Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP1464

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
20-01-2011
Zaaknummer
05/702400-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Arnhem – De rechtbank Arnhem heeft vandaag een 31-jarige man veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk voor ontucht met zijn minderjarige nichtje. Verdachte heeft in de periode dat hij bij zijn zus woonde, het dochtertje van zijn zus, dat op dat moment 5 of 6 jaar was, door met zijn penis tegen haar anus en/of de billen te wrijven seksueel misbruikt.

De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat mocht inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij de forensisch psychiatrische polikliniek te Arnhem of een soortgelijke instelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/702400-10

Datum zitting : 6 januari 2011

Datum uitspraak : 20 januari 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : 11 januari 1980 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij(op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 juli 1998 tot en

met 30 november 2001 te Arnhem,

met [slachtoffer], geboren op 3 april 1994,

handelingen heeft gepleegd bestaande uit het seksueel binnendringen van haar

lichaam, door zijn penis in haar anus te brengen/duwen,

terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij(op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 juli 1998 tot en

met 30 november 2001 te Arnhem,

(buiten echt) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid

toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op 3 april 1994,

door met zijn penis tegen haar anus en/of de billen te wrijven en/of met zijn

hand over haar vagina te wrijven,

terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van zestien jaren niet had bereikt.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 6 januari 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd: [[slachtoffer]]

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij een forensisch psychiatrische polikliniek of een soortgelijke instelling en voorts met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 2.000,- wordt toegewezen en zij heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen worden de navolgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan, vastgesteld.

Verdachte heeft zich in de periode van 1 juli 1998 tot en met 30 november 2001 op verschillen-de momenten bevonden in de woning van zijn zus [gemachtigde slachtoffer] aan de [adres]. Hij woonde hier tijdelijk in en bewoonde meesttijds de zolderverdieping van de woning. Op een aantal van die momenten was daar dan ook zijn nichtje [slachtoffer], hierna te noemen [slachtoffer], geboren op 3 april 1994, aanwezig. Zij had in genoemde periode de leeftijd van 16 jaren nog niet bereikt.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair is tenlastegelegd en heeft gevorderd verdachte hiervan vrij te spreken. Op grond van het dossier acht de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten-lastegelegde heeft begaan. Hij houdt verdachte hierbij aan zijn verklaring zoals hij deze heeft afgelegd bij de politie.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak gevraagd voor het primair en subsidiair tenlastegelegde.

De deels bekennende verklaring die verdachte heeft afgelegd bij de politie is tot stand gekomen door de manier waarop verbalisanten verdachte hebben verhoord. Verdachte is hierdoor gaan meewerken en heeft de verbalisanten verteld wat zij volgens hem wilden horen. De zogenaamde daderkennis heeft hij mogelijk van de broers van aangeefster of van [moeder slachtoffer], de moeder van aangeefster die hem, voordat het verhoor was afgenomen, via de telefoon heeft verteld wat er volgens haar was gebeurd met aangeefster.

De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat er onduidelijkheid bestaat over de tijd waarop een en ander, indien al bewezen, zou zijn gebeurd. Aangeefster heeft verklaard dat zij in de tijd dat het gebeurd zou zijn 8 à 9 jaar oud was en dat zij in groep 5 of 6 zat. Dit zou derhalve zijn geweest na 2002. Daarnaast heeft zij verklaard dat het was in de periode dat verdachte bij hen in huis woonde, dat zij in die periode poep- en blaasproblemen had en dat er nog misbruik plaats-vond na haar ziekenhuisonderzoek. Die verklaring verwijst naar een periode in 2001.

De verklaring van aangeefster is volgens de verdediging ook overigens niet betrouwbaar. Uit de aangifte is op te maken dat ze bij haar intake heeft gezegd dat het beweerde misbruik veel vaker zou hebben plaats gevonden dan in haar aangifte naar voren komt. Daarnaast heeft een vriendin van haar verklaard dat ze aangeefster niet gelooft, omdat ze wel vaker liegt.

