Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO7458

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
15-12-2010
Zaaknummer
10-958
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag aanvullende subsidie voor loonkosten van ID-werknemers die meer dan 130% van het wettelijk minimumloon verdienen.

In Besluit ID noch in de Reïntegratieverordening Wwb bevindt zich enig aanknopingspunt voor de stelling dat verweerder verplicht is deze loonkosten aan eiseres te vergoeden, ook voor zover deze boven de 130% van het wettelijk minimumloon komen.

Uit de regelgeving volgen geen normen ten aanzien van de hoogte van door verweerder te verlenen subsidies ten behoeve van ID-banen. Het beleid van verweerder om geen loonkosten te vergoeden boven 130% van het wettelijk minimumloon is niet onredelijk gelet op het doel van de regeling. Het bestreden besluit heeft geen gevolgen voor eiseres die onevenredig zijn wegens bijzondere omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/958

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 16 november 2010.

inzake

[Eiseres], eiseres,

gevestigd te [plaats],

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 18 februari 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om aanvullende subsidie voor de loonkosten van ID-werknemers (werknemers die werkzaam zijn op basis van het Besluit In- en Doorstroombanen) die meer dan 130% van het wettelijk minimum loon verdienen afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 15 juni 2010. Eiseres is vertegenwoordigd door M. Ceelen en M. Leijdekkers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van Maaren.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Op 7 september 2010 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten, nadat van partijen toestemming is verkregen om uitspraak te doen zonder nadere zitting.

3. Overwegingen

3.1 Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat niet meer loonkosten worden vergoed dan het bedrag dat overeenkomt met 130% van het wettelijk minimumloon.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft het besluit gemotiveerd bestreden. Op haar stellingen zal de rechtbank in het navolgende ingaan.

Wettelijk kader

3.2 In artikel 27, tweede lid, van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand (2005) (hierna: Re-integratieverordening) is bepaald dat het college zorg draagt voor de subsidiëring van de dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 6 van het Besluit ID, zoals dit besluit luidde op 31 december 2003 en de uitstroom stimuleert.

In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat de dienstbetrekkingen genoemd in het eerste en tweede lid voorzieningen zijn in de zin van de Wet werk en bijstand. Het college kan nadere voorwaarden stellen aan de subsidieverstrekking.

In artikel 6, eerste lid, van het Besluit In- en Doorstroombanen (Besluit ID), zoals dit luidde op 31 december 2003, is bepaald dat een werkgever van de gemeente een vergoeding ontvangt voor de kosten die voortvloeien uit een dienstbetrekking die is aangegaan met een langdurig werkloze. In het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel is bepaald dat de gemeente de vergoeding slechts aan de werkgever verstrekt indien de dienstbetrekking voldoet aan de vereisten van de arbeidsduur, bedoeld in artikel 8, de vereisten van de beloning, bedoeld in de artikelen 9 en 10, en de werkgever artikel 11 omtrent scholing in acht neemt.

Artikel 9 van het Besluit ID luidde op 31 december 2003 – voor zover hier van belang – als volgt:

1. Het loon, exclusief de vakantiebijslag, dat aan de werknemer in de dienstbetrekking wordt betaald en dat naar evenredigheid wordt verminderd indien de overeengekomen arbeidsduur minder is dan de normale arbeidsduur, bedoeld in artikel 12 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, bedraagt over de overeengekomen uitbetalingstermijn niet meer dan 130% van het bedrag, bedoeld in de artikelen 8 en 12 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

2. Bij de toepassing van het eerste lid worden buiten beschouwing gelaten de toeslagen in verband met werk op ongebruikelijke tijdstippen, die op grond van de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst of rechtspositieregeling aan de werknemer worden betaald.

