Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP2026

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
194227 / FA RK 09-13252
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedwongen ontheffing van het ouderlijk gezag van beide ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector Familie en Jeugd

Zaakgegevens: [zaaknummer]

Datum uitspraak: 26 januari 2011

beschikking ontheffing ouderlijk gezag

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING

te Arnhem (hierna te noemen: de Raad),

tegen

[naam vader] (nader te noemen: de vader),

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

en

[naam moeder] (nader te noemen: de moeder),

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

betreffende

[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

(nader te noemen: de minderjarige).

1. Het verloop van de procedure

Gezien de stukken, waaronder

- het verzoekschrift van de Raad, ingekomen ter griffie op 16 december 2009, met als bijlage het rapport van de Raad van 14 december 2009;

- een schrijven van de minderjarige van 16 maart 2010;

- het proces-verbaal van de zitting van 17 maart 2010;

- de beschikking van deze rechtbank van 12 april 2010 naar aanleiding van het wrakingverzoek;

- de brief van de Raad van 19 april 2010, met bijlagen;

- de brief van de minderjarige van 25 mei 2010, met als bijlagen de brieven van de minderjarige van 01 maart 2009 en 12 juni 2009;

- het proces-verbaal van de zitting van 09 juni 2010;

- de brief van de minderjarige van 18 augustus 2010;

- het proces-verbaal van de zitting van 25 augustus 2010;

- de beschikking van deze rechtbank van 28 september 2010 naar aanleiding van het wrakingverzoek;

- de brief van de heer H. Zijlstra van 25 oktober 2010, met acht producties;

- de brief van de minderjarige van 04 december 2010, met bijlagen;

- de bereidverklaring van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland van 13 december 2010.

Verschenen ter zitting van 17 maart 2010:

- de moeder en de vader, bijgestaan door hun gemachtigde de heer H. Zijlstra;

- de heer en mevrouw [[naam gezinshuisouders]], gezinshuisouders;

- mevrouw [naam medewerkster] van Lindenhout;

- mevrouw [naam medewerkster] van het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering;

- mevrouw mr. M.H.C. Pinxteren, als zittingsvertegenwoordigster van de Raad;

- mevrouw [naam gezinsvoogd], gezinsvoogdes van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland (nader te noemen: BJZ).

Verschenen ter zitting van 09 juni 2010:

- de moeder;

- de vader;

- de heer en mevrouw [[naam gezinshuisouders]], gezinshuisouders;

- mevrouw [naam medewerkster] van het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering;

- mevrouw mr. M.H.C. Pinxteren, als zittingsvertegenwoordigster van de Raad;

- mevrouw [naam gezinsvoogd], gezinsvoogdes van BJZ.

Verschenen ter zitting van 25 augustus 2010:

- de heer en mevrouw [[naam gezinshuisouders]], gezinshuisouders;

- mevrouw mr. M.H.C. Pinxteren, als zittingsvertegenwoordigster van de Raad;

- mevrouw [naam gezinsvoogd], gezinsvoogdes van BJZ.

Verschenen ter zitting van 15 december 2010:

- de moeder;

- de vader;

- de heer en mevrouw [[naam gezinshuisouders]], gezinshuisouders;

- mevrouw mr. M.H.C. Pinxteren, als zittingsvertegenwoordigster van de Raad;

- mevrouw [naam gezinsvoogd], gezinsvoogdes van BJZ.

Behoorlijk opgeroepen voor de zitting van 15 december 2010, maar niet verschenen is:

- de heer H. Zijlstra.

Gedurende de behandeling ter zitting van 15 december 2010 hebben de ouders, alvorens tot een inhoudelijke behandeling van het onderhavige verzoek is overgegaan, de zittingszaal verlaten.

De minderjarige heeft bij voornoemde brieven haar standpunt kenbaar gemaakt.

