Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP2144

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
05/703025-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De meervoudige kamer van de rechtbank Arnhem heeft een 28-jarige man uit Arnhem veroordeeld voor een poging tot doodslag, het medeplegen van diefstal met geweld en een poging tot afpersing in vereniging. De rechtbank heeft de man een gevangenisstraf opgelegd van drie jaar en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid van vijf jaar. Verder moet de man 300 euro schadevergoeding aan zijn slachtoffer betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Promis II

Parketnummer : 05/703025-10

Datum zitting : 10 januari 2011

Datum uitspraak : 24 januari 2011

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

thans gedetineerd in PI Achterhoek, HvB De Kruisberg, Hogenslagweg 8

Doetinchem.

raadsman : mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

officier van justitie: mr. A.M. Vloedbeld.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 september 2010 te Duiven,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk een op een

scooter/bromfiets rijdende persoon genaamd, W. [slachtoffer] van het leven te

beroven, opzettelijk, (als bestuurder van een personenauto) met hoge snelheid,

althans met een hoog/verhoogd toerental en/of met piepende banden, achter die

[slachtoffer] is aangereden en/of (vervolgens) met de voorzijde van die

personenauto tegen de door die [slachtoffer] bestuurde scooter is gereden,

waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of (vervolgens) die [slachtoffer], met de door hem, verdachte bestuurde personenauto (enkele meters)

heeft meegetrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 12 september 2010 te Duiven,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan opzettelijk zwaar een

op een scooter/bromfiets rijdende persoon genaamd, W. [slachtoffer], lichamelijk

letsel toe te brengen, opzettelijk (als bestuurder van een personenauto) met

hoge snelheid, althans met een hoog/verhoogd toerental en/of met piepende

banden, achter die [slachtoffer] is aangereden en/of (vervolgens) met de

voorzijde van die personenauto tegen de door die [slachtoffer] bestuurde

scooter/bromfiets is gereden, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen

en/of (vervolgens) die [slachtoffer], met de door hem, verdachte bestuurde

personenauto, (enkele meters) heeft meegetrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 12 september 2010 te Duiven, op de openbare weg, te weten

op de Westsingel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voormelde [slachtoffer], gepleegd

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s)

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- rijdend in een personenauto met hoge snelheid, althans met een hoog/verhoogd

toerental en/of met piepende banden, achter die [slachtoffer] is/zijn aangereden

en/of

- met de voorzijde van die personenauto tegen de door die [slachtoffer]

bestuurde scooter is/zijn gereden, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen

en/of

- die [slachtoffer], met die personenauto (enkele meters) heeft meegetrokken

en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op/tegen zijn buik,

althans op/tegen zijn lichaam heeft geschopt en/of getrapt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met tot vuist gebalde hand)

op/tegen zijn hoofd en/of (elders) op/tegen zijn lichaam heeft geslagen en/of

gestompt en/of die [slachtoffer] daarbij de woorden heeft toegevoegd: "geef

alles wat je hebt, je geld, je telefoon", althans woorden van gelijke aard

en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 12 september 2010 te Duiven,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om op de openbare weg, te

weten op de Westsingel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld W. [slachtoffer] te dwingen

tot de afgifte van een mobiele telefoon en/of geld, in elk geval van enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

met voormeld oogmerk

- rijdend in een personenauto, met hoge snelheid, althans met een

hoog/verhoogd toerental en/of met piepende banden, achter die [slachtoffer]

is/zijn aangereden en/of

- met de voorzijde van die personenauto tegen de door die [slachtoffer]

bestuurde scooter is/zijn gereden, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen

en/of

- die [slachtoffer], met die personenauto (enkele meters) heeft meegetrokken

en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op/tegen zijn buik,

althans op/tegen zijn lichaam heeft geschopt en/of getrapt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met tot vuist gebalde hand)

op/tegen zijn hoofd en/of (elders) op/tegen zijn lichaam heeft geslagen en/of

gestompt en/of die [slachtoffer] daarbij de woorden heeft toegevoegd: "geef

alles wat je hebt, je geld, je telefoon", althans woorden van gelijke aard

en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 10 januari 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door Mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede ter zake van feit 1 tot ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaren.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. Strijd met de beginselen van een goede procesorde

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt in de eerste plaats dat de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde.

