Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP1897

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
198811
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Klacht tegen notaris.

Eiseres stelt dat de notaris haar niet op de risico's van zuivere aanvaarding heeft gewezen en niet, althans onvoldoende, op de mogelijkheid van beneficiaire aanvaarding. Evenmin heeft de notaris zich ervan vergewist dat wat hij eiseres vertelde, ook door haar werd begrepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 198811 / HA ZA 10-649

Vonnis van 5 januari 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

1. [gedaagde], zowel in zijn hoedanigheid van notaris als privé,

wonende te [woonplaats],

2. de maatschap naar burgerlijk recht

[gedaagde] NOTARISSEN,

onder meer kantoor houdende te [woonplaats],

3. [gedaagde], in zijn hoedanigheid van vennoot van de maatschap,

kantoor houdende te [woonplaats],

4. [gedaagde],

kantoor houdende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. W.A.J. Hagen te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] c.s. genoemd worden. Gedaagde sub 1 wordt afzonderlijk aangeduid als de notaris.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 juli 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 16 november 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Medio 2006 heeft [eiseres] zich tot de notaris gewend in verband met het overlijden op 31 mei 2006 van haar echtgenoot, de heer [erflater] (verder: de erflater). Op 15 juni 2006 heeft een bespreking plaats gevonden op het kantoor van de notaris. Hierbij waren naast [eiseres] en de notaris ook aanwezig de dochter en de zoon van de erflater uit diens eerste huwelijk, mevrouw [betrokkene 1] en de heer [betrokkene 2], verder ook te noemen: de kinderen of de stiefkinderen. Tevens was aanwezig de echtgenoot van [betrokkene 1], de heer [betrokkene 3].

[eiseres] en de kinderen hebben de notaris bij dit gesprek verzocht om een verklaring van erfrecht op te stellen, mede omdat [eiseres] aangaf ‘verder te willen met de bank’.

2.2. Bij de uiterste wilsbeschikking van 30 juli 2004 van de erflater waren [eiseres] en zijn twee kinderen tot zijn erfgenaam benoemd, [eiseres] voor ½ gedeelte en de kinderen ieder voor ¼ deel.

2.3. Bij brief van 5 juli 2006 schreef de notaris aan [eiseres]:

Geachte [eiseres],

Zoals met u besproken zend ik u bij deze de verklaring van zuivere aanvaarding.

Indien u er voor kiest de nalatenschap van de overledene zuiver te aanvaarden, hetgeen inhoudt dat u gerechtigd bent tot de activa van de nalatenschap, onder de verplichting de schulden van de nalatenschap te voldoen, verzoek ik u deze verklaring te ondertekenen en deze aan mij te retourneren.

Tot nadere informatie ben ik graag bereid.

2.4. Bij gelijkgedateerde brieven heeft de notaris de kinderen gewezen op de mogelijkheden: zuiver aanvaarden, verwerpen of beneficiair aanvaarden, alles met uitleg over de consequenties van de keuze. Bij de beneficiaire aanvaarding heeft de notaris gewezen op de aanzienlijk kostenverhogende formaliteiten en geschreven dat deze keus in de praktijk dan ook alleen wordt gemaakt in daartoe geëigende gevallen, waarbij gerede twijfel is of het saldo van de nalatenschap positief is, terwijl [eiseres] hem er over informeerde dat het saldo van de nalatenschap positief is. De notaris voegde ter ondertekening bij een verklaring van zuivere aanvaarding met beperkte volmachtverlening, voor het geval hiervoor zou worden gekozen.

2.5. De notaris heeft hierna op 18 juli 2006 de verklaring van erfrecht afgegeven. In deze akte staat vermeld dat de erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard blijkens drie onderhandse door hen getekende verklaringen, die aan de akte zijn gehecht.

2.6. De notaris is verder niet betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap.

In de nalatenschap viel onder meer een aanmerkelijk belang in de besloten vennootschap Eurosud B.V. De accountant van [eiseres] heeft een aangifte voor het recht van successie 2006 opgesteld. De concept aangifte is op 29 maart 2007 aan de [erven] verzonden.

