Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO7624

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-12-2010
Datum publicatie
17-12-2010
Zaaknummer
05/720063-10, 05/700617-10, 05/501099-09, 05/501951, en 05/512977-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BW6756, Meerdere afhandelingswijzen
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:2428, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft een 19-jarige man uit Nijmegen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden gevangenisstraf waarvan acht maanden voorwaardelijk wegens het voorbereiden van een gewapende overval op een hotel. Hij wordt vrijgesproken van medeplegen van doodslag. Een 20-jarige man uit Beuningen is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar wegens (onder andere) doodslag en voorbereiding van een gewapende overval op een hotel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

PROMIS II

Parketnummer : 05/720063-10, 05/700617-10, 05/501099-09, 05/501951-09 en

05/512977-09

Data zittingen : 27 april 2010, 18 juni 2010, 13 augustus 2010, 29 oktober 2010 en 03

december 2010

Datum uitspraak : 17 december 2010

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres]

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in HvB Ooyerhoekseweg - Zutphen, Verlengde Ooyerhoekseweg 21

Zutphen.

Raadsman : mr. R.B.J.G. Baggen, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

(parketnummer 05/720063-10)

1.

hij op of omstreeks 15 januari 2010 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf als bedoeld in artikel 312 en/of 317 van het Wetboek van strafrecht (diefstal met geweld in vereniging en/of afpersing in vereniging), opzettelijk een mes en/of een vuurwapen te weten een pistool van het merk Glock) en/of een (gestolen/geheelde) motorfiets (zonder kentekenplaat) en/of (gezichtsbedekkende) kledingstukken (capuchontruien en/of mutsen) om onherkenbaar te zijn, althans herkenbaarheid te voorkomen of te bemoeilijken, (allen) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft/hebben verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of

voorhanden heeft/hebben gehad;

2.

hij op of omstreeks 15 januari 2010 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk M.J.M.G. [slachtoffer1] van het leven heeft/hebben beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachte’s mededader opzettelijk een (gestolen/geheelde) motorfiets heeft/hebben bestuurd en/of op een (gestolen/geheelde) motorfiets hebben gereden,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader bezig was/waren met het uitvoeren, dan wel het voorbereiden van een (gewapende) overval op het Belvoir hotel aan de Graadt van Roggenstraat te Nijmegen, en/of terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader niet in het bezit was/waren

van een voor het besturen van die motorfiets vereist rijbewijs, en/of met die (gestolen/geheelde) motorfiets over een trottoir aan de Graadt van Roggenstraat, nabij het Belvoir hotel, heeft/hebben gereden, terwijl daarbij geen verlichting werd gevoerd en/of die motorfiets niet was voorzien van een kenteken(plaat) en/of, toen hij, verdachte en/of zijn mededader een politievoertuig had/hadden waargenomen luid en/of hardop (naar elkaar) heeft/hebben geroepen: “politie” en/of een (qua aard en/of strekking soortgelijke) waarschuwing (naar elkaar) heeft/hebben geroepen en/of - gelet op de reactie van de in dat politievoertuig aanwezige politieambtena(a)r(en) - had/hadden begrepen, dan wel moeten/kunnen begrijpen, dat hij en/of zijn mededader dat motorrijtuig (motorfiets) tot stilstand moest/moesten brengen, met hoge snelheid is/zijn weggereden en/of gevlucht in de richting van het Keizer Traianusplein en/of zonder te stoppen voormeld trottoir is/zijn afgereden en/of die Graadt van Roggenstraat is/zijn overgestoken, waarbij bijna een aanrijding is ontstaan met een aldaar rijdende personenauto,

en/of, gekomen op dat Keizer Traianusplein, dat verkeersplein, tegen het verkeer in rijdend, is/zijn opgereden en/of linksaf gaand de Sint Canisiussingel is/zijn opgereden en/of met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor die motorfiets geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, over de St. Canisiussingel heeft/hebben gereden en/of met die motorfiets (met aanzienlijk snelheidsverschil) tussen en/of langs andere aldaar (langzamer) rijdende en/of stilstaande voertuigen is/zijn (door)gereden en/of (daarbij) een bij/op/voor de kruising (met de Canisiussingel/Van der Brugghenstraat) geplaatst, voor hem geldend rood licht uitstralend

verkeerslicht heeft/hebben genegeerd en/of (daarbij) die kruising/splitsing, zonder te stoppen en/of te remmen met dezelfde, althans nagenoeg dezelfde (hoge) snelheid is/zijn opgereden en/of (daarbij) (in het geheel) niet, althans in onvoldoende mate heeft/hebben gelet op het overige verkeer en/of de overige verkeersdeelnemers en/of (daarbij) een zich op voormelde kruising bevindende voetganger, welke voetganger doende was om, bij groen licht, op een op die kruising gesitueerde voetgangersoversteekplaats (zebrapad) over te steken, niet voor heeft/hebben laten gaan en/of (vervolgens) met die motorfiets is/zijn gebotst tegen en/of in

aanrijding is/zijn gekomen met voormelde voetganger, zijnde M.J.M.G. [slachtoffer1], tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 15 januari 2010, te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als verkeersdeelnemer(s), namelijk als berijder en/of medeberijder van een (gestolen/geheeld) motorrijtuig (motorfiets) daarmede roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader bezig was/waren met het uitvoeren dan wel voorbereiden van een (gewapende) overval op het Belvoir hotel aan de Graadt van Roggenstraat te Nijmegen, en/of terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader niet in het bezit was/waren van een voor het besturen van dat motorrijtuig (motorfiets) vereist rijbewijs, met dat (gestolen/geheelde) motorrijtuig (motorfiets) als berijder en/of als medeberijder over een trottoir aan de Graadt van Roggenstraat, nabij het

Belvoir hotel, heeft/hebben gereden, zonder daarbij verlichting te voeren en/of terwijl dat motorrijtuig (motorfiets) niet was voorzien van een kenteken(plaat) en/of, toen hij, verdachte en/of zijn mededader een politievoertuig had(den) waargenomen luid en/of hardop (naar elkaar) heeft/hebben geroepen “politie” en/of een qua aard en/of strekking soortgelijke waarschuwing (naar elkaar) heeft/hebben geroepen en/of - gelet op de reactie van de in dat politievoertuig

aanwezige politieambtenaar/naren - had(den) begrepen, dan wel moeten/kunnen begrijpen) dat hij en/of zijn mededader dat motorrijtuig (motorfiets) tot stilstand moest(en) brengen, met hoge snelheid is/zijn weggereden en/of gevlucht in de richting van het Keizer Traianusplein en/of zonder te stoppen voormeld trottoir is/zijn afgereden en/of die Graadt van Roggenstraat is/zijn overgestoken, waarbij bijna een aanrijding is ontstaan met een aldaar rijdend ander motorrijtuig (personenauto) en/of (daarbij) een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft/hebben uitgevoerd, namelijk met dat motorrijtuig (motorfiets) op die weg is/zijn weggereden en/of (daarbij) in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersegels en verkeerstekens de bestuurder van een over die Graadt van Roggenstraat de rijdende ander motorrijtuig (personenauto) niet voor heeft laten gaan en/of, gekomen op dat Keizer Traianusplein, dat verkeersplein/die rotonde, tegen het verkeer in rijdend, is/zijn opgereden en/of linksaf gaand de weg, de St. Canisiussingel, is/zijn opgereden

en/of (daarbij) geen gevolg heeft/hebben gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod inhoudt, namelijk in strijd met bord D1 van de bijlage 1 van het Reglement verkeersregels 1990 en verkeerstekens op een rotonde niet de verplichte rijrichting heeft/hebben gevolgd en/of met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat motorrijtuig (motorfiets) geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, over die weg, de St. Canisiussingel, heeft/hebben gereden en/of (daarbij) in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn/hun snelheid niet zodanig heeft/hebben geregeld dat hij, verdachte en/of zijn mededader in staat

was/waren voormeld motorrijtuig (motorfiets) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, die weg, de Canisiussingel, kon overzien en waarover deze vrij was en/of, gekomen ter hoogte van de kruising en/of splitsing van deze weg en de weg, de Van der Brugghenstraat, met voormeld motorrijtuig (motorfiets) met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat motorrijtuig (motorfiets) geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur en/of met aanzienlijk snelheidsverschil tussen en/of langs de op de rijstroken van die Canisiussingel stilstaande of langzamer rijdende andere motorrijtuigen is/zijn (door)gereden en/of (daarbij) een bij/op/voor die kruising en/of splitsing

