Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:2

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
26-05-2017
Zaaknummer
AWB-10_1261
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen samenvatting, publicatie op verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 10/1261

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 4 januari 2011

inzake

[X] , wonende te [Z] , eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Zwolle, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .H.47) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 165.659 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 509, alsmede bij beschikking een boete van € 26.692. Tevens is bij beschikking € 10.209 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 februari 2010 de navorderingsaanslag IB/PVV verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 144.131 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 509. De beschikking heffingsrente is verminderd tot € 8.069 en de boetebeschikking is verminderd tot € 12.311.

Eiser heeft daartegen bij brief van 1 april 2010, ontvangen door de rechtbank op 2 april 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2010 te Arnhem. De zaak is gelijktijdig met de zaak met nummer 10/1260 behandeld. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] . Namens verweerder is verschenen drs. [gemachtigde] .

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.


Eiser is geboren in 1963 en exploiteert een coffeeshop onder de naam “ [A] ”. Verweerder heeft bij eiser een boekenonderzoek ingesteld naar onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2003 tot en met 2006.

Van dit boekenonderzoek is een verslag opgemaakt, gedagtekend 30 september 2008.

De conclusie van het rapport is dat de boekhouding om de navolgende redenen moet worden verworpen.

  • -

    Er werd tot en met 31 december 2007 geen inkoop- en voorraadadministratie van de softdrugs bijgehouden.

  • -

    In de kasadministratie zijn vele negatieve kassen geconstateerd.

  • -

    De brutowinstpercentages over 2002 tot en met 2006 zijn zowel relatief als absoluut te laag in vergelijking tot branchegegevens.

  • -

    De onbenoemde opnamen in de jaren 2002 tot en met 2006 verschillen onderling sterk. Daarbij wordt voor het jaar 2003 een laag netto privé en voor het jaar 2004 een negatief netto privé geconstateerd.

De bevindingen van het boekenonderzoek hebben geleid tot winstcorrecties over onder meer het jaar 2004. Op grond hiervan is er over het jaar 2004 een navorderingsaanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 165.659 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 509.

Tegen deze navorderingsaanslag heeft eiser bezwaar gemaakt. Hij heeft voor de negatieve kassen en het negatief netto privé over het jaar 2004 de volgende verklaring gegeven.

  • -

    Eiser heeft vanaf zijn 12e levensjaar tot aan zijn 40e levensjaar een indrukwekkende collectie militaria verzameld. In 2003 en 2004 heeft hij deze verzameling in delen verkocht. Vanwege de unieke collectie, als ook vanwege sterke stijging van prijzen is de opbrengst van de verkoop fors.

  • -

    Verder heeft eiser in het verleden bedragen aan derden uitgeleend. In het jaar 2003 en 2004 heeft hij deze gelden opgeëist.

Op grond hiervan heeft verweerder een deel van de winstcorrecties laten vallen, maar heeft hij vervolgens de opbrengst van de verkoop van militaria in de heffing betrokken. Verweerder heeft in de bezwaarfase in een brief van 3 februari 2010 het verzamelinkomen het jaar 2004 als volgt berekend.

(…) “In 2004 is een negatieve kas geconstateerd van € 50.802 en een negatief privé volgens de vermogensvergelijking van € 72.539. Op het negatief privé breng ik € 8.478 in mindering i.v.m. terugbetaalde leningen. Het resterende negatieve privé bedraagt € 64.061. Er is in het jaar ook militaria verkocht ten bedrage van (104.180 -/- 69802) € 34.378. Blijft een onverklaarbaar laag netto privé van € 29.683. Uw cliënt moet in 2004 ook ergens van geleefd hebben, daarom stel ik het negatief privé op € 45.000.

Inkoopwaarde softdrugs volgens jaarstukken € 169.356
Correctie i.v.m. laag netto privé € 45.000
Inkoopwaarde = brutowinst € 214.356
Brutowinst volgens jaarstukken € 167.006
Correctie winst uit onderneming € 47.350
Resultaat uit werkzaamheid: verkoop militaria € 34.378
€ 81.728
Correctie meewerkaftrek € 592
Totale correcties € 81.136
Verzamelinkomen volgens aangifte € 63.504
Verzamelinkomen na correctie € 144.640”(…)

Met dagtekening 19 februari 2010 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan en het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot € 144.131.

