Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BR4521

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
08/4660
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2012:BV8626, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsconflict. Verweerder heeft te weinig gedaan om zich op het standpunt te kunnen stellen dat ontslag wegens situatieve arbeidsongeschiktheid gerechtvaardigd is. Verweerder heeft zich onvoldoende ingespannen om tot verbetering van de arbeidsverhoudingen te komen en onverminderd vastgehouden aan zijn standpunt dat eiseres niet ziek was en daarom haar werkzaamheden kon hervatten, terwijl toch duidelijk was, mede gelet op de adviezen van de bedrijfsarts, dat verweerder moest proberen om de oorzaken van de mogelijk medische situatieve arbeidsongeschiktheid weg te nemen. Het mediationtraject was niet op hervatting in de eigen functie gericht, maar op outplacement. Toen dit traject mislukte, had verweerder een poging moeten doen om tot normalisatie van de arbeidsverhoudingen te komen. Het standpunt van verweerder dat eiseres niet ziek was en dus weer aan het werk kon, was immers mogelijk onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 08/4660

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 7 mei 2010.

inzake

[Eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J.A.C. van Etten,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 4 september 2008.

2. Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2008 heeft verweerder eiseres op grond van artikel 8:6, eerste lid, van de Zevenaarse Arbeidsvoorwaarden Regeling (ZAR) met ingang van 1 maart 2008 (eervol) ontslag verleend uit haar functie van juridisch medewerker bij de afdeling Handhaving wegens ongeschiktheid voor de vervulling van haar functie anders dan op grond van ziekten of gebreken.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 12 maart 2010. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.A.C. van Etten, advocaat te Arnhem. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.T.J.H. Berns, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en [medewerker gemeente], werkzaam bij de gemeente Zevenaar.

3. Overwegingen

Eiseres is vanaf [datum] werkzaam geweest als juridisch medewerker bij de afdeling Handhaving van de gemeente Zevenaar.

Naar aanleiding van samenwerkingsproblemen op deze afdeling heeft op verzoek van verweerder in augustus/september 2005 een onderzoek door het bureau KBB & T in de persoon van de heer [onderzoeker] plaatsgevonden. In dat kader zijn interviews met de medewerkers van die afdeling gehouden. Op 12 oktober 2005 heeft de heer [onderzoeker] elke medewerker zijn bevindingen ten aanzien hun persoon in de vorm van een sheet meegedeeld. Deze bevindingen zijn diezelfde dag ook meegedeeld aan het bevoegd gezag.

Eiseres heeft zich hierna herhaaldelijk ziek gemeld. Op 6 februari 2006 is eiseres definitief uitgevallen. Met ingang van 8 januari 2007 heeft de bedrijfsarts eiseres volledig arbeidsgeschikt verklaard.

Op 6 februari 2007 is een mediationtraject gestart. Op verzoek van eiseres is gekozen voor mevrouw mr. S.H.G. Swennen als mediator. Eind mei 2007 is dit traject zonder resultaat beëindigd. Partijen hebben in dit traject hun voorkeur uitgesproken voor outplacement, maar konden het daarover niet eens worden.

Eiseres is met ingang van 4 april 2007 tot 30 april 2007 volledig arbeidsongeschikt geweest.

Bij brief van 18 juni 2007 heeft de heer [gemeentesecretaris], gemeentesecretaris, de bedrijfsarts verzocht om aan te geven of bij eiseres sprake is van ziekte of gebrek of van in haar persoonlijkheidsstructuur gelegen feiten en omstandigheden waardoor zij niet in staat is haar functie te verrichten.

Bij brief van 2 juli 2007 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat eiseres vanaf 30 april 2007 niet arbeidsongeschikt ten gevolge van ziekte of gebrek is.

Op 20 augustus 2007 heeft eiseres met de heer [gemeentesecretaris] een gesprek over werkhervatting gehad. Hierin heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat eerst de problemen op de afdeling moeten worden besproken en opgelost alvorens zij aan het werk kan. Daarnaast is gesproken over de voorwaarden waaronder outplacement zou moeten plaatsvinden.

Bij brief van 30 augustus 2007 heeft verweerder eiseres uitgenodigd voor een gesprek over werkhervatting op 3 september 2007. Eiseres heeft zich wegens ziekte voor dit gesprek afgemeld.

Op 5 september 2007 is eiseres bij de bedrijfsarts geweest. De bedrijfsarts heeft aangegeven dat eiseres niet primair ten gevolge van ziekte of gebrek arbeidsongeschikt is. Wel heeft eiseres forse spanningsklachten en lichamelijke klachten door de langdurig bestaande conflictsituatie. Naar het oordeel van de bedrijfsarts heeft de afspraak voor het gesprek op 3 september 2007 de klachten dermate doen toenemen dat het reëel is dat zij zich daarvoor wegens ziekte heeft afgemeld. Werkhervatting zonder meer is niet mogelijk, omdat de klachten te ernstig zijn en dan naar verwachting zullen toenemen. Partijen zullen in gesprek moeten gaan om tot een oplossing te komen.

