Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BP0988

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-01-2011
Datum publicatie
17-01-2011
Zaaknummer
05/900425-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld ter zake oplichting tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een grootschalige oplichting door zich op de aan mensen voor te doen als iemand die met de door deze mensen in te leggen (veelal) grote geldbedragen internationale handelingen zou gaan verrichten tegen hoge rendementen, waarbij de mensen gegarandeerd hun geld terug zouden krijgen. Verdachte heeft echter nooit de intentie gehad om deze gelden op enige rekening te storten. Hij heeft het geld uitgegeven in het casino en zichzelf verrijkt. Verdachte heeft hiermee deze mensen financieel benadeeld en hun vertrouwen beschaamd. Dit is een ernstig feit. Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen het vertrouwen in hem, maar ook het vertrouwen in het handelsverkeer beschaamd. Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf heeft de militaire kamer er rekening mee gehouden dat het oude feiten zijn en dat dit niet alleen aan de verdediging te wijten is, alsmede met het feit dat verdachte in Duitsland is veroordeeld ter zake soortgelijke feiten in dezelfde periode gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire kamer

Promis

Parketnummer : 05/900425-05

Data zitting : 20 oktober 2008, 2 maart 2009, 8 februari 2010 en 20 december 2010

Datum uitspraak : 3 januari 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

De persoon, gedagvaard als:

naam : [verdachte],

geboren op : 26 juni 1969 te Amsterdam,

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

Rang/rnr. : (gewezen) sergeant der 1e klasse (Koninklijke Landmacht)/[nr]

Ingedeeld bij : [basis]

Raadsman : mr. R.A.A. Maat, advocaat te Middelburg.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de militaire kamer op 2 maart 2009 toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

Hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 april 2004 te Heidelberg en/of Brauhaus, in ieder geval in Duitsland, en/of te Schiphol en/of Ermelo en/of Eindhoven en/of Arnhem, in ieder geval in Nederland, telkens met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen, onder wie na te noemen personen, heeft bewogen en/of doen bewegen tot de afgifte van geld, te weten:

- [betrokkene1] een geldbedrag van euro 32.500,-- althans enig geldbedrag

(dossierpagina 61012) en/of

- [betrok[betrokkene2] een geldbedrag van euro 6000,-- althans enig geldbedrag

(dossierpagina 62009) en/of

- [betrokkene3] een geldbedrag van euro 24000,-- althans enig geldbedrag

(dossierpagina 63009) en/of

- [betrokkene4] een geldbedrag van 6.500,-- althans enig geldbedrag

(dossierpagina 64012) en/of

- [betrokkene5] een geldbedrag van 108.500,-- althans enig geldbedrag

(dossierpagina 65009) en/of

- [betrokkene6] een geldbedrag van euro 9000,-- althans enig geldbedrag

(dossierpagina 66009) en/of

- [betrokkene7] een geldbedrag van euro 12.000,-- althans enig geldbedrag

(dossierpagina 67012) en/of

- [betrokkene8] een geldbedrag van euro 25.000,-- althans enig geldbedrag

(dossierpagina 68007)

Hebbende hij, verdachte, - zakelijk weergegeven – voormelde personen benaderd en/of doen benaderen en/of contact gehad met één of meer voormelde personen en telkens opzettelijke valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid aangegeven en/of doen aangeven dat hij, verdachte, met van die personen te lenen gelden (internationale) handelingen zou gaan verrichten (immers verdachte heeft aan voormelde personen aangegeven/doen aangeven dat hij overboekingen van de door hem te lenen gelden naar en tussen (buitenlandse) banken in verschillende tijdzones (in een zeer kort tijdsbestek) zou (gaan) verrichten waardoor (hoge) rentepercentages/rendementspercentages (tussen 30% en 40%) zouden worden behaald en/of uitgekeerd, waartoe hij

- een schuldbekentenis op naam van hem, verdachte, heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of ondertekend, en/of

- op die schuldbekentenis de looptijd van de lening en/of het

rentepercentage/rendementspercentage heeft vermeld en/of doen vermelden,

waardoor voormelde personen werden bewogen tot bovenomschreven afgiften,terwijl er tot (en met) 2006 nimmer aan bovengenoemde personen enig geldbedrag werd uitgekeerd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 20 december 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. R.A.A. Maat, advocaat te Middelburg.

Als officier van justitie is aanwezig mr. H.G. Velders.

Als benadeelde partij is op 8 februari 2010 ter terechtzitting verschenen: [betrokkene1].