Voorts heeft verweerder in de uitspraak op bezwaar de boete verminderd. Verweerder heeft geen boete opgelegd met betrekking tot de verkoopopbrengst van militaria. Er is wel een boete (van 50%) opgelegd over de verschuldigde belasting ter zake van de winstcorrectie in verband met het negatief netto privé (€ 45.000) en de correctie winst uit onderneming
(€ 2.350).

3 Geschil


In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  • -

    Is er sprake van een nieuw feit?
    - Is de winst van eiser terecht gecorrigeerd wegens te laag netto privé?

  • -

    Is de opbrengst van de verkoop van militaria aan te merken als een bron van
    inkomen?
    Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, dan komt de vraag op of de
    bron van inkomen gekwalificeerd dient te worden als winst uit onderneming of als

resultaat uit overige werkzaamheden. In beide gevallen is in geschil of de helft van
de opbrengst als kosten van inkoop in aanmerking moet worden genomen?


Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Beoordeling van het geschil


Ten aanzien van het nieuwe feit

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan de inspecteur, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. De tweede volzin van dit artikellid bevat een uitzondering op die regel. Een feit dat de inspecteur bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

Verweerder is van oordeel dat van de verkoop van militaria eerst is gebleken op het moment dat eiser een verklaring heeft gegeven over de geconstateerde negatieve kassen en negatieve vermogensvergelijkingen. In ieder geval is verweerder pas ten tijde van het boekenonderzoek op het spoor kunnen komen van een belastbaar feit ten aanzien van de verkoopopbrengst van militaria.

Op grond van de bevindingen van het boekenonderzoek is aan eiser de onderhavige navorderingaanslag IB/PVV opgelegd. Deze aanslag zag in eerste instantie op een correctie met betrekking tot de winst uit onderneming. In de bezwaarfase heeft verweerder deze correctie laten vallen en is hij de opbrengst die verband houdt met de verkoop van de verzameling militaria in de heffing gaan betrekken. Onder deze omstandigheden kan dan ten aanzien van de verkoopopbrengst volgens eiser niet meer worden gezegd dat er sprake is van het vereiste nieuwe feit, aangezien verweerder ten tijde van het boekenonderzoek al op de hoogte was van de verkoop van de verzameling.

De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit rust op verweerder. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuw feit dient beoordeeld te worden of de navordering voortvloeit uit feiten die bij verweerder bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn.

De rechtbank stelt voorop dat een behoorlijke taakvervulling door verweerder met zich brengt dat hij bij het vaststellen van de aanslag kennis neemt van de gegevens die over de belastingplichtige in het dossier zitten (HR 7 februari 1996, nr. 30.945, BNB 1996/115).

Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van het opleggen van de aanslag over het jaar 2004 niet op de hoogte had kunnen zijn van de verkoopopbrengst van de verzameling militaria. Bovendien heeft verweerder een aanzienlijk tekort in privé geconstateerd, waarvan verweerder ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag eveneens niet op hoogte had kunnen zijn. Er is derhalve sprake van een voor navordering vereist nieuw feit.

Op grond van vaste jurisprudentie staat het de inspecteur vervolgens vrij in bezwaar of in beroep de elementen van de navorderingsaanslag te veranderen met gebruikmaking van de hem ten dienste staande gegevens, met dien verstande dat de aanslag niet mag worden vastgesteld op een hoger bedrag dan het oorspronkelijke (vgl. Hoge Raad 9 december 1998, nr. 33.370, LJN: AA2612).

De stelling van eiser dat in dit geval het vereiste nieuwe feit ontbreekt dient te worden verworpen.

