Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP1905

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
185108
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij antwoordakte hebben gedaagde c.s. aangevoerd, kort gezegd, dat het RTC Zwolle van onjuiste feiten is uitgegaan, geen rekening heeft gehouden met de nadrukkelijke wens van eiseres tot een volledige gebitsrenovatie en niet heeft vastgesteld dat het resultaat van de behandeling door gedaagde niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen noch dat het resultaat ertoe noopte de gebitsrenovatie volledig over te laten doen.

Bij de huidige stand van zaken ligt het op de weg van gedaagde c.s. te ontkrachten hetgeen de rechtbank tot dusver voorshands aannemelijk heeft acht inzake de na de behandelingen door gedaagde bereikte beet, de gevolgen daarvan, de noodzaak van de geblokte kronen en de gevolgen, de door gedaagde geboden nazorg en, in het verlengde daarvan, de noodzaak tot een volledig nieuwe gebitsrenovatie zoals die door de kliniek is uitgevoerd. Aan gedaagde c.s. zal de gelegenheid daartoe worden geboden. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor uitlating hierover bij akte door gedaagde c.s. Indien en voor zover gedaagde c.s. van de geboden gelegenheid tot ontkrachting gebruik wensen te maken, ligt het voor de hand dat over genoemde punten een gerechtelijk tandheelkundig deskundigenbericht wordt ingewonnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 185108 / HA ZA 09-941

Vonnis van 12 januari 2011

in de zaak van

MARLIES EVA MARLIENE CHRISTINE SLOTBOOM-SLOOS,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procesadvocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

behandelend advocaat voorheen mr. B.H.G. Kruissen,

thans mr. C. Almeida te Rotterdam

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DENTAL RENTALS B.V.,

gevestigd te Ede,

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. H.C.W. Geffroy te Ede.

Partijen zullen hierna [eiseres], Dental Rentals B.V. en [gedaagde] worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk met [gedaagde] c.s. worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 februari 2010

- de akte van [gedaagde] c.s.

- de antwoordakte van [eiseres]

- de verwijzing naar de parkeerrol

- de akte uitlaten tevens wijziging eis van [eiseres]

- de antwoordakte uitlaten van [gedaagde] c.s.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Na het laatste tussenvonnis hebben beide partijen de rechtbank bij akte laten weten dat zij (in beginsel) de uitspraak van het RTC te Zwolle wensten af te wachten alvorens in de onderhavige zaak voort te procederen.

2.2. [eiseres] heeft, nadat het RTC op 29 juli 2010 uitspraak had gedaan, de zaak van de parkeerrol op de gewone rol laten plaatsen. Zij heeft die uitspraak bij akte in het geding gebracht. Zij meent, samengevat, dat op grond daarvan thans als vaststaand kan worden aangenomen dat [gedaagde] jegens haar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de behandelovereenkomst en ook dat er causaal verband bestaat tussen dat tekortschieten en haar schade. Rekening houdend met de (al dan niet voorlopige) overwegingen en beslissingen van de rechtbank in het laatste tussenvonnis met betrekking tot de gestelde schade heeft zij haar eis verminderd met het bedrag van € 17.700,-- (de in dat tussenvonnis onder 4.1 sub b weergegeven vordering), de overige schadeposten nader toegelicht en in zoverre in haar vorderingen volhard.

2.3. Bij antwoordakte hebben [gedaagde] c.s. aangevoerd, kort gezegd, dat het RTC Zwolle van onjuiste feiten is uitgegaan, geen rekening heeft gehouden met de nadrukkelijke wens van [eiseres] tot een volledige gebitsrenovatie en niet heeft vastgesteld dat het resultaat van de behandeling door [gedaagde] niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen noch dat het resultaat ertoe noopte de gebitsrenovatie volledig over te laten doen.

2.4. Zoals in het vorige tussenvonnis is overwogen (rov. 4.5), dient een tuchtprocedure niet ter vaststelling van civielrechtelijke aansprakelijkheid, maar kan voor het oordeel van de burgerlijke rechter daarover betekenis toekomen aan het oordeel van de tuchtrechter.

De uitspraak van het RTC Zwolle bevat, voor zover hier van belang, de volgende passages:

“2. DE FEITEN

(…)

Voordat klaagster bij verweerder in behandeling kwam had zij een gemiddeld goed gebit. Wel had zij last van gevoelige tandhalzen, als gevolg van teruggetrokken tandvlees.

Klaagster had, mede in verband met verkleurde vullingen op een drietal elementen, de wens haar gebit cosmetisch te laten renoveren. Zij liet daartoe in 2006 en 2007 de bestaande amalgaam vullingen in haar gebit vervangen door witte vullingen bij haar (toenmalige) tandarts, [betrokkene] te [woonplaats]. Verder was het de bedoeling een zogenaamd ‘facings’ (door klaagster in haar klaagschrift ‘front’ genoemd) te laten plaatsen en dit plan zou op termijn door tandarts [betrokkene] worden uitgevoerd.

Klaagster kwam vervolgens, tijdens een verblijf in een jachthaven in Zeeland, in contact met de heer M. [betrokkene 2]. [betrokkene 2], tandtechnicus, deelde kortingscheques uit voor een behandeling in de praktijk van verweerder, om op deze manier nieuwe cliënten te werven. [betrokkene 2] werkte samen met verweerder, destijds praktijk houdende te [woonplaats]. Klaagster vroeg [betrokkene 2] naar de volgens hem bestaande mogelijkheden om het aangezicht van haar tanden te verbeteren, in het bijzonder in verband met de drie verkleurde vullingen. [betrokkene 2] verwees klaagster naar verweerder.

