Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP2418

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
AWB 09/1395
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 11, lid 2, Rijnvarendenverdrag; art. 17 van het Besluit uitbreiding en beperking verzekerden volksverzekeringen Belanghebbende is in loondienst bij een Luxemburgse vennootschap en in die hoedanigheid te werk gesteld op een schip dat eigendom is van een in Nederland gevestigde vennootschap. Voor het schip is een Rijnvaartverklaring afgegeven. De eigenaar van het schip moet als exploitant van het schip worden aangemerkt. Belanghebbende is daarom verzekerd en premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen. Art. 17 van het Besluit uitbreiding en beperking verzekerden volksverzekeringen maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/23.16 met annotatie van Redactie
FutD 2011-0243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 09/1395

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 27 januari 2011

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

Tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Rijnmond, kantoor Rotterdam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft met dagtekening 12 december 2008 aan eiser voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) met aanslagnummer [000].H.66 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.576. Daarbij heeft verweerder bij afzonderlijke, op het aanslagbiljet vermelde, beschikking een bedrag van € 525 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij brief van 20 januari 2009, door verweerder ontvangen op 27 januari 2009, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 maart 2009 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 26 maart 2009, ontvangen door de rechtbank op 27 maart 2009, beroep ingesteld. Eiser heeft het beroepschrift aangevuld bij brief van 24 februari 2009, door de rechtbank ontvangen op 24 april 2009.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2010 te Arnhem.

Eiser heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. [gemachtigde], advocaat te [Q]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde]. Namens eiser is ter zitting een pleitnota met bijlagen voorgedragen. Afschriften daarvan zijn overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Verweerder heeft ter zitting overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij een afschrift van de verlies- en winstrekening van [A] B.V. van het jaar 2006 als verantwoord in de aangifte vennootschapsbelasting over dat jaar.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser, geboren op 25 maart 1975, woonde in 2006 in Nederland en was het gehele jaar 2006 als matroos werkzaam op het motortankschip [B]. Eiser was daarbij in dienst van [C] SA te Luxemburg.

Het schip is eigendom van [A] B.V. te [R], Nederland.

Voor het schip is op 27 augustus 2004 aan [A] B.V. als eigenaar daarvan een Rijnvaartverklaring afgegeven. Op deze verklaring is de rubriek “Exploitant” niet ingevuld.

Op 2 juli 2007 is voor het schip opnieuw een Rijnvaartverklaring afgegeven. Daarop staat [A] B.V. als eigenaar genoemd en [D] SA te [S] als exploitant. [S] ligt in Luxemburg. Deze verklaring is medio 2009 ingetrokken.

Tot de stukken behoort een zogenoemd Betriebsvertrag MTS [B], op 3 januari 2006 ondertekend door Betreiber [E] als vertegenwoordiger van [D] S.A., en Eigentümer [F] als vertegenwoordiger van [A] B.V. (hierna ook: de overeenkomst). [E] is enig aandeelhouder van zowel [C] SA als van [D] S.A. In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“ [D] S.A. (...)

und

[A] BV (...)

erwägen:

(...)

• dass Parteien Vorteile in einer strukturellen Zusammenarbeit als Betreiber und Eigentümer sehen, wobei durch eine Kombination und Austausch von Sachkenntnissen, Erfahrung und Mitteln eine für beide Parteien bessere Situation entstehen kann (...);

(…)

• dass die allgemeine Betriebsführung von Schiffahrtunternehmen [A] BV durch Herrn [F] übernommen wird;

• dass der Betrieb von dem Schiff MTS [B] zur Betriebsführung des Schifffahrtunternehmens [A] BV gehört;

• dass in Bezug auf die Betriebsführung folgenden Aufgaben zu unterscheiden sind:

1. Strategie

2. Kommerz

3. nautisch-technischer Bereich

4. Besatzung

• dass Herr [F] im Rahmen der Betriebsführung des Schifffahrtunternehmens die langfristige Strategie und den kommerziellen Aspekt des Schifffahrtunternehmens übernimmt;

