Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP2629

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/2217
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een bezwaarschrift ingediend omdat verweerder nog steeds niet heeft beslist op zijn aanvragen om teruggaaf van BPM. De rechtbank merkt dit bezwaarschrift aan als een ingebrekestelling. Omdat de aanvraag dateert van voor inwerkingtreding van de Wet dwangsom niet tijdig beslissen, is hiervoor nog geen dwangsom gaan lopen. Het beroepschrift is van na inwerkingstreding van deze wet zodat hiervoor het overgangsrecht bij deze wet geldt. Verweerder heeft nog steeds niet op de aanvraag beslist, zodat de rechtbank verweerder opdraagt dit alsnog binnen twee weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank te doen, dit onder verbeurte van een dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/19.23.1
V-N 2011/20.23.1
FutD 2011-0284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 10/2217

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 1 februari 2011

inzake

[X], wonende te [Z] (Duitsland), eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Eiser heeft op 1 oktober 2008 en 12 maart 2010 aanvragen als bedoeld in artikel 14a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) ingediend.

Eiser heeft op 6 april 2010 bezwaar aangetekend tegen het niet-beslissen op de door eiser op grond van artikel 14a van de Wet BPM ingediende aanvragen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 mei 2010 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft daartegen bij brief van 17 juni 2010, ontvangen door de rechtbank op 18 juni 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2011 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [gemachtigde], werkzaam bij [A]. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Verweerder heeft met dagtekening 3 oktober 2006 aan eiser een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000]) belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd, waarbij tevens een boete is opgelegd.

Eiser heeft tegen de naheffingsaanslag en de boete bezwaar ingediend.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 juni 2007 het bezwaar afgewezen.

Eiser heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van

22 september 2008 met procedurenummer AWB 07/2932 ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft gemachtigde op 1 oktober 2008 een brief gestuurd naar verweerder. Daarin verzoekt gemachtigde om teruggaaf van BPM als bedoeld in artikel 14a van de Wet BPM. Tevens wordt hierin aangekondigd dat eiser in hoger beroep zal gaan.

Verweerder heeft bij brief van 14 november 2008 medegedeeld dat het verzoek van gemachtigde in verband met het namens eiser ingestelde hoger beroep niet in behandeling kan worden genomen.

Eiser heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof heeft het hoger beroep bij uitspraak van 9 maart 2010 met procedurenummer 08/00539 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen deze uitspraak van het gerechtshof cassatie ingesteld.

Op 12 maart 2010, abusievelijk gedateerd 12 maart 2009, heeft gemachtigde een brief aan verweerder gestuurd waarin (wederom) wordt verzocht om een teruggaaf als bedoeld in artikel 14a van de Wet BPM. Het betreft dezelfde auto als het verzoek van 1 oktober 2008.

Op 6 april 2010 heeft gemachtigde een brief gestuurd aan verweerder. Deze brief bevat - voor zover relevant - de volgende passages:

“Onderwerp: [X]; Bezwaar inzake verzoek artikel 14a Wet BPM

(…)

Namens cliënt (…) ga ik in bezwaar tegen het niet beslissen op mijn verzoek voor toepassing

van artikel 14a Wet BPM. Het verzoek is gericht tegen de naheffingsaanslag

[000], d.d. 3 oktober 2006.

Het verzoek om toepassing van artikel 14a Wet BPM is gedaan op 14 november 2008 en op

12 maart 2010 (…).

De heer (…) heeft 14 november 2008 mede gedeeld dat de behandeling van het verzoek zou

worden uitgesteld in verband met de lopende procedure bij het gerechtshof. De uitspraak van

het gerechtshof heeft plaatsgevonden op 9 maart 2010. Op 12 maart 2010 heb ik het verzoek

nogmaals onder de aandacht (…) gebracht. Hierop is geen reactie gekomen.

Ik ga er dan ook van uit dat de douane het verzoek niet in behandeling neemt en daarmee een

afwijzend standpunt heeft ingenomen.