Op 12 november 2007 had klaagster een eerste afspraak met verweerder. Klaagster heeft haar cosmetische wens kenbaar gemaakt. Op 22 november 2007 komt zij weer bij verweerder, dit betrof een consult van ongeveer 30 minuten. Zij heeft verteld last te hebben van gevoelige tandhalzen en ontevreden te zijn over haar tanden, in het bijzonder haar voortanden en de daarin zichtbare verkleuring. Er werd een orthopantomogram van klaagsters gebit gemaakt en een behandeling voorgesteld, namelijk een volledige gebitsrenovatie bestaande uit het slijpen van alle gebitselementen en het plaatsen van 24 kronen met een aantal bruggen, waarbij de kronen door [betrokkene 2] zouden worden vervaardigd. Klaagster heeft gezegd over de voorgestelde behandeling te willen nadenken omdat zij de voorgestelde behandeling wel duur vond en zij hierover eerste met haar partner wilde overleggen.

(…)

Klaagster heeft vervolgens een afspraak gemaakt voor de gebitsrenovatie, volgens de status van verweerder voor 11 februari 2008, volgens klaagster voor 5 februari 2008. In ieder geval zijn in de eerste helft van februari 2008 de elementen van het bovengebit geslepen, is een noodvoorziening geplaatst en zijn een week later de als definitief beoogde kronen - voorlopig - geplaatst. Klaagster laat direct weten de kronen niet mooi en te lang te vinden.

Zij belt daarover op 18 februari 2008 met de praktijk van verweerder.

Op 19 februari 2008 heeft klaagster een afspraak. Verweerder slijpt dan de elementen van de onderkaak en plaatst een noodvoorziening. Op 22 februari 2008 zijn de kronen uit de bovenkaak weer verwijderd en wordt een nieuwe afdruk gemaakt. Er wordt afgesproken dat de nieuwe kronen worden gemaakt en dat een week later de definitieve kronen voor boven en onder zullen worden geplaatst. Dat gebeurt op 29 februari 2008.

Op 14, 25 en 26 maart 2008 belt klaagster met de praktijk van verweerder omdat ze overleg wil, ze heeft klachten bestaande uit kiespijn links boven, veel speekselvorming en er blijven steeds etensresten zitten. Er wordt een afspraak gemaakt voor 31 maart 2008. Verweerder is niet aanwezig en klaagster wordt gezien door [betrokkene 2] en assistente MB.

[betrokkene 2] heeft klaagster toen gezien en er zijn foto’s gemaakt. De assistente (MB) van verweerder noteert in de status van klaagster het volgende:

‘1. 11 als ze hieraan zuigt proeft ze een metalen smaak, [betrokkene 2] [[betrokkene 2]; rb] uitgelegd dat dit niet kan omdat we geen metaal hebben gebruikt. Ik heb wel bucc cementrestjes weggehaald.

2. Linkerkant is hoger dan rechterkant, dit ingeslepen zodat beet weer goed is. Mw is nu hierover tevreden. Doordat de beet eerst niet goed was heeft ze daarom waarschijnlijk last van de 26 27 (overbelasting). ’s Ochtends heeft ze last van witte mond en veel slijm in d’r mond (kussensloop is dan ook vies […]. Ook eten chocolade valt uit haar mond en kauwgom eten kon ze ook niet maar waarschijnlijk zijn deze klachten nu verholpen.

3. Koortslip is nog steeds niet weg. […] uitgelegd dat ze waarschijnlijk nu gewoon verminderde weerstand heeft en daarom dit nog niet weg is gegaan maar dat het niet van de kronen komt.

4. Pat. vindt dat kronen verkleurd zijn: [betrokkene 2] uitgelegd dat dit niet kan omdat alles van porselein is en dit niet kan verkleuren. (pat heeft inmiddels wel 3 flessen chloorhexedine op).

5. Grootste probleem: BK PALATINAAL randen sluiten niet goed aan, na mijn inzicht klopt dit ook. Randen zijn gewoon te kort. Mw is hiervoor ook bij de mondhygiëniste geweest en die heeft ook gezegd dat de randen te kort zijn palatinaal in de bk. [betrokkene 2] heeft hier naar gekeken en zegt dat het tandvlees nog meer daar op de plaats moet komen maar ik geloof hier eerlijk gezegd ook niet in. Eerst voorgesteld om met een vlammetje randen vlakker te maken zodat overgang minder gevoeld wordt zodat het voor pat comfortabeler is maar achteraf wil ik toch eerst dat [ ] [[gedaagde]; rb] hier naar gaat kijken voordat ik hier wat aan doe. Uitgelegd aan pat dat we waarschijnlijk 2 mogelijkheden hebben om dit probleem op te lossen en dat is of alles bk opnieuw doen of wat ik al eerder heb verteld. Mw ziet het eigenlijk niet zitten om het voor de derde keer opnieuw te doen maar goed hier mogen [gedaagde sub 2] en [betrokkene 2] naar kijken […].’

Op 1 april 2008 is klaagster gebeld door een assistente die de avond ervoor overleg met verweerder heeft gehad. Klaagster wordt aangeboden om de kronen opnieuw te maken omdat dat de beste oplossing is. Klaagster gaat daarmee akkoord.