2.7. In de nalatenschap viel ook een vordering van de kinderen uit hoofde van de nalatenschap van wijlen hun moeder, waarover bij ouderlijke boedelverdeling was beschikt en die bij hun vader, de erflater, was verbleven. [betrokkene 2], de stiefzoon, heeft zich gewend tot zijn rechtsbijstandverzekeraar, die de accountant van [eiseres] bij brief van 9 juli 2007 onder meer heeft geattendeerd op het moederserfdeel van de stiefkinderen.

2.8. De accountant van [eiseres] heeft gereageerd bij brief van 27 juli 2007. [eiseres] heeft zelf ook gereageerd, en wel bij brief van 4 augustus 2007.

De accountant schreef onder meer dat het moederserfdeel van € 15.994 per kind alsnog in de aangifte zou worden opgenomen, maar dat er geen middelen zijn om deze schuld te voldoen.

[eiseres] schreef dat naar haar stellige overtuiging alles was afgedaan.

2.9. In de (nadere) door de accountant opgemaakte en door de [erven], waaronder [eiseres], ondertekende aangifte worden de schulden aan de stiefkinderen vermeld als renteloze schulden ten bedrage van € 31.988.

Voorts zijn (onder meer) in deze successieaangifte aangegeven bij de bezittingen een ondernemingsvermogen aanmerkelijk belang van € 89.308 en bij de schulden een rentedragende schuld van € 60.612. Deze schuld betrof een rekening-courant schuld van de erflater aan de vennootschap.

Volgens de ondertekende en ingediende aangifte was het zuiver saldo van de nalatenschap € 10.436 positief. De legaten, waaronder een legaat aan [eiseres], overtroffen evenwel het zuiver saldo, waardoor voor de algemene verkrijging door erfgenamen (buiten legaat) een negatief bedrag van € 1.602 resteerde.

2.10. Bij aangetekend schrijven van 3 oktober 2008 heeft de rechtsbijstandverzekeraar van de stiefzoon aanspraak gemaakt op, onder meer, uitbetaling van het moederserfdeel. Hierbij heeft de rechtsbijstandverzekeraar gedreigd met rechtsmaatregelen. Inmiddels is in juni 2010 een vaststellingovereenkomst tussen [eiseres] en de stiefkinderen gesloten, waarbij beide nalatenschappen, zowel die van de erflater als die van zijn vooroverleden echtgenote, de moeder van de kinderen, zijn afgewikkeld met betaling door [eiseres] tegen finale kwijting van een bedrag van € 9.500,00 aan ieder van de kinderen.

2.11. Op 29 mei 2009 heeft [eiseres] tegen de notaris een klacht ingediend bij de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Arnhem (verder: de Kamer van Toezicht) en een afschrift van de klacht toegezonden aan de notaris met aansprakelijkstelling voor haar schade. De Kamer van Toezicht heeft op 18 februari 2010 uitspraak gedaan en aan de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert - samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] c.s. tot betaling van € 31.188,00 en € 5.250,00, vermeerderd met verschillende renten, een niet genoemd bedrag voor de kosten van de klachtprocedure en verdere schadevergoeding, op te maken bij staat, alsmede de proceskosten. Ter comparitie heeft [eiseres] de concrete geldvordering verminderd tot € 19.000,00.

3.2. Aan deze vorderingen legt [eiseres] ten grondslag dat de notaris haar onjuist en onvolledig, althans onzorgvuldig heeft geïnformeerd tijdens de bespreking op 15 juni 2006 en derhalve jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de aan hem verstrekte opdracht.

3.3. [eiseres] stelt dat zij tijdens de bespreking nog hevig geëmotioneerd was, gezien de luttele tijd die was vertreken na het overlijden van de erflater, en dat zij tijdens de bespreking meerdere malen overmand was door emoties. [eiseres] verwijt de notaris in haar dagvaarding in het bijzonder dat hij:

(i) haar niet heeft gewezen op de mogelijkheden die er zijn waar het de aanvaarding en verwerping van nalatenschappen betreft, en

(ii) niet met haar heeft gesproken over de specifieke situatie waarin [eiseres] verkeerde na het overlijden van de erflater, te weten die van tweede echtgenote, waar de eerste, overleden, echtgenote door gebruik te maken van een ouderlijke boedelverdeling over haar nalatenschap had beschikt, waarbij, naar de notaris wist, van de nalatenschap van de de erflater deel uitmaakte een nog te liquideren vennootschap.

