Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP1533

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
21-01-2011
Zaaknummer
05/504331-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Conform de eis van de officier van justitie, is een 35-jarige Nijmegenaar door de rechtbank in Arnhem veroordeeld tot een geldboete van € 250 en een voorwaardelijke rijontzegging van 3 maanden wegens gevaarlijk rijgedrag. Tegelijkertijd heeft de rechtbank de man vrijgesproken van het veroorzaken van een ongeval door roekeloosheid of schuld, waarbij twee mensen om het leven zijn gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/504331-09

Data zitting : 12 november 2010 en 7 januari 2011

Datum uitspraak : 21 januari 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : 15 januari 1986 te Sarajevo (voormalig Joegoslavië),

inschrijfadres : [adres],

verblijfadres : [adres].

Raadsman : mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 07 april 2009, te Malden, gemeente Heumen,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande

weg, de Rijksweg (N844),

roekeloos, en/of zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of

onachtzaam

met een snelheid, gelegen tussen 130 en 177 kilometer per uur, althans met een

snelheid van (minimaal) 91 kilometer per uur, in elk geval met een

(aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat motorrijtuig

(personenauto) geldende maximum snelheid van 80 kilometer per uur en/of met

een - gezien de verkeerssituatie en/of de omstandigheden ter plaatse - (veel)

te hoge snelheid heeft gereden

en/of (daarbij) in strijd met artikel 21 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 de ter plaatse voor dat motorrijtuig (personenauto)

geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, met 97 kilometer per uur,

althans 50 kilometer per uur, althans (minimaal) 11 kilometer per uur heeft

overschreden, in elk geval (aanzienlijk) heeft overschreden,

en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen

gedeelte van die weg en/of de naast/aan die weg gelegen berm(en) en/of

fietspad(en) en/of tuin(en) heeft gelet en/of is blijven letten

en/of (daarbij) het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet

(voortdurend) onder controle heeft gehad en/of onder controle heeft gehouden

en/of:

a: (vervolgens), na een gezien verdachtes rijrichting in die weg

gelegen (flauwe) bocht naar links en/of (kort) voor een in die weg

gelegen (verhoogde) middengeleider, met dat door hem bestuurde

motorrijtuig (als gevolg van het niet voortdurend onder controle houden

daarvan) een (stuur)beweging (naar links) heeft gemaakt en/of op de

rijstrook, bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is terecht gekomen

en/of over enige afstand over die voor het tegemoetkomende verkeer

bestemde rijstrook heeft gereden, zonder dat er enige te rechtvaardigen

aanleiding of reden was om op dat weggedeelte (voor het tegemoetkomend

verkeer) te (gaan) rijden, waarbij verdachte in strijd met artikel 3 van

het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet zoveel mogelijk

rechts heeft gehouden,

althans:

b: (vervolgens), na een gezien verdachtes rijrichting in die weg gelegen

(flauwe) bocht naar links en/of (kort) voor een in die weg gelegen

(verhoogde) middengeleider en/of na het waarnemen van een haas, althans

(klein) wild, althans enig dierlijk wezen, (dat, gezien verdachtes

rijrichting, van links naar rechts die Rijksweg overstak), foutief en/of

onoordeelkundig en/of verkeerd en/of onjuist heeft gereageerd door met

dat door hem bestuurde motorrijtuig een uitwijkmanoeuvre (naar links)

uit te voeren en/of (daarna) een (stuur)correctie (naar rechts) te

maken, terwijl verdachte kon voorzien, althans had moeten voorzien en/of

begrijpen, dat die uitwijkmanoeuvre en/of die (stuur)correctie - gelet

op de door verdachte gereden snelheid en/of gelet op de situatie ter

plaatse - ertoe zou(den) (kunnen) leiden, dat verdachte de controle over

het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) zou (kunnen) verliezen

en/of (daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te

brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze

vrij was

en/of (vervolgens) met het rechter voorwiel van het door hem bestuurde

motorrijtuig (personenauto) tegen de kop van die verhoogde middengeleider is

gebotst en/of gereden en/of gegleden

en/of (vervolgens) over een afstand van ongeveer 93 meter, althans over

geruime afstand met het door hem bestuurde motorrijtuig over die (verhoogde)