• dass ein Teil der Betriebsführung des Schifffahrtunternehmens [A] BV nähmlich der Betrieb des Schiffes MTS [B], durch Betreiber erfolgt;

• dass Betreiber auf jeden Fall zuständig ist für die nautisch-technische Verwaltung (sorgen für die Ladung, Betreuung, Werftüberholung, Wartung) und die Besatzungsverwaltung (Verwaltung, bunkern, Verproviantierung und die gesamte Besatzungsverwaltung, Einstellung/Entlassung, (De)Mobilmachung, Sozialbetreuung; Lohnbuchhaltung, Krankheits/Abwesenheitsregelung usw.);

Parteien kommen folgendes überein:

Artikel 1

Betreiber ist ab 01-01-06 zuständig für den Betrieb von MTS [B], im folgenden “ das Schiff” genannt.

(...)

Artikel 3 Finanzen

Der Betreiber erhält eine Betriebsvergütung zu einem Prozentsatz in Höhe von 29 % von dem Netto/Brutogewinn.

Ein Prozentsatz in Höhe von 71 % steht dem Eigentümer zu. Die Höhe dieser Vergütung ist jedes Jahr von Parteien festzulegen.

(...)

Artikel 5 Anwendbares Recht

Dieser Vertrag unterliegt luxemburgischem Recht.

(...)

Artikel 7

Betreiber wird dem Eigentümer jederzeit Einsicht in die relevante Dokumentation gewähren, woraus sich ergibt, dass die Vertragsverpflichtungen erfüllt werden.”.

Eiser heeft een brief overgelegd gedagtekend 23 november 1998 afkomstig van [G] namens de Belastingdienst/Ondernemingen Nijmegen. Op de brief staat geen adressant vermeld. In de brief is onder meer het volgende opgenomen:

“Onderstaand treft u de vaststelling van de verzekerings- en belastingplicht aan zoals telefonisch aan u werd meegedeeld:

(...)

Verzekeringsplicht volksverzekeringen:

Luxemburg behoort tot de verdragssluitende partijen van het verdrag inzake sociale zekerheid Rijnvarenden, op grond van art. 11 lid 1 van eerder genoemd verdrag is slechts de wetgeving van één enkele Verdragssluitende partij van toepassing. In art. 11 lid 2 wordt de wetgeving aangewezen van de Verdragsluitende partij op het grondgebied waar zich de zetel van de onderneming bevindt. Voor de sociale verzekeringen wordt in deze de wetgeving van Luxemburg aangewezen.”.

Eiser heeft ook een brief overgelegd met dagtekening 2 september 2004 afkomstig van [H], hoofdinspecteur van het Gemeenschappelijk Centrum van de Sociale Zekerheid (Centre Commun de la Sécurité Sociale) te Luxemburg, en gericht aan [D] SA Rijnschippers te [T], Luxemburg. Daarin staat onder meer het volgende:

“ Luxemburg past over het algemeen artikel 11 toe dat bepaalt dat de rijnschipper is onderworpen aan de wetgeving van de Staat op het grondgebied waarvan zich de zetel van de onderneming bevindt waaronder het schip valt bedoeld in alinea m) van artikel 1, aan boord waarvan deze schipper zijn beroepsactiviteit uitoefent.

Luxemburg was steeds van oordeel dat de notie “ onderneming waaronder het schip valt” betrekking heeft op de onderneming die het schip beheert en het scheepspersoneel aanwerft. De Duitse overheid heeft een andere interpretatie voor dit begrip en is van mening dat ze eerder betrekking heeft op de eigenaar, maar ze heeft zich uiteindelijk achter ons standpunt geschaard.

Sta me toe in deze context een beslissing te citeren van de Franse overheden op datum van 27 maart 1990 die bepaalt dat: “Het administratieve centrum van de sociale zekerheid voor de rijnschippers, (...) overwegende dat twijfels zijn gerezen over de interpretatie van het begrip “onderneming waartoe het schip valt”, waarnaar artikel 11, paragraaf 2, 1ste zin van de bovenvermelde overeenkomst verwijst voor de bepaling van toepasselijke wetgeving, is het erover eens dat de vermelde onderneming in principe de onderneming is die het betreffende schip beheert of ze nu al dan niet eigenaar is van dit schip.

