Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:4224

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
25-02-2014
Zaaknummer
217719
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek deelgeschil. Nadere instructie of voorlichting in een deelgeschilprocedure in beginsel niet aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 217719 / HA RK 11-202

Beschikking van 4 oktober 2011

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker,

advocaat mr. T.J.C. Bueters te Wijchen,

tegen

de stichting

STICHTING RIJNSTATE ZIEKENHUIS,

gevestigd te Arnhem,

verweerster,

advocaat mr. E.J.C. de Jong te Utrecht.

De partijen worden verder [verzoeker] en Rijnstate genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    het verweerschrift,

  • -

    de mondelinge behandeling. Verschenen zijn: [verzoeker] voornoemd, mr. Bueters voornoemd, de heer dr. R.H. Boerman (als neuroloog verbonden aan het Rijnstate), [naam] (werkzaam op de afdeling schadebehandeling van MediRisk, verzekeraar van het Rijnstate), mevrouw E. Plate (juridisch adviseur van het Rijnstate) en mr. De Jong voornoemd. Mr. Bueters heeft het standpunt van verzoekster nader toegelicht aan de hand van een pleitnotitie met daaraan gehecht een proces-verbaal van verhoor van 5 juli 2000. Voornoemde stukken behoren tot de stukken van het geding.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is op 3 juni 2000 betrokken geweest bij een vechtpartij in het Asielzoekerscentrum te Arnhem-Noord. [verzoeker] is daarbij in zijn rechteroogkas gestoken en driemaal in de linkerzijde van zijn hoofd. De verdachte van de aanval heeft tegenover de politie verklaard dat hij [verzoeker] met een schroevendraaier heeft aangevallen.

2.2.

[verzoeker] is vervolgens per ambulance overgebracht naar het Rijnstate. Op de afdeling spoedeisende hulp is hij behandeld aan zijn verwondingen en heeft hij een tetanusinjectie toegediend gekregen. [verzoeker] is vervolgens ter observatie van 3 tot 6 juni 2000 opgenomen geweest op de afdeling traumatologie (welke afdeling onder verantwoordelijkheid van een chirurg staat). Tijdens de opnameperiode zijn er twee röntgenfoto’s en één CT-scan van het hoofd van [verzoeker] gemaakt. Omdat lucht in de schedel van [verzoeker] is geconstateerd, is een neuroloog in consult gekomen. Op 4 juni 2000 is [verzoeker] door neuroloog Hilkens gezien, en op 5 en 6 juni door neuroloog Boerman. [verzoeker] kreeg door de neuroloog de Trendelenburg stand (met de benen omhoog) voorgeschreven, alsmede het slikken van paracetamol.

2.3.

[verzoeker] is op 6 juni 2000 omstreeks 16:00 uur uit het Rijnstate ontslagen. Daarbij zijn hem door dr. Boerman mondeling instructies meegegeven, als mede een ontslagbrief in een gesloten enveloppe.

2.4.

Bij thuiskomst in het Asielzoekerscentrum is aan [verzoeker] te kennen gegeven dat hij was overgeplaatst naar een Asielzoekerscentrum in Eijbergen. [verzoeker] is daar op diezelfde dag, 6 juni 2000, alleen naar toe gereisd. [verzoeker] is op 9 juni 2000 in een coma geraakt. In het Beatrix Ziekenhuis in Winterswijk is een hersenvliesontsteking geconstateerd. [verzoeker] heeft hieraan verlammingsverschijnselen aan de rechterzijde van zijn lichaam overgehouden, alsmede rug- en zenuwpijn.

2.5.

[verzoeker] heeft het Rijnstate bij brief van 6 november 2002 aansprakelijk gesteld voor de als gevolg van de hersenvliesontsteking ontstane schade. Aansprakelijkheid is door de verzekeraar van het Rijnstate, MediRisk, niet erkend.

2.6.

