Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:531

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
26-05-2017
Zaaknummer
AWB-09_1775
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen samenvatting, publicatie op verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummers: AWB 09/1775, 09/1776, 09/1777, 09/1778,

09/321 en 09/3882

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 21 juni 2011

inzake

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Nijmegen, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

Jaren 2000 en 2001

Verweerder heeft aan eiseres de volgende navorderingsaanslagen opgelegd en beschikkingen vastgesteld:

- voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .V.07)

vennootschapsbelasting (hierna: Vpb), gedagtekend op 20 december 2008 en berekend naar een belastbare winst van fl. 76.970 en een belastbaar bedrag van fl. 76.970, alsmede bij beschikking een bedrag aan heffingsrente van fl. 4.124;

- voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .V.17)

Vpb, gedagtekend op 3 januari 2009 en berekend naar een belastbare winst van € 31.861 en een belastbaar bedrag van € 31.861, alsmede bij beschikking een bedrag aan heffingsrente van € 912.

Bij brief van 24 april 2009, ontvangen door de rechtbank op 27 april 2009, heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar ten aanzien van de navorderingsaanslagen Vpb voor de jaren 2000 en 2001.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 4 juni 2009 de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

Jaar 2003

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2003 de volgende navorderingsaanslagen opgelegd en beschikkingen vastgesteld:

  • -

    een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .V.37) Vpb, gedagtekend op 13 december 2008 en berekend naar een belastbare winst van € 124.280 en een belastbaar bedrag van € 124.280, alsmede bij beschikking een boete van € 20.814. Daarnaast is bij beschikking € 9.311 aan heffingsrente in rekening gebracht. Bij beschikking is het eerder vastgesteld verlies over het jaar 2003 herzien en vastgesteld op € 0;

  • -

    een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .V.38) Vpb, gedagtekend op 31 december 2008 en berekend naar een belastbare winst van € 531.431 en een belastbaar bedrag van € 531.431, alsmede bij beschikking een boete van € 70.233. Daarnaast is bij beschikking € 31.801 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij brief van 24 april 2009, ontvangen door de rechtbank op 27 april 2009, heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar ten aanzien van de navorderingsaanslagen Vpb voor het jaar 2003.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 4 juni 2009 de navorderingsaanslagen, de boetes en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

Jaar 2004

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2004 de definitieve aanslag Vpb (aanslagnummer aanslagnummer [000] .V.46 en gedagtekend op 23 augustus 2008) opgelegd, berekend naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 945.998, alsmede bij beschikking een boete van € 159.074. Daarnaast is bij beschikking € 54.827 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 4 december 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard. De aanslag is door verweerder nader vastgesteld op een belastbaar bedrag van € 941.666. De boete is verminderd tot € 158.327 en de beschikking heffingsrente is verminderd tot € 54.569.

Bij brief van 12 januari 2009, ontvangen door de rechtbank op 13 januari 2009, heeft eiseres hiertegen beroep ingesteld.

Jaar 2005

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2005 de definitieve aanslag Vpb (aanslagnummer aanslagnummer [000] .V.56 en gedagtekend op 13 juni 2009) opgelegd, berekend naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 847.567, alsmede bij beschikking een boete van € 122.242. Daarnaast is bij beschikking € 45.375 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 20 augustus 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Bij brief van 23 september 2009, ontvangen door de rechtbank op 24 september 2009, heeft eiseres hiertegen beroep ingesteld.

Alle jaren

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2011 te Arnhem.

Namens eiseres is daar verschenen [A] , bijgestaan door [gemachtigde] . Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [B] .

De onderhavige beroepen zijn ter zitting van 1 februari 2011 gelijktijdig behandeld met de beroepen geregistreerd onder 09/1779, 09/1780, 09/1781 (ten name van eiseres en de fiscale eenheid tussen eiseres en [A] ) en 09/1782 (ten name van [A] ).

De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Algemeen

2.1.

Eiseres exploiteert sinds 1997 een autosloperij annex autodemontagebedrijf in [Z] . De activiteiten van eiseres bestaan uit de inkoop van auto’s met als doel om nog te gebruiken onderdelen door te verkopen en om daarna de overblijvende autowrakken aan de schroothandel door te verkopen.

2.2.

Enig aandeelhouder en bestuurder van eiseres is [A] (hierna ook: [A] ). [A] drijft daarnaast een eenmanszaak onder de naam [C] .

2.3.

Op 10 november 2006 heeft verweerder een bedrijfsbezoek afgelegd bij eiseres. Van dit bedrijfsbezoek is met dagtekening 14 november 2006 een rapport opgemaakt. Tijdens het bedrijfsbezoek zijn de inkoopfacturen over de periode 1 januari 2001 tot en met 30 september 2006 onderzocht in verband met belastingheffing van derden (derdenonderzoek). Dit derdenonderzoek vormde onderdeel van het onderzoek genaamd “ [D] ” naar de handel in gestolen personenauto’s.

2.4.

