Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO8378

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-12-2010
Datum publicatie
22-12-2010
Zaaknummer
AWB 09/2374
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Valt de regie danwel organisatie van het huishouden onder de (geïndiceerde) AWBZ-functie “begeleiding” of behoort deze activiteit tot het domein van de Wmo?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/2374

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 21 december 2010.

inzake

[Eiser], eiser,

wonende te Druten, wettelijk vertegenwoordigd door [namen],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Druten, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 13 mei 2009.

2. Procesverloop

2.1. Bij besluit van 9 mei 2008 heeft verweerder op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: de Wmo) aan eiser gedurende de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012 hulp bij het huishouden voor 5,5 uur per week (HH1) in de vorm van een persoonsgebonden budget ten bedrage van € 815,10 (tot en met 31 maart 2008) en

€ 833,69 (vanaf 1 april 2008) per kwartaal toegekend.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar, in afwijking van het advies van de Commissie voor de behandeling van bezwaarschriften van 11 november 2008, ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 9 mei 2008 gehandhaafd.

2.3. Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

2.4. De rechtbank heeft de zaak gevoegd behandeld met de zaken 09/2362, 09/2365, 09/2382, 09/2446, 09/2548 en 10/697 ter zitting van 21 oktober 2010. Namens eiser is niemand verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.E. Wijnekus, werkzaam bij de gemeente Druten.

2.5. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

3. Overwegingen

3.1. Eiser, 25 jaar, is bekend met het syndroom van Down en verblijft als één van de acht bewoners in het [gezi[gezinsvervangend tehuis]nd tehuis], een gezinsvervangend tehuis. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in dit huis iedere bewoner een eigen zit/slaapkamer heeft en dat er daarnaast gemeenschappelijke ruimtes (woonkamer, keuken, eetkamer) zijn waar zich het sociale leven afspeelt. Er wordt gestreefd naar een huiselijke sfeer waar de bewoners een familiegevoel kunnen ervaren, waarbij zoveel mogelijk als een gezin wordt geleefd. Het stimuleren en behouden van de zelfredzaamheid en daarmee het gevoel van eigenwaarde van de bewoners neemt hierbij een belangrijke plaats in.

3.2. Vast staat dat eiser op grondslag van een verstandelijke handicap is geïndiceerd voor zorg ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). De indicatie omvat de functie ‘begeleiding’, zoals deze wordt ingevuld per 1 januari 2009, na wijziging van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Staatsblad 2008, 533).

3.3. Tijdens de zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser vanwege de aard van zijn beperkingen niet in staat is de huishoudelijke taken zelfstandig uit te voeren en dat hij daarbij sturing en begeleiding nodig heeft. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de regie danwel organisatie van het huishouden onder de (geïndiceerde) AWBZ-functie ‘begeleiding’ valt, zoals verweerder stelt, dan wel tot het domein van de Wmo behoort, zoals eiser betoogt.

3.4. De rechtbank acht het standpunt van verweerder dat de regie en organisatie van het huishouden – gelet op artikel 2 van de Wmo – niet op grond van deze wet kunnen worden overgenomen, omdat deze activiteit reeds onder de AWBZ-functie begeleiding valt, niet juist.

3.5. De rechtbank vindt hiervoor steun in het Besluit zorgaanspraken AWBZ. In artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ is bepaald dat verzekerden met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap aanspraak hebben op de AWBZ-functie begeleiding indien zij matige of zware beperkingen hebben op het terrein van sociale redzaamheid, het bewegen en verplaatsen, het psychisch functioneren, het geheugen en de oriëntatie, of indien zij matig of zwaar probleemgedrag vertonen. De begeleidingsactiviteiten moeten gericht zijn op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en strekken tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing van de verzekerde. De activiteiten kunnen – voorzover hier van belang – bestaan uit het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen danwel het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie.

3.6. De rechtbank leidt hieruit af dat de AWBZ-functie begeleiding ziet op hulp of ondersteuning die een verzekerde in staat stelt activiteiten zelfstandig uit te voeren en aldus de zelfredzaamheid van de verzekerde bevordert of behoudt. Als het gaat om begeleiding in de vorm van het aanbrengen van structuur of het voeren van regie dan bestaat deze bijvoorbeeld uit hulp bij het plannen, initiëren en organiseren van activiteiten, waarna het voor verzekerde vervolgens mogelijk is de taken zelf uit te voeren.

3.7. Dit blijkt ook uit de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ en de CIZ-Indicatiewijzer (Toelichting op de Beleidsregels Indicatiestelling AWBZ, zoals vastgesteld door het ministerie van VWS).

3.7.1. In de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ is uiteengezet dat begeleiding bijvoorbeeld kan bestaan uit het compenseren en actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de verzekerde die door dit gebrek aan regelvermogen onvoldoende of geen regie over zijn eigen leven kan voeren. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag.