Partijen hebben op gezamenlijk verzoek vervolgens chirurg J.D. Meeuwis verzocht een rapportage op te stellen omtrent de vraag of door het Rijnstate lege artis is gehandeld. Daartoe hebben partijen gezamenlijk een vragenlijst opgesteld. De rapportage van Meeuwis dateert van 12 november 2007. In het rapport van Meeuwis staat op pagina 6 en verder geschreven:

“(…)Mijns inziens is het dus niet onzorgvuldig iemand met een penetrerend schedel/hersenletsel op te nemen op een chirurgische afdeling. Nog is overplaatsing geïndiceerd naar de neurologische afdeling wanneer de diagnose pneumocephalie is of wordt gesteld.

(…)

Letsels waarbij er een verbinding ontstaat tussen de buitenwereld en de hersenen waarbij liquor naar buiten kan treden en lucht naar binnen is een relatief vaak voorkomend letsel. Het is niet gebruikelijk in neurologische, neurochirurgische behandelingsprotocollen om voor dit soort letsels standaard antibiotica toe te dienen.

Ik acht het dus niet onzorgvuldig dat bij dit letsel geen antibiotica profylaxe of therapie gegeven werd.

(…)

Ik ben het met deze neuroloog eens dat er op dat moment geen verdere klinische behandeling geïndiceerd was. Dit temeer daar uit verslaglegging blijkt dat [verzoeker] niet te motiveren was de adviezen op te volgen. Daarbij moet ook nog aangetekend worden dat het verband tussen platliggen in een Trendenburg en rechtop zitten of lopen m.b.t. het ontstaan van meningitis niet makkelijk te leggen zal zijn.

Er bestond dus geen dringende indicatie tot verdere klinische behandeling. Er is met [verzoeker] in het bijzijn van een begeleider instructie gegeven en een poliklinische afspraak gemaakt voor routinecontrole.

(…)

Bij het verlaten van het ziekenhuis werd patiënt geïnstrueerd dat hij bij ziekteverschijnselen van welke aard dan ook of toegenomen malaise direct contact moest opnemen met een arts. Tevens werd een controle afspraak gemaakt voor 30 juni 2000 op de polikliniek neurologie. Het komt mij voor dat dit voldoende en goede afspraken zijn.

(…)

Opvallend is dat de röntgenfoto van de schedel die op de avond van opname (03-06-2000) is gemaakt, niet is beschreven op diezelfde avond.

Nu zijn er verschillende mogelijkheden: de foto is niet gezien, of de foto is wel gezien maar de afwijking erop (pneumocephalie) is niet gezien.

Op dit punt van onzorgvuldigheid mag de organisatie van het ziekenhuis nog worden gewezen. Ik maak daarbij wel de aantekening (zoals al eerder gedaan) dat de behandeling zeer waarschijnlijk niet anders zou zijn geweest.

(…).”

2.7.

Naar aanleiding van de rapportage van Meeuwis zijn door partijen aanvullende vragen geformuleerd. Deze aanvullende vragen zijn voorgelegd aan neuroloog W.I.M. Verhagen, omdat Meeuwis zich niet deskundig achtte voor de beantwoording van deze vragen. De definitieve rapportage van Verhagen dateert van 25 augustus 2008. In het rapport van Verhagen staat (onder meer) geschreven:

“(…)

Vraag 1.

Er bestaat, voor zover mij bekend is, geen richtlijn of protocol voor behandeling bij pneumocephalie en liquorroe bij een penetrerend hersenletsel.

(…)

Vraag 3.

a)Bij een penetrerend hersenletsel met pneumocephalie en liquorroe was het naar mijn mening zorgvuldiger geweest om antibioticaprofylaxe te geven zoals ook gebeurt bij hersenchirurgie. Bij betrokkene is evenwel geen hersenletsel gediagnosticeerd.