De Politie Gelderland-Zuid heeft tezamen met de Belastingdienst/FIOD-ECD onder de naam “ [E] ” bij eiseres, [A] en de administrateur van eiseres onderzoek gedaan naar het opzettelijk onjuist doen van aangifte voor de omzetbelasting. Van de bevindingen van het onderzoek is met dagtekening 13 juni 2008 een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal is op 23 juni 2008 door de Belastingdienst/FIOD-ECD ter beschikking gesteld aan verweerder. Verweerder heeft op 24 februari 2009 een kopie van het proces-verbaal aan de voormalige gemachtigde van eiseres (mr. [F] van [G] ) toegezonden. Het proces-verbaal is door verweerder overgelegd en behoort tot de gedingstukken.

2.5.

Uit het proces-verbaal blijkt dat eiseres, [A] en de administrateur van eiseres worden verdacht van het vanaf januari 2003 opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting, waarbij (vermoedelijk) gebruik is gemaakt van valselijk opgemaakte inkoopfacturen, waardoor te weinig omzetbelasting is geheven. Vermoed wordt dat [A] zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting.

2.6.

Bij het strafrechtelijk onderzoek zijn de in de administratie van eiseres opgenomen inkoopfacturen op hun echtheid beoordeeld. Gelet op de tenaamstellingen van de leverende ondernemingen, de lay-out en de omschrijving van de geleverde goederen is het vermoeden ontstaan dat het om valselijk opgemaakte facturen gaat, dat deze facturen afkomstig zijn van niet-bestaande ondernemingen en dat er met betrekking tot deze facturen geen daadwerkelijke leveringen hebben plaatsgevonden. De op de facturen vermelde leveranciers hebben de vermelde omzetbelasting niet voldaan. Zij ontkennen de leveranties te hebben verricht. Teven bevat het rapport verklaringen van [H] dat hij op verzoek van [A] deze nota’s heeft opgemaakt. Het gaat daarbij, voor wat betreft de jaren 2003 tot en met 2005, in totaal om de volgende bedragen (exclusief omzetbelasting):

2003: € 175.500 (circa 67% van alle inkopen ad € 262.580)

2004: € 196.000 (circa 95% van alle inkopen ad € 206.920)

2005: € 274.050 (circa 98% van alle inkopen ad € 280.377)

2.7.

Daarnaast is door verweerder een derdenonderzoek ingesteld bij schroothandelaar [I] B.V. (hierna ook: [I] ). [I] heeft in de jaren 2003 tot en met 2005 autowrakken afgenomen van eiseres.

2.8.

Op 12 oktober 2008 heeft [I] aan verweerder desgevraagd een uitdraai van alle leveringen van autowrakken door eiseres in het jaar 2004 verstrekt. Hieruit blijkt dat eiseres in het jaar 2004 in 112 keer voor een bedrag van in totaal € 11.892,10 aan autowrakken heeft geleverd. Het gaat daarbij in totaal om 162.240 kilo.

2.9.

In augustus 2008 heeft [I] aan verweerder desgevraagd uitdraaien van alle leveringen van autowrakken door eiseres in de jaren 2003 en 2005 verstrekt. Volgens die gegevens heeft eiseres in 2003 aan deze afnemer voor in totaal 112.820 kilo aan autowrakken geleverd en in het jaar 2005 voor in totaal 184.160 kilo aan autowrakken.

Navorderingsaanslagen Vpb 2003

2.10.

De definitieve aanslag Vpb voor het jaar 2003 is gedagtekend op 31 mei 2005 en is overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld. Bij beschikking is toen een verlies vastgesteld van € 51.220. Dit verlies is middels carry back verrekend met de jaren 2000 en 2001.

2.11.

Naar aanleiding van de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek, heeft verweerder besloten om een navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2003, vermeerderd met een boete, aan eiseres op te leggen. Dit voornemen is door verweerder bij brief van 13 november 2008 aan de toenmalige gemachtigde van eiseres kenbaar gemaakt. Hierin is – voor zover hier van belang – het volgende geschreven:

“(…)

Kostencorrectie

Omdat de inkoopfacturen vals zijn, is niet gebleken dat er ter grootte van € 175.500 inkopen hebben plaatsgevonden. Ik zal deze inkoopkosten corrigeren.

De belastbare winst zal ik verhogen met € 175.500.

Vaststelling belastbaar bedrag

Aangegeven belastbare winst -/- € 51.200

Correctie:

Kostencorrectie inkopen € 175.500

Vastgesteld belastbare winst/belastbaar bedrag € 124.280

Boete

De aanslag was naar een te laag bedrag opgelegd vanwege het in de administratie opnemen van valse inkoopfacturen. Ik wil uw cliënt een zogenoemde vergrijpboete opleggen op grond van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en paragraaf 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB 1998). Deze boete bedraagt 50%.

De hoogte van de boete is gebaseerd op het bedrag van de navorderingsaanslag. Als er bij het bepalen van de hoogte van de aanslag rekening is gehouden met verliezen, is de hoogte van de boete gebaseerd op het bedrag dat verschuldigd zou zijn geweest als met deze verliezen geen rekening zou zijn gehouden. De boete wordt alleen opgelegd over het bedrag dat niet zou zijn geheven als gevolg van opzet van de belastingplichtige.