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Salduz-verweer

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat de verklaringen van verdachte afgelegd in maart en april 2006 dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat de wijze waarop de Koninklijke Marechaussee het onderzoek heeft uitgevoerd en is omgegaan met verdachte tijdens de verhoren in strijd is met elementaire beginselen van het strafprocesrecht. Verdachte is in maart en april 2006 meerdere malen gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Verdachte heeft hierbij telkens aangegeven dat hij een Nederlandse advocaat wenste te spreken. Op 24 mei 2006 heeft verdachte aangegeven dat hij zijn eerdere verklaringen in wil trekken, hetgeen hij eerder had verwoord in een brief aan de Koninklijke Marechaussee van 27 april 2006.

Standpunt officier van justitie

Volgens de officier van justitie is er in maart en april 2006 inderdaad sprake geweest van schending van het recht op rechtsbijstand. De in deze maanden door verdachte afgelegde verklaringen dienen derhalve te worden uitgesloten van het bewijs. Dit heeft echter geen consequenties voor de bewezenverklaring, aangezien verdachte zowel op 8 februari 2010 als op 20 december 2010 ter terechtzitting een grotendeels bekennende verklaring heeft afgelegd.

Beoordeling

De Hoge Raad heeft uit de rechtspraak van het EHRM afgeleid dat een aangehouden verdachte die door de politie is aangehouden aan artikel 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem, behoudens uitzonderingen, binnen redelijke grenzen, de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen.

Ten aanzien van de thans voorliggende feiten is verdachte niet aangehouden. Hij verbleef echter in de maanden maart, april en mei 2006 in voorlopige hechtenis in een Duits huis van bewaring in het kader van een andere, Duitse strafzaak. Daar hebben verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee hem op 29 en 30 maart, 25 en 26 april en 24 mei 2006, na een rechtshulpverzoek, met toestemming van de Duitse Autoriteiten gehoord ten aanzien van de thans voorliggende feiten.

De militaire kamer is van oordeel dat, gelet op artikel 6 EVRM en de daarop gebaseerde jurisprudentie, ook aan een verdachte die in verband met een andere strafzaak zijn vrijheid is ontnomen vóór het verhoor in inzake een nieuw feit voldoende de mogelijkheid tot consultatie van een advocaat zal moeten worden geboden. Dat verdachte in deze zaak door de Koninklijke Marechaussee die gelegenheid is geboden, blijkt niet uit het dossier. Vast staat dat verdachte zich er meerdere malen over heeft beklaagd dat hij over de nieuwe verdenking in ieder geval geen Nederlandse advocaat heeft kunnen raadplegen. De militaire kamer gaat er, nu het tegendeel niet blijkt, vanuit dat hij vóór de voornoemde verhoren ook overigens onvoldoende gelegenheid heeft gehad tot rechtsbijstand, waarmee de genoemde regels geschonden zijn. De vraag is vervolgens of hieraan een rechtsgevolg dient te worden verbonden en zo ja, welk rechtsgevolg.

De militaire kamer stelt voorop dat bij schending van voormelde regels de door de raadsman bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De militaire kamer is van oordeel dat hiervan in het onderhavige geval geen sprake is. In zoverre verwerpt de militaire kamer het verweer.

Niet-naleving van voornoemde rechtsregels zal normaliter moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van de verdachte die in een verhoor zijn afgelegd vóórdat hij een advocaat kon raadplegen en van het bewijsmateriaal dat is verkregen als rechtstreeks gevolg daarvan, met uitzondering van de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd nadat hij een advocaat heeft kunnen raadplegen en hem de cautie is gegeven. Aangezien de militaire kamer echter deze door verdachte afgelegde verklaringen niet zal gebruiken voor het bewijs, zal de militaire kamer geen rechtsgevolg verbinden aan het verzuim.

Verjaring

Standpunt verdediging

Volgens de verdediging is het recht op strafvervolging verjaard ter zake feiten begaan voor september 2002. Voor de Wet Herijking Strafmaxima van 1 februari 2006 was oplichting een zogenaamd driejaarsfeit.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat als het verweer van de raadsman al opgaat, er dient te worden geteld vanaf het moment dat het feit is voltooid. Hiervan is sprake op het moment dat de feitelijke afgifte van het geld heeft plaatsgevonden.