middengeleider heeft gereden en/of gegleden, (waarbij verdachte door naar

rechts te sturen (voortdurend) heeft getracht met het door hem bestuurde

motorrijtuig weer op de rechter rijstrook van die weg terecht te komen)

en/of vervolgens met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) via de

rechter rijstrook naar de rechterzijde van die weg is gereden of gegleden

en/of (vervolgens) met een snelheid van (minimaal) 76 kilometer per uur, in

elk geval met aanzienlijke snelheid is gebotst tegen, althans in aanrijding is

gekomen met een of meer aan de rechterzijde van die weg staande bomen/boom

en/of (vervolgens) met dat motorrijtuig op de rijbaan van die weg is

terechtgekomen

waarna dat motorrijtuig in brand is geraakt

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor (een) ander(en) ([slachtoffer1]

en/of [slachtoffer2]) werd(en) gedood;

(welke schuld al dan niet bestond uit roekeloosheid)

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij,

verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate

heeft overschreden, immers heeft hij, verdachte de ter plaatse voor dat

motorrijtuig toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur met 97

kilometer per uur, althans 50 kilometer per uur, althans (minimaal) 11

kilometer per uur overschreden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 07 april 2009, te Malden, gemeente Heumen,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de

voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg (N844),

in strijd met artikel 21 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

1990 de ter plaatse voor dat motorrijtuig (personenauto) geldende

maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, met 97 kilometer per uur, althans 50

kilometer per uur, althans (minimaal) 11 kilometer per uur heeft overschreden,

in elk geval (aanzienlijk) heeft overschreden,

en/of (daarbij) het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet

(voortdurend) onder controle heeft gehad en/of onder controle heeft gehouden

en/of (daarbij) met dat door hem bestuurde motorrijtuig (als gevolg van het

niet voortdurend onder controle houden daarvan) op de rijstrook, bestemd voor

het tegemoetkomende verkeer is terecht gekomen en/of over enige afstand over

die voor het tegemoetkomende verkeer bestemde rijstrook heeft gereden (zonder

dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte

(voor het tegemoetkomend verkeer) te (gaan) rijden) waarbij verdachte in

strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden

en/of daarbij in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te

brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze

vrij was

en/of (vervolgens) met het rechter voorwiel van het door hem bestuurde

motorrijtuig (personenauto) tegen de kop van een (verhoogde) middengeleider is

gebotst en/of gereden en/of gegleden

en/of (vervolgens) (met een snelheid van (minimaal) 76 kilometer per uur, in

elk geval) met aanzienlijke snelheid is gebotst tegen, althans in aanrijding

is gekomen met een of meer aan de rechterzijde van die weg staande bomen/boom

en/of (vervolgens) met dat motorrijtuig op de rijbaan van die weg is

terechtgekomen, waarna dat motorrijtuig in brand is geraakt,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 7 januari 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.

Ter terechtzitting zijn de nabestaanden van [slachtoffer1] en [slachtoffer2] verschenen.

De officier van justitie, mr. T. Feuth, heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden vrijsproken en ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

T.a.v. primair.

Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

T.a.v. subsidiair.

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 7 april 2009 heeft verdachte als bestuurder van een personenauto over de Rijksweg N844 te Malden gereden. De personenauto is door een stuurbeweging naar links , op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen. De personenauto heeft met het rechtervoorwiel een verhoogde middengeleider op de weg geraakt. Als gevolg daarvan is de rechtervoorvelg afgebroken. De personenauto is via de middengeleider naar de rechterweghelft afgeweken en de berm in gereden , waar de personenauto tegen een boom is gebotst. Tengevolge van deze botsing is de personenauto in brand gevlogen. De mede-inzittenden van de auto, namelijk [slachtoffer1] en [slachtoffer2], zijn overleden.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte te hard heeft gereden en een verkeerde beslissing genomen, door de auto naar links te sturen toen hij een haas zag oversteken. Vervolgens heeft verdachte opnieuw een verkeerde beslissing genomen door de auto naar rechts te sturen om nog voor de verhoogde middengeleider langs op de eigen weghelft te kunnen terugkeren. Door de te hoge snelheid en niet tijdig remmen heeft verdachte zich de kans ontnomen om accuraat te reageren en heeft gevaar op de weg veroorzaakt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging aangezien hem geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Verdachte heeft een uitwijkmanoeuvre gemaakt en heeft daarbij geen medeweggebruikers in gevaar gebracht, waardoor er geen sprake kan zijn van overtreding van artikel 6 noch van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beoordeling van de standpunten

Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte met een minimale snelheid van 91 km/u heeft gereden op het moment dat door de personenauto de middengeleider is geraakt. Door verdachte is verklaard dat hij mogelijk harder heeft gereden, maar niet harder dan 100km/u. Verdachte is naar eigen zeggen voor een overstekende haas uitgeweken naar de linkerweghelft en heeft vervolgens willen terug sturen om voor de middengeleider langs op zijn eigen weghelft terug te komen. Bij deze handelingen heeft hij niet geremd. Uit het technisch onderzoek is gebleken dat de personenauto geheel op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer heeft gereden. Verdachte heeft verklaard dat hij niet kan uitleggen waarom hij niet aan de linkerkant de middengeleider voorbij is gegaan, maar de keuze heeft gemaakt om terug naar rechts te sturen.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met de hiervoor weergegeven handelswijze op verschillende momenten verkeerde beslissingen heeft genomen. Ten eerste heeft hij met een hogere snelheid gereden dan is toegestaan. Gelet op deze snelheid en uitgaande van de lezing van verdachte dat hij een overstekende haas aan de linkerkant van de weg wilde ontwijken, had hij moeten afremmen in plaats van naar links te sturen. Vervolgens had hij, gelet op de positie van de personenauto, bij het naderen van de verhoogde weggeleider aan de linkerzijde van de weg moeten blijven rijden en, indien mogelijk, op die weghelft de personenauto moeten afremmen. Verdachte heeft echter de keuze gemaakt om op die positie een stuurbeweging naar rechts te maken.

Door de combinatie van de verhoogde snelheid, het feit dat hij niet remde maar wederom een stuurbeweging maakte en de positie van de personenauto ten opzichte van de verhoogde middengeleider (die met een blauw bord duidelijk was aangegeven), heeft verdachte gevaarzettend rijgedrag vertoond en is een (ernstig) ongeval veroorzaakt.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 07 april 2009, te Malden, gemeente Heumen,

als bestuurder van een motorrijtuig personenauto daarmede rijdende over de

voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg (N844),

in strijd met artikel 21 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

1990 de ter plaatse voor dat motorrijtuig (personenauto) geldende

maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, minimaal 11 kilometer per uur heeft overschreden,

en daarbij het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet

voortdurend onder controle heeft gehad en onder controle heeft gehouden

en daarbij met dat door hem bestuurde motorrijtuig op de rijstrook, bestemd voor

het tegemoetkomende verkeer is terecht gekomen en over enige afstand over

die voor het tegemoetkomende verkeer bestemde rijstrook heeft waarbij verdachte in

strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en daarbij in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te

brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze

vrij was en vervolgens met het rechter voorwiel van het door hem bestuurde

motorrijtuig personenauto tegen de kop van een verhoogde middengeleider is

gebotst en/of gereden en vervolgens met een snelheid van minimaal 76 kilometer per uur is gebotst tegen, een aan de rechterzijde van die weg staande boom waarna dat motorrijtuig in brand is geraakt,door welke gedraging en van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld, zoals hiervoor beschreven, omdat hij een aanrijding met een overstekende haas wilde voorkomen. Dit is achteraf mogelijk een verkeerde beslissing geweest, maar desondanks is er sprake van afwezigheid van alle schuld, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de kernvraag is of verdachte alles heeft gedaan wat er mogelijk was. Het gaat daarbij om de voorzienbaarheid en of verdachte redelijkerwijs heeft gedaan wat van hem als bestuurder mocht worden gevergd. Hij reed te hard en heeft vervolgens een object geramd. Verdachte heeft verklaard het gas te hebben losgelaten en niet te hebben geremd. Hij dacht voor de middengeleider langs te kunnen terugkeren naar zijn eigen weghelft. Deze tweede handeling was in ieder geval niet nodig geweest. Voorts is er geen antwoord gekomen op de vraag waarom hij naar rechts heeft gestuurd, terwijl hij helemaal op de linkerweghelft reed. Evenmin is duidelijk geworden waarom hij niet heeft geremd. Verdachte is dan ook wel strafbaar.