2. De feiten

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

De minderjarige is sinds 12 april 2006 onder toezicht gesteld van BJZ en sinds 02 augustus 2006 uit huis geplaatst. De minderjarige verblijft sinds 23 juli 2007 in het gezinshuis van de familie [[naam gezinshuisouders]].

Bij beslissing van de kinderrechter van 19 oktober 2009 is BJZ met ingang van 19 oktober 2009 belast met de voorlopige voogdij over de minderjarige voor de duur van twaalf weken. Door indiening op 16 december 2009 van het onderhavige verzoek tot het treffen van een gezagsvoorziening -binnen de termijn van 12 weken- loopt de voorlopige voogdij door tot heden.

BJZ heeft zich bij brief van 13 december 2010 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3. Het verzoek

De Raad heeft verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, de ouders te ontheffen, subsidiair gedwongen te ontheffen van het gezag over de minderjarige, aangezien de ouders ongeschikt of onmachtig zijn de plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen.

De Raad stelt voor om BJZ, locatie Arnhem tot voogdes te benoemen.

De Raad heeft op 14 december 2009 gerapporteerd en concludeert hierin het volgende.

'(...) Ouders houden zich met name bezig met juridische procedures en strijd. Gebleken is dat ouders als opvoeders niet betrokken zijn, niet aansluiten bij de ontwikkeling en belangen van [minderjarige]. (...)

De Raad is van mening dat de ondertoezichtstelling en plaatsing van [minderjarige] bij het gezinshuis onvoldoende is om de ontwikkelingsbedreiging op te heffen. Er is, ook op lange termijn, geen perspectief op terugplaatsing bij ouders. Ouders voeren een continue juridische strijd met betrekking tot [minderjarige]. Ouders betrekken [minderjarige] hierbij en beïnvloeden haar in negatieve zin. Door de strijd die ouders met hulpverlening voeren, brengen zij [minderjarige] in een loyaliteitsconflict. Ouders communiceren niet en werken niet mee met de hulpverlening en komen afspraken niet na. Gestelde doelen van de ondertoezichtstelling worden hierdoor niet behaald.

Er zijn zorgen met betrekking tot de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige]. Ze heeft weinig vertrouwen in anderen, houdt anderen op (een veilige) afstand en heeft moeite met het leggen van contacten. Voor [minderjarige] is het moeilijk om met emoties om te gaan, deze te benoemen en te bespreken. Wanneer zij zich onder druk voelt staan (door ouders) komen heftige emoties tot uiting en kan zij zichzelf in een onveilige situatie brengen. (...) De Raad is van mening dat BJZ belast dient te worden met de voogdij over [minderjarige]. BJZ is nodig om de belangen van [minderjarige] te vertegenwoordigen, haar buiten de strijd met de ouders te houden en de uithuisplaatsing van [minderjarige] voort te zetten en te bewaken.'

Bij schrijven van 19 april 2010 heeft de Raad verzocht BJZ te benoemen tot voogdes en de uitvoering daarvan op te dragen aan het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering te [plaats]. Ter zitting van 15 december 2010 heeft de Raad het verzoek aangepast in die zin, dat zij verzoekt BJZ te benoemen tot voogdes en de uitvoering daarvan niet op te dragen aan het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering.

4. De standpunten

Bij eerdergenoemde brief van de heer H. Zijlstra van 25 oktober 2010 wordt namens de ouders primair verzocht het verzoek tot ontheffing af te wijzen en subsidiair na ontheffing de door de ouders bij testament aangewezen voogden, de heer [naam] en mevrouw [naam], gezamenlijk als voogd over de minderjarige te benoemen.

Namens de ouders wordt hiertoe - samengevat - aangedragen dat de stukken geen onderbouwing bevatten van het feit dat zij niet in staat zijn de minderjarige op te voeden. Uit de stukken blijkt juist dat de ouders hier wel toe in staat zijn. Het is onjuist dat de ouders hulpverlening zouden weigeren; de ouders weigeren enkel de hulpverlening die er niet op is gericht om de minderjarige weer terug te plaatsen bij hen.