Op 7 en 8 april 2008 is er dan verschillende malen telefonisch contact met de praktijk van verweerder over het verplaatsen en/of maken van een nieuwe afspraak. Klaagster vraagt of verweerder haar wil terugbellen. Er wordt een afspraak gepland voor 15 april 2008. Klaagster laat dan weten boos te zijn omdat zij niet is teruggebeld. Zij uit een groot aantal klachten waaronder onder meer met betrekking tot de bovenkaak: niets kunnen afbijten, 32 pal heeft lang een bult gezeten, lang een koortslip gehad, erg veel cement, de wind is gevoelig, 23 p grote overgang, vieze smaak, het lijkt alsof er gaatjes zitten. Klaagster vertelt dat zij ook bij een andere tandarts is geweest die heeft geconstateerd dat de kronen niet goed aansluiten. Verweerder heeft meerdere malen bij het front palatinaal ingeslepen maar klaagster merkte geen verschil.

Verweerder heeft vervolgens voorgesteld de bovenkaak opnieuw te maken en daarna een knarsplaat te maken. Voorts heeft hij een afdruk gemaakt voor een noodvoorziening en is afgesproken dat klaagster zal bellen voor een afspraak om e.e.a. uit te voeren.

In verband met de aanhoudende pijnklachten bezocht klaagster op 15 juli 2008 haar huisarts, de heer [A] te [woonplaats]. Hij adviseerde klaagster pijnbestrijdende medicatie (…). [A] vermeldt in een ongeadresseerde brief d.d. 15 juli 2008 het volgende: ‘Geachte collega, ik zag patiënte vandaag op mijn spreekuur in verband met veel pijnklachten van haar gebit, met name de bovenzijde. Zij kan niet goed eten, kauwen omdat de tanden niet op elkaar zitten. De bovenkaak is erg pijnlijk en het is net alsof er een ontsteking zit. […] Graag uw kortdurende beoordeling en advies, graag overname van de behandeling, beoordeling op verzoek van de patiënt.’.

Op 17 juni 2008 is er telefonisch contact geweest in verband met nota’s van de Fa-med die klaagster had ontvangen en die zij niet begreep. Een assistente van verweerder heeft zowel met de Fa-med als klaagster gebeld met de mededeling dat er geen nota’s meer openstonden.

Op 2 juli 2008 komt klaagster op de praktijk. Zij uit weer veel klachten. Verweerder laat weten alleen iets te kunnen doen aan de bovenkaak waar de randen niet goed aansluiten door daar kronen te vervangen. Verweerder constateert dat klaagster tandenknarst/klemt. Omdat klaagster het gevoel heeft de kiezen niet goed op elkaar te kunnen krijgen heeft verweerder aan beide kanten nog occlusaal ingeslepen. Verder zijn de kronen van de elementen 22 en 23 verwijderd. Volgens de status heeft klaagster tegen een assistente gezegd een andere tandarts te zullen gaan zoeken om alles te laten verwijderen en opnieuw te laten maken.

Op 10 juli 2008 heeft verweerder de twee kronen op de 22 en 23 geplaatst.

In de status staat genoteerd ‘Geen afspraken meer met mevr. Eerst overleg met [gedaagde sub 2]’.

(…)

Op 22 september 2008 heeft klaagster haar voormalige tandarts [betrokkene] te [woonplaats] bezocht. Hij vermeldde op de patiëntenkaart: ‘ […] constateerde dat een aantal kronen geblokt zijn, onduidelijk waarom en hierdoor wordt reiniging ernstig bemoeilijkt. Zij heeft ook ernstige problemen met het uiterlijk van de kronen, te groot en aansluiting niet goed. Zij is ondertussen door de [kliniek] in behandeling genomen en deze zijn begonnen met inslijpen. Mijn advies voorlopig niets meer laten doen en de klachtbehandeling afwachten, daarna de hoofdproblemen evalueren en eventueel behandelen […]’.

Klaagster heeft zich vanaf 26 augustus 2008 verder laten behandelen bij de [kliniek] te Rotterdam volgens een aldaar opgesteld behandelplan. De behandelend tandarts was de heer [B]. Klaagster liet door de directeur van de [kliniek], de heer [C] een rapport opstellen in verband met het voornemen van klaagster een klacht in te dienen tegen verweerder. In dit rapport d.d. 10 december 2008 wordt, voor zover van belang, het volgende beschreven: ‘ […] de beet, de wijze waarop de tanden en kiezen sluiten bij dichtbijten is niet harmonieus met het spierweefsel en het kaakgewricht.[…] Bij het verwijderen van de kronen bleek veel glasionomeercement, cement waarmee kronen worden geplaatst, aanwezig te zijn in de sulcus, de ruimte tussen het tandvlees en de tandwortel. Tandarts [B] heeft enkele behandeluren besteed aan het verwijderen van de kronen omdat de kroonranden zich diep onder het tandvlees bevonden. Helaas is het onmogelijk gebleken alle diep achtergebleven cementresten te verwijderen waardoor tandvleesproblemen zullen blijven bestaan. Mogelijk kunnen andere calamiteiten als het gevolg van het achtergebleven cement in de toekomst gaan optreden. […]. Gezien het feit dat in de praktijk van [verweerder] zowel in de boven- als onderkaak bij [klaagster] kronen zijn geplaatst zonder in achtneming van het reeds bestaande slijtagepatroon is de verdwaalde beet ontstaan en hebben wij [klaagster] in behandeling moeten nemen. Een zorgvuldige occlusie- en modelanalyse voordat was gestart met het vervaardigen van de kronen had een dergelijk tragisch verloop kunnen voorkomen. […]’.