Ik ben van plan deze boete op te leggen op grond van de volgende feiten en omstandigheden. Bij een onderzoek zijn valse inkoopfacturen aangetroffen. Deze facturen zijn als inkoopkosten geboekt en als zodanig ten laste van het resultaat van de vennootschap gebracht.

Ik ben van mening dat er sprake is van opzet omdat het gaat om in het in administratie opnemen van valse inkoopfacturen met als doel o.a. het betalen van minder vennootschapsbelasting.

(…)”

2.12.

Naar aanleiding van de bevindingen van het derdenonderzoek, heeft verweerder besloten om een (tweede) navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2003, vermeerderd met boete, aan eiseres op te leggen. Dit voornemen is door verweerder bij brief van 4 december 2008 aan de toenmalige gemachtigde van eiseres kenbaar gemaakt. Hierin is – voor zover hier van belang – het volgende geschreven:

“(…)

Strafrechtelijk onderzoek

Er heeft een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden bij [X] B.V. Tijdens dit onderzoek is geconstateerd dat een groot deel van de inkoopfacturen vals is. Gebleken is dat onder de inkoopfacturen van onderdelen ter grootte van € 175.500 sprake is van valse inkoopfacturen.

Inmiddels is mij tevens gebleken dat een deel van de omzet niet als winst is verantwoord. Dit leid ik af uit de volgende berekening.

Mij is meegedeeld dat een wrak van een dergelijke auto (Mercedes) gemiddeld 600 kilo weegt en dat de verkoopopbrengst van de onderdelen per auto gemiddeld € 4.000 bedraagt. De schrootprijs heb ik gesteld op de werkelijk waarde.

Berekening omzet

Uit mij ter beschikking staande informatie blijkt dat [X] B.V. in het jaar 2003 112.820 kilo aan autowrakken aan een afnemer heeft verkocht.

Aangeboden autowrakken in kg 112.820

Aangeboden aantal autowrakken (112.820 / 600) 188

Opbrengst verhandelde onderdelen (188 * € 4.000) € 752.000

Opbrengst restafval (autowrakken) 4.624

Totale opbrengst € 756.624

Verantwoorde omzet in de vennootschap - 349.473

Niet verantwoorde omzet = dividend € 407.151

(…)

Omzetcorrectie

Vanwege het verschil tussen de in de aangifte verantwoorde- en door mij berekende omzet zal ik de winst moeten corrigeren.

De belastbare winst zal ik ten opzichte van winst volgens de voordien opgelegde (navorderings)aanslag verhogen met € 407.151.

Vaststelling belastbaar bedrag

Aangegeven belastbare winst € 124.280

Correctie:

Hogere omzet volgens berekening € 407.151

Vastgesteld belastbare winst/belastbaar bedrag € 531.431

Boete

De aanslag was naar een te laag bedrag opgelegd vanwege het in de administratie opnemen van valse inkoopfacturen. Ik wil uw cliënt een zogenoemde vergrijpboete opleggen op grond van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en paragraaf 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB 1998). Deze boete bedraagt 50%.

De hoogte van de boete is gebaseerd op het bedrag van de navorderingsaanslag. Als er bij het bepalen van de hoogte van de aanslag rekening is gehouden met verliezen, is de hoogte van de boete gebaseerd op het bedrag dat verschuldigd zou zijn geweest als met deze verliezen geen rekening zou zijn gehouden. De boete wordt alleen opgelegd over het bedrag dat niet zou zijn geheven als gevolg van opzet van de belastingplichtige.

Ik ben van plan deze boete op te leggen op grond van de volgende feiten en omstandigheden. Bij een onderzoek zijn valse inkoopfacturen aangetroffen. Deze facturen zijn als inkoopkosten geboekt en als zodanig ten laste van het resultaat van de vennootschap gebracht. Daarnaast is gebleken dat in het betreffende jaar voor een aanmerkelijk bedrag te weinig omzet is verantwoord.

Ik ben van mening dat er sprake is van opzet omdat het gaat om het, naast het in administratie opnemen van valse inkoopfacturen, niet verantwoorden van een aanmerkelijk deel van de omzet met als doel o.a. het betalen van minder vennootschapsbelasting.

(…)”

Navorderingsaanslagen Vpb 2000 en 2001

2.13.

Gelijktijdig met het opleggen van de navorderingsaanslag over het jaar 2003 is het verlies over dat jaar bij herzieningsbeschikking nader vastgesteld op nihil. Het terugnemen van de verliesverrekening heeft geleid tot het opleggen van de navorderingsaanslagen Vpb voor de jaren 2000 en 2001.

Aanslag Vpb 2004

2.14.

Eiseres heeft voor het jaar 2004 aangifte Vpb gedaan naar een belastbare winst en belastbaar bedrag van € 23.829. Hieruit volgt een te betalen bedrag aan Vpb van € 6.971.

2.15.

