Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO7457

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
15-12-2010
Zaaknummer
10/1215 en 10/1228
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling peilbesluit Alblasserwaard. Het algemeen bestuur van het waterschap Rivierenland heeft in redelijkheid de in geding zijnde peilen kunnen vaststellen. Niet gebleken is dat het algemeen bestuur bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende kennis omtrent de af te wegen belangen heeft vergaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 10/1215 en 10/1228

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 11 november 2010.

inzake

1. [eiser 1], eiser,

wonende te [woonplaats], en

2. [eiser 2], eiser,

wonende te [woonplaats]

(hierna gezamenlijk tevens: eisers),

tegen

het algemeen bestuur van het waterschap Rivierenland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 november 2009.

2. Procesverloop

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het peilbesluit Alblasserwaard vastgesteld. Hiervan is aan eisers afzonderlijk mededeling gedaan bij brief van 15 februari 2010.

Tegen dit besluit hebben eisers afzonderlijk beroep ingesteld.

Naar de door partijen ingebrachte stukken, waaronder het verweerschrift, wordt hier kortheidshalve verwezen.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 14 september 2010. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.T.G.M. van Dinther-Broeksteeg en H.J. van de Braak, beiden werkzaam bij verweerders waterschap.

3. Overwegingen

3.1 Eisers kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen voor zover dit betrekking heeft op peilgebied Sliedrecht-Noord (peilgebiedcode NDW020, voorheen peilgebiedcode 01-08-02; verder: het peilgebied). Eisers zijn beiden veehouder en hebben gronden in het peilgebied in bezit.

Standpunten van partijen

3.2 Verweerder heeft bij het bestreden besluit – voor zover thans van belang – het peil voor het peilgebied vastgesteld op 2.09/-2.19 (zomerpeil/winterpeil in m NAP). Hiermee wordt het zomer- en winterpeil neerwaarts aangepast met 3 cm ten opzichte van het voorheen in dit gebied geldende peilbesluit.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder onder meer de algemene afweging ten grondslag gelegd dat voor agrarische gebieden een doelrealisatie van minimaal 75% gemiddeld per peilgebied wordt nagestreefd, in welk verband de doelrealisatie aangeeft de mate waarin het grond- en oppervlaktewaterregime tegemoet komt aan de eisen van de functies (op het land). Voor wat betreft het in geding zijnde peilgebied is aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat dit hoofdzakelijk agrarisch, deels natuur en deels stedelijk gebied betreft en dat de neerwaartse peilaanpassing een verhoging van de doelrealisatie tot gevolg heeft.

In reactie op de door eisers ingediende zienswijzen heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de doelrealisatie in dit peilgebied kleiner is dan 75% en dat er sprake is van maaivelddaling. Indien zou worden afgezien van aanpassing van het peil, wordt de drooglegging kleiner, waardoor natschade optreedt, aldus verweerder.

3.3 Op de door eisers aangevoerde gronden zal de rechtbank, waar nodig, in het navolgende ingaan.

Wettelijk kader

3.4 De rechtbank stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen zoals die golden ten tijde van belang.

3.5 Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wet op de Waterhuishouding (oud) – voor zover hier van belang – is een kwantiteitsbeheerder in daartoe aan te wijzen gevallen verplicht voor oppervlaktewateren onder zijn beheer één of meer peilbesluiten vast te stellen. Bij het vaststellen van het peilbesluit wordt rekening gehouden met de in de artikelen 5 en 9 bedoelde beheersplannen, die van toepassing zijn op de oppervlaktewateren waarop het peilbesluit betrekking heeft.

Gelet op het derde lid van dit artikel, gelezen in samenhang met artikel 16, eerste lid, van de Verordening waterbeheer Zuid-Holland 2007, is op de voorbereiding van het peilbesluit de in afdeling 3.4 van de Awb geregelde procedure van toepassing.

Gelet op de artikelen 1.8, onderdelen E en F, en 3.3 van de Invoeringswet Waterwet en de op grond daarvan vervallen bepalingen in de Waterschapswet zijn peilbesluiten niet langer aan goedkeuring van, dan wel administratief beroep bij gedeputeerde staten onderworpen.

Beoordeling

3.6 De rechtbank overweegt dat zij in dit geding dient te beoordelen of verweerder in redelijkheid tot de bij het bestreden besluit vastgestelde peilen heeft kunnen besluiten. Bij de vaststelling van het peilbesluit dienen verschillende belangen te worden afgewogen.

3.7 Eisers hebben gesteld dat een meerderheid van de grondgebruikers in het peilgebied zich niet kan vinden in de door verweerder vastgestelde aanpassing van de peilen en dat zij van de peilaanpassing nadeel zullen ondervinden.