Tandarts [B] van de [kliniek] heeft op 19 mei 2010 per email zijn bevindingen ten aanzien van het werk van verweerder verwoord. Deze bevindingen behelzen voor een groot deel de inhoud van het rapport d.d. 10 december 2008 wat is opgesteld door de directeur van de [kliniek]. De natuurlijke tanden van klaagster zagen er op de foto die gemaakt is voordat klaagster is behandeld door verweerder, nog goed en natuurlijk uit. Verder vermeldt [B], voor zover van belang: ‘De kronen in het kiezen gedeelte waren als een brug aan elkaar vastgemaakt, zodat er tussen de kiezen geen flosdraadje door kon en dus slecht was te reinigen.[…] Bij de eerste kies rechtsonder (46) bevond zich in de mond een fistel met pusafvloed. De röntgenfoto toonde een forse ontsteking met botafbraak tussen de wortels van deze kies; kenmerkend voor een wortelfractuur. ( Bij extractie bleek deze wortel dan ook gebroken). Resumerend kan gezegd worden dat deze behandeling niet ‘lege artis’ is uitgevoerd en dat de patiënt bij zo’n uitgebreide behandeling toch wel een ‘state of art’ resultaat mag verwachten!!’. […]

Klaagster heeft de kronen door de [kliniek] geheel laten vervangen.

(…)

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Klaagster heeft ingestemd met de door verweerder voorgestelde en uitgevoerde behandeling, bestaande uit het slijpen van haar gebit en het plaatsen van 24 kronen. Gesteld noch gebleken is dat verweerder een schriftelijk uitgewerkt behandelplan met bijbehorende offerte aan klaagster heeft verstrekt, noch dat hij vooraf studiemodellen of een status van het gebit en/of tandvlees heeft gemaakt. Dat had van verweerder, zeker gelet op de aard en omvang van deze behandeling, verwacht mogen worden. Verweerder heeft ter zitting weliswaar aangevoerd een schriftelijke offerte te hebben gemaakt, maar dat is door klaagster bestreden. In ieder geval blijkt noch uit de door verweerder bijgehouden status, noch anderszins van een schriftelijke offerte, zodat het er in het kader van deze procedure voor dient te worden gehouden dat er geen schriftelijke offerte is verstrekt.

Door geen schriftelijk behandelplan, noch een schriftelijke begroting te verstrekken, heeft verweerder in strijd gehandeld met hetgeen van hem, gelet op zijn professie verwacht had mogen worden.

5.3

Klaagster heeft in de eerste contacten met verweerder besproken dat zij (vooral) problemen ondervond met de fronten van haar gebit en die cosmetisch wilde laten verbeteren. Daarnaast had zij problemen met de tandhalzen. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd mede in verband met gevoeligheid van tandhalzen te hebben voorgesteld het hele gebit van kronen te hebben voorzien omdat de tandhalzen dan worden afgedekt en dat tot een klachtenvermindering kan leiden. Bovendien zou klaagster meerdere vergelijkbare werkstukken, zowel bij bekenden van haar als in de praktijk aan de hand van voorbeelden, hebben gezien en hebben gezegd dat ook te willen. Omdat tandarts [betrokkene] dat niet wilde uitvoeren is zij naar de praktijk van verweerder gekomen. Nu klaagster vanuit cosmetisch oogpunt bezien vooral problemen met het front had, en de gevoelige tandhalzen, had verweerder zich daartoe vanuit cosmetisch oogpunt, zeker in eerste instantie moeten beperken.

Het afdekken van tandhalzen door kronen is op zich een mogelijkheid om gevoeligheid van tandhalzen te beperken maar is zeker niet de enige methode. Verweerder had ter zake alternatieven en de risico’s van een dergelijk grote ingreep moeten bespreken met klaagster. Dat hij dat heeft gedaan is niet gebleken. In de status zijn daarvoor geen aanwijzingen te vinden. Verweerder had zonder het nadrukkelijk bespreken van alternatieven niet tot deze ingrijpende behandeling, bestaande uit het in één keer slijpen van het complete bovengebit, mogen overgaan. Verweerder heeft daarmee onnodige en onverantwoorde risico’s genomen. Verweerder had om de beet te bepalen, niet mogen volstaan met de door hem uitgevoerde registratie met Futar en het gebruik van stops die hij had laten staan. Verweerder had een meer specifieke registratie moeten doen, zoals een Facebow registratie. In het dossier is overigens maar één stop gedeclareerd en wel bij de 17.

5.4

Nadat op 19 februari 2008 was besloten de reeds in het bovengebit geplaatste kronen allemaal te vervangen, had verweerder dat, voordat hij ook maar iets aan het ondergebit ging doen, moeten doen. Dit temeer omdat klaagster onder meer klachten had een aanwijzing waren voor een niet juiste beet. Als het al juist is, zoals door verweerder ter zitting aangevoerd, dat hij door klaagster onder druk is gezet om vast snel met het ondergebit te beginnen, had verweerder zich daartoe niet mogen laten verleiden. Hij is en blijft verantwoordelijk voor zijn professioneel handelen. Door het direct slijpen van het complete ondergebit zijn de risico’s op problemen met de beet aanzienlijk toegenomen en die risico’s hebben zich, afgaande op het door verweerder in de status genoteerde, door klaagster geuite klachtenpatroon, kennelijk ook verwezenlijkt. Op 29 februari 2008 zijn zowel boven- als onderkaakelementen tegelijkertijd van alle kronen voorzien en met definitief cement geplaatst. Het college acht het onverstandig 24 kronen niet eerst tijdelijk te plaatsen, zodat dan de beet geëvalueerd kon worden.

