Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP1481

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
20-01-2011
Zaaknummer
05/900559-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/901050-07

Datum zitting : 6 januari 2011

Datum uitspraak : 20 januari 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam[verdachte],

geboren op : 17 juni 1975 te Wijchen,

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16

Arnhem.

Raadsman : mr. F.E.J. Janzing, advocaat te Wijchen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand juni

2007 tot en met 2 oktober 2007 te Wijchen en/of te Arnhem en/of elders in

Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt

en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk (in een woning [adres]) aanwezig heeft gehad,

-ongeveer 1,34 kilo van een poeder, bevattende een hoeveelheid MDMA en/of

-ongeveer 73 buisjes gevuld met een vloeistof bevattende een hoeveelheid

amfetamine en/of mdma en/of

-een hoeveelheid van 3300 gram aan (xtc)pillen, bevattende een hoeveelheid

MDMA en/of

-een hoeveelheid 10100 gram aan (xtc) pillen, bevattende een hoeveelheid MDMA

en/of

-een hoeveelheid van 9420 gram aan (XTC) pillen/bevattende een een hoeveelheid

MDMA en/of

-een hoeveelheid van 60 gram cocaine, in elk geval een hoeveelheid van een

stof bevattende cocaine

in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA

en/of (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende Amfetamine

en/of (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende Cocaine, zijnde

mdma en/of amfetamine en/of cocaine (een) middel(en) als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;(o.a. zaaksdossier 1/gaslek)

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand

augustus 2007 tot en met de maand juni 2009 te Wijchen en/of te Arnhem en/of

Nijmegen en/of Beuningen en/of elders in Nederland en/of te Engeland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (Engeland) heeft gebracht

-grote (handels) hoeveelheden van een stof bevattende mdma ((waaronder o.a.

een groot aantal buisjes/ampullen bevattende o.a. een hoeveelheid mdma en/of

een groot aantal kilo's en/of een groot aantal tabletten mdma))en/of

-een groot aantal xtc pillen (een groot aantal kilo's),

in elk geval grote (handels) hoeveelheden van een materiaal bevattende

amfetamine en/of MDMA (xtc) en/of tenamfetamine (MDA)en/of MDEA (xtc) en/of

N-ethyl-MDA (MDMA) en/of een of meer andere middelen vermeld op lijst I,

zijnde die amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of MDEA en/of

die andere middelen, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de opiumwet

behorende lijst 1 dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot

en met 09 juni 2009 te Beuningen, in elk geval in de gemeente Beuningen

en/of in de gemeente Arnhem en/of elders in Nederland, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of heeft vervoerd, in elk

geval (telkens) opzettelij[adres] pand [adres]) aanwezig

heeft gehad,

-ongeveer 55,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende MDMA en/of

-26191 ampullen/buisjes (totaal een gewicht van 185353,7 gram), gevuld met een

vloeistof/substantie bevattende een hoeveelheid MDMA en/of een hoeveelheid

amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine (een) middel(en) als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;(o.a. dossier [adres])

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 6 januari 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte, mr. F.E.J. Janzing, advocaat te Wijchen. Deze heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De raadsman heeft het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Door de verdediging is betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard wegens een combinatie van verschillende vormverzuimen, waaronder onregelmatigheden met het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de doorzoeking van de woning aan de [adres].

Omdat op het proces-verbaal drie handtekeningen ontbraken heeft verbalisant [verbalisant1] de ontbrekende handtekeningen laten zetten. Deze zijn (met uitzondering van de handtekening van verbalisant [verbalisant2] die toen niet meer bij de politie werkte) echter op een kopie van het proces-verbaal geplaatst waardoor er in het dossier twee versies van hetzelfde proces-verbaal zijn terechtgekomen.

De rechtbank stelt vast dat dit geen correcte gang van zaken is. In plaats van het achteraf doen plaatsen van de handtekeningen van de betrokken verbalisanten, zou een aanvullend proces-verbaal moeten zijn gemaakt over het ontbreken van de handtekeningen onder het proces-verbaal van bevindingen Naar het oordeel van de rechtbank levert de handelwijze van de politie niet een dusdanige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde op dat dit tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zou moeten leiden, te meer waar de wijze waarop het proces-verbaal is “gerepareerd”, mede gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige1] en [getuige2], niet raakt aan de inhoud en de betrouwbaarheid van dit proces-verbaal.

De verdediging heeft voorts betoogd dat de doorzoeking van de woning aan de [adres] onrechtmatig was omdat er geen sprake was van een redelijk vermoeden dat zich in de woning een hennepkwekerij zou bevinden.