(Canisiussingel/Van der Brugghenstraat) geplaatst, voor verdachte en/of zijn

mededader geldend rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en/of (daarbij) in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn/hun rijrichting bestemd driekleuring verkeerslicht dat rood licht uitstraalde,

en/of (daarbij) die kruising/splitsing, zonder te stoppen en/of te remmen met dezelfde, althans nagenoeg dezelfde (hoge) snelheid is/zijn opgereden en/of (daarbij) (in het geheel) niet, althans in onvoldoende mate heeft/hebben gelet op het overige verkeer en/of de overige verkeersdeelnemers en/of in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van voormeld reglement,

een zich op voormelde kruising bevindende voetganger, welke voetganger doende was om, bij groen licht, komende vanaf die Van der Brugghenstraat, op een op die kruising gesitueerde voetgangersoversteekplaats, die Canisiussingel over te steken, niet voor heeft/hebben laten gaan

en/of (vervolgens) met voormeld motorrijtuig (motorfiets) is/zijn gebotst tegen en/of in aanrijding is/zijn gekomen met voormelde voetganger, zijnde voormelde M.J.M.G. [slachtoffer1], en aldus zich zodanig heeft/hebben gedragen dat een aan verdachtes en/of verdachtes mededaders schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (M.J.M.G. [slachtoffer1]) werd gedood, welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte dan wel en/of verdachtes mededader een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximum snelheid, te weten de aldaar geldende maximum snelheid van 50

kilometer per uur, in ernstige mate heeft/hebben overschreden, immers reed/reden hij verdachte en/of verdachtes mededader aldaar met een snelheid van 90 kilometer per uur;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 15 januari 2010, te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, als berijder, dan wel medeberijder van een motorrijtuig (motorfiets) daarmede over een trottoir van de weg, de Graadt van Roggenstraat, nabij het Belvoir hotel, heeft gereden, waarbij geen verlichting werd gevoerd en/of terwijl dat motorrijtuig (motorfiets) niet was voorzien van een kenteken(plaat), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader zonder te stoppen voormeld trottoir is/zijn afgereden en/of die Graadt van Roggenstraat is/zijn overgestoken, waarbij bijna in aanrijding is ontstaan met een aldaar rijdend ander motorrijtuig (personenauto)

en/of (daarbij) een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft/hebben uitgevoerd, namelijk met dat motorrijtuig (motorfiets) op die weg is/zijn weggereden en/of (daarbij) in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersegels en verkeerstekens de bestuurder van een over die Graadt van Roggenstraat rijdend ander motorrijtuig (personenauto) niet voor heeft/hebben laten gaan en/of gekomen op dat Keizer Traianusplein, die rotonde, tegen het verkeer in rijdend, is opgereden en/of linksaf gaand de weg, de Sint Canisiussingel is/zijn opgereden en/of (daarbij) geen gevolg heeft/hebben gegeven aan een verkeersteken, dat een gebod inhoudt, namelijk in strijd met bord D1 van de bijlage 1 van het Reglement verkeersregels 1990 en verkeerstekens op een rotonde niet de verplichte rijrichting heeft/hebben gevolgd en/of met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar voor dat motorrijtuig (motorfiets) geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, over die weg, de Sint Canisiussingel heeft/hebben gereden en/of, gekomen ter hoogte van de kruising of splitsing van deze weg en de weg, de Van der Brugghenstraat, met voormeld motorrijtuig (motorfiets) tussen en/of langs de op de rijstroken van de door hem, verdachte bereden rijbaan van die Sint Canisiussingel stilstaande of langzamer rijdende andere motorrijtuigen

is/zijn (door)gereden en/of, terwijl een/de voor die kruising/splitsing (Sint Canisiussingel/Van der Brugghenstraat) in zijn, verdachtes rijrichting zich bevindend/e verkeerslicht(en), rood licht uitstraalde(n), die kruising/splitsing, zonder te stoppen en/of te remmen is/zijn met dezelfde, althans nagenoeg dezelfde (hoge) snelheid is/zijn opgereden en/of (daarbij) (in het geheel) niet, althans in onvoldoende mate heeft/hebben gelet op het overige verkeer en/of de overige verkeersdeelnemers en/of in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van voormeld reglement,

een zich op voormelde kruising bevindende voetganger, welke voetganger doende was om, bij groen licht, komende vanaf die Van der Brugghenstraat, op een op die kruising gesitueerde voetgangersoversteekplaats, die Sint Canisiussingel over te steken, niet voor heeft/hebben laten gaan en/of (vervolgens) met voormeld motorrijtuig (motorfiets) is/zijn gebotst tegen en/of in aanrijding is/zijn gekomen met voormelde voetganger, zijnde voormelde M.J.M.G. [slachtoffer1], door welke gedraging(en) van verdachte en/of verdachtes mededader gevaar op

die weg/en werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

3.

hij in of omstreeks de maand januari 2010, in elk geval in of omstreeks het jaar 2010 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft /hebben verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft/hebben overgedragen een (rode) motorfiets (van het merk en type Piaggio SKR (Skipper) 150 met (chassis- en/of VIN)nummer [nummer]*), terwijl verdachte en/of zijn

mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld(e) goed(eren) wist/wisten dat dit/deze door diefstal in elk geval door enig misdrijf was/waren verkregen;

4.

hij op of omstreeks 15 januari 2010, althans in of omstreeks de nacht van 15 op 16 januari 2010, te Nijmegen een (anoniem gebleven) personeelslid van het Universitair Medisch Centrum (UMC) St. Radboud, werkzaam op de afdeling spoed eisende hulp van dat medisch centrum, welk personeelslid bezig was met (assistentie bij) het aanleggen van een infuus bij verdachte en/of het toedienen van (genees- en/of kalmerings- en/of pijnstillende middelen aan verdachte, in elk geval bezig was met (assistentie bij) het verrichten van (medische) handelingen bij verdachte, (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk voornoemd(e) personeelslid dreigend de woorden heeft toegevoegd : "Ik weet je te vinden" en/of: "Als ik je in de stad tegen kom, knal ik je af", althans woorden van (soort)gelijke dreigende aard en/of strekking;

5.

hij op of omstreeks 15 januari 2010, althans in of omstreeks de nacht van 15 op 16 januari 2010, te Nijmegen opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten de opsporingsambtenaar J. [naam], die belast was met surveillance en/of toezicht en/of algemene politiedienst (althans met toezicht op en/of begeleiden/bewaken van de reeds aangehouden verdachte tijdens diens opname op afdeling spoedeisende hulp van het ziekenhuis UMC St. Radboud) en aldus en in elk geval gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens

tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden: "De politie zijn kankernazi's" en/of: "Jullie pakken alleen maar de kleurlingen en jullie zijn vieze kankerlijers", althans woorden van (soort)gelijke beledigende aard en/of strekking;

(parketnummer 05/700617-10)

1.

hij op of omstreeks 29 april 2009 te Apeldoorn opzettelijk mishandelend een persoon (te weten W.M.M. [slachtoffer2]), heeft geslagen en/of (in de armen) heeft geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 29 april 2009 te Apeldoorn W.M.M. [slachtoffer2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk voornoemde W.M.M. [slachtoffer2] dreigend de woorden heeft toegevoegd :"Als je ooit een andere jongen krijgt in je leven, dan snijd ik je open en pak je terug via [naam]" en/of: "Ik maak jou dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

(parketnummer 05/501099-09)

hij op of omstreeks 07 juni 2008 te Nijmegen, althans in Nederland, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en / of heeft overgedragen een mobiele telefoon (Nokia) en/of 3, althans één of meer SIM kaarten, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld(e) goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit/deze door diefstal in elk geval door enig misdrijf was/waren verkregen;

(parketnummer 05/501951-09)

1.

hij in of omstreeks de periode van 12 november 2008 tot en met 12 december 2008 te Nijmegen opzettelijk in haar tegenwoordigheid [slachtoffer2] heeft beledigd door enige feitelijkheid, immers heeft hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer2] opzettelijk in het gezicht gespuugd;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 02 februari 2008 tot en met 08 december 2008 te Nijmegen (telkens) (zijn levensgezel) [slachtoffer2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer2] (telkens) dreigend de woorden heeft toegevoegd: "ik maak je af" en/of "ik maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

(parketnummer 05/512977-09)

hij op of omstreeks 16 oktober 2009 te Nijmegen, opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten J. [naam] (hoofdagent van politie), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten in politiedienst aldaar zijnde in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "je bent niks met je uniformpje en met je pistool" en/of "je bent een chicken, een pussy, je bent helemaal niks, je hebt geen ballen" en/of "mietje", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of daarbij opzettelijk beledigend zijn, verdachte’s, geslachtsdelen heeft vastgepakt.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 27 april 2010, 18 juni 2010, 13 augustus 2010, 29 oktober 2010 en 03 december 2010 ter terechtzitting onderzocht. Met uitzondering van de zitting op 13 augustus 2010 is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. R.B.J.G. Baggen, advocaat te Arnhem.