5.5

Nadat verweerder meerdere malen klaagster had gezien met diverse klachten die in ieder geval deels aan beetproblemen zijn toe te schrijven, had verweerder de regie moeten houden en klaagster moeten voorstellen haar door te verwijzen naar een ter zake gespecialiseerde collega of een gespecialiseerd centrum. Zo dat moment niet al in april 2008 was aangebroken, was dat zeker in juni 2008 het geval, dus voordat de communicatie tussen partijen werd vertroebeld door het verzetten van afspraken en gezonden nota’s. Die eigen verantwoordelijkheid rustte op verweerder, zelfs indien klaagster na een dergelijk advies uiteindelijk zou hebben besloten zelf elders haar heil te zoeken. Verweerder heeft dat ten onrechte nagelaten.

Of er cementresten na de behandeling door verweerder zijn achtergebleven kan het college niet vaststellen. Uit de aantekeningen van verweerder blijkt wel dat één van zijn assistentes cement heeft verwijderd, maar of er nadien nog cement aanwezig was blijkt weliswaar uit het rapport van De Veldhuis kliniek, maar de juistheid daarvan is door verweerder bestreden. Overigens is de keuze die verweerder heeft gemaakt om enkele geblokte kronen/bruggen te plaatsen niet goed te begrijpen. Niet gebleken is namelijk dat daar uit tandheelkundig oogpunt bezien aanleiding toe was. Een dergelijke constructie maakt het schoonhouden van het gebit alleen maar moeilijker en heeft derhalve, indien daarvoor geen duidelijke noodzaak aanwezig is, vooral bezwaren.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder uit tandheelkundig oogpunt bezien op meerdere fronten tekort is geschoten in hetgeen van een redelijk handelend tandarts verwacht mocht worden. In zoverre is de klacht gegrond.

5.6

Voor zover de klacht gericht is tegen de acties van Fa-med en de in september toegezonden facturen, is het college van oordeel dat uit het ontbreken van een duidelijke begroting, een gedeeltelijk contante betaling (al dan niet ten behoeve van [betrokkene 2]) en het in een laat stadium verzenden van nota’s - zonder daarbij een oordeel over de juistheid van de gezonden nota’s te geven - in ieder geval blijkt dat de administratie niet alleen beter had gekund, maar ook had gemoeten.

5.7

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat verweerder jegens klaagster onzorgvuldig en tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college zal de klacht gegrond verklaren en verweerder een maatregel opleggen. Gelet op de aard en omvang van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen acht het college een berisping een passende maatregel.”

2.5. Voor de verwijten die [eiseres] [gedaagde] c.s. in de onderhavige procedure maakt wordt verwezen naar de weergave daarvan in rov. 4.3. van het laatste tussenvonnis en de aanvulling hierop zoals hierna weergegeven in rov. 2.12. Naar het oordeel van de rechtbank doet het negatieve oordeel van de tuchtrechter over, kort gezegd, de aanloop tot de gebitsrenovatie van [eiseres] - waarbij volgens de tuchtrechter ten onrechte een schriftelijk uitgewerkt behandelplan met bijbehorende offerte en studiemodellen of een status van het gebit en/of tandvlees van [eiseres] achterwege zijn gebleven - en de wijze waarop de financiële afwikkeling heeft plaatsgevonden voor de beoordeling van de in de onderhavige procedure voorliggende verwijten niet ter zake. In zoverre kan dus in het midden blijven of, zoals [gedaagde] c.s. hebben aangevoerd, wel een behandelplan, een offerte en/of studiemodellen zijn gemaakt. Het door hen daarvan aangeboden bewijs wordt als niet ter zake dienend gepasseerd.

2.6. Met betrekking tot het verwijt van [eiseres] dat [gedaagde] op te rigoureuze wijze de gebitsrenovatie heeft aangepakt, dat wil zeggen door al haar tanden en kiezen af te slijpen ten behoeve van het plaatsen van kronen, wordt het volgende overwogen. In weerwil van het negatieve oordeel van de tuchtrechter hierover - dat overigens is gegeven zonder dat de formele tuchtklacht van [eiseres] zich hiertoe uitstrekte - is de rechtbank van oordeel dat in de gegeven omstandigheden op dit punt geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] in de geboden zorg. Vast staat, mede op grond van de verklaring daarover van [eiseres] ter comparitie, dat [eiseres] een nadrukkelijke wens had tot een verdergaande verfraaiing van haar gebit dan waarin haar vorige tandarts wilde meegaan. Haar was bekend dat daarmee een rigoureuzer aanpak gemoeid zou zijn, die haar vorige tandarts ‘zonde’ vond van de op zichzelf nog goede tanden van [eiseres]. De door het RTC vastgestelde feiten, waarop het zijn oordeel op dit punt heeft gebaseerd, vallen hiermee niet te rijmen. Uitgaande van de in de onderhavige (civiele) procedure vastgestelde feiten en omstandigheden geldt dat [gedaagde] in redelijkheid niet meer gehouden was een tot het front van het gebit van [eiseres] beperkte behandeling voor te stellen. Concrete, minder vergaande alternatieven voor het plaatsen van kronen op de elementen ter verkrijging van het door [eiseres] gewenste effect zijn noch door [eiseres], noch door het RTC genoemd. Voor zover het verwijt van [eiseres] zich hierop toespitst, heeft zij in het licht van de vaststaande feiten en de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] c.s. van de gestelde tekortkoming op dit punt haar stelling onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan wordt voorbijgegaan zonder dat aan bewijs wordt toegekomen.