De gezinshuisouders werken contact tussen de ouders en de minderjarige tegen.

De gezinsvoogd heeft ter zitting opgemerkt dat het naar omstandigheden goed gaat met de minderjarige. De minderjarige woont bij de gezinshuisouders; zij voelt zich daar thuis en wil daar graag blijven wonen. Het ongeluk dat de minderjarige heeft gehad op 14 oktober 2009 heeft veel impact gehad op haar. Ze is daar inmiddels goed van hersteld. De minderjarige heeft moeite met haar achtergrond. De minderjarige wenst geen contact te hebben met de ouders; ze is angstig voor hen en heeft niet het vertrouwen dat ze haar belangen voorop zullen stellen. De minderjarige heeft zeer veel behoefte aan duidelijkheid omtrent haar verblijfplaats. De ouders zoeken niet rechtstreeks contact, maar grijpen iedere kans aan om zich in het leven van de minderjarige te mengen. De ouders zijn onlangs gesignaleerd in de buurt van het gezinshuis. Dit levert spanningen op voor de minderjarige.

De ouders hebben geen contact met de gezinsvoogd en BJZ. Na het ongeluk heeft de gezinsvoogd telefonisch contact geprobeerd te zoeken met de ouders, maar dit is afgehouden door hen. De gezinsvoogd houdt ouders wel schriftelijk op de hoogte over de minderjarige, maar zij reageren daar niet op.

De gezinshuisouders hebben ter zitting opgemerkt dat het goed gaat met de minderjarige, zolang er sprake is van rust. In het begin hebben de gezinshuisouders geprobeerd het contact tussen de minderjarige en de ouders op gang te brengen. Het contact met de ouders is echter uiterst moeizaam. De minderjarige is in de eerste periode van de uithuisplaatsing onder druk gezet door de ouders en kreeg instructies van hen bepaalde dingen te doen. Dit was belastend voor de minderjarige. Twee à drie jaar geleden kwam hierin een omslag en is de minderjarige tot rust gekomen. De ouders zijn regelmatig te zien in [plaatsnaam] en duiken onverwacht op. Ook zijn er familiefilmpjes van de minderjarige getoond op TV-Gelderland. Dergelijke zaken zijn zeer belastend voor de minderjarige en veroorzaken onrust.

De minderjarige heeft contact met haar grootvader en ze ziet haar broer [naam] om de twee maanden.

5. De beoordeling

Ontheffing

Op grond van artikel 1:266 BW kan de rechtbank, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

Ingevolge artikel 1:268 lid 1 BW kan ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet. Deze regel lijdt ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a,

uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel -door de ongeschiktheid of de onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen- onvoldoende is om de dreiging dat de minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, af te wenden.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende vast komen te staan dat de ouders onmachtig zijn hun plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen.

De ouders zijn niet in staat de belangen van de minderjarige voorop te stellen en lijken zich enkel bezig te houden met hun eigen belangen. De ouders voelen zich onrechtvaardig behandeld en bejegend door de hulpverlening en wenden alle middelen aan om dat gevoel bij hen weg te nemen. De ouders zien echter niet in dat hun handelen, ondanks de uithuisplaatsing, een negatieve uitwerking heeft op de minderjarige. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de ouders niet in staat zijn de minderjarige op adequate wijze op te voeden en te verzorgen. Daarnaast is de minderjarige in het verleden in de thuissituatie getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders en waren er zorgen omtrent emotionele verwaarlozing van de minderjarige en geparentificeerd gedrag. Dit heeft geleid tot aangepast gedrag bij de minderjarige; enerzijds was de minderjarige niet in staat emoties te tonen en anderzijds had zij last van driftbuien. De minderjarige voelde zich aanvankelijk ook niet vrij en veilig in het gezinshuis, doordat de ouders nog invloed op haar uitoefenden en haar trachtten negatief te beïnvloeden over haar verblijf in het gezinshuis.