Bij mijn weten hebben de Belgische en Nederlandse overheid tot op heden deze interpretatie niet betwist. Tijdens een gemeenschappelijk onderzoek bij een bedrijf van rijnscheepvaart dat zijn hoofdkantoor in Luxemburg heeft, hebben de vertegenwoordigers van de Nederlandse overheid een bijzondere aandacht geschonken aan de realiteit van de exploitatiezetel, zonder het principe volgens hetwelk de toepasselijke wetgeving is bepaald in vraag te stellen.”.

Eiser heeft ook een brief overgelegd van 24 juni 2005 afkomstig van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en gericht aan de gemachtigde van eiser. Daarin is het volgende opgenomen:

“ (...) In uw brief van 6 juni 2005 vraagt u om onze mening over het standpunt van de Luxemburgse sociale zekerheidsinstantie betreffende de verzekeringsplicht van personen die als rijnvarenden werkzaam zijn in dienst bij een Luxemburgse onderneming.

Op basis van de door u verstrekte gegevens zien wij geen aanleiding om van het eerdergenoemde standpunt af te wijken en is er in de situatie waarnaar uw brief verwijst dan ook sprake van verzekeringsplicht in Luxemburg. (...)”.

Eiser heeft over het jaar 2006 voor de inkomstenbelasting aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.576 en daarbij een vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen geclaimd. Verweerder heeft die vrijstelling geweigerd en het belastbare inkomen uit werk en woning voor de IB/PVV vastgesteld op € 23.576.

[A] B.V. heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting over het betrokken jaar melding gemaakt van een netto-omzet van

€ 750.676 en van overige personeelskosten ad € 222.918. Naast de overige personeelskosten is onder personeelskosten uitsluitend nog een bedrag van € 17.104 als pensioenlasten ten laste van het resultaat gebracht. Volgens aantekeningen op de aangifte, daarop aangebracht door een medewerker van de Belastingdienst, ziet de balanspost materiële vaste activa ad € 2.113.696 op de [B], de post ‘andere kosten’ op onder meer gas-, olie- en vrachtkosten en heeft [A] B.V. in 2006 geen aangifte gedaan voor de loonbelasting.

3. Geschil en standpunten van partijen

In geschil is of eiser in 2006 in Nederland verplicht verzekerd was voor volksverzekeringen en op die grond onderworpen is aan de heffing van premies volksverzekeringen.

Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend. Verweerder beantwoordt die vraag bevestigend.

Eiser stelt in de eerste plaats dat [D] S.A. de exploitant van de [B] is en dat daarom niet de sociale zekerheidswetgeving van Nederland maar de sociale zekerheidswetgeving van Luxemburg van toepassing is. Volgens eiser volgt dit uit artikel 1 van Besluit nummer 5 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden. Eiser stelt ook dat artikel 5 van Besluit nummer 5 niet meebrengt dat de gegevens op de Rijnvaartverklaring exclusief bewijs vormen. Volgens eiser hoefde, gelet op de bewoordingen van het Toepassingsreglement, met name het gebruik van het woord ‘eventueel’, in het betrokken jaar ook niet op de Rijnvaartverklaring te worden vermeld dat [D] S.A. het schip ging exploiteren. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte Besluit nummer 7 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden als uitgangspunt genomen. Eiser wijst er in dat verband op dat dat besluit eerst op 27 juni 2007 in werking is getreden. Eiser wijst er ook op dat volgens het Centre Commun de la Sécurité Sociale te Luxemburg de onderneming bedoeld in artikel 11 van het Verdrag Rijnvarenden de onderneming is die het schip beheert en het personeel aanwerft. Eiser verwijst daarvoor naar de onder 2. geciteerde brief van 2 september 2004. Eiser wijst in dit verband ook op de brief van de SVB van 24 juni 2005 en de brief van de Belastingdienst van 23 november 1998, eveneens geciteerd onder 2.