De raadsman voert aan dat de verbalisant B. [verbalisant] zijn verbaliseerplicht heeft verzaakt omdat hij veel later dan mogelijk was, een proces-verbaal heeft opgemaakt (PL2010101922), waarna bovendien de officier van justitie dit proces-verbaal pas op de terechtzitting van 10 januari 2010 heeft overgelegd aan de rechtbank.

Primair verzoekt de raadsman om het door verbalisant van [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal niet te gebruiken voor het bewijs en subsidiair verzoekt hij zowel de verbalisant B. van [verbalisant] als de getuige H. [getuige1] nader te doen horen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat verbalisant Van [verbalisant] niet in strijd heeft gehandeld met zijn verbaliseerplicht. Immers, de verbalisant heeft niet veel meer gedaan dan getuige H. [getuige1] (hierna ‘[getuige1]’), na afloop van diens verhoor op donderdag 23 september 2010, ergens in Arnhem met de auto afzetten. [getuige1] heeft de verbalisant tijdens deze rit aangewezen waar verdachte woonde. Op dat moment was het naar de mening van verbalisant Van [verbalisant] niet noodzakelijk dat te vast te leggen. Pas nadat de verbalisant door de officier van justitie op de hoogte was gebracht van de (geheel andersluidende) verklaring van [getuige1] op 7 januari 2011 bij de rechter commissaris, heeft de verbalisant besloten een nader proces-verbaal van bevindingen op te maken. Het verhoor van [getuige1] vond pas plaats op 7 januari 2011, het proces-verbaal is gereed gekomen op 10 januari 2011. Daarom kon het niet eerder worden ingebracht.

Oordeel van de rechtbank

De verplichting voor ambtenaren om ‘ten spoedigste’ proces-verbaal op te maken, is neergelegd in artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.).

Als een proces-verbaal geruime tijd ná de te relateren bevinding wordt opgemaakt, zoals in dit geval, kan dat aanleiding zijn om dit proces-verbaal bij de bewijsvraag buiten beschouwing te laten.

De rechtbank ziet hier evenwel geen aanleiding om het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant Van [verbalisant] buiten beschouwing te laten. Zoals de officier van justitie ter terechtzitting uiteen heeft gezet betreft dat wat op 10 januari 2010 is geverbaliseerd, omstandigheden die de verbalisant kennelijk in eerste instantie – mede gezien de inhoud van de verklaring van [getuige1] – niet relevant (meer) leken. Eerst nadat bleek dat [getuige1]’s verklaring op 7 januari 2011 bij de rechter-commissaris afweek van diens eerder afgelegde verklaring leken de bevindingen van de verbalisant(aanwijzen woning verdachte; telefonische mededeling van [getuige1] aan verbalisant dat hij was benaderd zijn verklaring in te trekken) mogelijk van belang. Door die bevindingen eerst op dat moment in proces-verbaal te doen vastleggen, is naar het oordeel van de rechtbank niet gehandeld in strijd met artikel 152 Sv., met name niet omdat niet aannemelijk is gemaakt dat dit late moment van verbaliseren is ingegeven door de wens de rechtbank te misleiden dan wel haar te beletten haar controlerende taak uit te voeren. De rechtbank verwerpt het verweer.

Op het standpunt van de raadsman dat verbalisant [verbalisant] én [getuige1] nader gehoord zouden moeten worden, komt de rechtbank hierna op pagina 9 van dit vonnis terug.

4. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen, wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 12 september 2010 is in Duiven een personenauto met hoge snelheid en met piepende banden achter W. [slachtoffer] (hierna ‘aangever’) aangereden .

Vervolgens is de auto met de voorzijde tegen de scooter van aangever gereden waardoor aangever is gevallen . Aangever is daarna enkele meters meegetrokken door de auto.

Op dat moment was hij op de Westsingel in Duiven .

Terwijl hij – na de val van zijn scooter – op de grond lag, is aangever vervolgens meerdere keren tegen zijn buik geschopt en meerdere keren met de vuist tegen zijn hoofd en lichaam gestompt, waarbij tegen hem werd gezegd door de persoon die hem schopte en stompte: “geef alles wat je hebt, je geld, je telefoon” .

