnhem op 6 juni 2004. [verweerder sub 3], deelnemer aan deze wedstrijd en verzekerde van thans Reaal, is bij het afdalen van een trap in het parcours ten val gekomen en tegen [verzoekster] aangebotst. [verzoekster] lijdt ten gevolge van dit ongeval (letsel)schade waarvoor zij Berg tot Berg en/of Reaal en/of [verweerder sub 3] aansprakelijk houdt. Bij brieven van 19 juli 2004 en 3 augustus 2005 heeft de rechtsvoorgangster van Reaal laten weten dat zij [verweerder sub 3] niet aansprakelijk acht voor de schade. Ook Berg tot Berg heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.2. Op verzoek van [verzoekster] zijn op 25 juni en 3 december 2009, en op 27 mei 2010 voor¬lopig getuigenverhoren gehouden over het ongeval. Bij brieven van 15 september 2010 heeft [verzoekster] [verweerder sub 3], Reaal en Berg tot Berg op basis van de processen-verbaal van de getuigen¬verhoren verzocht aansprakelijkheid te erkennen. Op 23 september 2010 is het onderhavige verzoekschrift bij de rechtbank ingediend.

2.3. Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank op de voet van artikel 1019w Rv voor recht verklaart dat [verweerder sub 3], Reaal en Berg tot Berg gehouden zijn de schade die [verzoekster] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het mountainbikeongeval van 6 juni 2004 te vergoeden, en voorts tot een hoofdelijke veroordeling van [verweerder sub 3], Reaal en Berg tot Berg in de door de rechtbank te begroten kosten van rechtsbijstand in deze procedure aan de zijde van [verzoekster].

2.4. Vervolgens is een mondelinge behandeling bepaald op 16 november 2010, die vooralsnog was beperkt tot de vraag of sprake is van een verzoek in de zin van titel 17 en de vraag of de in artikel 1019z bedoelde afwijzingsgrond zich voordoet. Verweerders hebben ter zitting een verweerschrift ingediend, die eveneens waren beperkt tot voornoemde onderwerpen. Zij stellen zich op het standpunt dat [verzoekster] niet-ontvankelijk is in haar ver¬zoek (Reaal en [verweerder sub 3]), althans dat het verzoek dient te worden afgewezen (Berg tot Berg, Reaal en [verweerder sub 3]). Hun verweer komt hieronder nader aan bod.

2.5. Artikel 1019w Rv biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade, de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstand¬ko¬ming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak. De rechter wijst het verzoek af voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvol¬doende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. (Artikel 1019z Rv.)

2.6. Een verzoek als het onderhavige, dat er toe strekt dat in een deelgeschilprocedure wordt vastgesteld dat verweerders jegens verzoekster uit onrechtmatige daad aansprakelijk zijn, valt op zich binnen de omschrijving van artikel 1019w BW. Dispuut over de vraag of een verweerder jegens de verzoekster aansprakelijk is, is immers te beschouwen als ‘een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt’. Dat de aansprakelijkheidsvraag niet het gehele geschil betreft, volgt reeds daaruit dat na beantwoording daarvan nog de begroting van de schade dient te volgen (in het geval dat de verweerder jegens de verzoeker aansprakelijk wordt geoordeeld).

2.7. Ook de wetgever is er blijkens de parlementaire geschiedenis van uitgegaan dat de deelgeschilprocedure zich kan lenen voor de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag. Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 10:

“De aansprakelijkheidsvraag kan wel degelijk in een deelgeschilprocedure aan de orde komen. Net als bij andere deelgeschillen zal de rechter zich ook dan moeten afvragen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Deelgeschillen waarvan derhalve te verwachten is dat de beantwoording daarvan kostbaar is en veel tijd in beslag zullen nemen, bijvoorbeeld omdat uitvoerige bewijsvoering en deskundigenberichten nodig zullen zijn, zullen zich minder snel lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure. (…) Dat in een concreet geval de onderhandelingen niet eindigen in een vaststellingsovereenkomst, staat niet aan een ontvankelijkheid in de voorgestelde procedure in de wet. Van belang is immers of de verzochte beslissing een voldoende bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.”

De Minister heeft dit standpunt herhaald in de Nota naar aanleiding van het Verslag, zie Kamerstukken II, 2008-2009, 31 518, nr. 8, p. 9.