Volgens verweerder zijn de gegevens op de Rijnvaartverklaring maatgevend. Verweerder stelt voorts dat het erom gaat wie de winsten en verliezen genereert. Volgens verweerder is dat [A] B.V. Verweerder verwijst voor dat standpunt naar de verlies- en winstrekening van het jaar 2006, als opgenomen in de aangifte vennootschapsbelasting over dat jaar van [A] B.V. Volgens verweerder zorgt [C] S.A. alleen voor de bemanning en kan zij of [D] S.A. daarom niet als exploitant worden aangemerkt.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 6 van de Algemene ouderdomswet (hierna: AOW) is onder meer verzekerd degene die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AOW wordt onder ingezetene verstaan degene die in Nederland woont. De andere volksverzekeringswetten bevatten dienovereenkomstige bepalingen.

Ingevolge artikel 6 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is de verzekerde in de zin van de volksverzekeringen premieplichtig.

In artikel 17 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: Besluit uitbr. en bep. verzekerden volksverzekeringen 1999) is, voor zover van belang, bepaald:

“ Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de persoon die in Nederland woont en die behoort tot het (...) op de binnenwateren varend personeel van een buiten Nederland wonende of gevestigde werkgever die internationaal vervoer verricht, tenzij hij:

a. in hoofdzaak in Nederland arbeid verricht; of

b. werkt bij een filiaal of een vaste vertegenwoordiging van die werkgever in Nederland.”.

Artikel 2 van de Verordening EEG nr. 1408/71 (hierna: de Verordening) regelt de personele werkingssfeer van de Verordening. In artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening is bepaald dat de Verdragen van 27 juli 1950 en van 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden van toepassing blijven.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder m, van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden van 30 november 1979, Tractatenblad 1981, 43, (hierna: het Rijnvarendenverdrag) wordt onder rijnvarende onder meer verstaan een werknemer die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de rijnvaart wordt gebruikt en is voorzien van het certificaat bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaart-akte, ondertekend te Mannheim op 17 oktober 1868, (hierna: Herziene Rijnvaartakte) zoals nadien gewijzigd en met inachtneming van de daarop betrekking hebbende uitvoeringsvoorschriften.

In artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag is onder meer het volgende bepaald:

“1. Op de rijnvarende is slechts de wetgeving van één enkele Verdragsluitende Partij van toepassing.

2. Op de rijnvarende is van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe zich het in artikel 1, sub m) bedoelde schip, aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht, behoort.”.

Op grond van artikel 72 van het Rijnvarendenverdrag is het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden belast met de behandeling van alle vraagstukken betreffende de interpretatie en de toepassing van het Rijnvarendenverdrag.

Ter uitvoering daarvan heeft het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden op 27 maart 1990 Besluit nummer 5 genomen. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“ Overwegende dat twijfels zijn gerezen over de interpretatie van het begrip “onderneming waartoe het schip behoort”, waarnaar artikel 11, tweede lid, eerste volzin van vorenbedoeld Verdrag voor de vaststelling van de toe te passen wetgeving verwijst,

komt overeen dat:

1. Als bedoelde onderneming geldt in beginsel de onderneming die het betreffende schip exploiteert, ongeacht of de onderneming al dan niet eigenaar is van dit schip.

(...)

4. Voor de toepassing van dit Besluit zijn de gegevens, vermeld op de verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart (...) maatgevend.”.

Bij Besluit nummer 7 van 26 juni 2007 is Besluit nummer 5 vervangen. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Het Administratief Centrum voor de Sociale Zekerheid van de Rijnvarenden (...) verduidelijkt het volgende:

(...)

1. “de onderneming waartoe het schip behoort, waar artikel 11, tweede lid, eerste zin van het bovengenoemde Verdrag, ter bepaling van de toe te passen wetgeving naar verwijst, is de onderneming of de vennootschap die het betrokken schip exploiteert, of deze de eigenaar van het schip is of niet. Wanneer het schip door meerdere ondernemingen of vennootschappen wordt geëxploiteerd, dan geldt voor de toepassing van dit besluit als exploitant van het schip, de onderneming die of de vennootschap die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip.”.