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie betoogt dat in de onderhavige zaak drie vragen moeten worden beantwoord.

1) Heeft het incident plaatsgevonden zoals door de aangever is verklaard?

2) Was de auto die is gebruikt, de Kia Pride met het kenteken [nummer]?

3) Was het verdachte die de auto heeft bestuurd?

De officier van justitie is, kort samengevat, van mening dat alle drie de vragen bevestigend beantwoord moeten worden en dat daarmee ook de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Dat het incident heeft plaatsgevonden zoals aangever heeft verklaard, blijkt uit een aantal ondersteunende bewijsmiddelen waaronder de bevindingen van de technische recherche, de camerabeelden van het Candeacollege in Duiven, de schade aan de auto en aan de scooter, het letsel van aangever en de verklaring van getuige [getuige2], die direct na het ongeval met aangever sprak.

Dat de Kia Pride de auto was die aangever heeft aangereden, blijkt uit getuigenverklaringen, het verslag van de Technische Recherche en de verklaringen van getuigen [getuige3] en [getuige1]. De officier van justitie merkt op dat de verklaring van [getuige1], zoals afgelegd op 7 januari 2011 bij de rechter-commissaris, onsamenhangend en leugenachtig is zodat die verklaring wat haar betreft buiten beschouwing moet blijven.

Uit de historische printgegevens en het proces-verbaal van bevindingen van 12 september 2010 van verbalisant [verbalisant2] blijkt ten slotte dat de moeder van verdachte meteen na het ongeval heeft gebeld met aangever, ook de mastgegevens dragen bij aan het bewijs, nu daaruit blijkt dat medeverdachte R.L. [medeverdachte] (hierna ‘[medeverdachte]’) ook op de plaats delict is geweest.

Uit het voorgaande volgt eveneens dat het verdachte is geweest die heeft gereden.

De officier van justitie is daarom van mening dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, waarbij feit 1 een poging tot doodslag oplevert, feit 2 een diefstal met geweld en feit 3 een poging tot afpersing, alles in vereniging gepleegd. De officier van justitie benadrukt dat verdachte het risico dat aangever zou komen te overlijden, willens en wetens heeft aanvaard. Het is een wonder dat de aangever er zo vanaf is gekomen.

Het zwijgen van verdachte maakt zijn zaak niet sterker; er liggen bewijsmiddelen die om uitleg vragen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman benadrukt dat de hamvraag is: Wie heeft gereden?

Hij is van mening dat vrijspraak moet volgen omdat bewijs voor het standpunt dat zijn cliënt achter het stuur van de Kia Pride heeft gezeten op de bewuste avond, uitsluitend afkomstig is uit dezelfde bron: de aangever. Voor het overige heeft de politie geen behoorlijk onderzoek verricht. Er heeft geen (DNA/dacty)sporenonderzoek plaatsgevonden, evenmin heeft een Oslo-confrontatie plaatsgevonden. Het dossier is pas in een heel laat stadium voltooid. Het politie-onderzoek is onvolledig, de camerabeelden van het Candeacollege bevinden zich niet in het dossier.

De verklaring van aangever wordt niet ondersteund door [getuige1] (evenmin door een andere getuige), er is weliswaar bewijs voor wie de auto heeft geleend maar niet voor wie – ten tijde van het ongeval – heeft gereden.

Verdachte heeft het recht te zwijgen, er is niets in het dossier wat om een uitleg vraagt.

Oordeel van de rechtbank

Het incident

Verdachte betwist niet dat de aangever is aangereden door een auto en dat het incident zoals de aangever verder heeft beschreven in zijn aangifte, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Daarom zijn die feitelijkheden in dit vonnis ook onder de vaststaande feiten opgenomen. De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat zij ook het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de registratie van de camera’s van het Candeacollege tot het bewijs heeft gebezigd. Hoewel de raadsman (terecht) heeft opgemerkt dat de onderliggende camerabeelden zich niet in het dossier bevinden, laat dat onverlet dat in een ambtsedig proces-verbaal is vastgelegd dat uit door de verbalisant bekeken camerabeelden is gebleken dat op 12 september 2009 om 21.59 uur (gecorrigeerde tijd) een tweewielig en een vierwielig voertuig achter elkaar aanrijdend, zijn vastgelegd. Dat is niet bestreden.