3.4. [eiseres] stelt dat aldus het voor de notaris kenbare risico bestond dat de nalatenschap onvoldoende positief zou zijn om de vorderingen van de kinderen te kunnen voldoen, welk risico zich heeft gerealiseerd. [eiseres] stelt dat de notaris haar niet op de risico’s van zuivere aanvaarding heeft gewezen en niet, althans onvoldoende, op de mogelijkheid van beneficiaire aanvaarding. Evenmin heeft de notaris zich ervan vergewist dat wat hij [eiseres] vertelde, ook door haar werd begrepen.

Ter comparitie heeft [eiseres] nader toegelicht dat bij de liquidatie van de vennootschap bleek dat het aanmerkelijk belang van de aandelen ten onrechte was gewaardeerd op € 89.308,00 en dat er ook overigens onvoldoende actief in de nalatenschap zat om het moedersdeel aan de stiefkinderen uit te betalen. Het bedrag van € 5.250,00 betreft, zo begrijpt de rechtbank, een auto, die verkocht is en voor de helft aan de stiefkinderen toebehoorde.

3.5. [gedaagde] c.s. voert verweer.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het is de rechtbank niet duidelijk hoe [eiseres] enerzijds stellig kan poneren dat de notaris haar niet heeft gewezen op de risico’s van zuivere aanvaarding en op de mogelijkheid van beneficiaire aanvaarding en dat de notaris niet met haar heeft gesproken over haar specifieke situatie, terwijl [eiseres] anderzijds ter comparitie verklaart dat zij nog maar weinig weet van wat gezegd is bij de bespreking op 15 juni 2006. [eiseres] heeft in het bijzonder niet gesteld dat zij haar wetenschap over wat wel en wat niet gezegd is kan baseren op verklaringen van haar stiefkinderen of andere bewijsmiddelen. [eiseres] lijkt ervan uit te gaan dat het aan de notaris is om, tegenover haar aanname dat bepaalde kwesties niet aan de orde zijn gesteld, te stellen en te bewijzen dat dit wel is gebeurd en dat zij hierbij de afdoening van haar klacht door de Kamer van Toezicht als leidraad kan nemen.

4.2. Dit uitgangspunt is onjuist. In een civiel rechtsgeding, waarin een eiser een vordering tot schadevergoeding instelt omdat de wederpartij wanprestatie of een onrechtmatige daad zou hebben gepleegd door in een adviesrelatie onjuiste of onvolledige informatie te geven, rust de bewijslast ten aanzien van die onjuistheid of onvolledigheid op grond van de hoofdregel van artikel 150 ven het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op die eiser. De omstandigheid dat uit de interne en zeer summiere verslaglegging van de notaris niet uitputtend blijkt wat allemaal is besproken, is onvoldoende voor een omkering van de bewijslast.

4.3. Overigens blijkt in dit geval uit de hierboven geciteerde brief van de notaris aan [eiseres] van 5 juli 2006 dat de notaris, al dan niet nogmaals, [eiseres] juist wel uitdrukkelijk heeft gewezen op de risico’s van zuivere aanvaarding, te weten de verplichting om de schulden van de nalatenschap te voldoen. Op dit punt zijn de stellingen van [eiseres] in elk geval ongegrond.