Op 24 oktober 2007 heeft de bedrijfsarts verweerder geadviseerd geen energie meer te steken in de terugkeer van eiseres bij de gemeente Zevenaar. Terugkeer in de organisatie in de eigen of een andere functie zal bij eiseres onherroepelijk tot klachten leiden. De enig denkbare oplossing is re-integratie buiten de gemeente.

Bij brief van 12 december 2007 heeft verweerder eiseres op de hoogte gesteld van zijn voornemen om haar op grond van artikel 8:6, eerste lid, van de ZAR met ingang van 1 januari 2008 (eervol) ontslag verleend uit haar functie van juridisch medewerker bij de afdeling Handhaving wegens ongeschiktheid voor de vervulling van haar functie anders dan op grond van ziekten of gebreken.

Ten aanzien hiervan heeft eiseres bij brief van 21 december 2007 haar zienswijze gegeven.

Vervolgens heeft verweerder het in rubriek 2 vermelde besluit van 21 februari 2008 genomen dat, na bezwaar, bij het bestreden besluit is gehandhaafd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat bij eiseres sprake is van een zodanige persoonlijkheidsstructuur dat er sprake is van ongeschiktheid voor de functie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 8:6, eerste lid, van de ZAR kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

Van ongeschiktheid is sprake indien de betrokkene niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie zijn vereist.

De rechtbank wijst er op dat er gevallen zijn aan te wijzen waarin bij langdurige uitval wegens niet medisch objectiveerbare klachten, waar de betrokkene ondanks geboden begeleiding niet in staat bleek tot blijvende re-integratie te komen, een ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken toelaatbaar is. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 oktober 2008, LJN: BG3089.

De rechtbank wijst er voorts op dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebrek doorslaggevend of op grond van medische gegevens met een grote mate van waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat bij en als gevolg van werkhervatting wederom uitval wegens ziekte zal plaatsvinden en/of dat werkhervatting tot schade van de gezondheid zal leiden. Verwezen wordt naar de uitspraken van de CRvB van 1 september 2005, LJN: AU2922, en 30 maart 2006, LJN: AW1845.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de adviezen van de bedrijfsarts van 5 september 2007 en 24 oktober 2007 worden aangenomen dat terugkeer van eiseres bij de gemeente Zevenaar niet mogelijk is, omdat dit naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot klachten die kunnen leiden tot arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Indien verweerder van mening is dat die klachten niet tot arbeidsongeschiktheid wegens ziekte zouden leiden, had hij nader onderzoek moeten doen. Dit heeft verweerder niet gedaan.

Het bestreden besluit is gebaseerd op het advies van de commissie voor de behandeling van bezwaarschriften waarin staat dat onder meer op basis van de sheets die door ”[onderzoeker]” zijn geproduceerd ten aanzien van eiseres gesproken kan worden van een complexe persoonlijkheid die de neiging heeft de problemen te leggen bij anderen en niet (mede) te betrekken op zichzelf.

De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke conclusie niet is terug te voeren op een op acceptabele wijze uitgevoerd psychiatrisch/psychologisch onderzoek. Dit los van de vraag welke consequenties aan een dergelijke constatering verbonden zouden moeten worden. Vast staat dat eiseres voorafgaand aan de bekendmaking van de resultaten van het onderzoek door [onderzoeker] goed heeft gefunctioneerd. Verweerder heeft de ongeschiktheid van eiseres gebaseerd op haar weigering om naar haar functie terug te keren. Eiseres heeft terugkeer in haar functie echter nimmer expliciet uitgesloten. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat sprake is van een arbeidsconflict dat eerst moest worden opgelost. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder te weinig gedaan om zich op het standpunt te kunnen stellen dat ontslag wegens situatieve arbeidsongeschiktheid gerechtvaardigd is. Verweerder heeft zich onvoldoende ingespannen om tot verbetering van de arbeidsverhoudingen te komen en onverminderd vastgehouden aan zijn standpunt dat eiseres niet ziek was en daarom haar werkzaamheden kon hervatten, terwijl toch duidelijk was, mede gelet op de adviezen van de bedrijfsarts, dat verweerder moest proberen om de oorzaken van de mogelijk medische situatieve arbeidsongeschiktheid weg te nemen. Het mediationtraject was niet op hervatting in de eigen functie gericht, maar op outplacement. Toen dit traject mislukte, had verweerder een poging moeten doen om tot normalisatie van de arbeidsverhoudingen te komen. Het standpunt van verweerder dat eiseres niet ziek was en dus weer aan het werk kon, was immers mogelijk onjuist.

Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten, nu eiseres, zoals hiervoor is overwogen, naar behoren heeft gefunctioneerd.

Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiseres om vergoeding van de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 145 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. P.L. de Vos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kajim-Panjer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2010. .

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 7 mei 2010.