Ten aanzien van de bewijslastverdeling en het netto privé

Artikel 52, eerste lid, van de AWR bepaalt dat administratieplichtigen gehouden zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

In artikel 27e, aanhef en onderdeel b, van de AWR is, voor zover hier van belang, bepaald, dat wanneer niet volledig is voldaan aan één van de verplichtingen ingevolge artikel 52 van de AWR de rechtbank het beroep ongegrond verklaart tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

Indien de bewijslast is omgekeerd met toepassing van artikel 27e van de AWR, dan ontslaat dit verweerder niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correctie niet naar willekeur vast te stellen. De navorderingsaanslag dient te berusten op een redelijke schatting (vergelijk Hoge Raad 29 september 1993, nr. 28.400, BNB 1993/330).



Verweerder neemt het standpunt in dat eiser niet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 52 van de AWR heeft voldaan en concludeert tot omkering van de bewijslast.



De rechtbank stelt voorop dat eiser, die als administratieplichtige is aan te merken, de door verweerder in het controlerapport genoemde gebreken in zijn administratie, met uitzondering van het negatief netto-privé, niet heeft weersproken.

Met betrekking tot het negatieve netto privé over het jaar 2004 stelt eiser het volgende. Uit het rapport van het boekenonderzoek valt af te leiden dat verweerder een negatief netto privé heeft berekend over de jaren 2003 en 2004 van € 72.333 (2003 € 205,65 -/- 2004
€ 72.539,10). Geen discussie is er volgens eiser over de terugbetaling van uitgeleende gelden aan eiser in de jaren 2003 en 2004 van in totaal € 39.629 (2003 € 31.151 en 2004 € 8.478). Voorts bestaat ook over de opbrengst van de verzameling militaria ten bedrage van
€ 104.180 geen discussie, aldus eiser. Hieruit trekt eiser de conclusie dat er over de jaren 2003 en 2004 samen in ieder geval € 71.475,55 (€ 39.629 + € 104.180 -/- € 72.333,45) aan eiser ter beschikking heeft gestaan.

Verweerder voert daartegen aan dat er over het jaar 2004 een negatief netto privé is van
€ 72.539. Dit negatieve bedrag kan gedeeltelijk worden verklaard uit de verkoopopbrengst van militaria, namelijk tot een bedrag van € 34.378. Voorts is er in 2004 € 8.478 terugbetaald op een lening. Aldus resteert voor het jaar 2004 een bedrag van € 29.683 waarvoor geen verklaring is. Verweerder schat vervolgens dat eiser € 15.000 per jaar nodig heeft voor onbenoemde privé uitgaven, zodat hij de winst corrigeert met een bedrag van € 45.000 afgerond.


Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, tegenover de gemotiveerde stelling van verweerder, onvoldoende bewijs geleverd dat het door verweerder in aanmerking genomen bedrag aan netto privé onjuist is. Eiser gaat in zijn berekening voorbij aan de omstandigheid dat de terugbetaling van de geldleningen over het jaar 2003 (€ 31.151) en de verkoopopbrengst van militaria tot een bedrag van € 69.802 reeds zijn aangewend om de negatieve kassen in het jaar 2003 te verklaren. Deze bedragen kunnen derhalve niet nogmaals worden aangewend ter verklaring van het negatieve netto-privé over het jaar 2004.

Op grond van het vorenstaande kan, naar het oordeel van de rechtbank, geen andere conclusie worden getrokken dan dat de administratie van eiser dermate ernstige gebreken vertoont dat eiser niet heeft voldaan aan zijn administratieverplichting als bedoeld in artikel 52, vierde lid, van de AWR.



Nu de administratie van eiser dermate ernstige gebreken vertoont, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval, ingevolge het bepaalde in artikel 27e, aanhef, onderdeel b, van de AWR, de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard. De rechtbank acht dit een proportionele sanctie.

Gelet hierop is het aan eiser om aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar en de daaraan ten grondslag liggende navorderingsaanslag IB/PVV 2004 onjuist is. De verklaring van het netto-privé, zoals door eiser is verstrekt, is in dit verband onvoldoende. Eiser is dan ook niet in deze bewijslast geslaagd.

Vervolgens moet worden beoordeeld of verweerder een redelijke schatting heeft gemaakt. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat verweerder aan de hand van zijn berekening opgenomen onder de feiten een redelijke schatting heeft gemaakt van de correctie winst uit onderneming van € 47.350.