Kia Pride

Evenmin heeft de verdachte weersproken dat de auto waarmee de aangever is aangereden, een blauwe Kia Pride was met het kenteken [nummer].

Dat dit de bewuste auto is geweest volgt uit een aantal bewijsmiddelen.

In de eerste plaats is er de verklaring van getuige [getuige3], die op zaterdagmiddag 11 september 2010 haar auto – de Kia Pride met meergenoemd kenteken – heeft uitgeleend aan [getuige1], welke laatste de auto op zijn beurt zou hebben uitgeleend aan een zekere ‘[naam]’, die de auto ergens in Duiven zou hebben achtergelaten maar deze op 13 september 2010 niet meer had kunnen vinden . [getuige1] heeft bevestigd dat hij de auto heeft geleend en weer heeft uitgeleend . Vervolgens is de Kia Pride op maandag 13 september 2010 door agenten van politie aangetroffen in Duiven. Op de auto zaten krassen en deuken.

Uit forensisch onderzoek dat vervolgens aan de auto alsook aan de snorfiets van de aangever heeft plaatsgevonden is – samengevat – gebleken dat:

- de auto gedeukt en bekrast was over de hele linkerzijde en dat op die plaatsen een filmlaagje van zwarte kunststof zat

- aan het rechtervoorportier en rechtervoorspatbord schade zat en dat de hoogte van de schade aan het voorportier nagenoeg overeen kwam met het uitsteeksel van het rood-wit gestreepte paaltje van de fietserdoorsteek (waar de auto over zou zijn gereden; rb)

- de kentekenplaat aan de voorkant los hing en vervormd was

- er een veeg/streep op de motorkap zat, erop duidend dat een voorwerp ermee in aanraking is geweest

- aan de voorzijde van de auto onder aan de kunststof voorbumper een deuk zat, kennelijk veroorzaakt door een rond langwerpig voorwerp

- aan de linkerachterkant van de snorfiets van aangever een bout aan het motorblok zat dat qua grootte en vorm overeenkwam met de deuk in het voorspatbord van de Kia Pride.

Ten slotte heeft het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) een vergelijkend verfonderzoek uitgevoerd. Zij heeft verf bemonsterd afkomstig van een paaltje, waartegen de Kia Pride zou zijn gebotst vlak vóór de aanrijding met de snorfiets van aangever. Het NFI concludeert het veel waarschijnlijker is dat de vreemde verf op het paaltje is afkomstig van de donkerblauwe personenauto met kenteken [nummer]’ dan van een willekeurige andere donkerblauwe auto .

De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat de aangever is aangereden door de genoemde Kia Pride.

Dat de verdachte al het voorgaande niet betwist is op zichzelf begrijpelijk, waar hij immers ontkent dat híj degene is geweest die de auto op het moment dat de aangever is aangereden, bestuurde. Sterker, hij heeft verklaard dat hij helemaal niet aanwezig is geweest bij het incident. De rechtbank oordeelt echter anders.

Verklaringen aangever

In de eerste plaats is er de verklaring van de aangever. Die is ondubbelzinnig, authentiek, gedetailleerd en consistent, ook waar het gaat om de herkenning van verdachte als bestuurder van de Kia Pride. De aangever heeft verklaard dat er vier personen in de auto zaten, waarvan drie negroïde personen. De bestuurder kon hij aanvankelijk niet zien. Ná de aanrijding zag de aangever dat eerst ‘de negroïde bijrijder’ uit de auto sprong, die hem begon te schoppen. Daarna zag hij de bestuurder uit de auto komen. Die herkende hij direct als [verdachte]. [verdachte] gaf hem meerdere vuistslagen en zei: “Je hebt over mij zitten lullen in de Uncle Sam, geef alles wat je hebt, je geld, je telefoon” Aangever herkende hem ook aan zijn stem . De rechtbank acht, anders dan door de verdediging betoogd, niet voorstelbaar dat aangever zeer kort na het incident tegenover een ter plaatse komende getuige ([getuige2]) op het moment zelf – zichtbaar en hoorbaar onder de indruk van het gebeurde – direct ten onrechte de naam van verdachte zou noemen, welke conclusie wordt bevestigd door de omstandigheid dat nadien is gebleken dat zijn verhaal overeenstemt met overige verklaringen en bevindingen.