Beoordeling van het bewijs

Aangeefster heeft bij de politie verklaard dat oom [verdachte] haar in een periode van 7 à 8 maanden, toen hij bij hen in huis woonde, tussen de drie en tien keer heeft misbruikt. De eerste keer had zij een halter (gewichtheffen) op haar teen laten vallen. Zij kreeg van verdachte een Winny de Pooh pleister. Hij ging toen achter haar staan en zei dat zij haar broek naar beneden moest doen. [verdachte] trok toen haar onderbroek naar beneden. Hij hield haar vast bij de schouders en zij moest voorover bukken. Hij hield haar vast bij haar heupen en ging met zijn pik in haar kont. [verdachte] bewoog zijn pik heen en weer in haar kont, van voor naar achter. Later haalde hij zijn pik er uit. Er kwam wit spul uit zijn pik. Hij trok zichzelf af en kwam verder klaar in een handdoek. Voor zover zij weet heeft hij geen condoom of glijmiddel gebruikt. Daarna is het nog enkele keren gebeurd. Het gebeurde altijd op zolder. Als [verdachte] het deed dan hield zij zich vast aan het traphekje. In die periode, al vóór de eerste keer, had zij last met poepen. Daarvoor is zij bij de huisarts geweest. Later ging het beter met poepen, maar toen kreeg zij blaasontsteking, waarvoor zij naar de huisarts en naar het ziekenhuis is geweest. Dat was in de periode dat (verdachte) haar misbruikte. Ongeveer een maand voordat de huisarts haar onderzocht in verband met haar blaasprobleem, heeft [verdachte] haar misbruikt.

Verdachte heeft bij de politie verklaard: ‘Weet je…ik heb het gedaan met [slachtoffer]. Ik geef het gewoon toe. Ja…’. […] ‘Ik weet niet meer wanneer het is gebeurd, maar het was op de zolder’. Op de vraag wat hij met [slachtoffer] heeft gedaan, antwoordt hij: ‘Van achter gepakt’[…] ‘In zijn kont’. Op de vraag hoe vaak hij dat heeft gedaan, antwoordt hij: ‘misschien twee keer’. Hij verklaart dan: ‘Ik heb niet helemaal in haar gedaan. Ik heb alleen tussen haar billen gedaan.’ Als hem dan wordt gevraagd wat hij daarmee bedoelt zegt hij: ‘Niet erin, weet je’. Verbalisanten vragen hem dan: ‘Je vertelde dat jij je piemel niet in de anus deed, maar tussen de billen deed, klopt dat?’ Verdachte antwoordt dan: ‘Ja’.

Op de vraag waar dat dan gebeurde antwoordde verdachte dat dit op de zolder was, bij de trap en dat [slachtoffer] dan voor hem stond met de kont naar hem toe. Hij heeft verklaard dat zij bij het grote traphekje stonden, waarbij [slachtoffer] met haar gezicht naar het traphekje toe stond.

Aangeefster heeft eveneens verklaard dat het misbruik plaatsvond op de zolder. Zij heeft verklaard dat [verdachte] dan achter haar stond en dat zij zich dan vasthield aan het traphekje.

Daarnaast heeft zij verklaard: ‘Ik zag toen dat [verdachte] zichzelf aftrok en verder klaarkwam in een handdoek.’ Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij na het wrijven met zijn penis over de billen van [slachtoffer] zichzelf nog een beetje aftrok en dat hij dan klaarkwam in een handdoek.

Op zitting heeft verdachte verklaard dat hij niets heeft gedaan met [slachtoffer]. De verklaring die hij heeft afgelegd bij de politie zou onder druk tot stand zijn gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken niet blijkt en dat ook anderszins niet aannemelijk is geworden dat ongeoorloofde druk op verdachte is uitgeoefend. Opvallend is ook dat verdachte, ondanks de druk waar hij over spreekt, bepaalde dingen, zoals het penetreren, het gedwongen pijpen en het vingeren, bij de politie is blijven ontkennen. Dit past naar het oordeel van de rechtbank niet bij een verklaring die tot stand is gekomen onder onevenredige druk. Waarom zou verdachte in dat geval alleen het met de penis wrijven tussen de billen bekennen, en het overige niet? Verdachte heeft daarnaast specifiek verklaard over de manier waarop het misbruik heeft plaatsgevonden (‘van achteren gepakt’ en ‘in de kont’) en de plek waar het plaatsvond (op de zolder bij het traphekje), zonder dat hij deze informatie van verbalisanten of anderen had gehoord. Deze details worden bevestigd in de verklaring van aangeefster. Meer in het bijzonder geldt dat voor het klaarkomen in een handdoek. Verdachte heeft verklaard dat hij dit vaak doet, ook bij seks binnen zijn huidige relatie en bij seks met vroegere vriendinnen en dat verder niemand dat weet. Het is minstgenomen opvallend dat aangeefster een dergelijk detail weet te vertellen. De verklaring die verdachte hiervoor geeft, namelijk dat aangeefster hem wellicht een keer heeft betrapt bij het masturberen of dat zij dit heeft gehoord van haar broer die, toen hij ongeveer 12 jaar was, een keer naast verdachte in bed heeft gelegen terwijl verdachte seks had met een 'straatmeisje’, acht de rechtbank ongeloofwaardig.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij mogelijk van [moeder slachtoffer], de moeder van