(…)

Vraag 4.

a)(…) Gezien de afwijkingen op de CT-scan en de aard van het letsel was het naar mijn mening redelijk geweest om de klinische observatie langer te doen voortduren, waarbij met name ook de aspecten zoals hierboven door mij genoemd relevant waren. Ook vervolg van laboratoriumdiagnostiek zou ten aanzien van het ontwikkelen van ontstekingsparameters zinvol geweest kunnen zijn.(…)

(…)

c)Bij het verlaten van het ziekenhuis had betrokkene inderdaad een instructie mee moeten krijgen om bij verslechtering van zijn klinische toestand, het optreden van koorts, een toename van hoofdpijnklachten, optreden van focale uitval direct contact op te nemen naar mijn mening met de dienstdoend neuroloog/dienstdoend neurologisch assistent van het ziekenhuis Rijnstate of indien dat om welke reden dan ook onmogelijk zou zijn geweest met een dienstdoend huisarts waarbij aan de dienstdoend huisarts de aard van de intracraniële problematiek moest worden gemeld. Betrokkene is in ieder geval geen schriftelijke instructie meegegeven. Ten aanzien van de instructie die aan betrokkene is meegegeven, zijn de beschrijvingen verschillend. Boerman beschrijft uitvoerig hoe hij betrokkene zou hebben geïnstrueerd, maar dit is in het dossier niet terug te vinden. Instructies zoals deze wel zijn gegeven, zijn veel summierder, terwijl betrokkene zelf aangeeft in het geheel geen instructie te hebben meegekregen.

d)Ik acht het niet aannemelijk dat opvolgen van deze instructie de hersenvliesontsteking had kunnen voorkomen.

(…)

Vraag 6.

De behandeling zou niet anders zijn geweest als er direct of direct na de beoordeling van de rontgenfoto’s een CT-scan was gemaakt.”

2.8.

De advocaat van [verzoeker] heeft vervolgens op basis van de rapportage van Verhagen geconcludeerd dat het Rijnstate is tekort geschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Het Rijnstate heeft vervolgens gesteld dat [verzoeker] onjuiste conclusies uit de rapportage van Verhagen heeft getrokken en heeft met een beroep op de beide rapportages aansprakelijkheid betwist.

2.9.

De advocaat van [verzoeker] heeft vervolgens in een brief van 5 januari 2011 aangekondigd een deelgeschilprocedure aanhangig te zullen maken. [verzoeker] heeft op 21 juni 2011 zijn verzoekschrift ingediend.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt

I. primair dat de rechtbank vaststelt dat het Rijnstate toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de behandelingsovereenkomst doordat de behandelend artsen niet de zorgvuldigheid in acht genomen hebben, die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot onder vergelijkbare omstandigheden verwacht mag worden, door het niet toedienen van antibiotica, het niet langer opnemen van [verzoeker], terwijl daar nog wel een klinische noodzaak toe bestond, het bij het ontslag niet geven van adequate instructies en het niet tijdig stellen van een juiste diagnose waardoor er een delay in de behandeling is ontstaan. Daarbij tevens te bepalen dat Rijnstate aansprakelijk is voor de door [verzoeker] ten gevolge van deze tekortkoming geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade en verplicht is deze schade aan [verzoeker] te vergoeden. En tot slot Rijnstate, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, daarbij te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten aan [verzoeker] over te gaan ad € 34.910,32, dan wel een door de Rechtbank in redelijkheid te bepalen bedrag, althans een voorschot hierop.

Subsidiair indien de toerekenbare tekortkoming (nog) niet vastgesteld kan worden Rijnstate op te leggen mee te werken aan het stellen van aanvullende vragen aan de ingeschakelde deskundigen, dan wel de inschakeling van een nieuwe deskundige ter beantwoording van de vraag of er toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de behandelingsovereenkomst en de kosten hiervan voor haar rekening te nemen.

II. primair Rijnstate te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, over te gaan tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 50.000,00, dan wel een naar redelijkheid door de Rechtbank vast te stellen bedrag, als voorschot onder algemene titel op door hem geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade.