3.8 In het op 30 oktober 2009 vastgestelde Waterbeheerplan 2010-2015, zijnde het in artikel 9 van de Wet op de Waterhuishouding (oud) bedoelde beheersplan, is als uitgangspunt neergelegd dat door toepassing van de GGOR (Gewenst Grond- en Oppervlaktewaterregime) -methodiek per situatie wordt bekeken of de peilen worden aangepast naar aanleiding van de opgetreden bodemdaling.

3.9 Blijkens het bestreden besluit en de toelichting daarop heeft verweerder met de in geding zijnde neerwaartse peilaanpassing met name beoogd een toename van natschade te voorkomen. Met de neerwaartse aanpassing van het waterpeil wordt volgens verweerder de maaivelddaling – die is opgetreden door inklinking van de veengronden – van de afgelopen periode grotendeels gecompenseerd, terwijl de drooglegging gelijk blijft.

Nu de aanpassing van de waterpeilen per saldo tot gevolg heeft dat de drooglegging gelijk blijft, kan de rechtbank verweerder volgen in zijn standpunt dat niet aannemelijk is dat, zoals door eiser sub 2 is gesteld, als gevolg van peilaanpassing meer inloop van slootkanten zal gaan plaatsvinden, vee in de sloot zal belanden of anderszins schade zal ontstaan.

3.10 Verweerder heeft bij de vaststelling van het nieuwe waterpeil de GGOR-methodiek toegepast. Hierbij wordt het gewenste waterpeil vastgesteld door naar de optredende grondwaterstanden te kijken. Verweerder heeft aangevoerd dat hij bij het in dat verband verrichte onderzoek rekening heeft gehouden met de in het gebied aanwezige functies en belangen van natuur, landbouw, recreatie en bebouwing. Verweerder heeft aangegeven dat daarnaast met de wensen van de omgeving zoveel mogelijk rekening is gehouden. In het kader van de voorbereiding van het peilbesluit heeft verweerder daarom een klankbordgroep samengesteld, waarin vertegenwoordigers van diverse belangenorganisaties die in het gebied actief zijn, zitting hadden. Tevens is er in dat verband op 16 juli 2009 een informatiebijeenkomst geweest.

Bij het nemen van het bestreden besluit is verweerder er vanuit gegaan dat de indieners van de zienswijzen met betrekking tot dit peilgebied, waaronder eisers, een minderheid van de oppervlakte van de in dit gebied gelegen percelen in bezit hebben. Uit de zienswijzen en reacties van de klankbordgroep is verweerder niet gebleken dat een meerderheid van de grondgebruikers in het peilgebied – gezien hun specifieke belangen – geen peilaanpassing wenst.

3.11 Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat verweerder, alvorens het peilbesluit vast te stellen, de wensen van de grondgebruikers op afdoende wijze in kaart heeft gebracht. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende kennis omtrent de af te wegen belangen heeft vergaard. Gelet daarnaast op het hoofdzakelijk agrarische gebruik van de gronden in het peilgebied, alsmede in verband daarmee verweerders streven naar een verhoging van de doelrealisatie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

Dat verweerder na de vaststelling van het bestreden besluit uit de door eiser sub 1 in de beroepsfase overgelegde stukken is gebleken dat een meerderheid van de grondgebruikers geen peilaanpassing wenst, brengt niet mee dat hij ten tijde van het bestreden besluit niet tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. De rechtbank merkt hierbij nog op dat verweerders gemachtigde ter zitting heeft aangegeven dat op grond van deze stukken een heroverweging van het bestreden besluit voor wat betreft het peilgebied wellicht zinvol is. Hiertoe zou dan door het college van dijkgraaf en heemraden een voorstel aan verweerder moeten worden gedaan. Het gesprek dat eisers en anderen uit het peilgebied ten kantore van het waterschap hebben gehad met heemraad [naam] heeft ook in dat verband plaatsgevonden, zo maakt de rechtbank op uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting. Van aan verweerder toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend, is de rechtbank niet gebleken.

3.12 Hetgeen door eiser sub 2 is aangevoerd met betrekking tot de handhaving van de vastgestelde peilen en de door hem geleden schade, wat daar verder ook van zij, kan in deze procedure niet aan de orde komen.

Conclusie

3.13 De slotsom van het bovenstaande is dat verweerder in redelijkheid bij het bestreden besluit de in geding zijnde peilen heeft kunnen vaststellen. De stellingen en betogen van eisers tegen het bestreden besluit treffen geen doel. De beroepen dienen dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, als voorzitter, mr. W.F. Bijloo en mr. H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 11 november 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 11 november 2010.