Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP2006

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
AWB 10/1344
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BV0571, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Taxatie in het kader van een aanvraag subsidie op grond van provinciale subsidieregeling natuurbeheer.

De rechtbank is van oordeel dat de taxatie niet inzichtelijk is en de uitkomst daarvan onvoldoende is gemotiveerd; infogroma.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/1344

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 20 januari 2011

inzake

Landgoed [naam] B.V., eiseres,

gevestigd te [plaatsnaam],

tegen

het college van gedeputeerde staten van Gelderland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 1 maart 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2009 heeft verweerder aan eiseres subsidie verleend tot een bedrag van € 270.940 voor functieverandering ten behoeve van de omvorming van landbouwgronden in natuurterrein.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar - onder verwijzing naar het advies van de Commissie van advies voor bezwaarschriften en klachten van 27 januari 2010 - gegrond verklaard, met dien verstande dat het eerder genoemde besluit onder aanpassing van de motivering is gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 22 november 2010. Namens eiseres is verschenen [naam], directeur, bijgestaan door ing. A. van Gellicum, werkzaam bij Kendes Rentmeesters & Adviseurs B.V. te Veenendaal. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.J.M. Daniëls, werkzaam bij de Dienst Regelingen van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI), en M.A.T. van Elk, werkzaam bij de Dienst Landelijk Gebied van het ministerie van ELI. Tevens is verschenen W.B. Wellner, taxateur bij De Lorijn raadgevers o.g te Druten.

3. Overwegingen

3.1 Eiseres heeft op 14 januari 2009 een aanvraag gedaan voor subsidie functieverandering.

Bij besluit van 24 augustus 2009 heeft verweerder aan eiseres subsidie verleend tot een bedrag van € 270.940, welk besluit in bezwaar is gehandhaafd.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten.

3.2 Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied zijn gedeputeerde staten bevoegd ten laste van het verleende investeringsbudget verplichtingen aan te gaan door het aangaan van overeenkomsten, door het verlenen van subsidies, dan wel door op andere wijze de toegekende middelen te besteden, met dien verstande dat de aanwending van de middelen geschiedt ter verwezenlijking van de doelen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en met inachtneming van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Subsidieregeling natuurbeheer Gelderland 2008 (verder: de Regeling) wordt subsidie functieverandering verstrekt ten behoeve van de omvorming van landbouwgronden in bos en natuurterrein.

Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Regeling wordt de subsidie voor functieverandering bepaald aan de hand van het bedrag waarmee het desbetreffende terrein in waarde daalt als gevolg van de omvorming van landbouwgrond in bos of natuurterrein.

Op grond van het tweede lid bepalen gedeputeerde staten het bedrag, bedoeld in het

eerste lid, aan de hand van een door de Dienst Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit uitgevoerde taxatie.

3.3 Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat bij de berekening van de subsidie een in opdracht van de Dienst Landelijk Gebied (DLG) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: het ministerie van ELI) door De Lorijn raadgevers o.g. getaxeerde waarde van € 47.500 per hectare is gehanteerd en dat er geen reden is om deze taxatie onjuist te achten. Wel heeft verweerder erkend dat het primaire besluit is genomen zonder dat hij gereageerd heeft op de zienswijze van eiseres en heeft hij het bezwaar in zoverre gegrond verklaard.

3.4 Tussen partijen is niet in geschil dat de getaxeerde percelen geschikt zijn voor fruitteelt en dat dit bij de taxatie als uitgangspunt is genomen.

3.5 Eiseres heeft betoogd dat een onjuiste taxatiemethode is gehanteerd, aangezien bij de taxatie ten onrechte het om te vormen oppervlak afzonderlijk is getaxeerd. Volgens eiseres dient bij de taxatie gekeken te worden naar de waarde van het gehele complex.

3.5.1 Dit betoog treft geen doel. In artikel 38, eerste lid, van de Regeling is opgenomen dat de subsidie voor functieverandering bepaald wordt aan de hand van het bedrag waarmee het desbetreffende terrein in waarde daalt als gevolg van de omvorming van landbouwgrond in bos of natuurterrein. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de om te vormen percelen dan ook terecht afzonderlijk getaxeerd.