4.4. Voorts volgt uit de overgelegde gespreksnotitie en de brieven aan de stiefkinderen dat in de bespreking op 15 juni 2006 weldegelijk is gesproken over het feit dat in de nalatenschap een belang viel in een (te liquideren) vennootschap, waarbij, zoals de notaris onweersproken heeft gesteld, door of namens [eiseres] de verwachting is uitgesproken dat het saldo van de nalatenschap positief was, zij het dat het voor de hand ligt dat de exacte omvang van de bezittingen en de schulden nog niet vast stond. De erflater was immers pas twee weken tevoren overleden en er was dus nog maar weinig tijd geweest om een volledige boedelbeschrijving op te maken, voor welke beschrijving de erven deels afhankelijk waren van hun accountant. Hierbij bestaan ook aanwijzingen dat in de bespreking niet specifiek aan de orde is geweest dat en welke vorderingen de stiefkinderen hadden op de nalatenschap, maar het gaat naar het oordeel van de rechtbank te ver om de notaris zonder meer te verwijten dat hij dit niet ambtshalve heeft onderzocht en om hem op die grond aansprakelijk te stellen voor deze schulden van de nalatenschap, terwijl die volwassen stiefkinderen mede-erfgenaam waren en zelf aanwezig waren en deel namen aan de bespreking. In dezen zal het gaan om wat over en weer gevraagd en gezegd is en om de vraag in hoeverre de notaris mocht afgaan op de mededeling van de erven dat het saldo van de nalatenschap naar verwachting positief was.

4.5. Te dien aanzien zal de rechtbank [eiseres] niet toelaten tot de van haar te vergen bewijslevering omtrent wat wel en niet is gevraagd en gezegd over de mogelijke bezittingen en schulden van de nalatenschap en omtrent haar schade en de causaliteit. De vorderingen van [eiseres] stranden immers reeds op het preliminaire verweer van [gedaagde] c.s., inhoudend dat zij niet heeft voldaan aan haar klachtplicht van artikel 6:89 BW en dat zij daarom haar recht heeft verloren om op het gestelde gebrek in de prestatie van de notaris een beroep te doen.

4.6. In deze wetsbepaling is vastgelegd dat de schuldeiser binnen bekwame tijd, nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake dient te protesteren. De ratio van deze bepaling is dat de schuldenaar, die een prestatie heeft verricht, spoedig geïnformeerd behoort te worden over de gestelde aard en omvang van een mogelijke tekortkoming opdat hij naar bevind van zaken daarop kan reageren en handelen, waaronder begrepen een afwijzing van de klacht en de vergaring van bewijsmiddelen ter weerlegging van de stelling dat zijn prestatie ondeugdelijk was.

4.7. In het bijzonder is hierbij van belang dat de schuldenaar, zoals in dit geval ook door de notaris is aangevoerd, zich na verloop van tijd wellicht niet meer precies kan herinneren wat er is gebeurd en gezegd. De notaris heeft ter comparitie aangevoerd dat hij zeer regelmatig dit soort besprekingen voert en dat hij nu niet meer precies weet wat toen in dit gesprek in 2006 wel of niet is gezegd. Indien eerder was geklaagd, had hij dit misschien wel nog geweten. Zodoende wordt hij belemmerd in zijn verweervoering. Nu moet de notaris afgaan op wat destijds binnen zijn kantoor de standaardprocedure was en op zijn summiere aantekeningen van het gesprek, welke aantekeningen ongeveer eenderde A-4tje beslaan en bestaan uit enkele steekwoorden, een paar korte zinnetjes en aandachtspijltjes, terwijl het gesprek volgens de notaris wel een uur heeft geduurd.

4.8. Volgens de notaris was de standaardprocedure dat de drie mogelijkheden: verwerping, beneficiaire aanvaarding en zuivere aanvaarding, werden besproken en dat uitdrukkelijk werd gevraagd of er voldoende vermogen was om de schulden te betalen. De notaris gaat ervan uit dat dit ook is gebeurd in dit gesprek, maar hij kan dit nu niet meer met zekerheid stellen. Te dien aanzien bestaat gerede kans op bewijsnood, omdat de notaris niet onder ede kan getuigen wat daadwerkelijk is besproken en zeer goed mogelijk is dat de andere aanwezigen bij het gesprek, de stiefkinderen en de echtgenoot van de stiefdochter, indien zij als getuigen worden gehoord, zich evenmin met voldoende precisie zullen kunnen herinneren wat er meer dan vier jaar geleden is gevraagd en gezegd en/of dat zij de rechtbank niet zullen kunnen overtuigen van de betrouwbaarheid van hun verklaringen.