Aangever heeft volhard in deze herkenning van de verdachte, terwijl zijn verklaring op dit punt door diverse andere bewijsmiddelen wordt ondersteund.

Getuige [getuige2], die direct na het ongeval bij de aangever kwam aanrijden zag een scooter liggen waarna hij ineens een jongen uit het gras zag komen. Deze jongen, aldus [getuige2], zei dat hij was aangereden en stond helemaal te trillen. Zijn jas was gescheurd en hij toonde een schaafwond op zijn knie. Hij vertelde dat hij door vier jongens in een blauwe of zwarte auto was aangereden. Hij vroeg te bellen en [getuige2] hoorde hem aan de telefoon zeggen dat hij was aangereden door ‘[verdachte] uit [locatie]’. Ze hebben vervolgens samen op de politie gewacht en de aangever vertelde hem dat deze [verdachte] had gezegd dat hij – aangever – achter zijn rug om had gepraat in het café en ook dat hij van [verdachte] niet meer bij [verdachte]s moeder mocht komen. Hij snapte niet waarom [verdachte] dat in één keer deed. Getuige [getuige4], de oom van verdachte, bevestigt dat aangever hem op 12 september 2010 rond 22.15 uur heeft gebeld dat hij was aangereden door [verdachte] en twee of drie negroïde mannen en dat hij geschrokken en gespannen klonk .

Verklaringen [getuige1]

Vervolgens zijn er de verklaringen van [getuige1].

Bij de politie heeft hij op 16 september 2010 verklaard dat hij de auto van zijn vriendin ([getuige3]) heeft geleend en dat hij die auto op zaterdagavond 12 september rond 19.00 uur weer heeft uitgeleend aan twee jongens. De ene jongen wordt door iedereen ‘[naam]’ genoemd en heeft een donkere huidskleur. De andere jongen werd door [naam] ‘[naam2]’ genoemd. Dat was een blanke jongen uit Presikhaaf, hij woonde in een wijk – [getuige1] was er thuis geweest – met allemaal kleine huisjes. Hij noemt ook de mobiele telefoonnummers van deze jongens: het nummer van [naam2] is [nummer].

Om 19.00 uur zou [getuige1] hebben afgesproken dat ze de auto twee uur zouden lenen. Daarna zouden ze de auto terugbrengen. [getuige1] is gaan wachten maar om 23.00 hadden de jongens hem nog steeds niet gebeld. Hij is hen gaan bellen tot 03.00 uur ’s nachts. Uiteindelijk kreeg hij [naam] pas zondag 13 september rond 13.00 uur te pakken. [naam] vertelde dat hij alleen de sleutel zou teruggeven. De auto stond ergens in Duiven geparkeerd.

De rechtbank acht deze verklaring van [getuige1] geloofwaardig. De verklaring is duidelijk en gedetailleerd. Zij is ook in lijn met andere verklaringen en bevindingen in het dossier. In de eerste plaats correspondeert de verklaring met die van getuige [getuige3].

Daarnaast is de verklaring van [getuige1] in lijn met het volgende. Op maandag 13 september 2010 heeft rond 15.30 uur een getuige melding gemaakt van het feit dat in Duiven een Kia Pride geparkeerd staat. Een andere getuige heeft gezien dat op zondag 12 september 2010 rond 22.00 uur vier mannen uit deze auto zijn gestapt. Het is een blauwe Kia Pride met kenteken [nummer] . De mannen waren – aldus de getuige – allen donker van kleur, in ieder geval drie van hen, en één van die mannen was volgens de getuige een grote negroïde man met dreads, die hij in een muts had weggestopt .

De telefoonnummers die [getuige1] noemt, zijn inderdaad in gebruik bij verdachte en bij medeverdachte R.L. [medeverdachte], ‘[naam]’ (hierna [medeverdachte]).