3.6 Eiseres heeft voorts betoogd dat de taxatie niet inzichtelijk is en de uitkomst daarvan onvoldoende is gemotiveerd. Eiseres is van mening dat niet duidelijk is geworden welke vergelijking is toegepast bij de taxatie van de betreffende percelen. Ook het door de DLG gebruikte programma Infogroma is niet controleerbaar. De getaxeerde waarde van de door eiseres zelf ingeschakelde deskundige ing. J.C. Eertink van Kendes Rentmeesters & Adviseurs B.V. te Veenendaal (verder: Kendes) komt, blijkens het rapport van december 2009, uit op € 65.000 per hectare.

3.6.1 Dit betoog treft doel. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Ter zitting is gebleken dat de taxatie voor een groot deel gebaseerd is op de gebiedskennis van de door de DLG ingeschakelde taxateur en dat de DLG de taxatie vervolgens aan Infogroma heeft getoetst om te bezien of de getaxeerde waarde geen uitschieter betreft.

De rechtbank stelt vast dat eiseres de taxatie in bezwaar zowel als in beroep gemotiveerd heeft bestreden. Nu eiseres het taxatierapport gefundeerd heeft betwist is het aan verweerder om te motiveren hoe hij tot een waarde van € 47.500 per hectare is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin niet geslaagd.

Daarvoor is van belang dat het taxatierapport zeer summier is en op zich zelf, alhoewel moet worden uitgegaan van de deskundigheid van de taxateur, niet overtuigend en onderbouwd is. Niet duidelijk is immers waarom bij de gegeven karakteristiek van het grondperceel een prijs van € 47.500 per hectare een reële prijs is. Ter zitting heeft de door de DLG ingeschakelde taxateur Wellner aangegeven dat hij bij zijn taxatie de vergelijkingsmethode heeft gehanteerd, maar heeft hij tevens erkend dat in het rapport de referenties genoemd noch uitgewerkt zijn.

Bij de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft verweerder een lijst overgelegd, “prijsanalyse per grondmarktgebied”, met een weergave van 11 in de periode van 1 september 2008 tot 1 april 2009 gesloten grondtransacties ([plaatsnaam] e.o.) variërend van een hectareprijs van € 16.474 tot € 85.000; met een gemiddelde van € 46.626. Ook die lijst geeft geen inzicht in kwalificaties als ligging en kwaliteit. Evenmin worden indicaties gegeven waarom de waarde van het onderhavige perceel in vergelijking met de genoemde hectareprijzen met een waarde van € 47.500 reëel is gewaardeerd. Verder is van de zijde van verweerder wel gesteld dat de referentiepercelen vergelijkbaar zouden zijn, maar elk inzicht in die vergelijkbaarheid wat betreft ligging en kwaliteit ontbreekt.

3.7 Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep dient dan ook gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Voor het zelf in de zaak voorzien ziet de rechtbank geen aanleiding. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

3.8 Ter zitting heeft eiseres de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep en een factuur en een overzicht van de werkzaamheden van Kendes overgelegd. De werkzaamheden hebben betrekking op de taxatie, de hoorzitting in bezwaar en de voorbereiding van het beroep. Op het overzicht is tevens het aantal uren vermeld dat aan deze werkzaamheden is besteed.

Desgevraagd heeft Van Gellicum ter zitting verklaard dat Kendes en haar medewerkers bij deze zaak als deskundige zijn betrokken en dat zij geen rechtskundige bijstand hebben verleend.

3.8.1 De rechtbank stelt voorop dat dit verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (verder: het Besluit). Dit Besluit voorziet in een stelsel van forfaitaire vergoedingen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en sub 1, van het Besluit in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en sub b, van het Besluit komen de kosten van een door een partij naar de zitting meegebrachte deskundige voor vergoeding in aanmerking met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken.

De rechtbank ziet reden om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 324,92. Daarbij heeft de rechtbank voor het bijwonen van de zitting door de deskundige 4 uren in aanmerking genomen, alsmede het uit voornoemde regelgeving voortvloeiende maximumtarief van € 81,23 per uur. Het totaalbedrag dient niet te worden verhoogd met de omzetbelasting die daarover verschuldigd is, aangezien eiseres een rechtspersoon is die de verschuldigde omzetbelasting zelf kan verrekenen.

Van overige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in beroep is de rechtbank niet gebleken.

3.8.2 Omtrent de vergoeding van de kosten van de door eiseres ingeschakelde deskundige in de bezwaarfase dient verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar te beslissen. In dat verband merkt de rechtbank op dat het taxatierapport van december 2009 is ingebracht in de bezwaarprocedure.

3.9 Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 324,92;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 298 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. S.W. van Osch-Leysma, voorzitter, en mr. D.J. Post en mr. J.M. Neefe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 20 januari 2011