Beoordeling

Artikel 70 Wetboek van Strafrecht bepaalt dat het recht tot strafvervolging vervalt door verjaring in zes jaren voor onder andere die misdrijven waarop in de strafbaarstelling als strafbedreiging een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. Vóór de Wet Herijking Strafmaxima van 1 februari 2006 viel de in de tenlastelegging – kort gezegd – genoemde oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) binnen deze categorie.

De termijn van verjaring is in onderhavige zaak aangevangen op de dag na die waarop het feit is gepleegd. De verjaring is vervolgens gestuit op het moment dat de dagvaarding is uitgebracht, te weten op 1 september 2008.

Gelet op vorenstaande is de militaire kamer van oordeel dat het recht op strafvervolging is vervallen door verjaring voor zover de feiten zijn gepleegd vóór 1 september 2002. De militaire kamer gaat bij de vaststelling hiervan uit van het moment waarop het feit is voltooid, dus het moment dat de benadeelden daadwerkelijk zijn overgegaan tot de afgifte van enig geldbedrag. Uit het dossier blijkt dat de benadeelden [betrokkene4] en [betrokkene2] een of meerdere geldbedragen vóór 1 september 2002 hebben afgegeven aan verdachte. Het openbaar ministerie zal ter zake van de tenlastegelegde oplichtingen die werden voltooid met de afgiften van die geldbedragen niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

(On)rechtmatigheid doorzoeking voertuig van verdachte in Duitsland

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de doorzoeking van de auto van verdachte door de Duitse Autobahn Polizei – getoetst aan het Nederlandse recht en het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) – onrechtmatig is geweest. Alle bewijsmiddelen die zijn voortgekomen uit het verdere onderzoek dienen daarom te worden uitgesloten van het bewijs.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de doorzoeking van het voertuig van verdachte door de Duitse politie. Van enige bewijsuitsluing kan dan ook geen sprake zijn.

Beoordeling

De militaire kamer overweegt dat – als er wordt voortgebouwd op informatie verkregen uit onderzoek door buitenlandse opsporingsinstanties, zoals in het onderhavige geval de Duitse, in beginsel er van mag worden uit gegaan dat deze autoriteiten rechtmatig hebben gehandeld, dat hetgeen zij daaromtrent relateren juist is en dat de aan een verdachte in het EVRM gegarandeerde rechten zijn geëerbiedigd, tenzij er aanwijzingen bestaan om het tegendeel te vermoeden. De verdediging heeft echter geen aanwijzing naar voren gebracht dat er door de Duitse politie onrechtmatig een dwangmiddel is toegepast. Het standpunt van de verdediging dat het handelen van de Duitse politie dient te worden getoetst aan het Nederlandse recht vindt geen steun in het recht. Hiervan kan slechts sprake zijn in het geval van opsporingshandelingen uitgevoerd door buitenlandse opsporingsinstanties in het kader van een Nederlands rechtshulpverzoek. Daarvan was echter geen sprake. De militaire kamer verwerpt derhalve het verweer.

Bewezenverklaring

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In november 2003 kwam aangever [betrokkene1] in contact met verdachte. [betrokkene1] werkte evenals verdachte bij de (basis) (Duitsland). Op vragen van [betrokkene1] gaf verdachte aan dat hij geld belegde en dat hij dit ook wel voor [betrokkene1] wilde doen. Vlak voor Kerstmis in dat jaar is verdachte bij [betrokkene1] langsgegaan. Verdachte vertelde dat hij een rekening had op de Kaaimaneilanden en dat hij op meerdere rekeningen over de wereld een bedrag van 15.000 euro had staan. Verdachte rekende voor [betrokkene1] uit dat als [betrokkene1] 20.000 euro zou inleggen het uit te keren eindbedrag na 30 weken 38.500 euro zou zijn. Verdachte en [betrokkene1] spraken af dat [betrokkene1] op 20 januari 2004 het geld aan verdachte zou overhandigen bij [betrokkene1] thuis, hetgeen ook is gebeurd (militaire kamer: [betrokkene1] woonde in [woonplaats], Duitsland). Na 30 weken zou [betrokkene1] het overeengekomen bedrag van 38.500 euro uitbetaald krijgen. Verdachte heeft een door hem ondertekende schuldbekentenis aan [betrokkene1] overhandigd. In mei 2004 heeft [betrokkene1] nogmaals geld belegd bij verdachte. Ditmaal een bedrag van 12.500 euro. [betrokkene1] kreeg hiervan weer een getekende schuldbekentenis van verdachte. Op 23 september 2004 had [betrokkene1] nog steeds geen geld ontvangen van verdachte.