2.8. De verweerders hebben aangevoerd dat in dit geval geen buitengerechtelijke onderhandelingen hebben plaatsgevonden en dat dat aan het verzoek in de weg staat. Op zichzelf is juist dat van noemenswaardige onderhandelingen geen sprake is geweest. [verzoekster] onderkent dat zelf ook, waar zij op p. 51 van het verzoekschrift stelt dat onderhandelingen niet van de grond zijn gekomen. Nadat verweerders aanvankelijk de aansprakelijkheid hadden afgewezen, heeft [verzoekster] een voorlopig getuigenverhoor geëntameerd, waarna zij wederom bij brief verweerders heeft verzocht aansprakelijkheid te erkennen. Enkele werkdagen na het verzenden van die brief heeft zij echter al het onderhavige verzoekschrift ingediend, zonder de reactie van verweerders op haar nadere aansprakelijkstelling af te wachten.

2.9. Doel van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. Dit doel is in de Memorie van Toelichting op deze wet (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 2) als volgt verwoord:

“Anderzijds wordt de lange duur van het schaderegelingstraject ook vaak veroorzaakt door verschillen van mening over de vele vragen die beantwoord moeten worden. Naast het vaststellen van aansprakelijkheid dient ook de omvang van de schadevergoeding te worden bepaald. Dat vergt onder meer antwoord op de vraag of het letsel dan wel het overlijden uit een bepaalde gebeurtenis is voortgevloeid en of en in welke mate de benadeelde eigen schuld had. Door de grote hoeveelheid en diversiteit aan rechtsvragen, de grote belangentegenstellingen en de veelal bestaande noodzaak tot inschakeling van deskundigen van verschillende disciplines zoals artsen en arbeidsdeskundigen, komen partijen in de buitengerechtelijke onderhandelingen niet zelden moeilijk tot een vergelijk. Fixatie op een of meer deelgeschillen kan ertoe leiden dat partijen de kern van de zaak uit het oog verliezen, waardoor de verhoudingen verslechteren en de duur van de afhandeling toeneemt. Een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter ter oplossing van deze deelgeschillen in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase, kan de totstandkoming van een minnelijke regeling bij letsel- en overlijdensschade bevorderen. Dit voorstel voorziet daartoe in een nieuwe procesvorm: de deelgeschilprocedure”.

Op dezelfde pagina staat:

“De bij de afhandeling van letsel- en overlijdensschade betrokken partijen krijgen hiermee een extra instrument ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen.”

en

“De rechterlijke uitspraak moet partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden.”

2.10. De wetgever heeft bij het ontwerp van de wet derhalve de situatie voor ogen gehad dat de betrokken partijen in onderhandeling zijn. Daarop wijst ook artikel 1019x lid 3 aan¬hef en onder c Rv, waarin is bepaald dat het verzoekschrift een zakelijk overzicht vermeldt van de inhoud en het verloop van de onderhandelingen over de vordering. De deelgeschilprocedure is bedoeld als instrument om onderhandelingen vlot te trekken, niet zozeer als instrument om de wederpartij naar de onderhandelingstafel te dwingen.

2.11. Het enkele feit dat geen noemenswaardige onderhandelingen zijn gevoerd, staat echter naar het oordeel van de rechtbank niet per se in de weg aan toegang tot een deelgeschilprocedure. Juist het feit dat de partijen van mening verschillen over de aansprakelijkheid kan een forse drempel zijn voor het op gang komen van onderhandelingen. Het voeren van onderhandelingen ter regeling van een letselschade en het onderzoeken van de omvang van dergelijke schades kan immers kostbaar zijn. De aangesproken partij zal daartoe in veel gevallen niet bereid zijn indien zij de aansprakelijkheid betwist, terwijl het ook voor het slachtoffer niet voor de hand ligt die kosten te maken indien de aansprakelijkheid wordt betwist. Juist om die impasse te doorbreken kan een rechterlijk oordeel in een deelgeschilprocedure een functie vervullen. Die functie is blijkens de hiervoor aangehaalde passages door de wetgever onder omstandigheden beoogd. Zou het enkele feit dat de onderhandelingen nog niet op gang zijn gekomen juist door verschil van inzicht over de aansprakelijkheid, reeds tot gevolg hebben dat een verzoeker niet in zijn verzoek wordt ontvangen, dan zou de door de wetgever klaarblijkelijk beoogde mogelijkheid ook de aansprakelijkheid in een deelgeschilprocedure aan de orde te stellen, illusoir worden.