Ter terechtzitting van 03 december 2010 zijn de zaken van de officier van justitie in het arron¬dissement Arnhem, voor zover daar nog geen sprake van was, onder bovenstaande parketnummers bij afzonderlijke dagvaardingen aanhangig gemaakt, gevoegd.

Als benadeelde partij is ter terechtzitting aanwezig G.J.H.M. [benadeelde partij], bijgestaan door mr. M. van Teeffelen.

De officier van justitie, mr. T. Feuth, heeft gerequireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 van parketnummer 05/501951-09 is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Ten aanzien van parketnummer 05/720063-10

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1:

Feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 15 januari 2010 heeft verdachte, samen met medeverdachte [medeverdachte] voorbereidingshandelingen gepleegd ten behoeve van een misdrijf als bedoeld in artikel 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht, diefstal met geweld in vereniging en/of afpersing in vereniging. De voorbereidingshandelingen hebben hierin bestaan dat verdachte en zijn medeverdachte opzettelijk een mes, een van diefstal afkomstige motorfiets, welke motorfiets niet was voorzien van een kentekenplaat, en gezichtsbedekkende kledingstukken, capuchontruien en/of mutsen om onherkenbaar te zijn, alles bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden hebben gehad.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen, ook het voorhanden hebben van het in de tenlastelegging genoemde vuurwapen nu zowel verdachte als medeverdachte M.S. [medeverdachte] onafhankelijk van elkaar met een informant hebben gesproken over een vuurwapen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank maar geeft aan dat uit het dossier niet blijkt dat één van de verdachten een vuurwapen van het merk Glock voorhanden had.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte erkent een gasdrukpistool te hebben meegenomen op weg naar het Belvoir hotel. Verdachte ontkent een vuurwapen van het merk Glock zoals tenlastegelegd voorhanden te hebben gehad.

De medeverdachte [medeverdachte] is tijdens het luchten op 15 maart 2010 in contact gebracht met een politie-informant (A-3305). Tijdens het gesprek tussen deze politie-informant en [medeverdachte], waarbij gesproken werd over het zetten van een overval op een hotel, vertelt [medeverdachte] dat hij een mes bij zich had en zijn maatje een Glock. Nadat [medeverdachte] gevraagd wordt of de Glock een nepper was vertelt [medeverdachte] tegen de politie-informant dat het geen nepper was en dat die alleen maar problemen gaven. Tijdens de vlucht, aldus [medeverdachte], zijn het mes en vuurwapen weggegooid.

Ook verdachte is - tijdens het luchten op 02 maart 2010 - in contact gebracht met een politie-informant (A-3303). Tijdens het gesprek tussen deze politie-informant en verdachte verklaart verdachte dat ze voor de overval op het hotel wapens hadden gebruikt. Hij, verdachte, had een echt pistool bij zich. Verdachte verklaart dat hij niet met een neppistool een overval zou gaan zetten.

Het vuurwapen is tijdens het opsporingsonderzoek niet gevonden. Op grond van de verklaringen van verdachte en [medeverdachte], die beiden zeer duidelijk praten over een “echt” vuurwapen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 15 januari 2010 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander ter voorbereiding van het misdrijf als bedoeld in artikel 312 en/of 317 van het Wetboek van strafrecht (diefstal met geweld in vereniging en/of afpersing in vereniging), opzettelijk een mes en een vuurwapen (te weten een pistool ) en een gestolen/geheelde motorfiets zonder kentekenplaat en gezichtsbedekkende kledingstukken (capuchontruien en/of mutsen) om onherkenbaar te zijn, alle bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 15 januari 2010, omstreeks 23.05 uur, rijden verdachte en zijn mededader op een rode tweewielige motorscooter van het merk Piaggio 150cc ter hoogte van het Belvoir hotel te Nijmegen. De motorscooter is niet voorzien van een kentekenplaat en voert geen verlichting. Verdachte en zijn medeverdachte waren bezig met het voorbereiden van een gewapende overval op het Belvoir hotel aan de Graadt van Roggenstraat te Nijmegen. Noch verdachte noch zijn medeverdachte is in het bezit van een voor het besturen van de motorscooter vereist rijbewijs. Gereden wordt over het trottoir aan de Graadt van Roggenstraat nabij het Belvoir hotel. Verdachte en zijn mededader dragen geen helm, zijn donker gekleed en dragen een capuchon over hun hoofd. Bij het zien van een onopvallende politieauto geeft de bestuurder van de motorscooter gas en maakt snelheid waarna de motorscooter zich met hoge snelheid verwijdert van de locatie waar de politieauto zich bevond, daarbij rijdend over het trottoir langs de Graadt van Roggenstraat. Zonder te stoppen rijdt de motorscooter vervolgens van het trottoir af en steekt de Graadt van Roggenstraat over waarbij bijna een aanrijding is ontstaan met een aldaar rijdende personenauto. Gekomen op het Keizer Traianusplein, een verkeersplein, rijdt de motorscooter tegen het verkeer in om linksaf de Sint Canisiussingel in te rijden. Met aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor die motorfiets geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur rijdt de motorscooter over de St. Canisiussingel waarbij tussen rijdende en/of stilstaande voertuigen wordt gereden. Op de kruising van de St. Canisiussingel met de Van der Brugghenstraat negeert de motorscooter een rood verkeerslicht en rijdt, zonder snelheid te minderen en tussen wachtende auto’s door, de kruising op. Op die kruising rijdt de motorscooter, nog steeds met verdachte en zijn medeverdachte daarop, tegen een overstekende voetganger aan. Het voetgangerslicht voor deze overstekende voetganger straalt op dat moment groen licht uit.

De voetganger, M.J.M.G. [slachtoffer1] is tengevolge van deze aanrijding overleden.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair tenlastegelegde, het medeplegen van doodslag, wettig en overtuigend bewezen is en baseert zich daarbij op het volgende.

- verdachten werkten voorafgaand aan de overval al intensief samen; door bij elkaar op de motorscooter te gaan zitten namen ze op dat moment al allebei onaanvaardbare risico’s;

- verdachten wilden samen een overval plegen en daar hoort onlosmakelijk bij het vluchten van de plaats van het delict en het vluchten voor de politie;

- verdachten hebben ervoor gekozen om een vluchtmiddel te gebruiken dat daarvoor bij uitstek geschikt is;

- door op de heenweg naar het Belvoir hotel achterop de motor te stappen heeft die passagier al stilzwijgend ingestemd met het vluchten van de plaats delict als vluchten voor de politie. Door met de andere verdachte mee te gaan hebben de verdachten elkaar stilzwijgend aangemoedigd om met het overvalsplan door te zetten met alles wat erbij hoort;

- de rol die beiden verdachten zouden spelen bij de vlucht na de overval was inwisselbaar, beiden zouden naar het hotel gaan. Om die reden maakt het niet uit wie is opgetreden als bestuurder en wie als bijrijder;

- op het moment dat de verdachten worden gestoord tijdens hun voorbereiding van hun gewapende overval, hadden verdachten beiden een zeer duidelijk motief om voor de politie te vluchten en koste wat kost uit handen van de politie te blijven;

- de ene verdachte heeft de andere verdachte gewaarschuwd waarop de vlucht is aangevangen;

- verdachten hebben beide actieve handelingen verricht tijdens de vlucht door elkaar te waarschuwen voor de politie, zich te ontdoen van de wapens die ze bij zich hadden;

- van passief meegevoerd-worden is noch bij verdachte, noch bij zijn medeverdachte sprake;

- immers, verdachten hebben zich niet van elkaars gedragingen gedistantieerd, zij hebben niet fysiek is ingegrepen (ofschoon dit ook voor de bijrijder wel mogelijk was blijkens de technische politieonderzoeken) en zelfs is niet gebleken dat de één naar de ander heeft geroepen dat de vlucht moest worden gestaakt;

- daarentegen kan het niet anders zijn dan dat degene die als bijrijder is opgetreden, actief moet hebben meegereden, omdat anders de bestuurder geen controle kan hebben gehouden tijdens een wilde vlucht als de onderhavige;

- zowel verdachte als zijn medeverdachte heeft aldus koste wat kost willen vluchten voor de politie.