In november 2001 hoorde aangever [betrokkene2] via [betrokkene9] dat men geld kon beleggen bij verdachte. [betrokkene2] was evenals verdachte werkzaam in (basis) (Duitsland). Verdachte vertelde [betrokkene2] dat het geld op verschillende banken zou worden gezet in Tokio en op de Kaaimaneilanden. Het geld zou van rekening naar rekening gaan middels een speciaal computerprogramma. Na 15 weken zou [betrokkene2] 30% rente ontvangen. Zelf zou verdachte 4-6% houden. [betrokkene2] heeft van mei 2001 tot en met mei 2004 geld ingelegd. Dit deed hij door telkens het bedrag om de 15 weken aan te vullen en te laten staan. [betrokkene2] zou 60.000 euro uitbetaald krijgen. [betrokkene2] heeft een keer 10.000 euro ontvangen van verdachte. Daarna heeft [betrokkene2] echter niets meer van verdachte gehoord.

In november 2003 hoorde aangever [betrokkene3] van de beleggingen van verdachte. [betrokkene3] heeft daarna contact opgenomen met verdachte. [betrokkene3] had op Schiphol met verdachte afgesproken. Verdachte vertelde [betrokkene3] dat hij cash geld van mensen kreeg, Travellers cheques op Schiphol kocht van American Express, daarmee naar Tokio vloog en deze omwisselde bij een bank van American Express in cash geld. Met dat geld ging hij dan weer naar een andere bank in Tokio waar hij het geldbedrag op een rekening stortte. Door middel van tijdsverschillen en datumgrenzen verplaatste verdachte het geld elektronisch vanaf zijn computer in Duitsland naar andere banken in de wereld. Het geld van [betrokkene3] zou rond de wereld circuleren. [betrokkene3] heeft hem toen 24.000 euro overhandigd. Na ongeveer een maand ontving [betrokkene3] een schuldbekentenis. Op 28 september 2005 had [betrokkene3] nog steeds niets terug ontvangen.

Aangever [betrokkene4] is via zijn neef [betrokkene9] met verdachte in contact gekomen. (betrokkene9) had [betrokkene4] verteld dat verdachte belegde. Toen verdachte in Nederland was heeft hij in de woning van [betrokkene9] ouders in [woonplaats] aan [betrokkene4] het systeem uitgelegd. Verdachte liet geld circuleren op maandrekeningen die op een bepaald tijdstip rente berekenden en verdachte zou dan vervolgens het geld overboeken naar een andere rekening. Daarmee kon dan 30% tot 40% rente worden verdiend. Verdachte vertelde dat hij veel naar de Kaaimaneilanden en Japan vloog, waar hij het geld “het systeem in kon laten draaien”. [betrokkene4] heeft daarop onder andere op 20 maart 2003 3000 euro aan verdachte gegeven. [betrokkene4] is nooit door verdachte uitbetaald.

Aangever [betrokkene5] was van 10 november 2003 tot en met maart 2005 werkzaam op (basis) (Duitsland). In die periode is hij in contact gekomen met verdachte. Verdachte vertelde dat zijn schoonouders een bank hadden. Verdachte vertelde aan [betrokkene5] dat hij geld stortte op rekeningen in Zwitserland, Liechtenstein, Dubai en de Kaaimaneilanden. De schoonouders van verdachte hadden de mogelijkheid geld op verschillende rekeningen te storten. Het geld werd dan enkele dagen vastgezet, doorgesluisd en de rentepercentages waren dan na 15 weken zo’n 40%, waarvan verdachte zelf 10% hield. Het geld 2 jaar vastzetten zou 40% tot 45% rente opleveren. Eind november 2003 heeft [betrokkene5] 3500 euro ingelegd. Hiervan heeft hij van verdachte een schuldbekentenis ontvangen, gedateerd 1 december 2003. Daarin stond dat in 2004, week 12, over 3500 euro 50% rente werd uitgekeerd samen met het ingelegde bedrag. Dat geld werd niet in die week uitbetaald. [betrokkene5] heeft besloten om meer in te zetten. Op 28 januari 2004 heeft hij 12.000 euro aan verdachte overhandigd. Sinds midden 2004 heeft [betrokkene5] niets meer van verdachte vernomen en er is niets aan hem uitbetaald.