Naar aanleiding van de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek en het derdenonderzoek, heeft verweerder besloten om de aanslag Vpb 2004 vast te stellen in afwijking van de ingediende aangifte. Dit voornemen is door verweerder bij brief van 23 juli 2008 aan de administrateur kenbaar gemaakt. Hierin is – voor zover hier van belang – het volgende geschreven:

“(…)

Berekening omzet

Uit mij ter beschikking staande informatie blijkt dat [X] B.V. 162.240 kilo aan autowrakken aan een afnemer heeft verkocht in 2004. Uitgaande van het feit dat de activiteiten van uw cliënte bestaan uit de verkoop van onderdelen van auto’s, betreffen de aangeboden autowrakken restafval.

Mij is meegedeeld dat uw cliënt voornamelijk handelt in onderdelen van auto’s behorende tot het duurdere segment. Ook is mij meegedeeld dat een wrak van een dergelijke auto gemiddeld 600 kilo weegt en dat de verkoopopbrengst van de onderdelen per auto gemiddeld € 4.000 bedraagt. De schrootprijs heb ik gesteld op € 0,10 per kilo.

Uitgaande van de hiervoor beschreven feiten, heb ik de totale omzet als volgt berekend:

Aangeboden autowrakken in Kg’s 162.240

Aangeboden aantal autowrakken (162.240 / 600) 270

Opbrengst verhandelde onderdelen (270 * € 4.000) € 1.080.000

Opbrengst restafval (autowrakken) (162.240 * € 0,10) 16.224

Totale opbrengst € 1.096.224

In de aangifte is slechts een omzet aangegeven van € 325.055. Ik zal de aangifte derhalve corrigeren met € 771.169 (zijnde € 1.096.224 -/- € 325.055)

Kostencorrectie

Omdat de inkoopfacturen vals zijn, is niet gebleken dat er ter grootte van € 196.000 inkopen hebben plaatsgevonden. Een deel van voornoemde inkopen, groot € 45.000, is als voorraad aangemerkt en dus niet in 2004 ten laste van het resultaat gebracht. Ik zal de inkoopkosten die zijn gebaseerd op de valse inkoopfacturen corrigeren. De belastbare winst zal ik verhogen met € 151.000 (€ 196.000 -/- € 45.000).

Vaststelling belastbaar bedrag

Aangegeven belastbare winst € 23.829

Correcties:

Omzetbijtelling € 771.169

Kostencorrectie € 151.000

€ 922.169

Vastgesteld belastbare winst € 945.998

Te verrekenen verliezen 0

Vastgesteld belastbaar bedrag € 945.998

(…)”

2.16.

Bij brief van 23 juli 2008 heeft verweerder eiseres een “Kennisgeving boete art. 67d AWR” gezonden. Hierin is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“(…)

Vergrijpboete

Naast de gevolgen voor de belastingheffing ben ik voornemens een vergrijpboete op te leggen ingevolge artikel 67d Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en paragraaf 25 en 26 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB). Naar mijn mening is er sprake van (voorwaardelijke) opzet. De vergrijpboete bedraagt dan 50%.

De grondslag van de boete is het bedrag van de belasting dat niet is betaald voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige niet is betaald.

Motivering

(…)

Schuldgraad

De aangifte is gebaseerd op een administratie, waarvan u wist of moest weten dat deze verregaand ondeugdelijk was. De administratie is namelijk verregaand ondeugdelijk omdat bijna alle inkoopfacturen vals zijn. Daarmee heeft u willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat onjuist aangifte werd gedaan. De onjuiste aangifte over het jaar 2004 is daarom te wijten aan (voorwaardelijk) opzet.

Boetepercentage

Omdat er sprake is van (voorwaardelijke) opzet, leg ik een boete op van 50% (paragraaf 25 BBBB). Echter, ik acht ook de volgende strafverzwarende en strafverzachtende omstandigheden aanwezig.

Strafverzwarende omstandigheden

- Er is sprake van zeer ernstige gedragingen, namelijk fraude c.q. valsheid in geschrifte;

- Er is sprake van omvangrijk ontgaan van de verschuldigde belastingen.

Ik verhoog derhalve de boete (paragraaf 43 BBBB)

Strafverzachtende omstandigheden

Naast voornoemde strafverzwarende omstandigheden, acht ik ook strafverminderende omstandigheden aanwezig, namelijk de mogelijke komende strafrechtelijke procedures met betrekking tot de heffing van omzetbelasting. Ik matig derhalve de boete (paragraaf 44 BBBB).

Op basis van het voorgaande ben ik voornemens een vergrijpboete van 50% op te leggen.

(…)”

Aanslag Vpb 2005

2.17.

Eiseres heeft voor het jaar 2005 aangifte Vpb gedaan naar een belastbare winst en belastbaar bedrag van € 71.422. Hieruit volgt een te betalen bedrag aan Vpb van € 21.476.

2.18.