Beoordeling van de standpunten

Van afwezigheid van alle schuld kan sprake zijn indien verdachte de maximaal te vergen zorg heeft betracht om het ongeval te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat daarvan niet is gebleken. Immers, verdachte had minder hard kunnen rijden en hij had kunnen remmen in plaats van het gas los te laten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ruimte heeft gehad anders te reageren toen hij de overstekende haas zag. Vervolgens heeft hij, terwijl dit niet noodzakelijk en niet meer zonder gevaar mogelijk was, teruggestuurd richting de rechterweghelft. Indien verdachte deze tweede stuurbeweging niet had gemaakt, had mogelijkerwijs het ongeval voorkomen kunnen worden.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 29 november 2010.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

De verkeersgedragingen van verdachte hebben in dit geval geleid tot een buitengewoon ernstig ongeval, waarbij twee jonge mensen om het leven zijn gekomen. De rechtbank realiseert zich tot welk onuitsprekelijk leed dit ongeval heeft geleid bij de nabestaanden en vrienden van de slachtoffers. Tijdens het afleggen van hun verklaringen ter terechtzitting van 7 januari 2011 hebben de nabestaanden van dit verdriet doen blijken.

Ook de verdachte heeft tijdens de terechtzitting laten zien dat het gebeurde hem in hoge mate heeft aangegrepen. De rechtbank begrijpt dat hij bij dit ongeval twee vrienden heeft verloren.

Dit ongeval had voorkomen kunnen worden indien verdachte andere keuzes had gemaakt. Daarmee zullen alle betrokkenen, waaronder ook verdachte, moeten leren leven.

In het oordeel dat verdachte als bestuurder van de personenauto andere keuzes had kunnen en moeten maken, ligt ook het uitgangspunt besloten dat in zijn algemeenheid elke verkeersdeelnemer naar optimale veiligheid dient te streven. De rechtbank realiseert zich dat dit in de praktijk wel eens vaker niet goed gaat, maar zelden zullen de gevolgen dermate ernstig zijn als in dit geval. Bij de mate van verwijtbaarheid dient de rechtbank dan ook voor ogen te houden dat een aan verdachte op te leggen straf in verhouding dient te staan tot zijn verkeersgedrag en niet dient te worden ingegeven door de gevolgen daarvan.

Om die reden zal de rechtbank aan verdachte een straf en een (voorwaardelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen, zoals deze in het algemeen plegen te worden opgelegd aan verkeersdeelnemers wie geen zwaarder verwijt kan worden gemaakt dan dat zij verkeersgevaarlijk gedrag hebben vertoond.

6a. Overweging ten aanzien van het beslag.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven personenauto betreft een voorwerp met behulp waarvan het feit is begaan. De rechtbank zal dit voorwerp verbeurd verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoontoestel toebehoort aan de verdachte en aan verdachte zal moeten worden teruggegeven.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 33, 33a en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

o betaling van een geldboete van € 250,00 subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis.

o ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat deze ontzegging niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

8a. Het beslag

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een personenauto, merk Toyota, type Celica, met kenteken [x].

Beveelt de teruggave van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een mobiele telefoon (gsm), merk en type Nokia 95, aan de rechthebbende tevens veroordeelde.

Aldus gewezen door:

mr. P.C. Quak, als voorzitter,

mr. W.L.J.M. Duijst, rechter,

mr. D.R. Sonneveldt, rechter,

in tegenwoordigheid van E. Terlouw-Boeijink, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 januari 2011.