Aangever [betrokkene6] was van oktober 2001 tot oktober 2004 werkzaam in (basis) (Duitsland). Hij kende verdachte van het werk. Begin 2003 vertelde verdachte hem over geld en tijdzones, waarbij het geld uiteindelijk terecht kwam op de Kaaimaneilanden. [betrokkene6] heeft rond april 2003 5000 euro ingelegd. Verdachte overhandigde hem een schuldbekentenis. Na 15 weken is [betrokkene6] naar verdachte toegegaan, heeft hij gezegd dat hij zijn inzet wilde laten staan en heeft hij verdachte nog eens 3500 euro overhandigd. Daarvan heeft hij een tweede schuldbekentenis van verdachte gekregen. [betrokkene5] heeft in totaal 8500 euro aan verdachte gegeven. Dat geld heeft [betrokkene6] nooit teruggekregen.

Aangever [betrokkene7] werkte als transportplanner in (basis) (Duitsland). Via collega’s hoorde hij dat verdachte geld belegde tegen een hoog rendement. Eind 2001 begin 2002 heeft [betrokkene7] aan verdachte gevraagd hoe dit in zijn werk ging. Verdachte vertelde dat hij geld op een rekening stortte in Japan of China. Via de computer werd het overgemaakt naar andere rekeningen in andere landen. Na 3 maanden kwam een hoog rendement vrij. Verdachte ging dat geld ophalen op een eiland. Verdachte had een rekening waar 500.000 euro op stond. In december 2002 heeft [betrokkene7] 10.000 euro ingelegd. Ongeveer en week later ontving hij een schuldbekentenis. [betrokkene7] heeft in totaal 2 schuldbekentenissen ontvangen. De eerste betaling zou zijn in maart 2004. [betrokkene7] heeft toen gezegd dat hij het geld vast wilde laten staan tot mei 2005. [betrokkene7] heeft in totaal 12.000 euro ingelegd. De tweede keer is verdachte bij hem thuis geweest (militaire kamer: verdachte woonde in [woonplaats], Duitsland). De vrouw van [betrokkene7] heeft toen 2000 euro aan verdachte gegeven. [betrokkene7] heeft nooit geld ontvangen.

Aangever [betrokkene8] werkte van 10 november 2003 tot 11 augustus 2005 in [basis] (Duitsland). Nadat hij van een collega iets had gehoord over geld beleggen heeft hij in januari 2004 contact opgenomen met verdachte. Verdachte vertelde hem dat het geld in tijdzones belegd zou worden. De oom van verdachtes vrouw was bankier en had een speciale bankrekening waarop het geld werd gestort. Verdachte zou het geld zelf in Japan op de bank zetten. Daarna vloog verdachte door naar een ander land, waar hij het geld er zelf weer van af haalde. [betrokkene8] heeft in februari 2004 10.000 euro ingelegd. Hij heeft dit geld op het station in Arnhem aan verdachte afgegeven. Verdachte gaf hem toen meteen een schuldbekentenis. [betrokkene8] zou het bedrag na 1 jaar uitbetaald krijgen met een rentepercentage van 30%. [betrokkene8] heeft toen snel besloten nog eens 15.000 euro in te leggen, omdat verdachte hem had verteld dat een bedrag van 25.000 euro na 2 jaar te hebben laten staan, met een rentepercentage van 40% 400.000 euro zou opleveren. [betrokkene8] heeft hiervan wederom van verdachte een schuldbekentenis gekregen. [betrokkene8] heeft niets teruggekregen van zijn ingelegde geld.

Verdachte is zelf nooit op de Kaaimaneilanden of in Japan geweest.Verdachte had geen rekening op de Kaaimaneilanden. Op de door verdachte aan aangevers verstrekte schuldbekentenissen heeft hij steeds de looptijd van “de lening” en het rente-/rendementspercentage vermeld. Het geld dat werd ingelegd is door verdachte nooit op enige rekening gestort. Een deel van de inleg gebruikte hij om de inleg en rentepercentages van anderen uit te betalen Verdachte ging met een ander deel van het ingelegde geld naar het casino. Met de behaalde winsten keerde hij mensen uit en kochten hij voor zichzelf dure spullen. De personen die op de tenlastelegging staan vermeld hebben uiteindelijk hun geld niet gekregen .

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde op grond van het volgende:

1. Deelnemers aan het handelsverkeer hebben een eigen verantwoordelijkheid en moeten in beginsel de daarbij behorende risico’s aanvaarden. De aangevers in deze zaak hadden kunnen weten dat de constructie die verdachte propageerde niet kon.