Gezien deze feiten en het onderliggende verband tussen die feiten kan er, naar het oordeel van de officier van justitie, niet anders worden geconcludeerd dan dat er sprake is van een bewuste en zeer nauwe samenwerking om te vluchten voor de politie en die vlucht voort te zetten, waarbij willens en wetens de aanmerkelijke kans op een dodelijke aanrijding op de koop toe werd genomen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat niet bewezen kan worden dat verdachte als bestuurder heeft gereden en daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

- dat in het dossier meer aanwijzingen voorhanden zijn dat medeverdachte [medeverdachte] de bestuurder was;

- dat de belastende verklaring van A. [getuige1] ter zijde dient te worden geschoven nu deze onbetrouwbaar is. Immers, [getuige1] verklaart over diens contacten met de familie van [verdachte], terwijl deze contacten in het geheel niet (hebben) bestaan;

- indien de verklaring van [getuige1] toch door de rechtbank zal worden gebruikt, verzoekt de raadsman om een aanhouding van de behandeling om de betrouwbaarheid van [getuige1] nader te laten onderzoeken;

- dat verdachte de bijrijder was;

- dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken voor hetgeen onder punt 2 is tenlastegelegd. Verdachte heeft zich als bijrijder immers niet schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde bestanddeel medeplegen, zoals onder primair, subsidiair en meer subsidiair van feit 2 is ten laste gelegd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte degene is die ten tijde van de aanrijding als bestuurder is opgetreden.

Daartoe neemt zij allereerst in overweging dat verdachte’s medeverdachte [medeverdachte] consistent is in zijn verklaringen dat verdachte de bestuurder van de motorscooter is geweest . Weliswaar is zeer kort na de fatale aanrijding op straat door medeverdachte [medeverdachte] tegenover een politieman gezegd: “ik gaf gewoon gas”, maar daaraan voorafgaand en direct daaropvolgend heeft [medeverdachte] verklaard dat de ander (waarmee werd gedoeld op verdachte) de bestuurder was .

De rechtbank realiseert zich dat verdachte zelf ook zeer consistent is in zijn verklaringen dat het juist medeverdachte [medeverdachte] is geweest die als bestuurder optrad. Echter, op grond van het navolgende heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat dit een juiste lezing van de feiten is.

De rechtbank hecht veel waarde aan de ooggetuigenverklaring van [getuige2]. Zij verklaart de rode scooter met twee opzittenden te hebben zien naderen, waarbij zij nadrukkelijk op deze jongens heeft gelet. Daarbij nam zij waar dat de scooter werd bestuurd door een jongen die steviger was dan de jongen achterop. Zij geeft daarvan een nadere beschrijving door te verklaren dat de voorste jongen vetter was. Dat kwam niet door zijn kleding, maar diens onderlichaam en kont waren dikker . Dit verschil in uiterlijk tussen verdachte en zijn medeverdachte blijkt niet alleen uit de foto’s in het dossier , maar volgt ook uit de beschrijvingen die verdachte en zijn medeverdachte van zichzelf en elkaar geven. Verdachte heeft ook ter terechtzitting verklaard dat hij ten tijde van de aanrijding inderdaad dikker was dan zijn medeverdachte [medeverdachte].

Door de verdediging is aangevoerd dat deze verklaring van [getuige2] niet betrouwbaar is, omdat [getuige2] ook heeft verklaard dat de bestuurder een spijkerbroek droeg, terwijl vaststaat dat verdachte een trainingsbroek droeg en het juist diens medeverdachte was die een spijkerbroek droeg. De rechtbank stelt vast dat dit argument niet een volledige weergave is van de beschrijving door getuige [getuige2]. Zij verklaart aanvankelijk dat zij “spijkerbroeken ziet”, daarmee suggererend dat beide opzittenden mogelijk een spijkerbroek dragen. Pas later, na kennelijk doorvragen door de politie, maakt zij een keuze door te verklaren dat de bestuurder een spijkerbroek droeg . Niet blijkt dat zij zich bewust is geweest van het dragen van een trainingsbroek door één van de opzittenden. De rechtbank realiseert zich als een feit van algemene bekendheid dat een kenmerk van een scooter is dat zowel bestuurder als bijrijder beiden met de benen vlak achter elkaar op dezelfde treeplank zitten. Hierdoor acht de rechtbank het niet onbegrijpelijk indien onduidelijkheid ontstaat over de vraag welke opzittende welke broek droeg.

Meer waarde hecht de rechtbank dan ook aan de waarneming van getuige [getuige2] dat zij zag dat de bestuurder op de grond bleef liggen, terwijl de bijrijder na de aanrijding opstond en de berm in liep .

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij inderdaad degene is geweest die op de grond is blijven liggen. Dit gegeven strookt bovendien met de waarneming van getuige [getuige2] dat de bestuurder de dikkere jongen betrof.

Overigens denkt de ooggetuige M.J.T. [getuige3] dat de jongen die het zwaarst gewond is geraakt, de bestuurder is geweest. Zij verklaart dat dit een conclusie van haarzelf is. Verdachte is zwaarder gewond geraakt dan zijn medeverdachte [medeverdachte], zoals hij ook zelf heeft verklaard.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de belastende verklaring van A. [getuige1] wel tot het bewijs kan worden gebruikt. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat diens verklaring, dat verdachte degene was die ten tijde van de aanrijding de scooter heeft bestuurd, steun vindt in de hierboven aangehaalde verklaringen van de ooggetuigen [getuige2] en [getuige3], evenals in de verklaring van medeverdachte [medeverdachte].

Voorts overweegt de rechtbank ten aanzien van de betrouwbaarheid van diens verklaring dat [getuige1] allereerst uit eigener beweging tegenover de politie een verklaring heeft afgelegd over de hem ter ore gekomen wetenschap dat verdachte de bestuurder was. Vervolgens is [getuige1] hierover als getuige eerst bij de politie en daarna bij de rechter-commissaris – in bijzijn van de raadsman van verdachte – gehoord. Op al deze momenten is [getuige1] consistent in zijn verklaringen gebleven. [getuige1], die verdachte niet bij naam kent, heeft een adequate beschrijving van verdachte gegeven, die door verdachte niet wordt betwist. Voorts heeft onder regie van de rechter-commissaris een confrontatie plaatsgevonden tussen verdachte en [getuige1], waarbij verdachte heeft aangegeven dat hij [getuige1] inderdaad kent uit het Huis van Bewaring, en dat [getuige1] – zoals deze ook zelf verklaart – daar de functie van reiniger heeft gehad. Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris heeft de verdediging volop de gelegenheid gehad om [getuige1] op zijn betrouwbaarheid te toetsen. Verdachte noch zijn raadsman heeft enige steekhoudende reden gegeven waarom [getuige1] een leugenachtige verklaring ten laste van verdachte zou hebben afgelegd.

Ten aanzien van het voorwaardelijk geformuleerde verzoek tot aanhouding overweegt de rechtbank dat er ook op de aangevoerde gronden geen aanleiding bestaat om nader onderzoek naar de betrouwbaarheid van [getuige1] te doen. Immers, in zijn verklaring zegt [getuige1] niet dat hij persoonlijk de familie van verdachte kent – zoals door de verdediging aangevoerd – doch hij verklaart dat zijn broertjes deze jongens kennen en dat er incidentele contacten zijn tussen zijn familie en de familie van verdachte.

Voorts overweegt de rechtbank nog dat verbalisant [verbalisant] heeft waargenomen dat de bijrijder van de scooter langer was dan de bestuurder. [verbalisant] verklaart hierover dat in zijn overtuiging de achterste jongen boven de voorste uitstak. Hij geeft wel aan dat dit zou kunnen doordat het zitgedeelte van de bijrijder hoger was dan het zitgedeelte van de bestuurder.

Doch vervolgens verklaart [verbalisant] dat het lengteverschil tussen de twee jongens minimaal was. Hij verklaart hierover: “Ik schat 5 tot 10 centimeter. De achterste was langer.”. De rechtbank overweegt dat, wat er ook zij van de invloed van een eventueel hoogteverschil tussen de beide zitgedeelten, het feitelijke lengteverschil tussen verdachte en zijn medeverdachte inderdaad bestaat. Dit verschil in lengte blijkt uit de beschrijvingen die verdachte van zichzelf en zijn medeverdachte geeft. Verdachte verklaart immers dat hij 1.78 meter is en dat [medeverdachte] ongeveer 5 centimeter langer is dan hij. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij inderdaad korter is dan zijn medeverdachte [medeverdachte] . De rechtbank zal de waarneming van [verbalisant] dan ook mede tot het bewijs bezigen.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat de ander (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) tegen hem zei: “politie”, waarna ze er vandoor gingen. Verbalisant [verbalisant] heeft verklaard dat hij bijna zeker weet dat alleen de achterste persoon naar de politieauto omkeek. Een logische conclusie is dan dat degene die achterop heeft gezeten, degene was die tegen verdachte heeft gezegd dat er politie is. En dat was volgens verdachte diens medeverdachte.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bestuurder was van de motorscooter ten tijde van het tenlastegelegde feit.