Subsidiair indien het verzoek tot betaling van een voorschot (nog) niet gehonoreerd kan worden, Rijnstate op te leggen mee te werken aan het stellen van aanvullende vragen aan de ingeschakelde deskundigen, dan wel de inschakeling van een nieuwe deskundige ter beantwoording van de vraag of er causaal verband aanwezig is tussen de voormelde tekortkoming en de door [verzoeker] geleden materiële en immateriële schade en de kosten hiervan voor haar rekening te nemen.

III. Rijnstate daarbij te veroordelen in de kosten van het geding, eveneens voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met het verzoek terzake van het honorarium van de advocaat deze kosten aan de zijde van [verzoeker] te begroten op € 11.239,07.

3.2.

Het Rijnstate heeft verweer gevoerd. Het Rijnstate heeft onder meer aangevoerd dat [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat het onderhavige geschil geen deelgeschil is. Volgens het Rijnstate kan de aansprakelijkheidsvraag namelijk niet in een deelgeschil worden voorgelegd, is er geen sprake (geweest) van de vereiste onderhandelingen, ligt het gehele geschil ter beslechting aan de rechtbank voor en kan een beslissing in het deelgeschil niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Verder heeft het Rijnstate betwist dat het aansprakelijk is. Hierover wordt als volgt geoordeeld.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 1019w Rv biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade, de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak. Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechtbank te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een dergelijke vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18).

Voorts geldt dat het voorleggen van meerdere deelgeschillen in één procedure in beginsel mogelijk is. Daarbij moet echter wel voor ogen worden gehouden dat de deelgeschilprocedure er niet op is gericht de rechter over een groot aantal deelgeschillen te laten oordelen. Het verder onderhandelen, al dan niet met behulp van een mediator, of het instellen van een bodemprocedure, is dan een meer geëigende weg (Kamerstukken II, 2008-2009, 31518, nr. 8, p. 7). De rechter wijst het verzoek af voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019z Rv).

4.2.

Een verzoek als het onderhavige, dat er in de kern op neerkomt dat in de deelgeschilprocedure wordt vastgesteld dat het Rijnstate jegens [verzoeker] aansprakelijk is, valt op zich, anders dan het Rijnstate heeft betoogd, binnen de omschrijving van artikel 1019w Rv. Dispuut over de vraag of een verweerder jegens de verzoeker aansprakelijk is, is immers te beschouwen als ‘een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt’. Dat de aansprakelijkheidsvraag niet het gehele geschil betreft, volgt reeds daaruit dat na beantwoording daarvan nog het causale verband en de begroting van de schade dient te volgen (in het geval dat de verweerder jegens de verzoeker aansprakelijk wordt geoordeeld).

4.3.

Ook de wetgever is er blijkens de parlementaire geschiedenis van uitgegaan dat de deelgeschilprocedure zich kan lenen voor de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag. Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 10:

“De aansprakelijkheidsvraag kan wel degelijk in een deelgeschilprocedure aan de orde komen. Net als bij andere deelgeschillen zal de rechter zich ook dan moeten afvragen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Deelgeschillen waarvan derhalve te verwachten is dat de beantwoording daarvan kostbaar is en veel tijd in beslag zullen nemen, bijvoorbeeld omdat uitvoerige bewijsvoering en deskundigenberichten nodig zullen zijn, zullen zich minder snel lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure. (…) Dat in een concreet geval de onderhandelingen niet eindigen in een vaststellingsovereenkomst, staat niet aan een ontvankelijkheid in de voorgestelde procedure in de wet. Van belang is immers of de verzochte beslissing een voldoende bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.”

De Minister heeft dit standpunt herhaald in de Nota naar aanleiding van het Verslag, zie Kamerstukken II, 2008-2009, 31 518, nr. 8, p. 9. Het verweer dat het geen deelgeschil in de zin van artikel 1019w Rv betreft, wordt dus verworpen.