Naar aanleiding van de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek en het derdenonderzoek, heeft verweerder besloten om de aanslag Vpb 2005 vast te stellen in afwijking van de ingediende aangifte. Dit voornemen is door verweerder bij brief van 17 april 2009 aan de toenmalige gemachtigde van eiseres kenbaar gemaakt. Hierin is – voor zover hier van belang – het volgende geschreven:

“(…)

Ik ben van plan van deze aangifte af te wijken. Er heeft een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden bij [X] B.V. Tijdens dit onderzoek is geconstateerd dat een deel van de inkoopfacturen vals zijn. Van de in de aangifte gepresenteerde inkoop onderdelen ad € 280.377 is gebleken dat deze voor meer dan 90% gebaseerd zijn op valse inkoopfacturen. Gezien dit gegeven is niet voldaan aan de administratieplicht van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en is niet de vereiste aangifte volgens artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gedaan. Dit betekent dat in de eventuele bezwaar- en beroepsfase ten aanzien van de opbrengsten sprake zal zijn van de verzwaarde c.q. omgekeerde bewijslast volgens artikel 25 en artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Uit mij ter beschikking staande informatie blijkt dat [X] B.V. in het jaar 2005 aan [I] BV 184.160 kilo aan autowrakken heeft verkocht. Uitgaande van het feit dat de activiteiten van [X] BV bestaan uit de verkoop van onderdelen van de auto’s die daarna gestript als autowrakken/restafval worden aangeboden, is de omzet als volgt berekend.

Aangeboden autowrakken in Kg’s 184.160

Aangeboden aantal autowrakken (184.160 / 600)¹ 306

Opbrengst verhandelde onderdelen (306 * € 4.000)² € 1.224.000

Opbrengst restafval (autowrakken) 16.574³

Totale opbrengst 1.240.574

In de aangifte verantwoorde omzet 464.429

Te corrigeren € 776.145

In bovenstaande berekening is uitgegaan van de volgende informatie:

¹- het gemiddelde gewicht per autowrak is ongeveer 600 kilo

²- de verkoopopbrengst van de onderdelen per auto bedraagt gemiddeld € 4.000

³- 90% x 184.160= 164.744 kilo. De schrootprijs kan worden gesteld op € 0,10 per kilo.

Vaststelling belastbare winst / belastbaar bedrag

Aangegeven belastbare winst € 71.422

Omzetbijtelling € 776.145

Vast te stellen belastbare winst € 847.567

(…)”

2.19.

Bij brief van 17 april 2009 heeft verweerder eiseres een “Kennisgeving boete art. 67d AWR” gezonden. Hierin is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“(…)

Vergrijpboete

Afhankelijk van de gevolgen voor de vennootschapsbelasting ben ik van plan een vergrijpboete op te leggen ingevolge artikel 67d Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en paragraaf 25 en 26 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB). Naar mijn mening is er sprake van (voorwaardelijke) opzet. De vergrijpboete bedraagt dan 50%.

De grondslag van de boete is het bedrag van de belasting dat niet is betaald voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige niet is betaald.

Motivering

(…)

Schuldgraad

De aangifte is gebaseerd op een administratie, waarvan u wist of moest weten dat deze verregaand ondeugdelijk was. De administratie is namelijk verregaand ondeugdelijk omdat bijna alle inkoopfacturen vals zijn. Daarmee heeft u willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat onjuist aangifte werd gedaan. De onjuiste aangifte over het jaar 2005 is daarom te wijten aan (voorwaardelijk) opzet.

Boetepercentage

Omdat er sprake is van (voorwaardelijke) opzet, leg ik een boete op van 50% (paragraaf 25 en 26 BBBB). Echter, ik acht ook de volgende strafverzwarende en strafverzachtende omstandigheden aanwezig.

Strafverzwarende omstandigheden

- Er is sprake van zeer ernstige gedragingen, namelijk fraude c.q. valsheid in geschrifte;

- Er is sprake van omvangrijk ontgaan van de verschuldigde belastingen.

Ik verhoog derhalve de boete (paragraaf 43 BBBB)

Strafverzachtende omstandigheden

Naast voornoemde strafverzwarende omstandigheden, acht ik ook strafverminderende omstandigheden aanwezig, namelijk de mogelijke komende strafrechtelijke procedures met betrekking tot de heffing van omzetbelasting. Ik matig derhalve de boete (paragraaf 44 BBBB).

Op basis van het voorgaande ben ik voornemens een vergrijpboete van 50% op te leggen.

(…)”

3 Geschil

In geschil is of:

  • -

    verweerder beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt;

  • -

    de (navorderings)aanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Tevens zijn de hoogte van de in rekening gebrachte heffingsrente en de opgelegde boetes in geschil.


Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Vooraf

Verweerder heeft hangende het beroep alsnog uitspraak op bezwaar gedaan betreffende de navorderingsaanslagen Vpb voor de jaren 2000 en 2001, zodat de beroepen van eiseres

– voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van uitspraken op bezwaar – niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien het belang is komen te ontvallen.

Op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar.

4.2.