Ten slotte correspondeert de verklaring Van [getuige1] met de verklaring van aangever.

De rechtbank heeft, gezien het voorgaande, geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [getuige1], zoals bij de politie afgelegd. Zij zal deze verklaring – en ook de tweede verklaring van [getuige1] van 23 september 2010 – dan ook als bewijsmiddel gebruiken, ook waar [getuige1] heeft verklaard dat het ‘[naam2]’ moet zijn die gereden heeft, nu [naam] geen rijbewijs heeft . Ook op dit punt ondersteunt zijn verklaring de aangifte. Op donderdag 23 september 2010 zijn aan [getuige1] foto’s van verdachte en van [medeverdachte] getoond. Hij heeft hen beiden op dat moment voor 100% herkend. Hij heeft daarbij ook verklaard dat hij de autosleutels aan [naam2] heeft overhandigd omdat [naam] niet kon rijden en dat hij bij [naam2] thuis in Presikhaaf is geweest, in een tussenwoning waar ook de zwangere vriendin van [naam2] was Dat geen ‘Oslo-fotoconfrontatie heeft plaatsgevonden, doet niet af aan de 100% herkenning en aan de gedetailleerde verklaring die [getuige1] heeft afgelegd over de personen aan wie hij de auto heeft uitgeleend.

Het bovenstaande impliceert dat de rechtbank de verklaring van [getuige1], zoals op 7 januari 2011 afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris, minder geloofwaardig acht en daarmee ook níet als bewijsmiddel zal gebruiken op de punten waar de verklaring haaks staat op zijn genoemde eerdere verklaringen. De rechtbank acht de verklaring van 7 januari 2011 niet geloofwaardig, in de eerste plaats niet omdat [getuige1] ineens zegt zich niets te kunnen herinneren terwijl hij eerder – zoals hiervoor overwogen – uiterst concreet en gedetailleerd (bijvoorbeeld door het noemen van telefoonnummers) heeft verklaard. In de tweede plaats blijkt uit het eerder genoemde aanvullende proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 10 januari 2011 dat [getuige1] hem heeft verteld dat hij is benaderd om zijn verklaring in te trekken.

Nu de rechtbank niet twijfelt aan de verklaringen van [getuige1] bij de politie die, zoals overwogen gedetailleerd en consistent zijn, en ook niet aan de juistheid van de bevindingen in de processen-verbaal, ziet zij evenmin aanleiding om [getuige1] en verbalisant [verbalisant] (nogmaals) te (doen) horen, zoals door de verdediging is verzocht,

Telefoongesprekken en mastgegevens

Terwijl aangever aangifte deed op het politiebureau, kreeg hij omstreeks 02.30 uur ’s nachts een telefoontje op zijn mobiele telefoon. De verbalisant [verbalisant2] zat daarbij en hoorde het gesprek, althans wat aangever zei. Hij zei tegen de persoon die hem belde: “weet je wat jouw zoon heeft gedaan, die gek heeft mij met de auto van de scooter gereden en in elkaar geslagen” of vergelijkbare woorden. Aangever zei dat hij de moeder van verdachte aan de telefoon had. Aangever liep vervolgens al telefonerend de hal in en sprak met stemverheffing. Hij zei later tegen de verbalisant dat de moeder van [verdachte] vroeg waar [verdachte] nu was. Uit historische telefoongegevens blijkt dat de aangever ’s nachts inderdaad is gebeld door een telefoonnummer op naam van de moeder van verdachte, en wel om 01.56 uur.

Hoewel de moeder van verdachte, gehoord door de politie, dit niet heeft willen bevestigen, heeft de rechtbank geen enkele reden te twijfelen aan de verklaring van aangever op dit punt, temeer waar zij wordt ondersteund door de bevindingen van de verbalisant en de historische telefoongegevens.

Verder blijkt uit dezelfde telefoongegevens dat verdachte die nacht om 00.21 uur is gebeld door een (vast) telefoonnummer op naam van zijn moeder, tussen 00.53 en 01.00 uur zes maal door een mobiel telefoonnummer dat ook in gebruik is bij [medeverdachte], dat hij om 01.35 uur tweemaal is gebeld door het vaste nummer dat zijn moeder gebruikt, om 02.47 uur tweemaal door het 06-nummer dat [medeverdachte] gebruikt en om 03.24 uur nog tweemaal door een mobiel nummer dat ook bij [medeverdachte] in gebruik is.