De volgende vraag die de rechtbank ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit heeft te beantwoorden, betreft de vraag of verdachte, al dan niet voorwaardelijk, opzet heeft gehad om het slachtoffer [slachtoffer1] te doden. De rechtbank komt tot het oordeel dat er sprake is van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat het rijgedrag van verdachte, gericht op het ontkomen aan de politie , uitermate gevaarzettend is geweest. Verdachte, zodanig snel wegrijdend over een trottoir dat men bijna ten val kwam, heeft een motorrijtuig bestuurd met een te hoge snelheid, ander verkeer passerend en rijdend (gedeeltelijk) tegen het verkeer in. Daarbij heeft hij, deels zigzaggend tussen het verkeer door, gereden zonder verlichting, waardoor hij niet alleen zelf over slechter zicht heeft beschikt, maar de door hem bestuurde motorscooter bovendien slecht zichtbaar was voor andere verkeersdeelnemers. Voorts heeft verdachte geen rijbewijs voor dit soort motorvoertuigen, zodat niet gebleken is dat verdachte beschikt over de noodzakelijke rijvaardigheid voor verkeersdeelname met deze motorscooter. Zelfs nadat een of meer aanrijdingen ternauwernood konden worden afgewend, heeft verdachte dit zeer gevaarlijke rijgedrag niet gewijzigd en zijn vluchtpoging niet afgebroken. Daarentegen heeft hij onverminderd zijn wilde vlucht voor de politie voortgezet om koste wat kost uit handen van de politie te blijven. Uiteindelijk heeft verdachte hierbij zelfs een rood verkeerslicht genegeerd, en is zonder voorrang te verlenen een kruising opgereden, met het overlijden van de heer [slachtoffer1] als fataal gevolg.

Uit het hierboven omschreven rijgedrag van verdachte en diens verklaring daarover dat hij wilde ontkomen aan de politie, concludeert de rechtbank dat verdachte ten tijde van de hem verweten gedragingen bereid is geweest tot dermate grote risico’s om te vluchten voor de politie èn om die vlucht voort te zetten, dat hij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat één of meer andere verkeersdeelnemers door zijn toedoen dodelijk zouden verongelukken. Deze kans heeft zich helaas verwezenlijkt.

De rechtbank is daarenboven van oordeel dat verdachte’s bereidheid tot het nemen van deze risico’s zich niet beperkte tot overige verkeersdeelnemers. Op grond van verdachte’s rijgedrag zoals hierboven uitvoerig omschreven, diens verklaring dat hij wilde ontkomen aan de politie, alsmede op grond van het gegeven dat verdachte bewust geen helm droeg, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans dat hij als gevolg van zijn gedragingen (ook) zelf het leven zou verliezen, eveneens op de koop toe heeft genomen.

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 15 januari 2010 te Nijmegen, opzettelijk M.J.M.G. [slachtoffer1] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk een gestolen/geheelde motorfiets heeft bestuurd en op een geheelde motorfiets heeft gereden, terwijl hij, verdachte bezig was met het uitvoeren, dan wel het voorbereiden van een gewapende overval op het Belvoir hotel aan de Graadt van Roggenstraat te Nijmegen, en terwijl hij, verdachte niet in het bezit was

van een voor het besturen van die motorfiets vereist rijbewijs, en met die gestolen/geheelde motorfiets over een trottoir aan de Graadt van Roggenstraat, nabij het Belvoir hotel, heeft gereden, terwijl daarbij geen verlichting werd gevoerd en die motorfiets niet was voorzien van een kentekenplaat en, toen hij, verdachte een politievoertuig had waargenomen met hoge snelheid is weggereden en gevlucht in de richting van het Keizer Traianusplein en zonder te stoppen voormeld trottoir is afgereden en die Graadt van Roggenstraat is overgestoken, waarbij bijna een aanrijding is ontstaan met een aldaar rijdende personenauto, en, gekomen op dat Keizer Traianusplein, dat verkeersplein, tegen het verkeer in rijdend, is opgereden en linksaf gaand de Sint Canisiussingel is opgereden en met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor die motorfiets geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, over de St. Canisiussingel heeft gereden en met die motorfiets met aanzienlijk snelheidsverschil tussen en langs andere aldaar langzamer rijdende en/of stilstaande voertuigen is doorgereden en daarbij een voor de kruising met de Canisiussingel/Van der Brugghenstraat geplaatst, voor hem geldend rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en daarbij die kruising, zonder te stoppen en te remmen met nagenoeg dezelfde hoge snelheid is opgereden en daarbij in het geheel niet, heeft gelet op het overige verkeer en de overige verkeersdeelnemers en daarbij een zich op voormelde kruising bevindende voetganger, welke voetganger doende was om, bij groen licht, op een op die kruising gesitueerde voetgangersoversteekplaats (zebrapad) over te steken, niet voor heeft laten gaan en vervolgens met die motorfiets is gebotst tegen voormelde voetganger, zijnde M.J.M.G. [slachtoffer1], tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

Ten aanzien van feit 3:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- Het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Gelderland-Zuid, districtrecherche Stad Nijmegen, opgemaakt proces-verbaal nr. BVH2010005502, onderzoek Oranje, gesloten op 10 mei 2010, met de onderliggende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, met bijlagen;

- de verklaring van de aangever S. [aangever] d.d. 10 december 2009 (pag. 724/725);

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 03 december 2010.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in de maand januari 2010, te Nijmegen, heeft verworven, een rode motorfiets van het merk en type Piaggio SKR (Skipper) 150 met (chassis- en/of VIN)nummer [nummer]*), terwijl verdachte ten tijde van het verwerven van voormeld goed wist dat dit door diefstal was verkregen.

Ten aanzien van feit 4:

Feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de nacht van 15 op 16 januari 2010 heeft verdachte te Nijmegen, een anoniem gebleven personeelslid van het Universitair Medisch Centrum (UMN) St. Radboud, werkzaam op de afdeling spoedeisende hulp en bezig zijnd met assistentie bij het aanleggen van een infuus bij verdachte de woorden toegevoegd: “ik weet je te vinden” en/of “Als ik je in de stad tegenkom, knal ik je af.”

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen op basis van de afgelegde getuigenverklaringen door personeelsleden, welke qua aard en/of strekking overeen komen met elkaar, alsmede de verklaring van verdachte .

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van dit feit. Er is geen wettig noch overtuigend bewijs voorhanden waaruit kan worden afgeleid dat de verpleger zich bedreigd voelde. Het gaat er om dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is gedaan, dat bij de verpleegkundige een redelijke angst kan ontstaan dat het niet alleen bij een dreigement blijft maar dat de bedreiging ook echt zal worden uitgevoerd. Voorts is er een geschrift van de betreffende hulpverlener waaruit blijkt dat hij/zij de bewoordingen van verdachte niet als een bedreiging heeft ervaren.

Voorts moet opgemerkt worden dat verdachte zich tijdens de gedane uitingen in een traumakamer bevond. Hij lag vastgebonden op een backboard, had pijn en was in paniek. Daarom kan niet worden gezegd dat verdachte “opzettelijk” dreigend – indien al bewezen – deze woorden heeft uigesproken.

Beoordeling door de rechtbank

Gelet op het standpunt van de verdediging dient de rechtbank een tweetal zaken te beoordelen. Enerzijds of hier sprake is van bedreiging nu de bedreigde anoniem is gebleven en in een e-mail, aldus de verdediging, te kennen heeft gegeven het geheel niet als een bedreiging te hebben ervaren. En anderzijds, gelet op de toestand van verdachte op het moment dat hij de tenlastegelegde bewoording uitte, of sprake is van opzet aan de zijde van verdachte.

Voor wat betreft het eerste punt deelt de rechtbank de mening van de raadsman niet. Anders dan de raadsman leest de rechtbank in het e-mail bericht van de anonieme verpleger niet dat hij/zij de bewoording niet als een bedreiging heeft ervaren. In het e-mail bericht staat namelijk: “begon met voornamelijk kut en fuck you later ging het meer over naar ik weet je te vinden als ik je in de stad tegen kom (waar ik toch nooit kom) knal ik je af heb je wel eens een klodder spuug in je gezicht gehad het bleef bij verbale bedreigingen en schelden.”

Uit de zinsnede: “het bleef bij verbale bedreigingen” leidt de rechtbank af dat de anoniem gebleven verpleegkundige deze woorden heeft opgevat als een bedreiging in de zin van de wet.

De getuige [getuige3], die nadat de bedreigende bewoordingen tegen het personeelslid waren geuit, constateert bovendien dat dit personeelslid behoorlijk onder de indruk was van de dreigementen. Deze verklaring in combinatie met de e-mail en de aangifte is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om vast te stellen dat het in de tenlastelegging genoemde anonieme personeelslid zich bedreigd heeft gevoeld door de tegen hem/haar geuite bewoordingen.