Nieuw feit

Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

In het algemeen mag een inspecteur bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de door de belastingplichtige in de aangifte verstrekte gegevens. Alleen indien gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de juistheid van de op de aangifte vermelde gegevens, dient verweerder al bij het opleggen van de aanslag een nader onderzoek in te stellen (HR 6 juni 2001, nr. 36 306, BNB 2001/397, LJN: AB2890).

Een navorderingsaanslag kan evenwel niet worden opgelegd indien het hiervoor bedoelde feit ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag verweerder redelijkerwijs bekend had moeten dan wel had kunnen zijn. Ook is navordering niet mogelijk ingeval de inspecteur de aanslag heeft opgelegd zonder de resultaten van een boekenonderzoek af te wachten (zie onder meer HR 23 september 2005, nr. 38 811, VN 2005/47.5, LJN: AR6477). In die gevallen begaat de inspecteur een ambtelijk verzuim dat navordering verhindert.

Eiseres stelt dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht en bewijslast dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

Verweerder stelt primair dat hij beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres te kwader trouw heeft gehandeld.

Navorderingsaanslag Vpb 2003, aanslagnr. V.37, dagtekening 13-12-2008

Verweerder heeft de eerste navorderingsaanslag Vpb 2003 (aanslagnummer V.37) gebaseerd op bevindingen die aan het licht zijn gekomen bij het strafrechtelijk onderzoek. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is het vermoeden ontstaan dat een groot deel van de inkoopfacturen vals is. Verweerder is op 23 juni 2008 in het bezit gekomen van het proces-verbaal. De primitieve aanslag Vpb 2003, alsmede de verliesbeschikking, is gedagtekend op 31 mei 2005. Nu verweerder ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag en het vaststellen van de verliesbeschikkingen nog niet beschikte over het proces-verbaal van het strafrechtelijk onderzoek, beschikt verweerder voor dat jaar over het voor navordering vereiste nieuwe feit.

Navorderingsaanslag Vpb 2003, aanslagnr. V.38, dagtekening 31-12-2008

De tweede navorderingsaanslag Vpb 2003 (aanslagnummer V.38) is gebaseerd op bevindingen die aan het licht zijn gekomen bij het derdenonderzoek. Naar aanleiding van de bevindingen van het derdenonderzoek, is het vermoeden ontstaan dat eiseres een deel van haar omzet heeft verzwegen. Verweerder is op 26 augustus 2008 in bezit gekomen van een uitdraai van alle leveringen die in 2003 hebben plaatsgevonden tussen eiseres en [I] . Aangezien verweerder ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag Vpb (op 31 mei 2005) nog niet beschikte over deze gegevens, beschikt verweerder over het voor navordering vereiste nieuwe feit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder geen ambtelijk verzuim begaan door bij het opleggen van de eerste navorderingsaanslag Vpb 2003 (V.37) niet al rekening te houden met de gegevens van het derdenonderzoek, nu verweerder, vóór de dagtekening van de eerste navorderingsaanslag van 13 december 2008, bij brief van 4 december 2008 al aan eiseres kenbaar heeft gemaakt dat hij voornemens is om een tweede navorderingsaanslag op te leggen en daarbij in detail de aanvullende correcties heeft beschreven.

De stelling van eiseres dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast ten aanzien van het nieuwe feit, dient te worden verworpen. Verweerder heeft bij brieven van 13 november 2008 en 4 december 2008 de berekeningen van zowel de kosten- als de omzetcorrecties meegedeeld aan (de gemachtigde van) eiseres. Daarnaast heeft verweerder onweersproken gesteld dat hij de gemachtigde van eiseres bij brief van 24 februari 2009 het proces-verbaal van het strafrechtelijk onderzoek heeft toegezonden. Verweerder kon derhalve volstaan met de verwijzing naar de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek zoals die volgen uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal. Ten aanzien van de bevindingen van het het derdenonderzoek bij [I] heeft verweerder een lijst van geleverde autowrakken overgelegd.

Navorderingsaanslagen 2000 en 2001

De navorderingsaanslagen 2000 en 2001 vloeien voort uit de verrekening van een verlies uit het jaar 2003. Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder met betrekking tot de navordering over het jaar 2003 beschikt over een nieuw feit, beschikt hij daarmee tevens over een nieuw feit voor herstel van de verliesbeschikking over dat jaar en voor navordering over de jaren 2000 en 2001.

4.3.

Omkering bewijslast

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bewijslast moet worden omgekeerd omdat niet de vereiste aangifte is gedaan en omdat eiseres niet voldaan heeft aan de administratieplicht van artikel 52 van de AWR.

Artikel 27e, eerste volzin, aanhef, onder a en slot, van de AWR bepaalt dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

Artikel 27e, eerste volzin, aanhef, onder b en slot, van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien niet volledig is voldaan aan de verplichtingen van artikel 52 AWR, de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

In artikel 52 van de AWR is bepaald dat administratieplichtigen, zoals eiseres, verplicht zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Bij beantwoording van de vraag of eiseres heeft voldaan aan de administratieplicht moet naar het oordeel van de rechtbank rekening worden gehouden met de aard en omvang van de onderneming.