Voorts zijn de in dit geval getroffen maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende gebleken om de dreiging dat de minderjarige zodanig opgroeit dat haar zedelijke of geestelijke belangen of haar gezondheid ernstig worden bedreigd af te wenden. De ouders hebben geweigerd om, zowel in het kader van de ondertoezichtstelling als in het kader van de thans bestaande voorlopige voogdij samen te werken met BJZ en voeren een continue (juridische) strijd tegen de hulpverlening. De ouders hebben tevens geweigerd mee te werken aan het raadsonderzoek. Bij de ouders is sprake van zoveel verzet en strijd, dat BJZ wordt gehinderd in het inzetten van adequate hulpverlening voor de minderjarige. Dit is belastend voor de minderjarige, nu met de ondertoezichtstelling juist is beoogd de noodzakelijke hulpverlening in te zetten om de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige af te kunnen wenden en toe te werken naar een thuisplaatsing. De ontwikkelingsbedreiging duurt door de houding van de ouders echter voort. Voorts ondervindt de minderjarige spanningen door de opstelling van de ouders. Deze spanningen bestonden in het begin van de ondertoezichtstelling daaruit dat de ouders de minderjarige middels de contact-/belregeling trachtten te beïnvloeden en daarna uit het zich begeven rondom de verblijfplaats van de minderjarige en het frustreren door ouders van te nemen beslissingen, noodzakelijk in het belang van de minderjarige, ten gevolge waarvan de voorlopige voogdij is uitgesproken. Uit de brieven van de minderjarige aan de rechtbank, alsmede uit de informatie van BJZ blijkt, dat de minderjarige hier zeer veel last van heeft en dat het veel onrust voor haar veroorzaakt.

Gelet op de starre en afwijzende houding van de ouders is er geen perspectief op terugplaatsing van de minderjarige bij de ouders. De minderjarige ontwikkelt zich thans positief in het gezinshuis en het is van belang dat zij deze positieve ontwikkeling voort kan zetten en er sprake kan zijn van stabiliteit en continuïteit in haar opvoedingssituatie. Derhalve is het in het belang van de minderjarige dat er thans duidelijkheid komt over haar verblijfplaats. Inmiddels heeft er gedurende ruim twee jaar geen contact meer plaatsgevonden tussen de ouders en de minderjarige.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het verzoek tot ontheffing van beide ouders van het ouderlijk gezag over de minderjarige toewijzen.

Voogdij

Nu beide ouders ontheven worden van het ouderlijk gezag over de minderjarige ligt de vraag voor wie belast dient te worden met de voogdij over haar. De Raad heeft verzocht BJZ te belasten met de voogdij over de minderjarige. Namens de ouders is verzocht de heer [naam] en mevrouw [naam] tot voogd te benoemen.

Naar het oordeel van de rechtbank verzet het belang van de minderjarige zich tegen benoeming van de door de ouders voorgestelde voogden. Nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er sprake is van verzet en strijd van de zijde van de ouders tegen de uithuisplaatsing en de minderjarige heeft aangegeven in het gezinshuis te willen blijven wonen en gelet op de spanningen die deze strijd voor de minderjarige veroorzaakt, acht de rechtbank het van belang dat een neutrale, professionele derde belast wordt met de voogdij over de minderjarige. De rechtbank zal dan ook BJZ benoemen tot voogdes over de minderjarige.

De voorgestelde voogdes heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.

Om de continuïteit van de verblijfplaats van de minderjarige te waarborgen zal in verband met de mogelijkheid van hoger beroep deze beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

6. De beslissing

De rechtbank

1. ontheft de vader [naam vader] en de moeder [naam moeder] van het gezag over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

2. benoemt tot voogdes over de genoemde minderjarige DE STICHTING BUREAUS JEUGDZORG GELDERLAND, gevestigd te Arnhem;

3. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.Th. van Belzen (voorzitter), C. Lely-van Goch en I. de Waal-van Wessem, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Baaziz als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2011.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.

6