Cliënt stelt cassatie in tegen de uitspraak van het gerechtshof. Cliënt gaat niet meer akkoord

met het verdagen van de behandeling en dit bezwaar op grond van een lopende procedure.

(…)

Voor nadere informatie en motivering verwijs ik naar de brieven van 1 oktober 2009 en

12 maart 2010 (per abuis 2009 vermeld).”

Verweerder heeft bij brief van 22 april 2010 het voornemen kenbaar gemaakt om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Verweerder heeft gemachtigde in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord.

Op 27 april 2010 heeft er een telefoongesprek plaatsgevonden tussen gemachtigde en verweerder.

Verweerder heeft op 12 maart 2010 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

3. Geschil

In geschil is of:

a. het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard;

b. op de door eiser ingediende aanvragen om een teruggaaf als bedoeld in artikel 14a van de Wet BPM een beslissing had moeten worden genomen;

c. eiser recht heeft op de teruggaaf als bedoeld in artikel 14a van de Wet BPM;

d. eiser recht heeft op een proceskostenvergoeding en, indien deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord, de hoogte van de proceskostenvergoeding.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

De Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (hierna: Wet dwangsom) is op 1 oktober 2009 in werking getreden.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, zoals dat luidt met ingang van 1 oktober 2009, kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een administratieve rechter in te stellen bezwaar te maken, tenzij het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Eiser heeft tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvragen van 1 oktober 2008 en 12 maart 2010 op

6 april 2010 bezwaar gemaakt. De mogelijkheid tot het maken van bezwaar is na 1 oktober 2009 echter niet meer aanwezig. Dat betekent, dat verweerder niet bevoegd was om op het gemaakte bezwaar te beslissen. Nu verweerder niettemin op het bezwaar heeft beslist, dient de uitspraak op bezwaar vernietigd te worden. De verwijzing van verweerder naar de MvT waaruit zou volgen dat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard onderschrijft de rechtbank niet, nu het gestelde in de MvT uitsluitend betrekking heeft op op 1 oktober 2009 reeds aanhangige bezwaarschriften.

De rechtbank zal het bezwaarschrift aanmerken als een schriftelijke mededeling aan verweerder dat het in gebreke is op de aanvragen te beslissen.

Aanvraag van 12 maart 2010

Gelet op het bepaalde in artikel 4:13 van de Awb moet verweerder binnen 8 weken op de aanvraag als bedoeld in artikel 14a van de Wet BPM beslissen. De periode tussen het verzoek van 12 maart 2010 en het bezwaarschrift van 6 april 2010 – de ingebrekestelling - is korter dan 8 weken, zodat ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift de beslistermijn nog niet is verstreken. Eiser heeft verweerder derhalve voor het einde van de redelijke termijn medegedeeld dat het in gebreke was. Hiermee is niet voldaan aan de vereisten van art. 6:12, tweede lid, van de Awb. Het beroep moet in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

Gelet op het bepaalde in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb is dan ook nog geen dwangsom gaan lopen.

Aanvraag van 1 oktober 2008

Gelet op het overgangsrecht bij de Wet dwangsom kan voor een aanvraag van vóór 1 oktober 2009, te weten

1 oktober 2008, geen dwangsom op grond van paragraaf 4.1.3.2 van de Awb verschuldigd zijn. Wel is hierop op grond van het overgangsrecht hoofdstuk 8.2.4a Awb, zoals dat sinds 1 oktober 2009 geldt, van toepassing. Dit omdat het beroepschrift is van na 1 oktober 2009.

De rechtbank is van oordeel dat ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift op 6 april 2010 de beslistermijn van 8 weken op de aanvraag van 1 oktober 2008 is verstreken en overweegt daartoe als volgt.