Aan de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek kan het vermoeden worden ontleend dat in de administratie van eiseres met betrekking tot de jaren 2003 tot en met 2005 voor omvangrijke bedragen gefingeerde kosten op valse inkoopfacturen zijn aangetroffen, welke als inkopen in de boekhouding van dat jaar zijn verwerkt en daarmee ten laste van de winst van eiseres zijn gebracht. Ten aanzien van alle jaren wordt vermoed dat het grootste deel van de totale inkoop bestaat uit valse inkoopfacturen. Eiseres heeft, met hetgeen zij heeft aangevoerd, dit vermoeden niet ontzenuwd. Zij heeft slechts ontkend dat van valse facturen sprake is. De rechtbank acht derhalve aannemelijk dat de inkoopfacturen vals zijn. Hierdoor bestaat geen inzicht in de inkoop en voorraad van eiseres.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gebreken zodanig dat zowel sprake is van een onjuiste aangifte als van een schending van de administratie- en bewaarplicht zoals genoemd in artikel 52 van de AWR. De rechtbank acht deze schending van een dermate groot gewicht dat deze de omkering van de bewijslast rechtvaardigt. De omkering van de bewijslast leidt ertoe dat de navorderingsaanslagen Vpb 2003 en de aanslagen Vpb 2004 en Vpb 2005 worden geacht juist te zijn tenzij eiseres overtuigend aantoont dat deze belastingaanslagen niet tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld.

4.4.

Hoogte navorderingsaanslagen Vpb 2003 en aanslagen Vpb 2004 en 2005

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, met hetgeen zij heeft aangevoerd, niet overtuigend aangetoond dat en in hoeverre de belastingaanslagen te hoog zijn vastgesteld, reeds omdat zij aan de juistheid van haar administratie wil vasthouden.

De zogenoemde omkering van de bewijslast ontslaat verweerder echter niet van zijn verplichting de door hem berekende correcties niet naar willekeur vast te stellen (HR 29 september 1993, nr. 28 400, LJN: ZC5466).

Verweerder heeft de correcties berekend aan de hand van de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast heeft verweerder een berekening gemaakt van de theoretische omzet, waarbij hij is afgegaan op gegevens die zijn aangetroffen bij afnemer [I] . Op basis van deze informatie, alsmede branche-informatie en ervaringscijfers (welke eveneens door verweerder zijn overgelegd), heeft verweerder per jaar een berekening van de theoretische omzet gemaakt, zoals hierboven weergegeven onder de vaststaande feiten.

De rechtbank acht de door verweerder toegepaste berekeningsmethode in beginsel niet onredelijk. Wel acht de rechtbank het onredelijk dat verweerder bij zijn berekening is uitgegaan van het als minimum aan te merken gewicht van 600 kg per wrak. De tot de gedingstukken behorende verklaring van afnemer [I] dat een gewicht van 600 kg per wrak alleszins redelijk is, is daartoe onvoldoende. Namens eiseres is ter zitting verklaard dat een autowrak tussen 600 en 800 kg weegt. De rechtbank acht dit - gelet op informatie afkomstig van [I] - aannemelijk. Voor de berekening van de omzetcorrectie acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een gemiddeld gewicht per wrak van 700 kg.

De aangebrachte winstcorrecties (na bezwaar) waren:

2003

2004

2005

Inkoopcorrectie

175.500

151.000

0

Omzetcorrectie

407.151

766.837

776.145

Totaal

582.651

917.837

776.145

Belastbare winst volgens aangifte

-51.220

23.829

71.422

Vastgestelde belastbare winst

531.431

941.666

847.567

Op grond van het vorenstaande moeten de winstcorrecties voor de jaren 2003 tot en met 2005 als volgt worden verminderd. Voor de omzetcorrecties wordt uitgegaan van een gewicht per bij [I] aangeleverd wrak van een sloopauto van 700 kg en met een opbrengst van de verkoop van onderdelen van € 4.000 per sloopauto. Voor de jaren 2003 en 2004 moet daarnaast rekening worden gehouden met een inkoopwaarde per wrak van € 500.

2003

2004

2005

A. Aangeboden gewicht autowrakken in kg

112.820

162.240

184.160

B. Gewicht per wrak van een sloopauto

700

700

700

C. Aantal aangeboden wrakken van sloopauto’s (A:700)

161

231

263

D. Opbrengst onderdelen sloopauto’s (C x € 4.000)

644.000

924.000

1.052.000

E. Door verweerder berekende omzet onderdelen

752.000

1.080.000

1.224.000

F. Verschil D-E (minder omzetcorrectie)

-108.000

-156.000

-172.000

G. Meer inkopen sloopauto’s 2003 en 2004 (C x € 500)

-80.500

-115.500

0

H. Minder winstcorrecties (F+G)

-188.500

-271.500

-172.000

De belastbare winst moet als volgt worden vastgesteld:

Winst volgens navorderingsaanslag 2003 (V37 en V38) en aanslagen 2004 en 2005 na uitspraken op bezwaar

531.431

941.666

847.567

Af: minder winstcorrecties

-188.500

-271.500

-172.000

Vast te stellen belastbare winst en belastbaar bedrag

342.931

670.166

675.567

4.5.