De tweede vraag betreft de opzet. Gesteld wordt dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheden waarin verdachte zich, op het moment dat hij die woorden uitte, bevond. Verdachte zelf verklaart ter zitting zich niet te kunnen herinneren die woorden te hebben geuit.

Gelet op het letsel dat verdachte op dat moment had, moet beoordeeld worden of verdachte zich bewust was van het uiten van zijn bewoordingen.

Van belang voor het beantwoorden van deze vraag is een aantal getuigenverklaringen van aanwezig medisch personeel.

Het avond-nachthoofd van het UMC St. Radboud verklaart dat verdachte mogelijk hersenletsel zou ontwikkelen en daartoe ter observatie was opgenomen met een wek advies. Het geconstateerde letsel kan het gedrag van verdachte niet hebben beïnvloed.

De chirurg [getuige4], verklaart gehoord te hebben dat verdachte een lichte hersenschudding had. Als iemand hersenkneuzingen heeft kan men onrustig worden en kan van uitschelden sprake zijn, maar die patiënt is dan minder goed in staat om een doordachte zinsopbouw te maken.

De getuige [getuige5] verklaart nog dat personen die betrokken zijn geweest bij een aanrijding en op een fixatieplank liggen wel onrustig en paniekerig kunnen zijn. Ook bij hersenletsel is het mogelijk dat er ongeremd gedrag kan ontstaan, ook vloeken en schelden hoort daarbij.

De getuige heeft het echter nog niet eerder meegemaakt dat een patiënt dusdanig onrustig, agressief en scheldend is en daarbij kennelijk helder genoeg is om te zeggen dat je iemand wel in Nijmegen tegenkomt.

De anesthesioloog [getuige6], die verdachte een rustgevende prik heeft toegediend, verklaart dat hij veel patiënten heeft gezien en veel mensen met hersentrauma, maar die indruk gaf verdachte niet. Getuige heeft bij verdachte geen hersenletsel geconstateerd. Verdachte kwam adequaat en helder over en niet alsof zijn gedrag door zijn letsel veroorzaakt zou zijn.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk de bedreigende woorden heeft geuit. De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat verdachte door zijn letsel niet meer zou hebben geweten wat hij gezegd heeft. Ook verdachte’s verklaring, dat hij zich de bedreiging niet meer kan herinneren acht de rechtbank niet geloofwaardig.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in of omstreeks de nacht van 15 op 16 januari 2010, te Nijmegen een anoniem gebleven personeelslid van het Universitair Medisch Centrum (UMC) St. Radboud, werkzaam op de afdeling spoedeisende hulp van dat medisch centrum, welk personeelslid bezig was met (assistentie bij) het aanleggen van een infuus bij verdachte en/of het toedienen van genees- en/of kalmerings- en/of pijnstillende middelen aan verdachte, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk voornoemd personeelslid dreigend de woorden heeft toegevoegd : "Ik weet je te vinden" en: "Als ik je in de stad tegen kom, knal ik je af", .

Ten aanzien van feit 5:

Feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de nacht van 15 op 16 januari 2010 is te Nijmegen een opsporingsambtenaar J. [naam], belast met algemene politiedienst, bezig met het bewaken van de reeds aangehouden verdachte tijdens diens opname op de afdeling spoedeisende hulp van het ziekenhuis UMC St. Radboud. Verdachte heeft vervolgens [naam] in diens tegenwoordigheid de woorden toegevoegd: “De politie zijn kankernazi’s”en “Jullie pakken alleen maar de kleurlingen en jullie zijn vieze kankerlijers.”

Standpunt van de officier van justitie

Op grond van de aangifte van [naam] en de verklaring van verdachte acht de officier van justitie het feit wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt van de verdediging

Gelet op de algemene bewoording die door verdachte is gebruikt en dus niet specifiek gericht was tegen de aanwezige politieambtenaar, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte voornoemde verbalisant heeft beledigd. Verdachte verklaart dat hij zich de gedane uitlatingen niet kan herinneren. Voorts ontbreekt, gelet op verdachtes toestand, de opzet.

Beoordeling door de rechtbank.

Verbalisant [naam] heeft verdachte op 15 januari 2010 aangehouden en begeleidde hem met de ambulance naar het ziekenhuis. Aangekomen in het ziekenhuis is verbalisant bij verdachte in de buurt gebleven. Nadat verdachte was overgebracht naar een andere traumakamer hoorde verbalisant verdachte luidkeels schelden. Op aanwijzen van het verplegend personeel, door middel van wenken, is verbalisant aan het bed van verdachte gaan staan en heeft hij verdachte enkele malen duidelijk gemaakt dat hij zich rustig moest houden. Verbalisant hoort verdachte vervolgens meermalen in zijn richting schreeuwen: “De politie zijn kankernazi’s, jullie pakken alleen maar de kleurlingen en zijn vieze kankerlijers.” Verbalisant hoort verdachte dit meermaals luidkeels herhalen waarbij het verplegend personeel in zijn richting keek. Verbalisant voelt zich hierdoor beledigd.

Op grond van voornoemde verklaring, waaruit blijkt dat verdachte zich in een traumakamer bevond en in die kamer alleen verbalisant [naam] aanwezig was, is de rechtbank van oordeel, ook al heeft verdachte in algemene bewoordingen gesproken, dat de belediging zich rechtstreeks richtte op de aangever J. [naam].

Verdachte verklaart zich niets te kunnen herinneren.

Onderzocht zal moeten worden of, gelet op het letsel dat verdachte op dat moment had, er vanuit gegaan kan worden dat verdachte zich niet bewust was van het uiten van zijn bewoordingen, zodat gezegd kan worden dat hij geen opzet had het personeelslid te beledigen.

Van belang voor het beantwoorden van deze vraag is een aantal getuigenverklaringen van aanwezig medisch personeel.

Het avond-nachthoofd van het UMC St. Radboud, [getuige3], verklaart dat verdachte mogelijk hersenletsel zou ontwikkelen en daartoe ter observatie was opgenomen met een wek advies. Het geconstateerde letsel kan het gedrag van verdachte niet hebben beïnvloed.

De chirurg [getuige4] verklaart gehoord te hebben dat verdachte een lichte hersenschudding had. Als iemand hersenkneuzingen heeft kan men onrustig worden en kan van uitschelden sprake zijn, maar die patiënt is dan minder goed in staat om een doordachte zinsopbouw te maken.

De getuige [getuige5] verklaart nog dat personen die betrokken zijn geweest bij een aanrijding en op een fixatieplank liggen wel onrustig en paniekerig kunnen zijn. Ook bij hersenletsel is het mogelijk dat er ongeremd gedrag kan ontstaan; ook vloeken en schelden hoort daarbij. De getuige heeft verdachte horen zeggen “Als de politie niet weggaat, dan gebeurt er wat. Ik spuug op de politie, zal ik op jou spugen?” Daarbij zag de getuige dat verdachte hem aankeek. Getuige was bang dat verdachte inderdaad ging spugen. Hij zag verdachte ertoe in staat.

De anesthesioloog [getuige6], die verdachte een rustgevende prik heeft toegediend, verklaart dat hij veel patiënten heeft gezien en veel mensen met hersentrauma, maar die indruk gaf verdachte niet. Getuige heeft bij verdachte geen hersenletsel geconstateerd. Verdachte kwam adequaat en helder over en niet alsof zijn gedrag door zijn letsel veroorzaakt zou zijn.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk de beledigende woorden heeft geuit. De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat verdachte door zijn letsel niet meer zou hebben geweten wat hij gezegd heeft. Ook verdachte’s verklaring, dat hij zich de belediging niet meer kan herinneren acht de rechtbank niet geloofwaardig.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in of omstreeks de nacht van 15 op 16 januari 2010, te Nijmegen opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten de opsporingsambtenaar J. [naam], die belast was met algemene politiedienst gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden: "De politie zijn kankernazi's" en: "Jullie pakken alleen maar de kleurlingen en jullie zijn vieze kankerlijers" .

Ten aanzien van parketnummer 05/700617-10

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1:

Feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 29 april 2009 treffen W.M.M. [slachtoffer2] en verdachte elkaar te Apeldoorn.

Standpunt van de officier van justitie

Op basis van de aangifte, welke aangifte wordt ondersteund door de verklaringen van getuigen, acht de officier van justitie het feit wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het wettig bewijs voorhanden is, maar de overtuiging ontbreekt. Zakelijk weergegeven komt de stelling van de verdediging hierop neer dat de aangifte slechts bedoeld is geweest om verdachte in een kwaad daglicht te stellen om zo minder waarde te hechten aan de aangifte van verdachte jegens de vader van aangeefster [slachtoffer2]. Voorts stelt aangeefster hard door verdachte te zijn geslagen terwijl verbalisanten die de aangifte opnemen daaromtrent niets relateren in het proces-verbaal.