3. Het loon, bedoeld in het eerste lid, is het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met tot dat loon behorende:

a. tantièmes, gratificaties, en andere beloningen die in de regel slechts eenmaal of eenmaal per jaar worden toegekend;

b. vergoedingen die worden verleend in het kader van het Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekspersoneel en het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel;

3.3 In een document getiteld “Het gemeentelijke beleid ten aanzien van de loonkosten en de aanvullende kosten” (hierna: gemeentelijk beleid) is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

De subsidie kan bestaan uit twee soorten vergoedingen:

1. een bijdrage in de loonkosten en

2. een bijdrage in de aanvullende kosten

Ten aanzien van de bijdrage in de loonkosten is in het gemeentelijk beleid onder meer opgenomen dat het eindschaalloonbedrag niet hoger mag zijn dan 130% van het wettelijk minimum loon. Bij de berekening of het loon deze grens overschrijdt, worden de looncomponenten bij elkaar opgeteld. Sommige looncomponenten zoals CAO-bepaalde onregelmatigheidtoelage of spaarloonregelingen hoeven niet meegeteld te worden. Het Besluit ID, zoals dat luidde op 31 december 2003, geeft aan welke componenten niet meetellen (artikel 9).

Ten aanzien van de berekening hoogte subsidie is in het gemeentelijk beleid onder het kopje ´Berekening hoogte subsidie´ opgenomen dat, ook al tellen bepaalde looncomponenten niet mee voor de berekening of het loon boven de 130% van het wettelijk minimum loon komt, dat niet wil zeggen dat deze looncomponenten dan door de gemeente vergoed worden. De gemeente Nijmegen vergoedt namelijk alleen die loonkosten die gemaakt worden omdat de werkgever de kosten op basis van een CAO verplicht is te maken. Mochten deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen, dan nog vergoedt de gemeente in geen geval meer dan het bedrag dat overeenkomt met 130% van het wettelijke minimum loon.

3.4 Eiseres stelt zich allereerst op het standpunt dat zij op grond van artikel 27, tweede lid, van de Re-integratieverordening in samenhang met de artikelen 6 en 9 van het Besluit ID recht heeft op een vergoeding van de door haar gemaakte loonkosten voor zover deze de 130% van het wettelijk minimumloon te boven gaan. Voor zover in het gemeentelijk beleid is neergelegd dat geen vergoeding plaatsvindt van de kosten die de genoemde 130% te boven gaan, is dit beleid volgens eiseres in strijd met de regelgeving.

Deze grond faalt. Eiseres heeft gelijk als zij stelt dat in artikel 9 van het Besluit ID is bepaald dat bepaalde loonkosten buiten beschouwing worden gelaten bij het vaststellen of het loon boven de 130% van het wettelijk minimumloon uitkomt. Dit wordt door verweerder ook niet bestreden. Het gevolg is dat het bedrag dat een werknemer feitelijk ontvangt hoger kan zijn dan 130% van het wettelijk minimumloon. De rechtbank ziet echter noch in het Besluit ID, noch in de Re-integratieverordening enig aanknopingspunt voor de stelling dat verweerder verplicht is deze loonkosten aan eiseres te vergoeden, ook voor zover deze boven de 130% van het wettelijk minimumloon komen. Met name volgt volgens de rechtbank uit artikel 27, tweede lid, van de Re-integratieverordening niet dat de verstrekte subsidies de gemaakte loonkosten volledig dienen de dekken. Het gemeentelijk beleid is derhalve niet in strijd met de Re-integratieverordening en het Besluit ID voor zover er is bepaald dat geen loonkosten boven 130% van het wettelijk minimumloon worden vergoed.

3.5 Voor zover eiseres zich heeft beroepen op onbekendheid met het beleid slaagt deze grond niet. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiseres bekend had kunnen zijn met het beleid nu dit in 2003 aan alle ID-werkgevers is toegezonden.

3.6 Verweerder heeft in het besluit opgemerkt dat zij heeft overwogen om eiseres wel te subsidiëren voor de extra loonkosten. Zij heeft daarvan afgezien nu eiseres bekend was dan wel kon zijn met het beleid niet meer dan 130% van het wettelijk minimum loon te subsidiëren, uit het jaarverslag van eiseres blijkt dat er geen financiële noodzaak is een hogere loonkostensubsidie te verstrekken, om precedentwerking te voorkomen en omdat verweerder vindt dat het salaris niet hoger dan 130% van het minimum loon mag zijn, omdat er anders geen stimulans voor betrokkenen is om reguliere arbeid te aanvaarden.