De verdediging bestrijdt voorts dat de bewoonster van de woning, mevrouw [naam bewoonster], toestemming heeft gegeven om binnen te treden. Dit betekent dat met gebruik van een machtiging is binnengetreden, waarbij niet alle formaliteiten in acht zijn genomen.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Ten aanzien van de rechtmatigheid van de doorzoeking: op 8 november 2007 verklaarde getuige [getuige3] dat verdachte in een door hem gehuurd pand was begonnen met de aanleg van een hennepkwekerij. Verdachte had blijkens het huurcontract als adres opgegeven [adres]. Op 31 juli 2007 kreeg de politie een melding van [getuige2] van de afdeling fraude van de NUON dat er op het adres [adres] sprake was van een stroomverbruik van 2,5 maal het normale gebruik van een doorsnee gezin. De contractant van Nuon op dit adres was tot 2003 verdachte en in de woning woonde verdachtes moeder. Verdachte had voorts antecedenten op het gebied van de Opiumwet. Naar het oordeel van de rechtbank leverde het geheel van bovenstaande informatie voldoende redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet op, waardoor een doorzoeking van [adres] op grond van die wet.gerechtvaardigd was en het binnentreden van de politie op grond van artikel 9 van de Opiumwet gelegitimeerd was.

Ten aanzien van de toestemming van mevrouw [naam bewoonster]: de rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van getuige [naam bewoonster] bij de politie van 3 oktober 2007 en uit de door haar ondertekende verklaring van 2 oktober 2007 blijkt dat zij de politie toestemming heeft gegeven om de woning te betreden.

Ook dit onderdeel van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie slaagt derhalve niet.

3. De beslissing inzake het bewijs

Feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 2 oktober 2007 heeft de politie in de woning op het adres [adres] het volgende aangetroffen: 1,34 kilo van een poeder, bevattende een hoeveelheid MDMA, 73 buisjes gevuld met een vloeistof bevattende een hoeveelheid amfetamine en MDMA, 22.820 gram aan xtc-pillen, bevattende een hoeveelheid MDMA, en 60 gram cocaïne .

In de woning woonde de moeder van verdachte. Verdachte sliep soms in deze woning . Bij het binnentreden van de politie was verdachte in de woning aanwezig maar hij verliet de woning tijdens de doorzoeking.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het feit kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

Verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht.

De verdediging betoogt dat de doorzoeking van de woning aan de [adres] onrechtmatig was omdat er geen sprake was van een redelijk vermoeden dat zich in de woning een hennepkwekerij zou bevinden.

De verdediging bestrijdt voorts dat de bewoonster van de woning, mevrouw [naam bewoonster], toestemming heeft gegeven om binnen te treden. Dit betekent dat met gebruik van een machtiging is binnengetreden, waarbij niet alle formaliteiten in acht zijn genomen.

Daarnaast is de raadsman van mening dat het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de doorzoeking als niet betrouwbaar moet worden bestempeld, gelet op de onder 2a geschetste gang van zaken rond de handtekeningen van de verbalisanten. De raadsman wijst er met name op dat er volgens verdachte geen kogelhuls op de grond lag op de overloop voor de cv-ruimte waar een gedeelte van de verdovende middelen werd aangetroffen. Dit zou tot gevolg hebben dat het openen van de cv-kast op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie onrechtmatig is geweest.

Tot slot betoogt de raadsman het volgende: op 1 april 2008 is medeverdachte [medeverdachte] in Oss door de politie aangehouden, waarbij in zijn auto hennep werd aangetroffen. Daarbij zijn vijf mobiele telefoons in beslag genomen. Het uitlezen van deze telefoons leverde belastende informatie op tegen [medeverdachte] waardoor uiteindelijk de zaak aan het rollen kwam die leidde tot de onderhavige strafzaak tegen verdachte. [medeverdachte] is door de politierechter te ’s-Hertogenbosch vrijgesproken van overtreding van de Opiumwet. Naar de mening van de raadsman kan het niet anders dan dat onrechtmatig verkregen bewijs de grondslag van deze vrijspraak is. Dit zou moeten leiden tot uitsluiting van die telefoongegevens als bewijs en al het daarvan afgeleide bewijs, niet alleen in de strafzaak tegen [medeverdachte] maar ook in de strafzaak tegen verdachte.

Dit verweer ziet tevens op de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

Beoordeling door de rechtbank

Wat betreft de rechtmatigheid van de doorzoeking en de toestemming van mevrouw [naam bewoonster] verwijst de rechtbank naar hetgeen onder 2a dienaangaande is overwogen.