[slachtoffer], of een van de broers van [moeder slachtoffer] heeft gehoord hoe het misbruik heeft plaatsgevon-den. De rechtbank acht dit eveneens ongeloofwaardig, nu verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij de informatie over het misbruik van zichzelf had en de moeder van [slachtoffer] hem hier niets over had verteld. Daar komt bij dat, mocht de moeder of een van de broers al over de manier van misbruik hebben gesproken over de telefoon, het niet waarschijnlijk is dat toen over dergelijke specifieke details is gesproken. De rechtbank houdt verdachte dan ook aan zijn verklaring zoals hij die heeft afgelegd bij de politie.

Ten aanzien van de periode waarin het misbruik zou hebben plaatsgevonden, merkt de rechtbank op dat aangeefster heeft verklaard dat dit plaatsvond in de periode dat verdachte bij hen in huis woonde. Zij denkt dat het is gestopt omdat verdachte een vriendin kreeg. Aangeefster heeft verklaard: ‘U vraagt mij wanneer de laatste keer van het misbruik was en waar dit was. Dit was ongeveer net een maand voordat hij zijn vriendin [vriendin verdachte] had ontmoet. Ook toen gebeurde het weer op zolder.’

Verdachte kreeg in de zomer van 2001 een relatie met [vriendin verdachte]. In december 2001 is verdachte bij de moeder van [vriendin verdachte] gaan wonen.

Aangeefster heeft daarnaast verklaard dat het misbruik plaatsvond rond de periode dat zij blaasontsteking had. Zij heeft verklaard: ‘ongeveer 1 maand voordat de huisarts naar mijn vagina keek heeft [verdachte] mij misbruikt. [verdachte] heeft mij niet misbruikt tussen het onderzoek bij de huisarts en het onderzoek in het ziekenhuis. Na het onderzoek in het ziekenhuis heeft [verdachte] mij nog wel misbruikt.’ Uit de medische gegevens blijkt dat aangeefster rond oktober 2001 bij de huisarts en in het ziekenhuis was in verband met een blaasontsteking. Dit past bij de verklaring van verdachte, die de leeftijd van aangeefster op 5 à 6 jaar oud schat toen hij haar misbruikte.

Dat aangeefster verklaarde dat ze tijdens het misbruik 8 à 9 jaar oud was, maakt niet dat haar verklaring ongeloofwaardig is noch dat haar verklaring niet kan kloppen. Van algemene bekendheid is dat juist kinderen er moeite mee hebben bepaalde gebeurtenissen in het verleden in abstracto correct te dateren. Er moet juist worden gezocht naar aanknopingspunten in de vorm van andere gebeurtenissen in het verleden waaraan de herinnering kan worden gerelateerd. Die historische aanknopingspunten heeft aangeefster verschaft door de verwijzing naar haar blaasinfectie en de medische behandeling daarvan, die op grond van een objectieve bron kan worden gedateerd. De rechtbank hecht daarom wel waarde aan deze verklaring.

De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat aangeefster niet betrouwbaar is. Bij haar intake zou ze hebben verklaard dat ze vaker was misbruikt dan ze later bij de aangifte verklaarde en volgens een vriendin van haar ze zou over heel veel dingen liegen. De rechtbank overweegt hierover dat een zekere inconsistentie in de verklaring van een kind niet maakt dat die verklaring ongeloofwaardig is. De opmerking van de 'vriendin['vriendin'] dat aangeefster liegt, kan op velerlei wijze worden uitgelegd. ['vriendin'] relateert dat onder meer aan haar opmerking dat aangeefster wel eens tegen haar moeder zou zeggen dat zij bij haar vriendin is, terwijl ze in werkelijkheid bij een vriendje verblijft, waarvan moeder niets mag weten. Het bezigen van een dergelijke leugen is echter geen bijzonder opvallend gedrag voor een tiener en is op zichzelf zeker geen aanwijzing voor de stelling dat zij (ook) haar aangifte volledig verzonnen heeft.

De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer.