4.9. In de rechtspraak is niet eenduidig vastgelegd hoe lang de termijn is, waarbinnen men moet klagen. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In elk geval is wel duidelijk dat hierbij in maanden moet worden geteld en niet in jaren.

4.10. Nu is in deze zaak vooral van belang wanneer de klachttermijn is gaan lopen. Te dien aanzien wordt volgens vaste jurisprudentie het aanvangstijdstip van de klachttermijn niet bepaald door het moment waarop de schuldeiser persoonlijk bekend is met het gebrek. Deze bekendheid wordt geobjectiveerd. Het gaat om het tijdstip waarop de schuldeiser bekend kon zijn met het gebrek en de schademogelijkheid en hierbij kan onder omstandigheden ook de wetenschap van zijn adviseurs aan hem worden toegerekend.

4.11. De stelling dat [eiseres] pas in februari 2009 door haar advocaat erop is gewezen dat zij de nalatenschap benificiair had kunnen aanvaarden, is dus niet van doorslaggevende betekenis. Nog daargelaten dat het ook daarna nog drie maanden heeft geduurd voordat hierover bij de notaris is geklaagd, en wel door rauwelijks een klacht bij de Kamer van Toezicht in te dienen, is deze subjectieve bekendheid niet maatgevend. Bovendien gaat het in dit geval niet zozeer om de al dan niet beneficiaire aanvaarding, althans niet om een van de omstandigheden geabstraheerde keuzemogelijkheid. Het gaat in feite hierom dat [eiseres] pas na het gesprek tot de ontdekking c.q. het besef is gekomen dat haar stiefkinderen vorderingen hadden op de nalatenschap en dat er onvoldoende middelen waren om die vorderingen integraal te voldoen. Uitgaande van de juistheid van het in de bespreking opgegeven positieve saldo, had [eiseres] immers naar objectieve maatstaven geen reden voor beneficiaire aanvaarding, gelet op de hieraan verbonden kosten en de beperkingen in de beschikkingsmacht.

4.12. Het gaat er dus om, althans het kan er rechtens alleen om gaan, dat de notaris, in de visie van [eiseres], haar had moeten wijzen op het bestaan van de vorderingen van de stiefkinderen in combinatie met de mogelijkheid dat de bezittingen, waaronder in het bijzonder het aangegeven aanmerkelijk belang, wel eens minder waard zouden kunnen blijken te zijn en dat het saldo van de nalatenschap uiteindelijk toch wel eens negatief zou kunnen blijken te zijn, in welk geval diepgaander had moeten worden onderzocht of er aanleiding bestond voor de verwerping of slechts beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap.

4.13. Dit een en ander is veel eerder bekend geworden aan [eiseres].

De vorderingen van de stiefkinderen bleken reeds uit de door [eiseres] mede-ondertekende successieaangifte en de accountant van [eiseres], wiens wetenschap aan haar moet worden toegerekend, schreef reeds op 27 juli 2007 dat er geen middelen waren om deze schuld te voldoen. De klachttermijn is dus naar objectieve maatstaven in elk geval aangevangen op 27 juli 2007.

4.14. [eiseres] heeft voor het eerst in haar begeleidend schrijven van 29 mei 2009, waarbij zij een afschrift van de klacht aan de notaris toestuurde, dus na verloop van bijna twee jaar, bij de notaris geprotesteerd en dit is veel te laat. Zij heeft haar recht om te klagen over een omissie in de advisering verloren ingevolge artikel 6:89 BW.

4.15. Op grond van het vorenstaande worden de vorderingen afgewezen. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] c.s. worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 1.130,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.918,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] c.s. tot op heden begroot op EUR 2.918,00, te vermeerderen met de nakosten, bepaald op EUR 131,00 voor nasalaris advocaat en, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met EUR 68,00 voor verder nasalaris en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2011.