3.7.2. In de CIZ Indicatiewijzer is specifiek ingegaan op begeleiding bij huishoudelijke taken: wanneer de hulp bij de regie van het huishouden zich richt op het plannen, stimuleren en voorbespreken van huishoudelijke taken, die de verzekerde vervolgens zelf uitvoert, kan een aanspraak bestaan op de AWBZ-functie begeleiding. Wanneer de verzekerde de huishoudelijke taken wel zelf kan uitvoeren, iemand anders moet toezien/stimuleren en tijdens het uitvoeren van deze huishoudelijke taken aanwezig zijn, dan behoort deze ondersteuning tot de compensatieplicht van de Wmo, aldus de CIZ Indicatiewijzer. Dit geldt ook wanneer de verzekerde deze huishoudelijke taken soms wel en soms niet zelf kan uitvoeren. De rechtbank acht deze afbakening tussen de huishoudelijke verzorging in de zin van de Wmo en de ABWZ-functie begeleiding in overeenstemming met hetgeen ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, van de Wmo onder huishoudelijke verzorging wordt verstaan, namelijk het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon danwel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort.

Het (leren) structureren en organiseren van het huishouden is dus ABWZ-zorg als de verzekerde het huishouden zelf kan uitvoeren, maar daarbij ondersteuning nodig heeft. Als het huishouden moet worden overgenomen vormt de organisatie van het huishouden onderdeel van de Wmo.

3.8. In dit geval staat vast dat eiser vanwege de aard en ernst van zijn beperkingen niet in staat is om zonder begeleiding, regie en sturing zelfstandig een huishouding te organiseren en de huishoudelijke taken zelf uit te voeren. De huishoudelijke taken van eiser worden overgenomen door begeleiders van het [gezinsvervangend tehuis], evenals de organisatie van deze taken. Eiser wordt als bewoner van het [gezinsvervangend tehuis] wel betrokken bij de uitvoering van enkele huishoudelijke werkzaamheden als een onderdeel van zijn dagbesteding. De huishoudelijke taken die eiser in dat kader verricht worden door de begeleiders aangestuurd, gecontroleerd en waar nodig overgedaan. Nu eiser feitelijk niet kan voorzien in de huishoudelijke verzorging en evenmin in staat is de regie daarvan te voeren, is hij ter compensatie van zijn beperkingen aangewezen op ondersteuning bij het voeren van (de regie van) een huishouding, zoals geregeld bij en krachtens de Wmo. De stelling van verweerder dat de regie van het huishouden niet op grond van de Wmo kan worden overgenomen, omdat deze activiteit reeds deel uitmaakt van de AWBZ-functie begeleiding, houdt dus in rechte geen stand.

3.9. Voorts betoogt eiser dat verweerder met betrekking tot de activiteiten ‘boodschappen voor het dagelijks leven doen’ en ‘maaltijdverzorging: bereiding warme maaltijd’ de daarvoor geldende tijdnormering, zoals deze in bijlage 1 (Wmo-richtlijn Indicatieadvisering voor Hulp bij het Huishouden, versie 1.0) van het ‘Verstrekkingenboek Wmo gemeente Druten 2007 (Beleidsregels Wmo Individuele verstrekkingen)’ is neergelegd, vanwege het gemeenschappelijke karakter door toepassing van het evenredigheidsbeginsel, ten onrechte door acht heeft gedeeld.

3.10. Ook dit betoog slaagt. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder niet dat het hiervoor genoemde Verstrekkingenboek Wmo gemeente Druten 2007 voor een dergelijke deling een grondslag biedt. Naar het oordeel van de rechtbank doet het door verweerder vastgestelde aantal minuten voor de hiervoor bedoelde activiteiten (19 respectievelijk 53 minuten per persoon per week), waarbij overigens extra tijd is berekend in verband met de hoeveelheid en verkrijgbaarheid van ingrediënten voor de dieetmaaltijden van twee bewoners van het [gezinsvervangend tehuis], geen recht aan het individualiseringsbeginsel, zoals dit in artikel 4 van de Wmo is verankerd. Zoals ook uit (bijlage 1 van) de Wmo-richtlijn Indicatieadvisering voor Hulp bij het Huishouden blijkt, is de tijdnormering indicatief en dient altijd een individuele afweging te worden gemaakt. Daarvan is de rechtbank evenwel niet gebleken.

3.11. Nu het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 7:12, eerste lid van de Awb en 26 van de Wmo, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Omdat de rechtbank over onvoldoende informatie beschikt om het geschil definitief te beslechten, zal verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

3.12. Nu niet is gebleken van door eiser gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

3.13. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 21 december 2010.