De betrouwbaarheid van het proces-verbaal van bevindingen

De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop het ontbreken van de handtekeningen van enkele verbalisanten op het proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2010 is gerepareerd niet raakt aan de inhoud en de betrouwbaarheid van dit proces-verbaal, ook niet waar het het aantreffen van een kogelhuls op de vloer voor de cv-kast betreft.

Dit aantreffen wordt bevestigd door de verklaringen van de getuigen [getuige1] van de brandweer en [getuige2] van de NUON, die beiden de kogelhuls voor de cv-kast op de grond hebben zien liggen.

Uitsluiting van de gegevens uit de bij [medeverdachte] aangetroffen telefoons en het daarvan afgeleide bewijs.

De rechtbank is van oordeel dat, indien er al onregelmatigheden zouden zijn opgetreden bij de inbeslagname van de telefoons bij [medeverdachte], deze niet kunnen doorwerken in de later tegen verdachte opgestarte zaak.

Dit geldt tevens voor de feiten 2 en 3.

De aangetroffen drugs

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de in de woning aangetroffen verdovende middelen van verdachte waren. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

Getuige [naam bewoonster], de moeder van verdachte, heeft verklaard dat verdachte soms in haar woning sliep en een sleutel van de woning heeft . Met betrekking tot de cv-kast waarin een gedeelte van de verdovende middelen is aangetroffen heeft [naam bewoonster] verklaard “De sleutel van die ruimte is in zijn bezit. Ik heb daarvan geen sleutel. Ongeveer 6 maanden tot een jaar geleden zei [verdachte] tegen mij dat hij wat spullen in die kast had opgeborgen en dat hij de kast had afgesloten ”. [naam bewoonster] heeft voorts verklaard dat verdachte haar heeft gevraagd om tegen vergoeding stickers op kleine flesjes te plakken. Op die stickers stonden de woorden “love” en “sex” .

Gelet op het vorenstaande gaat de rechtbank er vanuit dat de in de woning [adres] aangetroffen verdovende middelen van verdachte zijn. Dit geldt ook voor de middelen die zijn gevonden in de geprepareerde gastank die in de woning is aangetroffen.

Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat de drugs van de moeder van verdachte of van een derde persoon afkomstig zijn. Verdachte, die geregeld in de woning aanwezig was, heeft geen aannemelijke verklaring willen geven voor de aanwezigheid van de drugs in de woning.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Feit 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 22 februari 2008 werd in Westhoughton (Verenigd Koninkrijk) in een woning door de Britse politie een grote hoeveelheid ampullen met daarin een stof bevattende MDMA aangetroffen. In de woning woonde [bewoner pand Verenigd Koninkrijk] . Tevens werden in de woning twee dozen aangetroffen met daarin stickers “Dancelovesex” met op de doos als afzender [verdachte], [adres] .

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het feit kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

Verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht. De raadsman heeft betoogd dat zich in het dossier onvoldoende bewijs bevindt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het uitvoeren dan wel vervoeren van drugs.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen op basis van de navolgende bewijsmiddelen:

- het etiket met de naam en het voormalig adres van verdachte op de aangetroffen dozen met stickers “Dancelovesex”;

- de in Engeland aangetroffen buisjes komen qua afmetingen, kleur en materiaal overeen met de buisjes die zijn aangetroffen in de woning aan de [adres] ;

- de verklaring van [bewoner pand Verenigd Koninkrijk] dat hij in Nederland verdachte heeft ontmoet ;

- de verklaring van [betrokkene1]. Deze heeft verklaard in het voorjaar van 2008 samen met [medeverdachte] buisjes met XTC naar Engeland te hebben gebracht. Verdachte had samen met hem de dozen op een europallet in een gehuurde bestelbus geladen ;

- de verklaring van [betrokkene3]: zij hielp samen met haar moeder [medeverdachte] met het stickeren en vullen van buisjes met xtc. Ook verdachte hielp daarbij . Verdachte had zelf verteld dat hij er geld in had gestoken om winst te kunnen maken uit de verkoop van de buisjes . Verdachte had de buisjes in de auto gezet waarmee vervolgens [medeverdachte] naar Engeland was gereden .

- de verklaring van [medeverdachte]: verdachte heeft geholpen bij het eerste transport omdat (betrokkene1) toen niet bij haar was .

Feit 3

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 9 juni 2009 is bij een doorzoeking in de woning van medeverdachte [betrokkene2] aan [adres] 55,8 gram van een materiaal bevattende MDMA en 185353,7 gram amfetamine aangetroffen .

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het feit kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

Verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht.