In artikel 2, derde lid, van de Herziene Rijnvaartakte (Trb. 1955,161) is bepaald dat elk vaartuig dat het recht heeft de vlag te voeren van één van de Verdragsluitende Staten en dit kan bewijzen door een verklaring van het bevoegde gezag, wordt geacht tot de Rijnvaart te behoren.

In artikel 2 van het Toepassingsreglement van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR), hierna ook het Toepassingsreglement, dat is opgenomen als bijlage bij Verordening (EEG) 2919/85 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor het regime dat wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de Rijnvaart behoren, is ter uitvoering van onder meer artikel 2 van de Herziene Rijnvaartakte bepaald dat alleen de autoriteiten van de Verdragssluitende staat waarin een vaartuig is ingeschreven in een openbaar register bevoegd zijn tot het afgeven en intrekken van de verklaring bedoeld in het derde lid van artikel 2 van de Herziene Rijnvaartakte.

In artikel 5 tot en met 7 van het Toepassingsreglement is verder nog het volgende bepaald:

“ Artikel 5

1. Ook de exploitant van het voertuig moet voldoen aan dezelfde voorwaarden als de eigenaar om de verklaring, bedoeld in artikel 2, lid 1, hierboven te verkrijgen voor het vaartuig dat hij exploiteert.

2. De autoriteiten van de Verdragsluitende Staat waarin zich de woon- of verblijfplaats, dan wel de zetel van de onderneming van de exploitant bevindt, zijn bevoegd tot het afgeven en intrekken van de op hem betrekking hebbende verklaring.

Artikel 6

De eigenaar, de medeëigenaar of de exploitant van het vaartuig dient bij de bevoegde autoriteiten het verzoek in tot afgifte van de verklaring, bedoeld in artikel 2, lid 1, en verstrekt daartoe de noodzakelijke gegevens, die in overeenstemming zijn met de werkelijkheid.

2. De eigenaar, de medeëigenaar of de exploitant van het vaartuig dienen, elk voor zich, de bevoegde autoriteit die de verklaring heeft afgegeven, onverwijld schriftelijk mededeling te doen van iedere wijziging in de omstandigheden op grond waarvan de verklaring is afgegeven.

(...)

Artikel 7

1. In de verklaring of het document waarin wordt verklaard dat het vaartuig behoort tot de Rijnvaart moet zijn vermeld de naam van het vaartuig, de naam van de eigenaar en eventueel van de exploitant (...).”.

Op grond van artikel 5 van de Wet vervoer binnenvaart (Stb. 1991, 711), voor zover hier van belang, kan met betrekking tot een binnenschip dat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, te boek staat, op aanvraag van de desbetreffende eigenaar, mede-eigenaar of exploitant van het schip een Rijnvaartverklaring worden afgegeven.

Beschouwing

Eiser is ingezetene in de zin van de volksverzekeringswetten en derhalve verzekerd en premieplichtig op grond van die wetten. Eiser werkt als matroos op een schip dat in andere lidstaten van de EU vaart. Alsdan is ingevolge artikel 2 van de Verordening in beginsel de Verordening van toepassing. Gelet op artikel 7, tweede lid, onder a, van de Verordening blijven echter de Verdragen van 27 juli 1950 en van 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden van toepassing. Het Rijnvarendenverdrag heeft dus voorrang boven de Verordening. Dit betekent dat de premieplicht volgens de aanwijzingsregels van het Rijnvarendenverdrag moet worden vastgesteld. Niet in geschil is dat eiser als rijnvarende in de betekenis van artikel 1, aanhef en onder m, van het Rijnvarendenverdrag moet worden aangemerkt.

Artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag bepaalt dat op de rijnvarende slechts de wetgeving van één enkele Verdragssluitende Partij van toepassing is, namelijk die van de staat waar zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het schip behoort.

Volgens Besluit nummer 5 van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden, dat een uitleg bevat van het begrip ‘onderneming’ in artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag, geldt als bedoelde onderneming in beginsel de onderneming die het betreffende schip exploiteert, ongeacht of de onderneming al dan niet eigenaar is van het schip.