Verweerder heeft eiser bij brief van 14 november 2008 medegedeeld dat het verzoek om teruggaaf niet in behandeling kan worden genomen in verband met het namens eiser ingestelde hoger beroep. De rechtbank zal deze brief aanmerken als een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14 van de Awb (tekst tot 1 oktober 2009). Op dat moment waren van de beslistermijn van 8 weken, iets meer dan 6 weken verstreken. Vervolgens doet het gerechtshof op 9 maart 2010 uitspraak als gevolg waarvan de termijn van 8 weken verder is gaan lopen. Omdat verweerder naar aanleiding van deze uitspraak niet opnieuw een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14 van de Awb (tekst tot 1 oktober 2009) heeft verstuurd en eiser ook niet schriftelijk heeft ingestemd met het (nader) uitstel (zie artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Awb (tekst met ingang van 1 oktober 2009)), was ten tijde van het indienen van het bewaarschrift op 6 april 2010 de termijn van 8 weken verlopen.

Zoals hiervoor reeds overwogen merkt de rechtbank het bezwaarschrift van 6 april 2010 aan als een ingebrekestelling. Gelet op het bepaalde in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb had verweerder vervolgens binnen de termijn van twee weken na de ingebrekestelling van 6 april 2010 alsnog een besluit moeten nemen. Verweerder heeft dit echter nog steeds niet gedaan.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een eventuele teruggaaf van BPM pas aan de orde kan komen wanneer de heffing van BPM onherroepelijk is komen vast te staan en dat als gevolg daarvan de termijn waarbinnen op de aanvraag moet worden beslist niet verstrijkt totdat op het beroep in cassatie tegen de naheffingsaanslag BPM is beslist. De rechtbank is het hiermee, zoals ook al blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, niet eens. De rechtbank merkt hierbij op dat reeds uit het standpunt van verweerder, dat een teruggaaf van BPM nu nog niet aan de orde is, blijkt dat het wel degelijk mogelijk is een beslissing op de aanvraag te nemen.

Partijen hebben de rechtbank ter zitting verzocht al een inhoudelijke beslissing te nemen op de aanvraag als bedoeld in artikel 14a van de Wet BPM. De rechtbank zal aan dit verzoek niet voldoen omdat verweerder tot op heden nog geen voor bezwaar vatbare beslissing op de aanvraag heeft genomen.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb zal de rechtbank verweerder opdragen binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog op de aanvraag van eiser te beslissen. De rechtbank bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100 verbeurt voor iedere dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep in zoverre gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

Nu het beroep tegen het niet beslissen op de aanvraag van 1 oktober 2008 gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Eiser heeft verzocht verweerder te veroordelen in de werkelijke proceskosten. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding en overweegt daartoe als volgt.

Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden van het forfaitaire tarief af te wijken. Uit de parlementaire behandeling van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures blijkt dat de wetgever bij bijzondere omstandigheden denkt aan zeer schrijnende gevallen (TK 1999-2000, 27 024, nr. 3, blz. 7). Naar het oordeel van de rechtbank levert in het onderhavige geval de gang van zaken, waarbij verweerder geen beslissing op de aanvraag van 1 oktober 2008 heeft genomen, geen bijzondere omstandigheid op in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit. Gelet op de handelwijze van eiser is de ontstane vertraging bij het niet-tijdig beslissen op de aanvraag van 1 oktober 2008, niet geheel te wijten aan verweerder. Voor de periode van 14 november 2008 tot 9 maart 2010 is eiser van de reden van deze vertraging op de hoogte gesteld en is hij hiermee (stilzwijgend) akkoord gegaan. Ook overigens is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een afwijking van het forfaitaire tarief rechtvaardigen.

Nu van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit geen sprake is, dient voor de in de bezwaar- en beroepsfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand een forfaitaire kostenvergoeding te worden toegekend. De rechtbank heeft de kosten daarvan op de voet van het Besluit begroot op € 273 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 218, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 0,25).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet beslissen op de aanvraag van 12 maart 2010 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het niet beslissen op de aanvraag van 1 oktober 2008 gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op de aanvraag van

1 oktober 2008;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een beslissing op de aanvraag te nemen en bekend te maken aan eiser;

- bepaalt dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor bedoelde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100 bedraagt met een maximum van

€ 15.000;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 273;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 150 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.G.J. van Well, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Gudden, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 1 februari 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.