2. De opzet op het bevoordelen van zichzelf bij verdachte ontbrak. Verdachte was voornemens de aangevers terug te betalen.

Beoordeling

Ad 1.

Oplichting is een gevolg van bedrog. De wet eist niet meer dan dat iemand in concreto bedrogen is. Dit wil echter niet zeggen dat iedereen die zich met open ogen laat bedriegen zich wegens oplichting kan beklagen. Er moet kunnen worden aangetoond dat het bedrieglijke middel in de bestaande omstandigheden voor de bepaalde persoon zozeer de schijn van waarheid had dat de uitwerking van het bedrog verklaarbaar was.

De aangevers hebben hierover het volgende verklaard:

- [betrokkene1] heeft verklaard dat hij er het vertrouwde gevoel kreeg dat het allemaal goed zat toen verdachte zei dat hij versteld zou staan van de mensen die aan de beleggingen meededen. [betrokkene1] was in eerste instantie sceptisch, maar hij werd enthousiast toen hij hoorde dat mensen daadwerkelijk werden uitbetaald. Dat had hij van die mensen zelf gehoord. Verdachte heeft niet gesproken over een risico;

- [betrokkene2] heeft verklaard dat hij overstag ging omdat verdachte zijn verhaal overtuigend bracht, collega’s meededen, sommige collega’s al uitbetaald hadden gekregen en hij een schuldbekentenis kreeg. Verdachte heeft hem nooit gewezen op risico’s;

- [betrokkene4] heeft verklaard dat verdachte vertrouwen opwekte, omdat verdachte vertelde dat hij bij de [basis] de hoogste “clearance” had om vertrouwelijke informatie te verwerken. En later toen verdachte nog eens het verhaal bij hem thuis hield voor vrienden kon hij alle kritische vragen meteen beantwoorden. Verdachte zei niets over risico’s. Hij garandeerde dat het een 100% verhaal was. Ook meerderen in het leger deden mee;

- [betrokkene5] heeft verklaard dat collega’s bij hem op de afdeling vertelden over het beleggen van verdachte. Enkele weken later zag [betrokkene5] een van zijn collega’s, [betrokkene10], lopen met een envelop gevuld met geld. [betrokkene10] vertelde hem dat het al 2 jaar goed ging. Iedereen werd netjes uitbetaald. Er is nooit gesproken over risico’s. De schuldbekentenis wekte ook het gevoel dat het wel goed zat. Plus het feit dat anderen werden uitbetaald;

- [betrokkene8] heeft verklaard dat hij van zijn collega [betrokkene10] had gehoord over het beleggen van verdachte. Verdachte had charisma. [betrokkene8] is overstag gegaan door het verhaal van verdachte. Het verhaal was geloofwaardig in combinatie met het feit dat er een aantal mensen meededen waaronder officieren. Hij heeft verdachte nog gevraagd naar risico’s, maar verdachte had gezegd dat je het geld 100% gegarandeerd terug zou krijgen.

Gelet op vorenstaande is de militaire kamer van oordeel dat het verhaal van verdachte in de omstandigheden zoals deze zijn geschetst door de aangevers voor hen zozeer de schijn van waarheid kan hebben gehad dat de uitwerking van het bedrog verklaarbaar is. Het verweer wordt derhalve op dit punt verworpen.

Ad 2.

Om van oplichting te kunnen spreken dient te worden bewezen dat verdachte de aangevers, met het voorafgaande doel om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen, door het gebruik van een of meer oplichtingsmiddelen, heeft bewogen tot het inleggen van geld, terwijl verdachte niet van plan was om met dit geld internationale handelingen te gaan verrichten zoals omschreven in de tenlastelegging.

De militaire kamer is van oordeel dat vanaf het moment dat verdachte geld kreeg van de aangevers, terwijl hij wist dat hij het geld zou gaan gebruiken om in te zetten in het casino, er sprake is van het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. Verdachte wist op het moment dat hij het geld kreeg al dat het geld niet zou worden gestort op een buitenlandse rekening, maar voor voormeld doeleind zou worden gebruikt. Dat verdachte daarnaast nog steeds het oogmerk (of de hoop) had om de aangevers terug te betalen doet hier niet aan af. Zijn handelen was immers ook gericht op wederrechtelijke bevoordeling van zichzelf. De aangevers hebben nimmer toestemming gegeven voor een ander gebruik van de door hen ingelegde gelden. In zoverre verwerpt de militaire kamer het verweer op dit punt.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij tot ergens rond 2003 de ingelegde gelden niet heeft ingezet in het casino, maar als tussenpersoon in ontvangst nam en vervolgens aan een ander, ene [betrokkene11], gaf die er vervolgens – naar diens zeggen – internationale handelingen mee verrichtte.