Beoordeling door de rechtbank.

De verdediging stelt dat de verklaring van aangeefster als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven. Wat er ook zij van de veronderstelling die de verdediging neerlegt in het pleidooi, vaststaat dat verdachte de aangeefster in Apeldoorn heeft ontmoet. Het bewijs, niet alleen het wettig bewijs maar ook de overtuiging dat verdachte aangeefster heeft geslagen en vastgepakt waardoor zij pijn heeft ondervonden, wordt niet alleen verkregen uit de verklaring van de aangeefster [slachtoffer2], maar tevens uit – de hierna vermelde - getuigenverklaringen die de verklaring van de aangeefster op de tenlastegelegde punten bevestigen. Enig verweer met betrekking tot de door deze getuigen afgelegde verklaringen is niet gevoerd zodat de geloofwaardigheid van deze getuigenverklaringen niet in het geding is. Ook anderszins is niet gebleken van enige reden om te veronderstellen dat deze getuigenverklaringen niet geloofwaardig zouden zijn.

Verdachte heeft verklaard [slachtoffer2] op 29 april 2009 te Apeldoorn te zijn tegengekomen en haar te hebben gekrabd op haar gezicht. De getuige [getuige7] verklaart gezien te hebben dat verdachte ten overstaan van [slachtoffer2] een dreigende houding aannam en begon te schreeuwen. Zij ziet dat verdachte [slachtoffer2] stevig bij haar armen vastpakte en [slachtoffer2] met zijn vlakke hand in haar gezicht sloeg. Getuige [getuige8] verklaart dat verdachte [slachtoffer2] stevig vasthield. Ook heeft zij verdachte zien slaan.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 29 april 2009 te Apeldoorn opzettelijk mishandelend een persoon (te weten W.M.M. [slachtoffer2]), heeft geslagen en in de armen heeft geknepen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Ten aanzien van feit 2:

Feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 29 april 2009 is W.M.M. [slachtoffer2] te Apeldoorn bedreigd door verdachte.

Standpunt van de officier van justitie

Op basis van de aangifte, welke aangifte wordt ondersteund door de verklaringen van getuigen, acht de officier van justitie het feit wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het wettig bewijs voorhanden is maar de overtuiging ontbreekt. Zakelijk weergegeven komt de stelling van de verdediging hierop neer dat de aangifte slechts bedoeld is geweest om verdachte in een kwaad daglicht te stellen om zo minder waarde te hechten aan de aangifte van verdachte jegens de vader van aangeefster [slachtoffer2].

Beoordeling door de rechtbank.

De verdediging stelt dat de verklaring van aangeefster als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven. Wat er ook zij van de veronderstelling die de verdediging neerlegt in het pleidooi, vaststaat dat verdachte de aangeefster in Apeldoorn heeft ontmoet. Het bewijs, niet alleen het wettig bewijs maar ook de overtuiging, wordt niet alleen verkregen uit de verklaring van de aangeefster [slachtoffer2], maar tevens uit de hierna genoemde getuigenverklaringen die de verklaring van de aangeefster op de tenlastegelegde punten bevestigen. Enig verweer met betrekking tot de door deze getuigen afgelegde verklaring is niet gevoerd waardoor de geloofwaardigheid van deze getuigenverklaringen niet in het geding is. Ook anderszins is niet gebleken van enige reden om te veronderstellen dat deze getuigenverklaringen niet geloofwaardig zouden zijn.

Getuige [getuige7] verklaart dat verdachte een dreigende houding aannam en begon te schreeuwen tegen [slachtoffer2]. Zij hoort verdachte zeggen dat zij niet zo vies moest kijken omdat hij anders haar tanden wel uit haar bek zou slaan. Getuige [getuige8] hoort de man, verdachte, [slachtoffer2] bedreigen. Zij heeft verdachte horen zeggen dat hij haar dood zou maken en het kind mee zou nemen. Voorts hoort zij verdachte zeggen dat hij haar wel zou krijgen als ze alleen was.

[slachtoffer2] verklaart door verdachte bedreigd te zijn met de woorden: “Als je ooit een andere jongen krijgt in je leven dan snijd ik je open en pak ik je terug via [naam].” Tot slot verklaart verdachte ter zitting dat hij wel iets tegen aangeefster gezegd heeft, schreeuwde omdat hij kwaad was op haar.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 29 april 2009 te Apeldoorn W.M.M. [slachtoffer2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk voornoemde W.M.M. [slachtoffer2] dreigend de woorden heeft toegevoegd :"Als je ooit een andere jongen krijgt in je leven, dan snijd ik je open en pak je terug via [naam]" en: "Ik maak jou dood", .

Ten aanzien van parketnummer 05/501099-09

Bewijsmiddelen

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- Het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Gelderland-Zuid, district Nijmegen, stadsrecherche, opgemaakt proces-verbaal nr. 08-008644, gesloten op 09 januari 2009, met de onderliggende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, met bijlagen;

- de verklaring van de aangeefster C.Ch. [naam] d.d. 07 juni 2008 (pag. 05/06);

- de verklaring van de aangeefster A.R. [naam] (pag. 09/10);

- de verklaring van M.R. [getuige9] d.d. 07 januari 2009 (pag. 56/57);

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 03 december 2010.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 07 juni 2008 te Nijmegen, heeft verworven, een mobiele telefoon (Nokia) en 3 SIM kaarten, terwijl hij ten tijde van het verwerven van voormelde goederen wist, dat deze door diefstal waren verkregen.

Ten aanzien van parketnummer 05/501951-09

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- Het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Gelderland-Zuid, district Nijmegen, stadsrecherche, opgemaakt proces-verbaal nr. 09-000606, gesloten op 27 januari 2009, met de onderliggende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, met bijlagen;

- de verklaring van de aangeefster W. [slachtoffer2] d.d. 12 december 2008 (pag. 08 voorlaatste alinea);

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 03 december 2010.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2008 tot en met 08 december 2008 te Nijmegen opzettelijk in haar tegenwoordigheid [slachtoffer2] heeft beledigd door enige feitelijkheid, immers heeft hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer2] opzettelijk in het gezicht gespuugd.

Ten aanzien van feit 2:

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte dit feit heeft gepleegd zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Verdachte wordt verweten gedurende een lange periode bedreigingen te hebben geuit jegens W. [slachtoffer2]. Uit de zich in het dossier bevindende verklaringen blijkt niet dat verdachte zich, conform de tenlastelegging, schuldig heeft gemaakt aan dit feit.

Ten aanzien van parketnummer 05/512977-09

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- Het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Gelderland-Zuid, district Stad Nijmegen, stadsrecherche, opgemaakt proces-verbaal nr. 2009072613, gesloten op 16 oktober 2009, met de onderliggende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, met bijlagen;

- de verklaring van de verbalisant [naam] d.d. 16 oktober 2009 (proces-verbaal van aanhouding pag. 5 e.v.);

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 03 december 2010.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 16 oktober 2009 te Nijmegen, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten J. [naam] (hoofdagent van politie), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten in politiedienst aldaar zijnde in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "je bent niks met je uniformpje en met je pistool" en/of "je bent een chicken, een pussy, je bent helemaal niks, je hebt geen ballen" en/of "mietje", en daarbij opzettelijk beledigend zijn, verdachte’s, geslachtsdelen heeft vastgepakt.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten onder parketnummer 05/720063-10:

Feit 1:

Medeplegen van voorbereiding van diefstal met geweldpleging en/of afpersing, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, waarbij de dader opzettelijk voorwerpen en een vervoermiddel bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad.

Feit 2 primair:

Doodslag.

Feit 3:

Opzetheling.

Feit 4:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 5:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Ten aanzien van de feiten onder parketnummer 05/700617-10:

Feit 1:

Mishandeling.

Feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van het feit onder parketnummer 05/501099-09:

Opzetheling.

Ten aanzien van het feit onder parketnummer 05/501951-09:

Eenvoudige belediging.

Ten aanzien van het feit onder parketnummer 05/512977-09:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 30 september 2010; en

• een drietal voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland, gedateerd 15 juni 2009, 02 april 2010en 16 april 2010, betreffende verdachte.

De strafmaat

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte voor de bewezenverklaarde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht alsmede ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaar. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de navolgende feiten en omstandigheden.