Ten aanzien van de verkoopopbrengst militaria

Verweerder stelt dat de vervreemding van militaria plaats vindt in het economische verkeer en is gericht op het behalen van voordeel. Het voordeel is volgens verweerder ook redelijkerwijs voorzienbaar, aangezien er onmiskenbaar een koopkrachtige vraag is. In verband met de aard en omvang van de activiteiten is er volgens verweerder sprake van een bron van inkomen.

Gelet op de deskundigheid van eiser, het door hem opgebouwde netwerk, het tijdsbeslag dat de verkoopactiviteiten op eiser hebben gelegd, is volgens verweerder sprake van een bedrijfsmatig karakter. Op grond hiervan is verweerder van mening dat het resultaat behaald met de verkoop van militaria is aan te merken als winst uit onderneming, dan wel als resultaat uit overige werkzaamheden. Ter ondersteuning van zijn stelling beroept verweerder zich op de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 2 augustus 2007, nr. 04/02333, LJN: BB6045.

Eiser stelt daarentegen dat de opbrengst uit de verzameling militaria niet moet worden aangemerkt als bron van inkomen. Eiser heeft de verzameling opgebouwd uit interesse en niet met het oogmerk er winst mee te behalen. Mede door de komst van internet is de waarde van de collectie de afgelopen jaren toegenomen.

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of eisers activiteiten een bron van inkomen vormen. Volgens vaste jurisprudentie (vgl. HR 3 maart 1954, BNB 1954/125 en HR 1 februari 2002, nr. 36238, LJN: AD8763) worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen:
1) deelname aan het economische verkeer;
2) het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen;
3) de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.

Ongeacht de omkering en verzwaring van de bewijslast, zoals bedoeld in artikel 27e van de AWR brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat verweerder aannemelijk dient te maken dat ten aanzien van het verkopen van de militaria sprake is van een bron van inkomen. Allereerst zal de rechtbank beoordelen of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat er een objectieve winstverwachting bestond.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet geslaagd in zijn bewijslast. Hierbij hecht de rechtbank belang aan het feit dat eiser tussen zijn 12e en 40e levensjaar een indrukwekkende verzameling militaria opgebouwd. Gedurende de jaren 2003 en 2004 heeft hij deze verzameling in delen verkocht. Niet in geschil is dat de opbouw van deze militaria het karakter van hobby had.

Dat eiser deze verzameling wenst te verkopen en dat hierbij een incidentele bate opkomt, maakt nog niet dat achteraf een objectieve winstverwachting bestond. Bovendien is onweersproken door eiser gesteld dat de komst van internet er toe geleid heeft dat de vraag naar en de prijzen van militaria fors zijn toegenomen. Een groot deel van de gerealiseerde winst is derhalve ontstaan buiten de invloedsfeer van eiser en was niet voorzienbaar. Verder heeft eiser ter zitting desgevraagd verklaard dat hij vanaf het jaar 2003 geen militaria meer heeft aangekocht en ook niet de intentie heeft dit nog te doen.

Dat met de verkoop van de verzameling de nodige arbeid gemoeid is, ligt gezien de omvang van de verzameling voor de hand. Bovendien heeft eiser onweersproken gesteld dat veel tijd is gaan zitten in de verkoop van de verzameling militaria aan geïnteresseerden in plaats van aan handelaren. Eiser heeft bewust gekozen voor verkoop aan geïnteresseerden, aangezien hiermee zijn door hobby opgebouwde verzameling een goede bestemming kreeg. Verkoop aan handelaren zou beduidend minder tijd gevergd hebben en een aanzienlijk hogere opbrengst hebben gegenereerd.

De verwijzing door verweerder naar de uitspraak van gerechtshof Den Bosch van
2 augustus 2007, nr. 04/02333, LJN: BB6045 faalt, omdat in deze uitspraak de feiten en omstandigheden anders lagen. Zo heeft de belastingplichtige in deze uitspraak de activiteiten - ook na verkoop van de eerste mammoet - steeds verder uitgebreid. Bovendien lag er een sterke verwevenheid met de bedrijfsmatige activiteiten van de vader van belastingplichtige.