De militaire kamer overweegt hieromtrent dat zij deze verklaring van verdachte geloofwaardig noch aannemelijk acht. Verdachte heeft pas na de ontvangst van de dagvaarding in een brief aan het Openbaar Ministerie van 22 september 2008 de naam [betrokkene11] voor het eerst genoemd. Verdachte heeft dit verhaal in zijn geheel niet onderbouwd. Afgezien van de naam en diens nationaliteit (een Egyptenaar) weet verdachte helemaal niets over deze persoon te vertellen dat aanknopingspunten bood voor nader onderzoek . Ook heeft hij geen (kopie van een) administratie of anderszins ter beschikking gesteld waaruit het bestaan van deze persoon zou kunnen blijken. Dit terwijl verdachte ook naar eigen zeggen toch meerdere jaren met deze persoon zou hebben samengewerkt. Voorts wordt door geen van de aangevers gesproken over een persoon waarmee verdachte binnen het systeem samenwerkte. De militaire kamer verwerpt derhalve ook het verweer op dit punt.

Uit het voorgaande volgt dat het oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling kan worden bewezen.

Conclusie

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 april 2004 te Heidelberg (Duitsland), en te Schiphol en Ermelo en Arnhem, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels na te noemen personen, heeft bewogen tot de afgifte van geld, te weten:

- [betrokkene1] een geldbedrag van euro 32.500,--

(dossierpagina 61012) en

- [betrokkene2] enig geldbedrag

(dossierpagina 62009) en

- [betrokkene3] een geldbedrag van euro 24.000,--

(dossierpagina 63009) en

- [betrokkene4] enig geldbedrag

(dossierpagina 64012) en

- [betrokkene5] enig geldbedrag

(dossierpagina 65009) en

- [betrokkene6] een geldbedrag van euro 8.500,--

(dossierpagina 66009) en

- [betrokkene7] een geldbedrag van euro 12.000,--

(dossierpagina 67012) en

- [betrokkene8] een geldbedrag van euro 25.000,--

(dossierpagina 68007)

hebbende hij, verdachte, - zakelijk weergegeven – voormelde personen benaderd en/of contact gehad met één of meer voormelde personen en telkens opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid aangegeven dat hij, verdachte, met van die personen te lenen gelden (internationale) handelingen zou gaan verrichten (immers verdachte heeft aan voormelde personen aangegeven dat hij overboekingen van de door hem te lenen gelden naar en tussen (buitenlandse) banken in verschillende tijdzones (in een zeer kort tijdsbestek) zou (gaan) verrichten waardoor (hoge) rentepercentages/ rendementspercentages (tussen 30% en 40%) zouden worden behaald en uitgekeerd, waartoe hij

- een schuldbekentenis op naam van hem, verdachte, heeft opgemaakt en ondertekend en

- op die schuldbekentenis de looptijd van de lening en het rentepercentage/rendementspercentage heeft vermeld,

waardoor voormelde personen werden bewogen tot bovenomschreven afgiften, terwijl er nimmer aan bovengenoemde personen enig geldbedrag werd uitgekeerd;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Oplichting, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft de militaire kamer verzocht om aan verdachte geen vrijheidsstraf op te leggen en verdachte niet te bestraffen of te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke straf. De verdediging heeft hiertoe het volgende aangevoerd:

- verdachte is zijn werk kwijtgeraakt;

- de feiten zijn lang geleden gepleegd;

- de aangevers zijn duidelijk behoorlijk naïef geweest;

- verdachte is zijn vrouw en later zijn vriendin kwijtgeraakt vanwege problemen met schuldeisers;

- diverse familieleden van verdachte zijn bedreigd door schuldeisers;

- verdachte heeft al 6 maanden in detentie gezeten in Duitsland voor oplichting in dezelfde periode op dezelfde plaatsen;

- er zijn opsporingsbevoegdheden geschonden in het vooronderzoek;

- verdachte heeft tijdens de eerste verhoren geen bijstand gehad van een raadsman;

- verdachte is mogelijk verminderd toerekeningsvatbaar vanwege zijn verslaving en/of persoonlijkheid;

- de vader van verdachte leidt aan prostaatkanker en heeft nu meer dan ook behoefte aan regelmatig contact met zijn zoon;

- verdachte zit al een jaar in overleveringsdetentie, hetgeen zo lang heeft geduurd door deze zaak.