Huiselijk geweld heeft een enorme impact op aangeefster en de situaties hebben zich telkens herhaald. Verdachte heeft duidelijk problemen met het gezag en het door anderen worden aangesproken op het eigen ongewenste gedrag. Bij herhaling gaat verdachte helemaal los. Verdachte moet weten dat dit gedrag, het beledigen van politie, onacceptabel is. Ook het bedreigen van een personeelslid van de eerste hulp van het Radboud ziekenhuis is een ernstig feit. Weliswaar zijn deze personeelsleden het nodige gewend, maar de wijze van het creëren door verdachte van deze dreigende situatie rechtvaardigt op zich al een gevangenisstraf van 6 maanden.

Bij verdachte is duidelijk sprake van een stijgende lijn in strafbare feiten. Was verdachte eerst de in de volksmond genoemde kruimeldief, thans was verdachte voornemens een overval te plegen, een overval in vereniging op een bedrijf waarbij onder meer een vuurwapen meegenomen werd. Een dergelijke overval wordt doorgaans bestraf met 2 tot 3 jaar gevangenisstraf. Bij voorbereidingshandelingen wordt een dergelijke straf met de helft verminderd.

Tot slot de doodslag op [slachtoffer1]. Het doodschieten of het neersteken van iemand is wezenlijk anders dan het doodrijden van een ander. Dat verschil moet ook tot uitdrukking worden gebracht in de strafeis. Verdachte wilde koste wat kost uit handen van de politie blijven. Koste wat kost, ook al kost het een mensenleven en dat mensenleven heeft het gekost.

De maatschappelijke verontwaardiging over deze doodslag is groot. De straf die voor deze doodslag dient te worden opgelegd moet zeker ook een signaal zijn naar andere verdachten in de toekomst die denken te gaan vluchten voor de politie. Een signaal waaruit verdachten kunnen opmaken dat zij keihard worden afgerekend voor de gevolgen van hun onacceptabele gedrag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging, die voor meerdere feiten tot vrijspraak concludeert, is van mening dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf met verplicht reclasseringstoezicht op zijn plaats is.

Uit de omtrent verdachte opgemaakte rapportage blijkt dat verdachte een gecombineerde gedragsproblematiek heeft waardoor verdachte te kampen heeft met diverse beperkingen. Verdachte staat op dit moment open voor hulp. Hij wil aan zichzelf werken en heeft vertrouwen in zijn huidige begeleider. Verdachte accepteert nu voor het eerst in zijn leven hulp en neemt dingen van zijn begeleiders aan.

Bespreking van de standpunten

De rechtbank is van oordeel dat alleen al de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten een schrikbarend stijgende lijn in ontoelaatbaar gedrag van verdachte laat zien. In 2008 en 2009 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verschillende vormen van huiselijk geweld door zijn (ex-) partner te mishandelen, te bedreigen en te beledigen. Ook jegens de politie en hulpverleners in het ziekenhuis in Nijmegen heeft verdachte zich beledigend en zelfs bedreigend uitgelaten. Verdachte geeft hiermee blijk van een grote mate van onverschilligheid voor grenzen en voor de veiligheidsgevoelens van anderen. Voorts heeft verdachte zich op verschillende momenten schuldig gemaakt aan heling. Hierdoor geeft verdachte blijk van respectloosheid voor de eigendommen van anderen. Begin 2010 ten slotte komt verdachte tot het voorbereiden van een gewapende overval. Daarbij wordt wederom een grote mate van respectloosheid getoond voor de mens of mensen die een dergelijke overval te ondergaan hebben. Als verdachte en zijn medeverdachte worden gestoord door de politie, is er verdachte kennelijk alles aan gelegen om, koste wat kost, te ontkomen aan de politie. In dit verband baart het de rechtbank grote zorgen dat tijdens de behandeling ter terechtzitting van 3 december 2010 blijkt dat rijden zonder rijbewijs en zonder verzekering voor verdachte een vanzelfsprekendheid is.

Ook geeft hij aan altijd te vluchten voor de politie, zodra hij deze waarneemt. Verdachte lijkt vluchten voor de politie te zien als een soort kat- en muisspelletje.

Dat verdachte bij het spelen van dit spelletje in geen enkele mate rekening wenst te houden met andere mensen, is helaas maar al te duidelijk geworden door de fatale afloop van zijn laatste vluchtpoging. Verdachte heeft zijn persoonlijke belang om te ontkomen aan de politie hoger gesteld dan het leven van anderen (en overigens ook zijn eigen leven).

Deze vluchtpoging, die gepaard ging met een zeer gevaarlijke motorrit door de straten van Nijmegen, bracht verschillende weggebruikers in gevaar, maar kostte uiteindelijk het leven aan de heer [slachtoffer1]. Niet alleen heeft verdachte daarmee een mensenleven op zijn geweten, maar ook het grote verdriet en gevoelens van ontreddering dat hierdoor ongetwijfeld bij de nabestaanden moet zijn veroorzaakt komt daardoor voor zijn rekening. Dit is onomkeerbaar. Verdachte zal dit nooit goed kunnen maken.

Niet alleen dient aan verdachte een zodanige straf te worden opgelegd dat hij zich in de toekomst zal onthouden van dergelijk misdadig gedrag, maar ook voor anderen in de samenleving dient deze straf als voorbeeld dat soortgelijk gedrag niet wordt getolereerd.

Gelet op de hiervoor vermelde onverschilligheid en respectloosheid jegens andere mensen, alsmede gelet op verdachte’s roekeloze handelen waardoor een ander is gedood en de grote maatschappelijke onrust die hierdoor in Nederland is veroorzaakt, is de rechtbank van oordeel dat hem een zwaardere gevangenisstraf dient te worden opgelegd dan gevorderd door de officier van justitie.

De rechtbank zal voor feit 2 een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen, zoals door de officier van justitie gevorderd.

Met betrekking tot het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat al het beslag, met uitzondering van de motorscooter, wordt onttrokken aan het verkeer. De motorscooter dient, op grond van het strafvorderlijk belang, bewaard te blijven. Teruggave daarvan aan de rechtmatige eigenaar kan plaatsvinden na het onherroepelijk worden van de zaak.

De rechtbank overweegt als volgt:

Een door de rechtbank gegeven beslissing met betrekking tot het beslag wordt eerst dan geëffectueerd nadat het vonnis onherroepelijk is. Indien de rechtbank de vordering van de officier van justitie met betrekking tot het beslag volgt, neemt het dus niet een voor executie vatbare beslissing.

Aangezien, op het moment dat de zaak onherroepelijk is, strafvordering zich niet langer verzet tegen teruggave van het beslag, zal de rechtbank met betrekking tot al het beslag beslissen dat de inbeslaggenomen voorwerpen kunnen worden teruggegeven aan de rechthebbende(n).

6a. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij G.J.H.M. [benadeelde partij] vordert een voorschotbedrag wegens immateriële schade van € 25.000,--.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van oordeel, nu de vordering nog slechts immateriële schade betreft, en deze gebaseerd wordt op de psychische schade van de benadeelde partij voor het onder meer moeten aanschouwen van het gehavende lichaam van het slachtoffer, dat dit niet van zo eenvoudige aard is dat behandeling zich leent binnen deze strafprocedure. Mogelijk dat de benadeelde partij de vordering in een civiele procedure alsnog aanhangig kan maken.

De officier van justitie is daarom van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

Aangezien de verdediging gepleit heeft voor vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde, is de verdediging van mening dat om die reden de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarnaast sluit de verdediging zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.

Bespreking van de standpunten

De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij door het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermo¬gensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. De officier van justitie en de verdediging zijn van mening dat de vordering te ingewikkeld is voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank is het daar ten dele mee eens. Gevorderd wordt een bedrag van in totaal € 25.000,--. Of de schade van de benadeelde partij is te begroten op voornoemd bedrag is vooralsnog onduidelijk. Dat de benadeelde partij psychische en emotionele schade heeft geleden door het plotselinge overlijden van zijn partner, alsmede door de fysieke toestand waarin de benadeelde partij zijn overleden partner heeft moeten identificeren staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op een bedrag van € 7.500,--, welk bedrag bij wijze van voorschot zal worden toegewezen.

Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 46, 47, 57, 63, 91, 266, 267, 285, 287, 300, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht alsmede artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 05/501951-09 feit 2 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Alsmede ten aanzien van feit 2 primair:

Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 10 (tien) jaren.

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan de rechthebbende(n).

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij. J.H.M. [benadeelde partij] (feit 2 primair).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan J.H.M. [benadeelde partij], te betalen

€ 7.500,-- (zegge zevenduizendvijfhonderd euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Maatregel van schadevergoeding ad € 7.500,--, subsidiair 65 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer J.H.M. [benadeelde partij] voornoemd, te betalen € 7.500,--, (zegge zevenduizendvijfhonderd euro) bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 65 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. A.M. van Gorp (voorzitter), mr. P.C. Quak en mr. W.L.J.M. Duijst, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 december 2010, zijnde mr. Duijst buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.