De rechtbank acht het opmerkelijk – en in die zin draagt het bij aan de overtuiging – dat er in de nachtelijke uren na het incident zoveel telefooncontacten zijn geweest tussen de betrokkenen alsmede tussen verdachte en diens moeder, terwijl diezelfde moeder even later in diezelfde nacht de aangever heeft gebeld.

Uit mastgegevens is ten slotte gebleken dat het mobiele telefoonnummer van [medeverdachte] op 12 september 2010 zich vanaf 22.05 uur heeft verplaatst via Groessen naar Duiven en dat het nummer ten tijde van het gepleegde delict de mast heeft aangestraald op de Kastanjelaan in Duiven, terwijl dezelfde mast op dat moment werd aangestraald door de telefoon van aangever. Na het feit gaat de telefoon van [medeverdachte] in de omgekeerde richting. Uit deze gegevens kan dus worden afgeleid dat [medeverdachte] ten tijde van het delict op of in de buurt van de plaats delict was.

Conclusie

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat zich voldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt om te komen tot een bewezenverklaring van alle feiten. De basis van het bewijs daarvoor wordt – zoals door de verdediging is benadrukt – gevormd door de verklaringen van de aangever. Deze verklaringen worden echter – anders dan de raadsman meent – op meerdere punten ondersteund door de bewijsmiddelen, zoals hiervoor aangegeven. Dat, zoals de raadsman heeft aangevoerd, geen nader (DNA/dacty) onderzoek meer is gedaan, bijvoorbeeld in de auto, doet daar niet aan af.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1 primair.

hij op 12 september 2010 te Duiven, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk een op een scooter rijdende persoon genaamd, W. [slachtoffer] van het leven te

beroven, opzettelijk, (als bestuurder van een personenauto) met hoge snelheid,

en met piepende banden, achter die [slachtoffer] is aangereden en (vervolgens) met de voorzijde van die personenauto tegen de door die [slachtoffer] bestuurde scooter is gereden,

waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en (vervolgens) die [slachtoffer], met de door hem, verdachte bestuurde personenauto (enkele meters)

heeft meegetrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 12 september 2010 te Duiven, op de openbare weg, te weten

op de Westsingel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop, toebehorende aan [slachtoffer] welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen voormelde [slachtoffer], gepleegd

met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond

dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- rijdend in een personenauto met hoge snelheid en met piepende banden, achter die [slachtoffer] is/zijn aangereden

en

- met de voorzijde van die personenauto tegen de door die [slachtoffer]

bestuurde scooter is/zijn gereden, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen

en/of

- die [slachtoffer], met die personenauto (enkele meters) heeft meegetrokken

en

- (vervolgens) die [slachtoffer] eenmaal tegen zijn buik heeft geschopt of getrapt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag en

- die [slachtoffer] meermalen, met tot vuist gebalde hand op zijn hoofd en tegen zijn lichaam heeft gestompt en die [slachtoffer] daarbij de woorden heeft toegevoegd: "geef

alles wat je hebt, je geld, je telefoon";

3.

hij op 12 september 2010 te Duiven, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om op de openbare weg, te weten op de Westsingel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door met geweld W. [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een mobiele telefoon en/of geld, in elk geval van enig goed, toebehorende aan die [slachtoffer],

met voormeld oogmerk

- rijdend in een personenauto, met hoge snelheid en met piepende banden, achter die [slachtoffer]

is/zijn aangereden en

- met de voorzijde van die personenauto tegen de door die [slachtoffer]

bestuurde scooter is/zijn gereden, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen

en

- die [slachtoffer], met die personenauto (enkele meters) heeft meegetrokken

en

- (vervolgens) die [slachtoffer] eenmaal, tegen zijn buik, heeft geschopt of getrapt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag en

- die [slachtoffer] meermalen, (met tot vuist gebalde hand) op zijn hoofd en tegen zijn lichaam heeft gestompt en die [slachtoffer] daarbij de woorden heeft toegevoegd: "geef

alles wat je hebt, je geld, je telefoon", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Poging tot doodslag