Beoordeling

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 25 november 2009;

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 15 januari 2009;

• een multidisciplinaire rapportage uitgebracht door drs. [deskundige], arts en kolonel-arts [arts], psychiater en hoofd afdeling psychiatrische advisering BMB, en drs. [psycholoog], GZ-psycholoog, respectievelijk d.d. 27 en 28 september 2010.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een grootschalige oplichting door zich op de aan mensen voor te doen als iemand die met de door deze mensen in te leggen (veelal) grote geldbedragen internationale handelingen zou gaan verrichten tegen hoge rendementen, waarbij de mensen gegarandeerd hun geld terug zouden krijgen. Verdachte heeft echter nooit de intentie gehad om deze gelden op enige rekening te storten. Hij heeft het geld uitgegeven in het casino en zichzelf verrijkt. Verdachte heeft hiermee deze mensen financieel benadeeld en hun vertrouwen beschaamd. Dit is een ernstig feit. Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen het vertrouwen in hem, maar ook het vertrouwen in het handelsverkeer beschaamd.

Gelet op vorenstaande acht de militaire kamer een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Het voorwaardelijke deel dient als stok achter deur om te voorkomen dat verdachte nogmaals soortgelijke strafbare feiten pleegt. Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf houdt de militaire kamer er rekening mee dat het oude feiten zijn en dat dit niet alleen aan de verdediging te wijten is, alsmede met het feit dat verdachte in Duitsland is veroordeeld ter zake soortgelijke feiten in dezelfde periode gepleegd. De door de militaire kamer op te leggen straf is dan ook lager dan de straf die door de officier van justitie is geëist. Het opleggen van geen straf of een geheel voorwaardelijke straf – zoals voorgesteld door de verdediging – doet naar het oordeel van de militaire kamer echter geen recht aan de ernst van de feiten.

6a. De beoordeling van de civiele vorde¬ring(en), alsmede de gevor¬derde op¬legging van de schadevergoedings¬maat¬regel

[betrokkene6]

[betrokkene6] heeft niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade, nu hij geen voegingsformulier heeft ingevuld en slechts heeft volstaan met een brief zonder nadere onderbouwing van het door hem gevorderde. De militaire kamer zal de vordering derhalve buiten beschouwing laten.

[betrokkene1]

De benadeelde partij [betrokkene1] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorde¬ring, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 32.500,- aan materiële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [betrokkene1] tot een bedrag van € 32.500,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 210 dagen hechtenis.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering op grond van het civiele recht verjaard is aangezien er vijf jaren zijn verstreken sinds het opeisbaar worden van de bedragen die in de schuldbekentenissen zijn genoemd.

Beoordeling

Artikel 3:310 van het Burgerlijke Wetboek (BW) bepaalt dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Artikel 3:316 BW bepaalt voort dat de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt.

Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij [betrokkene1] aangifte heeft gedaan van oplichting tegen verdachte op 23 september 2004. De militaire kamer leidt hier uit af dat [betrokkene1] in elk geval vanaf dat moment zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend was. [betrokkene1] heeft zich echter pas ter terechtzitting van 8 februari 2010 gesteld als benadeelde partij. Gelet hierop zou de rechtsvordering tot vergoeding van schade inmiddels verjaard zijn en zou de vordering in beginsel dienen te worden afgewezen. Aangezien [betrokkene1] echter niet ter terechtzitting van 20 december 2010 heeft kunnen reageren op het standpunt van de verdediging en het de militaire kamer voorts niet bekend is of [betrokkene1] wellicht op enigerlei andere wijze de verjaring heeft gestuit, zal de militaire kamer de vordering niet-ontvankelijk verklaren nu deze niet van eenvoudige aard is. Mogelijk kan de benadeelde partij de schade verhalen via de burgerlijke rechter.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 4 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de strafvervolging met betrekking tot de tenlastegelegde feiten voorzover die zijn voltooid vóór 1 september 2002.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feiten zoals vermeld onder

punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [betrokkene1].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. A.Th.M. Vrijhoeven (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en kapitein ter zee van administratie mr. H.T. Wagenaar (militair lid),

in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 januari 2011.