4.4.

Het Rijnstate heeft voorts betoogd dat partijen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift allang niet meer met elkaar in onderhandeling waren en dat dat aan ontvankelijkheid van [verzoeker] als verzoeker in de weg staat. Op zichzelf is juist dat na de rapportages van Meeuwis en Verhagen in 3 jaar tijd slechts incidenteel contact tussen partijen is geweest, waarbij de onderhandelingen zijn blijven hangen op de vraag of op basis van de rapportage van Verhagen geconcludeerd kan worden dat het Rijnstate aansprakelijk is.

4.5.

De wetgever heeft bij het ontwerp van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade de situatie voor ogen gehad dat de betrokken partijen in onderhandeling zijn en dat een deelgeschilprocedure bedoeld is om vastgelopen onderhandelingen weer vlot te trekken. Daarop wijst ook artikel 1019x lid 3 aanhef en onder c Rv, waarin is bepaald dat het verzoekschrift een zakelijk overzicht vermeldt van de inhoud en het verloop van de onderhandelingen over de vordering.

4.6.

Het enkele feit dat in casu slechts op incidentele basis onderhandelingen zijn gevoerd, staat echter naar het oordeel van de rechtbank niet per se in de weg aan toegang tot een deelgeschilprocedure. Juist het feit dat de partijen van mening verschillen over de aansprakelijkheid kan een forse drempel zijn voor het op gang komen van onderhandelingen. Het voeren van onderhandelingen ter regeling van een letselschade en het onderzoeken van de omvang van dergelijke schades kan immers kostbaar zijn. De aangesproken partij zal daartoe in veel gevallen niet bereid zijn indien zij de aansprakelijkheid betwist, terwijl het ook voor het slachtoffer niet voor de hand ligt die kosten te maken indien de aansprakelijkheid wordt betwist. Juist om die impasse te doorbreken kan een rechterlijk oordeel in een deelgeschilprocedure een functie vervullen. Die functie is blijkens de hiervoor aangehaalde passages door de wetgever onder omstandigheden beoogd. Zou het enkele feit dat de onderhandelingen nog niet op gang zijn gekomen of juist zijn gestrand, juist door verschil van inzicht over de aansprakelijkheid, reeds tot gevolg hebben dat een verzoeker niet in zijn verzoek wordt ontvangen, dan zou de door de wetgever klaarblijkelijk beoogde mogelijkheid ook de aansprakelijkheid in een deelgeschilprocedure aan de orde te stellen, illusoir worden. Inzoverre faalt het verweer van het Rijnstate.

4.7.

Dan dient de rechtbank te beoordelen of de door [verzoeker] verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daarbij zal de investering in tijd, geld en moeite die met de deelgeschilprocedure gepaard gaat moeten worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. Daarbij wordt het volgende overwogen. Het gaat hier om een medische aansprakelijkheidszaak waarin [verzoeker] aan het Rijnstate vier afzonderlijke verwijten maakt. Het eerste verwijt houdt in dat het Rijnstate ten onrechte in de opnameperiode van 3 tot en met 6 juni 2000 geen antibiotica heeft voorgeschreven. Het tweede verwijt houdt in dat het Rijnstate een onvoldoende lange periode van klinische observatie heeft aangehouden en dat het Rijnstate [verzoeker] op 6 juni 2000 nog niet had mogen ontslaan. Het derde verwijt houdt in dat het Rijnstate ten onrechte geen afdoende instructies aan [verzoeker] heeft gegeven ten tijde van zijn ontslag. Het vierde verwijt houdt in dat er een verwijtbaar delay heeft plaatsgevonden tussen het maken van de CT-scan op 3 juni 2000 en de beoordeling daarvan op de volgende dag. Bij de onderbouwing van deze verwijten baseert [verzoeker] zich op de rapporten van dr. Meeuwis en dr. Verhagen.