2.7. [eiseres] verwijt [gedaagde] voorts dat in tegenstelling tot wat zij vooraf met [gedaagde] en [betrokkene 2] over de omvang en de kleur van de kronen heeft besproken, de elementen te groot en te wit waren, zodat [gedaagde] ook op dit punt in de geleverde prestatie is tekortgeschoten. [gedaagde] c.s. hebben dit gemotiveerd betwist dat het uiterlijk van de kronen zoals die in tweede instantie op de elementen van de bovenkaak zijn geplaatst, niet goed was. Zij hebben in dit verband voorts aangevoerd dat [eiseres] die kronen heeft geaccepteerd.

2.8. Op [eiseres] rust de last haar door [gedaagde] c.s. betwiste stelling inzake de omvang en kleur van de kronen te bewijzen (art. 150 Rv). Het bewijs van die stelling is echter slechts ter zake dienend indien en voor zover niet opgaat het in die betwisting besloten verweer van [gedaagde] c.s. dat [eiseres] de kronen heeft geaccepteerd. Aangezien dit verweer van [gedaagde] c.s. een bevrijdend verweer betreft – zij beroepen zich immers op het rechtsgevolg ervan, naar de rechtbank (ambtshalve op grond van art. 25 Rv) aanneemt: rechtsverwerking – rust op hen daarvan de bewijslast, voor zover [eiseres] deze gemotiveerd heeft betwist. Tussen de partijen is niet in geschil dat de in eerste instantie door [betrokkene 2] vervaardigde en door [gedaagde] geplaatste kronen van de bovenkaak op hun uiterlijk zijn afgekeurd, zowel door [gedaagde] als door [eiseres], alsmede dat die kronen toen opnieuw zijn vervaardigd en geplaatst. De stelling van [gedaagde] c.s. dat [eiseres] - nadat de opnieuw vervaardigde kronen voor de bovenkaak voorlopig waren geplaatst en zij een week later terugkwam voor definitieve plaatsing - geen klachten over het uiterlijk van de kronen heeft geuit, wordt ondersteund door de stukken in het dossier. Daarin is geen enkele aanwijzing te vinden dat [eiseres] zich toen op enig moment tegenover [gedaagde] opnieuw over het uiterlijk van de kronen heeft beklaagd. [eiseres] heeft ter comparitie verklaard dat zij nooit expliciet haar tevredenheid over het werk heeft geuit, dat haar is voorgehouden dat het moest wennen en dat het uiteindelijk niet is gewend. Dit moge zo zijn, daaruit kan niet worden afgeleid dat [eiseres] wel haar ontevredenheid over het uiterlijk van de kronen heeft geuit. Tegen de achtergrond van de eerdere gang van zaken, waarbij de aanvankelijk geplaatste kronen door [eiseres] direct op hun uiterlijk werden afgekeurd en zij de nieuwe, voorlopig geplaatste kronen een week op hun uiterlijk heeft kunnen beoordelen voorafgaand aan de definitieve plaatsing en vervolgens niet over het uiterlijk ervan heeft geklaagd, heeft [gedaagde] er in de gegeven omstandigheden op mogen vertrouwen dat het op dit punt wat [eiseres] betreft zo goed was. Dit geldt te meer waar uit geen van de overgelegde stukken blijkt dat zij in de vele contacten met [gedaagde] daarna wel het uiterlijk van de kronen ter discussie heeft gesteld. Voor zover [eiseres] heeft willen betogen dat zij dat wel heeft gedaan, heeft zij dit betoog onvoldoende onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Bij deze stand van zaken geldt dat zij de stelling van [gedaagde] c.s. dat zij de geleverde prestatie op dit onderdeel heeft aanvaard, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan (art. 149 Rv). Het gevolg daarvan is dat [eiseres] geen beroep meer toekomt op dit gestelde gebrek van de prestatie van [gedaagde]. Bewijs van de stelling dat de kronen te groot en te wit waren, is daarom niet ter zake dienend en zal daarom niet worden opgedragen.

2.9. Een ander verwijt van [eiseres] betreft de beet die na de behandelingen door [gedaagde] is ontstaan. Zij stelt dat zij haar boven- en ondergebit niet goed meer op elkaar kon krijgen en dat zij daardoor onder andere niet goed meer kon eten en last kreeg van overvloedig speeksel en pijnklachten door overbelasting van haar kaak. Verder bracht haar nieuwe gebit haar ontstekingen en gaatjes. Deze klachten zijn volgens [eiseres], die zich daarin thans ook gesteund voelt door de uitspraak van het RTC, het gevolg van tekortschieten van [gedaagde] bij de behandelingen. De klachten zijn door hem vervolgens niet adequaat verholpen in het kader van de nazorg en hebben aangehouden totdat zij de klachten door de [kliniek] heeft laten verhelpen, aldus [eiseres]. [gedaagde] c.s. hebben ter comparitie verklaard, samengevat, dat [gedaagde] in het kader van de geboden, correcte nazorg de aanvankelijke klachten van [eiseres] heeft verholpen, dat de beet uiteindelijk - ook volgens [eiseres] - goed was en dat de door [eiseres] volgehouden klachten niet reëel waren en ook geen tandheelkundige oorzaak hadden. Het RTC is volgens hen bij het oordeel over de wijze waarop [gedaagde] de kronen heeft geplaatst en in dat verband de beet heeft bepaald, uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken en is ten onrechte niet op zijn bewijsaanbod daaromtrent ingegaan. Overigens menen [gedaagde] c.s. dat het RTC niet heeft geoordeeld dat de risico’s van de beweerde handelwijze bij het plaatsen van de kronen zich ook daadwerkelijk hebben verwezenlijkt. [gedaagde] c.s. betwisten ook dat de wijze van plaatsing van de kronen bij de kiezen - ‘geblokt’ - een toerekenbare fout oplevert. Daarvoor bestond een goede reden (de stevigheid van het gebit), het gebit was desondanks schoon te houden en ook de [kliniek] heeft later de nieuwe kronen bij de kiezen geblokt geplaatst, aldus [gedaagde] c.s.