Eiser stelt dat [D] S.A. in 2006 de exploitant van de MTS [B] was. Ter onderbouwing van die stelling heeft eiser het onder 2. geciteerde Betriebsvertrag,overgelegd. Volgens die overeenkomst heeft de eigenaar van het schip [A] B.V., ingaande 1 januari 2006, de nautische-technische werkzaamheden alsmede de zorg voor de bezetting van het schip overgedragen aan [D] S.A. en krijgt [D] S.A. daarvoor 29% van de netto/brutowinst. Volgens diezelfde overeenkomst blijft [A] B.V. belast met de langetermijnstrategie en de commerciële werkzaamheden.

Uit de verwerking in de aangifte vennootschapsbelasting blijkt echter niet van enige winstverdeling tussen [A] B.V. en een andere onderneming. Het schip is op de balans blijven staan van [A] B.V. Volgens de aangifte bedroegen de personeelskosten € 222.918. Dat is nagenoeg gelijk aan het in het Betriebsvertrag met [D] S.A. afgesproken percentage van 29% van de verantwoorde netto-omzet, c.q. bruto-winst, ad 750.676. Daarnaast zijn de vracht-, vervoerskosten en andere kosten afzonderlijk ten laste van het resultaat van [A] B.V. gebracht. Gelet op het feit dat de MTS [B] het enige materiële activum is van [A] B.V., moet worden aangenomen dat al die kosten op dat activum betrekking hebben. Gelet op het voorgaande moet [A] B.V. ook na het sluiten van de overeenkomst met [D] S.A. als exploitant van de MTS [B] worden aangemerkt. In de relatie tot anderen, [C] S.A. en/of [D] S.A., is alleen sprake van inlening van personeel met een winstopslag, al dan niet met doorbelasting van kosten gemaakt voor nautisch-technische werkzaamheden. Dat maakt die andere onderneming echter niet tot exploitant van het schip.

Uit het voorgaande volgt dat alleen [A] B.V. als exploitant en dus als de in artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag bedoelde onderneming kan worden aangemerkt. [A] B.V. is in Nederland gevestigd. Dat betekent dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is. Eiser is dientengevolge verzekerd en premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen.

Artikel 17 van het Besluit uitbr. en bep. verzekerden volksverzekeringen 1999

Eiser heeft ook gesteld dat artikel 17 van het Besluit uitbr. en bep. verzekerden volksverzekeringen 1999 meebrengt dat hij niet verzekerd is voor de volksverzekeringen.

Die beroepsgrond faalt. Artikel 17 van het Besluit uitbr. en bep. verzekerden volksverzekeringen 1999 vermag niet het bepaalde in het Rijnvarendenverdrag opzij te stellen (vergelijk HR 8 juli 1997, nr. 31.540, BNB 1997/31). Dit betekent dat artikel 17 van het Besluit uitbr. en bep. verzekerden volksverzekeringen 1999 geen toepassing kan vinden.

Vertrouwensbeginsel

Voor zover eiser met zijn verwijzing naar de brief van het Centre Commun de la Sécurité Sociale van 2 september 2004 bedoelt een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel, geldt het volgende. In de brief wordt alleen ingegaan op de notie ‘onderneming waaronder het schip valt’. Uit de door eiser overgelegde brief blijkt niet dat door of namens verweerder het standpunt is ingenomen dat volgens de Nederlandse overheid in het zich hier voordoende geval geen sprake zou zijn van premieplicht voor de Nederlandse volksverzekeringen.

Ook aan de brief van de SVB van 24 juni 2005 kan geen in rechte te honoreren vertrouwen worden ontleend, reeds omdat uit die brief niet blijkt dat de uitlatingen betrekking hebben op het onderhavige geval of een daarmee vergelijkbare situatie.

De brief van 23 november 1998 van de Belastingdienst/Ondernemingen te Nijmegen is niet afkomstig van verweerder. Ook blijkt daaruit niet dat deze ziet op het zich hiervoor voordoende geval. Reeds daarom kan daaraan door eiser geen vertrouwen worden ontleend.

Conclusie

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. J.M.W. van de Sande en mr. A.P. Vaatstra, rechters, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 27 januari 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.