4.8.

Het Rijnstate heeft de gegrondheid van al deze verwijten betwist. Het heeft aangevoerd dat ten aanzien van het toedienen van profylactische antibiotica overleg is gevoerd met de neurochirurg prof. dr. Grotenhuis, verbonden aan het Radboud ziekenhuis te Nijmegen, en bij uitstek deskundig op dit gebied, waarbij is besloten dit niet toe te dienen. Het Rijnstate heeft aangevoerd dat uit het rapport van dr. Verhagen niet ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat het niet toedienen van antibiotica zijns inziens verwijtbaar was.

Wat betreft het verwijt dat het Rijnstate [verzoeker] te vroeg heeft ontslagen, heeft het Rijnstate aangevoerd dat er geen klinische noodzaak was [verzoeker] opgenomen te houden, terwijl hij zelf ontslag wenste. Wat betreft het verwijt dat aan [verzoeker] ten onrechte geen instructie is meegegeven, heeft het Rijnstate aangevoerd dat dit feit tussen partijen niet vast staat. Het Rijnstate stelt dat die instructies wel degelijk (mondeling) zijn gegeven en betwist derhalve de feitelijke grondslag van [verzoeker]’s verwijt. Wat betreft het verwijt dat de CT-scan van 3 juni 2000 pas op de volgende dag is beoordeeld, voert het Rijnstate aan dat op 3 juni 2000 geen CT-scan maar een röntgenfoto is gemaakt, dat uit de rapporten van dr. Verhagen en dr. Meeuwis niet volgt dat de CT-scan eerder beoordeeld had moeten worden en dat de behandeling van de pneumocephalie en liquorroe niet ‘pas een dag later’ is gestart.

4.9.

In verband met het feit dat het causale verband tussen de aan het Rijnstate gemaakte verwijten en de schade door het Rijnstate eveneens wordt betwist, zal, om tot een goede afwikkeling van de zaak te komen, op alle verwijten een oordeel dienen te komen. Dat betekent dat het naar het oordeel van de rechtbank niet veel zin heeft in een deelgeschilprocedure op een of meer van die verwijten een oordeel te geven, als de beoordeling van de andere verwijten de scope van de deelgeschilprocedure te buiten gaat.

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat in deze aansprakelijkheidszaak, waarbij aan het Rijnstate vier verschillende vormen van medisch verwijtbaar handelen wordt verweten, waarbij de waardering en duiding van twee deskundigenberichten in het geding is, waarbij bovendien tussen de partijen sprake is van feitelijke geschilpunten (de vraag of sprake is geweest van overleg met prof. dr. Grotenhuis, de vraag in hoeverre aan [verzoeker] instructies zijn verstrekt bij zijn ontslag) zich niet leent voor een deelgeschilprocedure. De deelgeschilprocedure is, zoals hierboven overwogen, immers bedoeld om tussen partijen vastgelopen onderhandelingen weer vlot te trekken door, kort gezegd, op een de partijen verdeeld houdend geschilpunt op snelle wijze in een vlotte procedure te beslissen. Voorshands acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat nadere instructie of voorlichting nodig zal zijn. Bovendien is niet alleen de verwijtbaarheid op vier aspecten onderdeel van het debat tussen de partijen, ook het causale verband tussen het verweten nalaten en de hersenvliesontsteking waaraan [verzoeker] enkele dagen later bleek te lijden, wordt gemotiveerd betwist. De rechtbank acht het dan ook nog bepaald onzeker of haar beslissing een vaststellingsovereenkomst naderbij zal brengen. Dat betekent dat de primaire verzoeken onder I en II zullen worden afgewezen op grond van artikel 1019z Rv. Dat geldt eveneens voor de subsidiaire verzoeken genoemd onder I en II, strekkende tot – kort gezegd – het bevelen van Rijnstate mee te werken aan het stellen van aanvullende vragen. Dat verzoek stuit er bovendien op af dat niet is gespecificeerd welke aanvullende vragen aan de deskundige(n) zouden moeten worden voorgelegd. Als de rechtbank die vragen zelf zou ontwikkelen, zou daarvoor weer nader overleg nodig zijn met de partijen en is in wezen sprake van een verkapte bodemprocedure.