Conclusie ten aanzien van het bewijs

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met zijn penis is binnengedrongen bij aangeefster. Verdachte heeft dit vanaf het begin af aan ontkend en naast de verklaring van aangeefster is er niets dat in die richting wijst. Aangeefster heeft weliswaar verklaard dat verdachte in de anus is binnengedrongen en dat het pijn deed, maar het is niet goed voorstelbaar dat het daadwerkelijk penetreren bij een meisje van zeer jonge leeftijd geen sporen in de vorm van bloedingen of anderszins schade aan de anus zou nalaten, te meer daar aangeefster heeft verklaard dat er geen glijmiddel of iets dergelijks is gebruikt. Daarbij komt dat aangeefster heeft verklaard dat zij destijds zodanige problemen had met haar stoelgang dat dit pijn veroorzaakte, zodat niet uitgesloten moet worden geacht dat zij die pijn heeft aangezien voor pijn als gevolg van binnendringen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het hem primair tenlastegelegde.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op meerdere tijdstippen de periode van 1 juli 1998 tot en

met 30 november 2001 te Arnhem,

(buiten echt) ontucht heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer] geboren op 3 april 1994,

door met zijn penis tegen haar anus en/of de billen te wrijven

terwijl die (slauchtoffer) toen de leeftijd van zestien jaren niet had bereikt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De verdediging heeft subsidiair een verzoek gedaan tot aanhouding van de behandeling. Mocht de rechtbank niet tot vrijspraak komen dan zou het onderzoek moeten worden heropend om de bandopnamen van alle verhoren te bekijken. De raadsman heeft de banden bekeken en daaruit zou blijken dat niet al hetgeen is gezegd is uitgewerkt. Om een compleet beeld te krijgen van de verhoren is het noodzakelijk de banden te zien, aldus de verdediging.

De rechtbank wijst dit verzoek tot aanhouding af. De rechtbank acht het gezamenlijk bekijken van de banden niet noodzakelijk om tot een goede afdoening van de zaak te komen.

Dat niet al hetgeen is gezegd op papier is gekomen, wil niet zeggen dat de strekking van de op schrift gestelde verklaringen onjuist is. Dit is door de verdediging ook niet gesteld. Het is ook niet anderszins aannemelijk geworden. Verdachte heeft op zitting ook verklaard dat het klopt wat de politie heeft opgeschreven, in die zin dat de politie heeft opgeschreven hetgeen hij heeft verklaard (zij het dat hij die verklaring ter zitting weer heeft ingetrokken).

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het subsidiaire feit:

‘met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd’

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitslui-ten, met name ook niet uit de hierna te noemen deskundigenrapportage.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 23 november 2010; en

• een psychologisch onderzoek pro justitia d.d. 29 december 2010, betreffende verdachte; en

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 30 december 2010, betreffende verdachte.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voor-waardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij een forensisch psychiatrische polikliniek of een soortgelijke instelling en voorts met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechte-nis doorgebracht.

Standpunt verdediging

Nu de verdediging vrijspraak heeft bepleit heeft zij geen standpunt ingenomen met betrekking tot de strafmaat.

Beoordeling

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft in de periode dat hij bij zijn zus woonde, het dochtertje van zijn zus, dat op dat moment 5 of 6 jaar oud was, seksueel misbruikt. Verdachte heeft hierdoor het vertrouwen dat zijn zus en aangeefster in hem stelden ernstig geschaad en hij heeft hierbij op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen die deze handelingen voor zijn nichtje zouden kunnen hebben. Hij heeft alleen oog gehad voor zijn eigen directe behoeftebevrediging en een weerloos meisje van jonge leeftijd misbruikt. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd en soms hun leven lang ernstig nadeel kunnen ondervinden van seksueel misbruik, onder meer bij hun (seksuele) ontwikkeling en het aangaan van (seksuele) relaties.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat er sprake is van een zeer ernstige feit en dat geen andere straf dan een gevangenisstraf op zijn plaats is.

De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat mocht inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij de forensisch psychiatrische polikliniek te Arnhem of een soortgelijke instelling.

6a. De beoordeling van de civiele vorde¬ring, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een bedrag van € 6.850,-, vermeerderd met wettelijke rente.

De rechtbank acht voldoende bewezen dat zij door hetgeen haar is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank is van oordeel dat alle omstandigheden afwegend en rekening houdend met hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt toegewezen, in ieder geval een bedrag van € 2.000,- aan schadevergoeding op zijn plaats is zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering is voorzover zij strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade en van andere schade niet van eenvoudige aard zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 57, 247 van het Wet-boek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewe-zen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 4 (vier) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook indien dit zal inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij de forensisch psychiatrische polikliniek te Arnhem of een andere vergelijkbare instelling, voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [[slachtoffer]]

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer] (gemachtigde: [gemachtigde slachtoffer]), te betalen € 2.000,- (tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf heden.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 2.000,-, subsidiair 30 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], betalen € 2.000,-, (tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf heden, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 (dertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door mrs. F.J.H. Hovens (voorzitter), A.G. Broek-de Stigter en M.M.L.A.T. Doll, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y. Rikken, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 januari 2011.