Volgens de rechtbank volgen, mede gelet op hetgeen hiervoor is aangegeven, uit de regelgeving geen normen ten aanzien van de hoogte van door verweerder te verlenen subsidies ten behoeve van ID-banen. Verweerder heeft derhalve een grote mate van beleidsvrijheid de hoogte van deze subsidie vast te stellen. De rechterlijke toets richt zich daarom eerst op de vraag of verweerder in redelijkheid tot het vaststellen van het gemeentelijk beleid heeft kunnen besluiten en vervolgens op de vraag of het bestreden besluit geen gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden voor eiseres onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

De rechtbank stelt vast dat het besluit van verweerder geen loonkosten te vergoeden die boven de 130% van het wettelijk minimum loon uitkomen overeenkomstig het opgestelde gemeentelijk beleid is. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk gelet op het doel van de regeling: het door gesubsidieerde arbeid voor werklozen eenvoudiger te maken uit te stromen naar reguliere arbeid.

Ten aanzien van de vraag of het besluit voor eiseres gevolgen heeft die voor haar wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn, heeft eiseres er op gewezen dat zij voor haar inkomsten volledig afhankelijk is van de subsidie van verweerder. Indien deze niet alle kosten dekt, zal eiseres uiteindelijk failliet gaan. Ook stelt zij in dit verband dat verweerder haar voor een onmogelijke taak stelt. Enerzijds verplicht verweerder haar de CAO Welzijn na te leven en anderzijds vergoedt verweerder de extra kosten die daar voor haar uit

voortvloeien niet.

De rechtbank is van oordeel dat het feit verweerder eiseres verplicht de CAO Welzijn te volgen niet betekent dat verweerder ook verplicht is de daaruit voortvloeiende kosten te subsidiëren. Voorts is door eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het besluit direct tot onoverkomelijke financiële problemen leidt. De rechtbank merkt daarbij op dat de stelling van eiseres dat zij op de lange duur niet kan voortbestaan zonder kostendekkende subsidie van verweerder ook geen bijzondere omstandigheid opleveren. Er bestaat geen wettelijke plicht voor verweerder om het voortbestaan van eiseres te garanderen.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit geen gevolgen voor eiseres heeft die onevenredig zijn wegens bijzondere omstandigheden.

3.7 Verder beroept eiseres zich op het vertrouwensbeginsel. Zij heeft daartoe de e-mailcorrespondentie met twee ambtenaren werkzaam voor verweerders gemeente overgelegd. Ook heeft zij zich ter zitting beroepen op het feit dat zij in het verleden door verweerder in categorie A is geplaatst. Zij heeft daartoe een tweetal brieven van verweerder aan de gemeenteraad overgelegd.

De rechtbank merkt allereerst op dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel noodzakelijk is dat sprake is van een toezegging die uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd is en die is gedaan door een daartoe bevoegde persoon.

De rechtbank stelt vast dat uit de door eiseres overgelegde e-mails weliswaar blijkt dat de betreffende ambtenaren positief staan tegenover het verzoek van eiseres tot subsidiëring van de aanvullende loonkosten, maar dat zij nadrukkelijk aangeven dat de bevoegdheid daartoe te besluiten niet bij hen ligt. Alleen al om die reden kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.

Ten aanzien van de plaatsing in categorie A concludeert de rechtbank dat uit de overgelegde brieven blijkt dat plaatsing in deze categorie inhoudt dat eiseres gecompenseerd wordt voor de bezuinigingen op gesubsidieerde arbeid. Uit de brieven blijkt echter niet dat instellingen die in categorie A zijn geplaatst hun loonkosten volledig vergoed krijgen. Ook op dit punt slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel derhalve niet.

3.8 Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

3.9 De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

3.10 Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en mr. H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Schanze - de Vries, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 16 november 2010.