Beoordeling door de rechtbank

[medeverdachte] heeft verklaard dat de bij de doorzoeking aangetroffen buisjes door haar in de kruipruimte van haar woning zijn gelegd. De buisjes in haar woning werden gemaakt vanaf september 2007. De buisjes die in haar woning lagen, lagen er al vanaf mei 2008. Verdachte is in de kruipruimte geweest om daar buisjes uit te halen . Verdachte pakte ook buisjes in en is eens een hele nacht opgebleven om door te werken .

[betrokkene3] heeft verklaard dat verdachte een soort van rechterhand van [medeverdachte] was en had verklaard er geld in te hebben gestoken om winst te maken met de buisjes .

Op grond van bovenstaande verklaringen, in samenhang met de feiten 1 en 2, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft begaan, met dien verstande dat hij de in de tenlastelegging genoemde middelen tezamen en in vereniging voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij in de periode van de maand juni 2007 tot en met 2 oktober 2007 te opzettelijk (in een woning [adres]) aanwezig heeft gehad,

- 1,34 kilo van een poeder, bevattende een hoeveelheid MDMA en/of

- 73 buisjes gevuld met een vloeistof bevattende een hoeveelheid

amfetamine en/of mdma en

-een hoeveelheid van 3300 gram aan (xtc)pillen, bevattende een hoeveelheid

MDMA en

-een hoeveelheid 10100 gram aan (xtc) pillen, bevattende een hoeveelheid MDMA

en

-een hoeveelheid van 9420 gram aan (XTC) pillen, bevattende een een hoeveelheid

MDMA en

-een hoeveelheid van 60 gram cocaine, in elk geval een hoeveelheid van een

stof bevattende cocaine zijnde mdma en amfetamine en cocaine middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

2.

hij op tijdstippen in de periode van de maand

oktober 2007 tot en met de maand februari 2008 te Beuningen en/of elders in Nederland en/of te Engeland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht

-grote (handels) hoeveelheden van een stof bevattende mdma ((waaronder o.a.

een groot aantal buisjes/ampullen bevattende o.a. een hoeveelheid mdma

zijnde die MDMA (een) middel(en) als bedoeld in de bij de opiumwet

behorende lijst 1 dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

3.

hij in de periode van 1 mei 2009 tot en met 09 juni 2009 te Beuningen

tezamen en in vereniging met anderenaanwezig

heeft gehad,

- 55,8 gram, van een materiaal bevattende MDMA en

-26191 ampullen/buisjes (totaal een gewicht van 185353,7 gram), gevuld met een

vloeistof/substantie bevattende een hoeveelheid MDMA en/of een hoeveelheid

amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine middelen als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 26 november 2010; en

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 1 september 2009, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van zeer grote hoeveelheden synthetische drugs en het medeplegen van uitvoeren van een grote hoeveelheid MDMA naar het buitenland.

Het gebruik van synthetische drugs vormt een reële bedreiging voor de volksgezondheid. Het gebruik heeft een verslavende werking en bevordert tevens het plegen van vermogensdelicten door de gebruikers, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving. Voorts is de productie van synthetische drugs zeer belastend voor het milieu en gaat deze gepaard met brand- en/of ontploffingsgevaar.

Verdachte heeft doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd, zonder zich om de volksgezondheid, het milieu en/of de algemene veiligheid van goederen en/of personen te bekommeren.

De rechtbank rekent dit verdachte des te zwaarder aan nu hij reeds meerdere malen tot gevangenisstraffen is veroordeeld ter zake van Opiumwetdelicten, waarvan eenmaal voor de duur van 5 jaren. Deze straffen hebben hem er niet van weerhouden zich opnieuw aan Opiumwetdelicten schuldig te maken.

Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op de grote hoeveelheden aangetroffen drugs en de recidive, en om verdachte en anderen ervan te weerhouden (opnieuw) dergelijke delicten te plegen alleen een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende reactie vormt.

De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie geëist omdat zij de rol van verdachte iets geringer inschat dan de officier van justitie en omdat zij rekening houdt met de hoogte van de in de zaak tegen medeverdachte [betr[medeverdachte] gevorderde en op te leggen straf.

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven vuurwapen, alsmede de munitie, bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten aangetroffen, zijn voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Deze zullen daarom worden onttrokken aan het verkeer.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 57, 36b, 36d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13 van de Opiumwet.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven vuurwapen (Walther .22) en munitie.

Aldus gewezen door:

mr. J.M. Hamaker, als voorzitter,

mr. H.P.M. Kester-Bik, rechter,

mr. W.A. Holland, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 januari 2011.