2.10. Voor de rechtsgevolgen die [eiseres] aan de gestelde tekortkomingen wenst te verbinden, zal moeten komen vast te staan dat de gecreëerde beet niet goed was en dat de constructie niet goed was schoon te houden en voorts dat toerekenbaar tekortschieten door [gedaagde] in de geboden tandheelkundige (na-)zorg daar debet aan was. Op [eiseres] rust de bewijslast van deze door [gedaagde] c.s. betwiste stellingen (art. 150 Rv). In dit verband wordt het volgende overwogen.

2.11. Uit de door het RTC in zijn uitspraak (onder 2.4) geciteerde behandelstatus die door (de assistente van) [gedaagde] is ingevuld, valt op te maken dat [eiseres] zich met klachten over de beet heeft gemeld en dat op 31 maart 2008 geconstateerd is dat sprake was van een niet goede beet en daardoor waarschijnlijk ook overbelasting van de elementen 26 en 27. Het RTC heeft in zijn uitspraak nog meer contactmomenten tussen [eiseres] en [gedaagde] genoemd die (mede) verband hielden met beetproblemen en met het vermoeden van [eiseres] van gaatjes. Daarnaast is er de verwijzing van de door [eiseres] geraadpleegde huisarts van 15 juli 2008 naar de kaakchirurg, zoals blijkt uit die brief (productie 4, bijlage 1 van de zijde van [eiseres]) in verband met beetklachten en een ontsteking (zie de RTC-uitspraak onder 2.4; zie ook onder 2.5 in het vorige tussenvonnis). In het kader van een second opinion heeft tandarts G.P. Tjon a Joe op 12 augustus 2008 geconcludeerd dat de beet en frontgeleiding matig tot slecht was met als gevolg kwijlen en schuren over 31, alsmede dat sprake was van een moeizaam schoon te houden gebit (productie 1 van [eiseres]). Ook de [kliniek] noemt in haar behandelplan van 26 augustus 2008 (productie 2 van [eiseres]) de uitslagen van röntgen- en digitaal mondonderzoek waaruit blijkt van een niet goede beet. Ook wordt gerept van ontstekingen. Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank het door [eiseres] gestelde omtrent de beet en de ontstekingen en gaatjes voorshands aannemelijk.

2.12. Eveneens acht de rechtbank het voorshands aannemelijk dat de niet goede beet, het in stand blijven daarvan en het ontstaan van gaatjes en ontstekingen toerekenbare tekortkomingen van [gedaagde] in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de behandelovereenkomst met [eiseres] opleveren. Aan dit oordeel ligt ten grondslag hetgeen het RTC in zijn beslissing heeft overwogen (aan het eind van zijn overweging 5.3; zie onder rov. 2.4 van dit vonnis) met betrekking tot de - niet door [gedaagde] weersproken - wijze waarop de beet door [gedaagde] is bepaald. Volgens het RTC had [gedaagde] ter bepaling van de beet bij [eiseres] anders moeten handelen dan hij heeft gedaan. De uitgevoerde registratie met Futar en het gebruik van stops was volgens het RTC bij een omvangrijke ingreep als hier - waarbij alle bovenkaakelementen ineens werden afgeslepen en voorzien van kronen - onvoldoende. Een meer specifieke registratie zoals een Facebowregistratie had moeten worden uitgevoerd, aldus het RTC. Bovendien oordeelt het RTC (onder 5.4) dat, nadat was besloten alle kronen in het bovengebit te vervangen, had moeten worden gewacht - ongeacht druk van de patiënt om haast te maken - met het afslijpen van het ondergebit. Letterlijk overweegt het RTC, dat door het direct slijpen van het complete ondergebit de risico’s op problemen met de beet aanzienlijk zijn toegenomen. Het RTC overweegt dat, afgaande op het door [gedaagde] in de status genoteerde, door [eiseres] geuite klachtenpatroon, die risico’s zich kennelijk ook hebben verwezenlijkt. De stelling van [gedaagde] c.s. dat het RTC niet heeft geoordeeld dat die risico’s zich hebben verwezenlijkt, is in dit licht van de letterlijke, zojuist weergegeven tekst van de uitspraak onbegrijpelijk en wordt daarom gepasseerd. [gedaagde] c.s. hebben voorts nog gesteld dat [gedaagde] in verband met het bepalen van de beet de kronen - anders dan het RTC heeft aangenomen - eerst voorlopig en pas een week later, na akkoordbevinding van de beet door [eiseres], definitief heeft geplaatst. [gedaagde] c.s. verwijten het RTC dat het bij zijn oordeel over het bepalen van de beet op deze stelling en het bewijsaanbod daaromtrent van [gedaagde] geen acht heeft geslagen. De rechtbank overweegt het volgende, voor het geval dat [gedaagde] c.s. beoogd hebben hun desbetreffende bewijsaanbod in de onderhavige procedure te herhalen. In het midden kan hier blijven of juist is dat de kronen eerst op proef en daarna pas definitief zijn geplaatst, na akkoordbevinding van de beet door [eiseres]. Immers, ook indien dat juist zou zijn, dan geldt als voorshands bewezen dat de beet bij [eiseres], ondanks haar eerdere akkoordbevinding, later toch niet goed was, hetgeen tot pijn- en andere klachten leidde. In het kader van de te bieden nazorg van een goed hulpverlener had [gedaagde] - ook indien de beet aanvankelijk door [eiseres] was geaccepteerd - deze klachten hoe dan ook serieus behoren te nemen en deze adequaat behoren te behandelen. In die nazorg is hij, zo moet dan voorshands eveneens worden aangenomen, in elk geval tekortgeschoten. In het licht van hetgeen het RTC heeft overwogen en beslist wordt het ervoor gehouden dat [gedaagde] alsnog de beet op een juiste, objectieve wijze had behoren te controleren en dat hij deze alsnog passend had moeten maken. Bij deze stand van zaken is bewijs van de door [gedaagde] c.s. gestelde handelwijze bij het plaatsen van de kronen (eerst voorlopig) niet ter zake dienend en wordt het (eventuele) bewijsaanbod van [gedaagde] c.s. gepasseerd. De stelling, voorts, van [gedaagde] c.s. dat de geblokte kiezen geen verband houden met één van de door [eiseres] beweerde toerekenbare tekortkomingen gaat niet op. Het tegendeel volgt uit hetgeen [eiseres] bij dagvaarding heeft aangevoerd, onder 3: zij heeft zich beklaagd over het door toedoen van [gedaagde] ontstaan van gaatjes en ontstekingen en - kennelijk, zo lijkt vooralsnog te volgen uit de overgelegde stukken - houdt dit (mede) verband met de moeilijk schoon te houden constructie in geval van geblokte kronen. Abusievelijk is dit verwijt in het vorige vonnis niet (afzonderlijk) vermeld in rov. 4.3. Op zichzelf lijkt juist dat, zoals [gedaagde] c.s. verder nog als verweer hebben aangevoerd, ook de [kliniek] in het gebit van [eiseres] een brug heeft geplaatst. Dat valt althans af te leiden uit het al genoemde behandelplan. De keuze voor deze constructie lijkt echter het gevolg van het moeten weghalen van een kies en het opvullen van de daardoor ontstane leemte, zodat dit argument [gedaagde] c.s. vooralsnog niet kan baten.