Uit het vorenstaande volgt dat aan de voorwaarde van de objectieve winstverwachting niet is voldaan, zodat eisers activiteiten niet kwalificeren als een bron van inkomen. Of eiser aan de andere twee voorwaarden heeft voldaan (deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen) kan buiten bespreking blijven.


Ook de vraag of de activiteiten van eiser kwalificeren als een onderneming in de zin van artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) of als resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van artikel 3.90 van de Wet IB 2001, behoeft geen beantwoording meer.

Het gelijk op dit punt is aan eiser, zodat de beroepsgrond van eiser dat de helft van de opbrengst als kosten is te beschouwen geen behandeling behoeft. De navorderingsaanslag wordt verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 109.753 (€ 144.131 -/- € 34.378) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 509.



Ten aanzien van de boete

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zich er van bewust was dat hij de omzet voor een zeer groot gedeelte niet in de boekhouding – en vervolgens niet in de aangifte IB/PVV 2004 - heeft verantwoord, dan wel zich ervan bewust moet zijn geweest dat zijn handelwijze - het voeren van een gebrekkige administratie – het aanmerkelijke risico in zich droeg dat de primitieve aanslag tot een te laag bedrag zou worden vastgesteld. Derhalve moet worden geconcludeerd dat het aan eisers opzet, althans tenminste aan zijn voorwaardelijke opzet, is te wijten dat de primitieve aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Verweerder heeft dan ook terecht een vergrijpboete wegens (voorwaardelijk) opzet opgelegd.

Bij het beoordelen van de vraag of de boete passend en geboden is, dient de rechtbank in aanmerking te nemen dat de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan door middel van omkering van de bewijslast en een theoretische omzetberekening (vgl. HR 20 februari 2009, nr. 08/00928, LJN: BH3321, BNB 2009/118 en HR 18 januari 2008, nr. 41.832, LJN: BL1962, BNB 2008/165). In dit geval heeft verweerder een theoretische berekening van het netto privé opgesteld, omdat eiser niet heeft voldaan aan de administratieplicht. Gelet op de uitgangspunten en aannames waarop verweerder zich heeft gebaseerd bij de theoretische berekening acht de rechtbank aannemelijk dat de correctie niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om tot matiging van de opgelegde vergrijpboete over te gaan vanwege de omstandigheid dat de grondslag ervan met toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast is vastgesteld.

Ook overigens acht de rechtbank een boete van 50% (van de verschuldigde belasting over de correctie winst uit onderneming van € 47.350) gezien de omstandigheden van het geval passend en geboden. De boete is terecht en tot een juist bedrag aan eiser opgelegd.

Ten slotte dient beoordeeld te worden of de boete gematigd dient te worden wegens de overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 EVRM. In beginsel is daarvan sprake indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak heeft gedaan (zie HR 22 april 2005, nr. 37 984, LJN: AO9006, BNB 2005/337). De termijn vangt aan op het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.

De boete is aangekondigd in het op 30 september 2008 opgemaakte rapport van het boekenonderzoek. Ten tijde van het doen van de uitspraak door de rechtbank zijn er meer dan meer dan twee jaren doch niet meer dan tweeënhalf jaar verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn met minder dan een half jaar is overschreden. De rechtbank zal de boete in verband daarmee met 5 % verminderen en op 47,5 % van de verschuldigde belasting over de correctie winst uit onderneming van € 47.350 vaststellen.

Tegen de heffingsrente zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. De heffingsrente moet daarom worden verminderd naar mate de betreffende aanslag wordt verminderd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2004 en de daarbij behorende boetebeschikking en de beschikking heffingsrente gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift,1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Deze zaak en de zaak met registratienummer AWB 10/1260 hangen samen, zoals bedoeld in artikel 3 van het besluit, zodat in deze zaak € 437, de helft van de vergoeding, wordt toegekend.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 109.753 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 509;

  • -

    draagt verweerder op de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig te verminderen;

  • -

    vermindert de boete tot 47,5% van de verschuldigde belasting over de correctie winst uit onderneming van € 47.350;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 437.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 4 januari 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.