Navorderingsaanslagen Vpb 2000 en 2001

Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht het verlies over het jaar 2003 nader vastgesteld op nihil. De navorderingsaanslagen Vpb voor de jaren 2000 en 2001 zijn dan ook terecht opgelegd, zodat de beroepen in zoverre ongegrond moeten worden verklaard.

4.6.

Heffingsrente

Tegen de heffingsrente zijn geen afzonderlijke grieven aangevoerd. De heffingsrente moet daarom worden verminderd naar mate de betreffende (navorderings)aanslagen worden verminderd.

4.7.

Boetes

Verweerder heeft op grond van de artikelen 67d en 67e van de AWR juncto paragraaf 25, 26 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB) aan eiseres voor de jaren 2003, 2004 en 2005 vergrijpboetes opgelegd van 50%.

Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres op grote schaal fictieve inkopen in haar administratie heeft opgenomen en dat zij eveneens op grote schaal opbrengsten niet in haar administratie heeft verwerkt. Vervolgens heeft zij op basis van die onvolledige administratie haar aangifte Vpb ingediend. Eiseres, dan wel haar bestuurder, moet zich ervan bewust zijn geweest dat deze handelwijze onjuist was of het reële risico in zich droeg dat de aanslagen tot een te laag bedrag zouden worden vastgesteld. Het is dan ook aan voorwaardelijk opzet van eiseres, dan wel haar bestuurder, te wijten dat te weinig belasting is betaald. De opgelegde vergrijpboetes zijn terecht.

Bij het beoordelen van de vraag of de boetes passend en geboden zijn, dient de rechtbank in aanmerking te nemen dat de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan door middel van omkering van de bewijslast en een theoretische omzetberekening (vgl. HR 20 februari 2009, nr. 08/00928, LJN: BH3321 en HR 18 januari 2008, nr. 41.832, LJN: BC1962). In dit geval heeft verweerder zich moeten baseren op een theoretische omzetberekening, omdat eiseres niet de volledige omzet in haar administratie heeft verantwoord. Gezien de uitgangspunten en aannames waarop verweerder zich heeft gebaseerd bij de theoretische omzetberekening, en in aanmerking genomen de daarop door de rechtbank hiervoor toegepaste vermindering, acht de rechtbank aannemelijk dat de belastingaanslagen, zoals hiervoor aangepast, niet te hoog zijn vastgesteld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om tot matiging van de opgelegde vergrijpboetes over te gaan vanwege de omstandigheid dat de grondslag ervan met toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast is vastgesteld.

Ook overigens acht de rechtbank een boete van 50% gezien de omvang en de aard van de correcties passend en geboden. De boetes zijn terecht, maar, gelet op vorenstaande vermindering van de belastbare bedragen, tot een te hoog bedrag aan eiseres opgelegd.

Voor de beoordeling of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn heeft te gelden dat een (boete)zaak niet binnen een redelijke termijn is behandeld indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak heeft gedaan (HR 22 april 2005, nr. 37.984, LJN: AO9006). De termijn vangt aan op het tijdstip dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de situatie van eiseres deze termijn aangevangen op 13 november 2008 (eerste navorderingsaanslag Vpb 2003), 4 december 2008 (tweede navorderingsaanslag Vpb 2003), 23 juli 2008 (aanslag Vpb 2004) en 17 april 2009 (aanslag Vpb 2005), zijnde de data waarop verweerder zijn voornemen om een boete op te leggen kenbaar heeft gemaakt aan eiseres. Ten aanzien van deze belastingaanslagen geldt dat tussen het tijdstip van de bekendmaking van de boete en deze uitspraak van de rechtbank meer dan twee jaren zijn verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden.

De overschrijding van de redelijke termijn leidt de rechtbank ertoe de opgelegde boetes te verminderen. Met inachtneming van de hoogte van het boetebedrag en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, vermindert de rechtbank de boetes met 25%.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.208 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak en een wegingsfactor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken). De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van de kosten van verschotten, nu eiseres deze kosten niet heeft onderbouwd. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van uitspraken op bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen voor zover gericht tegen de navorderingsaanslagen Vpb 2000 en 2001 ongegrond;

  • -

    verklaart de beroepen voor zover gericht tegen de belastingaanslagen Vpb 2003, 2004, 2005 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de belastingaanslagen Vpb 2003, 2004 en 2005;

  • -

    vermindert de belastingaanslagen Vpb 2003, 2004, 2005 tot belastingaanlsagen berekend naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van respectievelijk € 342.931, € 670.166 en € 675.567;

  • -

    bepaalt dat verweerder de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig vermindert;

  • -

    bepaalt dat verweerder de boetes dienovereenkomstig vermindert en de boetes verder vermindert met 25% met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.208;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van tweemaal € 297 en eenmaal € 288, totaal € 882, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, voorzitter, mr. A.I. van Amsterdam en mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 21 juni 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.