2.13. Indien er, veronderstellenderwijs, vanuit wordt gegaan dat definitief komt vast te staan dat [gedaagde] op de hiervoor, onder 2.11 en 2.12 beschreven wijzen in de aan [eiseres] geboden tandheelkundige zorg is tekortgeschoten, wordt toegekomen aan de betwisting door [gedaagde] c.s. van de stelling van [eiseres] dat haar gebit volledig opnieuw moest worden gerenoveerd om de gebreken te herstellen. Van deze stelling rust de bewijslast eveneens op [eiseres]. Maar ook hier geldt dat [eiseres] de juistheid van deze stelling voorshands aannemelijk heeft gemaakt. Zij beroept zich ter staving ervan op door haar overgelegde, van de [kliniek] afkomstige stukken. In de brief van 10 december 2008 van de [kliniek] (productie 3 van [eiseres]) is vermeld, kort gezegd, dat een correcte beet niet verkregen kon worden door het afslijpen van de door [gedaagde] geplaatste kronen, omdat (onder meer) de kronen zo ver moesten worden ingeslepen dat de zirconium basiskap ervan zichtbaar werd dan wel dat het tandweefsel zichtbaar en voelbaar zou worden. Deze passage strookt met de stelling van [eiseres]. De bij antwoord geuite verdachtmakingen van [gedaagde] c.s. ten aanzien van de [kliniek] zijn onvoldoende onderbouwd en niet toegespitst op het bij de behandeling van [eiseres] betrokken onderdeel van de [kliniek], zodat daaraan wordt voorbijgegaan. Voorshands acht de rechtbank op basis van genoemd stuk aannemelijk dat er causaal verband bestaat tussen de behandelingen die [eiseres] in die kliniek heeft ondergaan en de tekortkomingen van [gedaagde].

2.14. Bij de huidige stand van zaken ligt het op de weg van [gedaagde] c.s. te ontkrachten hetgeen de rechtbank tot dusver voorshands aannemelijk heeft acht inzake de na de behandelingen door [gedaagde] bereikte beet, de gevolgen daarvan, de noodzaak van de geblokte kronen en de gevolgen, de door [gedaagde] geboden nazorg en, in het verlengde daarvan, de noodzaak tot een volledig nieuwe gebitsrenovatie zoals die door de [kliniek] is uitgevoerd. Aan [gedaagde] c.s. zal de gelegenheid daartoe worden geboden. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor uitlating hierover bij akte door [gedaagde] c.s. Indien en voor zover [gedaagde] c.s. van de geboden gelegenheid tot ontkrachting gebruik wensen te maken, ligt het voor de hand dat over genoemde punten een gerechtelijk tandheelkundig deskundigenbericht wordt ingewonnen. Het voorschot op het loon en de kosten van de deskundige(n) zal ten laste van [gedaagde] c.s. worden gebracht. Aan [gedaagde] c.s. wordt verzocht zich in hun akte eveneens hierover uit te laten alsmede over het aantal en de perso(o)n(en) van de (eventueel) te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen. [eiseres] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld een antwoordakte te nemen.

2.15. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 26 januari 2011 voor het nemen van een akte door [gedaagde] c.s. over hetgeen is vermeld onder 2.14,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op

12 januari 2011.