2.12. Dan dient de rechtbank te beoordelen of de door [verzoekster] verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daarbij zal de investering in tijd, geld en moeite die met de deelgeschilprocedure gepaard gaan moeten worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. Bij die afweging is van belang dat reeds uitgebreide getuigenverhoren hebben plaatsgevonden, zodat op voorhand niet aannemelijk is dat nog (veel) nadere bewijslevering dient plaats te vinden. Ook voorziet de rechtbank op dit moment niet dat deskundige voorlichting nodig zal zijn alvorens over de aansprakelijkheid kan worden geoordeeld. Over de bijdrage die de beslissing mogelijk aan een minnelijke regeling kan leveren, kan echter niet meer worden gezegd dan dat het oordeel dat één of meer verweerders aansprakelijk zou(den) zijn, mogelijk voor de betreffende verweerder(s) aanleiding zal zijn met [verzoekster] in onderhandeling te treden teneinde de schade te regelen. Over de kans daarop, of de kans dat verweerders via een bodemprocedure dat oordeel aan een hogere rechter zouden willen voorleggen, valt in dit stadium verder geen zinnig woord te zeggen. De partijen hebben buitengerechtelijk nog in het geheel niet onderzocht welke weg zij dienen te gaan om tot een schaderegeling te komen. Zoals reeds overwogen zijn buitengerechtelijk geen onderhandelingen van de grond gekomen. Verzoekster heeft echter, nadat zij na de voorlopige getuigenverhoren de verweerders aansprakelijk heeft gesteld, verweerders geen reële mogelijkheid geboden op die aansprakelijkstelling in te gaan. Zij heeft binnen enkele dagen daarna het onderhavige verzoekschrift ingediend. Bovendien is niet gebleken dat zij in dat stadium reeds enig inzicht heeft gegeven, al was het maar voorlopig, in de omvang van haar schade. Dat betekent dat de rechtbank slechts op basis van algemeenheden, zoals dat een oordeel over de aansprakelijkheid in het algemeen een vaststellingsovereenkomst naderbij kan brengen, tot het oordeel zou moeten komen dat de verzochte beslissing voldoende bijdraagt aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Dat acht de rechtbank een onvoldoende basis. Daarom zal het verzoek op grond van artikel 1019z Rv worden afgewezen.

2.13. Artikel 1019aa lid 1 Rv bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die – kort gezegd – het slachtoffer bij de behandeling van het verzoek heeft moeten maken, welke kosten ingevolge artikel 1019aa lid 2 Rv gelden als kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Het feit dat het verzoek op grond van artikel 1019z Rv zal worden afgewezen, staat aan een dergelijke kostenbegroting niet in de weg. In Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 12) heeft de Minister immers overwogen:

“Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dit dient overigens te worden onderscheiden van de situatie waarin de rechter het verzoek afwijst zonder dat daarvan sprake is. In dat geval kunnen de kosten van de voorgestelde procedure ook voor vergoeding in aanmerking komen, indien het redelijk was om de met de procedure gemoeide kosten te maken. Vereist is dan wel dat die kosten zijn gemaakt als gevolg van een gebeurtenis waarvoor aansprakelijkheid bestaat en zij tevens in een zodanig verband daarmee staan dat zij aan de daarvoor aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend (vgl. HR 11 juli 2003, NJ 2005, 50).”

2.14. De rechtbank zal verweerders niet veroordelen in de te begroten kosten van [verzoekster], aangezien de aansprakelijkheid van verweerders niet vaststaat en derhalve onzeker is of voor veroordeling op de voet van artikel 6:96 BW een grondslag bestaat. Dat neemt niet weg dat deze kosten zullen kunnen worden begroot. Omdat de mondelinge behandeling beperkt is gebleven tot de in rechtsoverweging 2.4 weergegeven onderwerpen, hebben de partijen nog geen gelegenheid gehad zich over de kosten uit te laten. Daarvoor zal alsnog gelegenheid worden geboden.

3. De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat de partijen zich uiterlijk op 31 januari 2011 schriftelijk dienen uit te laten over de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van verzoekster, onder verlening van een afschrift daarvan aan de overige partijen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2011.