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal vergezeld van geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Ten aanzien van feit 3

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 25 november 2010;

- een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, betreffende verdachte, gedateerd 3 januari 2011, opgemaakt door L.K. Feiken

Uit het reclasseringsadvies komt naar voren dat verdachte een ernstige delictpleger is die niet ver meer is verwijderd van de titel ‘veelpleger’. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog. Verdachte heeft een pro-criminele houding ontwikkeld en toont aan dat hij geen spijt heeft van zijn delictplegingen in het verleden. Ook wordt ingeschat dat er risico is op letselschade voor de aangever, hoewel verdachte zelf verklaart dat hij geen wraak zal nemen op de aangever. De reclassering onthoudt zich van het geven van een advies aan de rechtbank.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige feiten en zij betoogt, zoals eerder overwogen, dat het een wonder is dat het slachtoffer er zo vanaf is gekomen. Ze benadrukt dat verdachte nergens aan lijkt te willen meewerken. De officier van justitie is daarom van mening dat verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek, alsmede ter zake van feit 1 tot ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaren.

Oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, het medeplegen van diefstal met geweld en een poging tot afpersing in vereniging op de wijze zoals bewezen is verklaard. De verdachte is als bestuurder van een auto, met daarin meerdere inzittenden, ingereden op het slachtoffer dat op een snorfiets reed. Dat is op brute wijze gebeurd, waarbij het slachtoffer na een korte achtervolging is aangereden, over de motorkap van de auto is gegleden en op de grond terecht is gekomen. Daarna heeft de verdachte het slachtoffer afgeperst en beroofd, waarbij hij hem meerdere vuistslagen heeft toegediend. Door aldus te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank rekent de verdachte sterk aan dat hij op een onbeschaamde en brute manier heeft gehandeld en dat hij op geen enkele wijze respect heeft getoond voor de in de samenleving geldende regels, normen en waarden en evenmin voor zijn slachtoffer.

De rechtbank benadrukt dat sprake is van ernstige feiten die de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid op zijn plaats is omdat verdachte zijn auto als een mogelijk moordwapen heeft ingezet. Het is een geluk dat het slachtoffer er met slechts beperkte verwondingen vanaf is gekomen.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen van na te melden duur.

7. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij W. [slachtoffer] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade. De benadeelde partij W. [slachtoffer] vordert een bedrag van geleden schade van € 2.801,00.

Standpunt van de verdediging

Door en namens de verdachte is de vordering van de benadeelde betwist, nu de verdachte het tenlastegelegde ontkent en de raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe te wijzen, te weten voor een bedrag van € 1.321,05, waarbij de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd en tot een bedrag van € 1.221,05 hoofdelijk dient te worden opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht voldoende bewezen dat W. [slachtoffer] door hetgeen hem is aangedaan schade heeft geleden en dat hij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank is echter van oordeel dat slechts een gedeelte van de vordering goed is onderbouwd en acht dan ook in ieder geval een bedrag van € 300,00 aan schadevergoeding op zijn plaats. Dit bedrag ziet op een vergoeding van de schade aan de jas (€50,-) en een vergoeding voor de laptop (€ 250,-) rekening houdend met een jaarlijks afschrijvingspercentage. De rechtbank zal dan ook dit bedrag toewijzen aan de benadeelde partij. Voorts is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag hoofdelijk dient te worden opgelegd.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal bij de toewijzing van de vordering tevens de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht toepassen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 45, 57, 287, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van

5 (vijf) jaren,

met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij W. [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover een medeverdachte betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover W. [slachtoffer] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan W. [slachtoffer], te betalen € 300 (zegge driehonderd euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in zijn vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 300, subsidiair 6 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover een medeverdachte betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover W. [slachtoffer] zal zijn gekweten - de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer W. [slachtoffer], te betalen € 300,-, (zegge driehonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 (zes) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. B.F.M. Klappe, rechter, als voorzitter,

mr. M.A.E. Somsen, rechter,

mr. E. de Boer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. G. Croes, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 januari 2011.