4.11.

Dan de kosten. Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die gemoeid zijn met de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. Daarbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn (MvT, Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 18).

4.12.

[verzoeker] heeft in dat kader verzocht het Rijnstate te veroordelen in de kosten van het geding, met het verzoek terzake van het honorarium van de advocaat deze kosten aan de zijde van [verzoeker] te begroten op € 11.239,07.

4.13.

Het Rijnstate heeft aangevoerd dat het verzoek evident zinloos aanhangig is gemaakt, zodat de daarvoor gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dit geldt temeer, aldus het Rijnstate, nu zij [verzoeker] haar standpunt betreffende de niet‑ontvankelijkheid van [verzoeker] al vóór het indienen van het verzoekschrift aan hem bekend heeft gemaakt. De rechtbank oordeelt als volgt. De mogelijkheid deelgeschillen aan de rechter voor te leggen bestaat pas (relatief) kort. Ten tijde van het indienen van het verzoek was nog onvoldoende in de rechtspraak uitgekristalliseerd onder welke omstandigheden en in welke gevallen met (voldoende) kans van slagen een deelgeschil kan worden ingesteld. Daarom kan op dit moment niet worden gezegd dat het verzoek volstrekt onnodig of onterecht is ingediend. Daarom zal tot begroting van de kosten van de behandeling van het verzoek op de voet van artikel 1019aa Rv worden overgegaan.

4.14.

[verzoeker] heeft verzocht de kosten te begroten op € 11.239,07 (21:12 uren x € 530,15). 15:12 uren hebben betrekking op het opstellen van het verzoekschrift en de overige 6 uren hebben betrekking op het doorlezen van het verweerschrift, het voorbereiden en bijwonen van de zitting en de reistijd. Het Rijnstate heeft zowel tegen het aantal uren als het gehanteerde uurtarief verweer gevoerd. Volgens haar kan het aantal uren maximaal 10 uren bedragen en het uurtarief maximaal € 198,00 per uur exclusief BTW en kantoorkosten. Het aantal uren voor het opstellen van het verzoekschrift komt de rechtbank bovenmatig voor. De rechtbank acht 8 uren -gezien de complexiteit van de zaak- voor het opstellen van het verzoekschrift redelijk. In totaal gaat het dan om 14 uren. Ook het gehanteerde uurtarief komt de rechtbank bovenmatig voor. De rechtbank zal het uurtarief vaststellen op € 200,00 + 5% kantoorkosten en 19% BTW. Dit bedrag dient nog verhoogd te worden met het griffierecht van € 71,00, zodat het totaal bedraagt € 3.569,60.

4.15.

De rechtbank zal het Rijnstate niet veroordelen in de begrote kosten, aangezien de aansprakelijkheid van het Rijnstate niet vaststaat en derhalve onzeker is of voor veroordeling op de voet van artikel 6:96 BW een grondslag bestaat.

4.16.

Voorzover het verzoek van [verzoeker] daarnaast strekt tot een veroordeling in de proceskosten, zoals het Rijnstate dat kennelijk heeft begrepen, geldt dat daarvoor geen plaats is. Op grond van artikel 1019 aa lid 3 Rv is artikel 289 Rv, dat de grondslag vormt voor een veroordeling in de proceskosten, niet van toepassing. Het als buitengerechtelijke kosten begrote bedrag wegens de gemaakte kosten voor het deelgeschil komt in wezen in de plaats van een (forfaitaire) proceskostenveroordeling.

5 De beslissing

De rechtbank,

wijst de verzoeken af,

begroot de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van verzoeker op € 3.569,60.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2011.