Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO4608

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
189716
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers zijn geslaagd in het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat zij met gedaagden een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten. De rechtbank benoemt een deskundige terzake van de deugdelijkheid van het door gedaagden verrichte werk en de kosten van herstel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 189716 / HA ZA 09-1657

Vonnis van 17 november 2010

in de zaak van

1. [eis.1],

wonende te [woonplaats],

2. [eis.2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. O. Diemel te Leusden,

tegen

1. [ged.1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen,

2. [ged.2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. C.J. van Dijk te Ede.

Partijen zullen hierna [eisers] en [ged.1] en [ged.2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 december 2009

- de akte van depot van 2 april 2010

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 2 april 2010

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 juli 2010

- de conclusie na getuigenverhoor

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het vorige vonnis zijn [eisers] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat zij met [ged.2] (en [ged.1]) een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten.

2.2. Voorafgaand aan de getuigenverhoren is aan de zijde van [eisers] een cd gedeponeerd waarop een geluidsopname staat van een gesprek dat op 21 april 2009 heeft plaatsgevonden tussen onder meer [ged.2] en [eis.1]. Tevens is een schriftelijke weergave van dat gesprek gedeponeerd. Tijdens dit gesprek is onder meer gezegd:

‘(…) [eis.1]: ja, ja en dan hebben we nog het dak.

[ged.2]: aan het dak doe ik niks, het dak is goed.

[eis.1]: nee, het dak is niet goed Henk.

[ged.2]: ja goed, het dak doe ik niets aan daar liggen twee lagen dakdekking op 3 lagen er in.

[eis.1]: jij zou met iemand komen?

[ged.2]: ja, nee ik heb me teruggetrokken in principe. Juridisch gezien geen flikker ermee te maken, wij (rechtbank: [ged.1] en [ged.2]) hebben het wel met zijn tweeën gedaan maar hij (rechtbank: [ged.1]) heeft gefactureerd, hij heeft de offerte weggedaan, heeft de materialen besteld, ik heb mijn advocaat gebeld, ik zeg, hoe zit dat? Hij zegt afstand houden, hij zegt het moet niet zo zijn dat jij verantwoording neemt op een bouw waar je zelf niet rechtstreeks aan de klant hebt gefactureerd.

[eis.1]: nee maar jullie waren samen, namen jullie dit aan en om het makkelijk te houden zou het via Maurice (rechtbank: [ged.1]) gefactureerd worden.

[ged.2]: ja dat is zo.

[eis.1]: en Maurice (rechtbank: [ged.1]) is ook in heel veel dingen afgegaan op jouw oordelen.

[ged.2]: ja, nou dit is het advies wat ze mij uitgebracht hebben en daar houd ik me aan.

(…)

[ged.2]: nou ja, ik wil je wel garantie op het dak geven maar ik haal het dak er niet af dat doe ik niet want het dak is goed. (…)

[ged.2]: ik heb het dakdekkersrapport wel gelezen en daar staat ook een hoop onzin in en dan kunnen jullie wel zeggen van niet…

[eis.1]: nou dan zou ik zeggen, kom dan met je contra-expertise en laten ze het uitvechten samen. Dan heb je een tweede man erbij die ook een oordeel geeft, maar dat wil je niet want je trekt je handen er vanaf.

[ged.2]: ja.

[eis.1]: ja.

[ged.2]: nee, nee wat ik moet opknappen, moet ik opknappen, kijk wat zo is, dat is zo, die isolatie, dat is zo, dat verkeerd zit dat zit (…).

[ged.1]: jij zegt wel hier krijg je gewoon garantie.

[ged.2]: ja.

[ged.1]: hoeveel jaar garantie zit er op het dak? 10 jaar?

[ged.2]: nou afbouwende garantie ja. (…)

[ged.2]: nee, nee, ik zeg sowieso zwart op wit dat ik garantie geef (…)’

2.3. Vervolgens zijn aan de zijde van [eis.1] gehoord [eis.1], [getuige1] en [ged.1]. [ged.2] heeft zichzelf als getuigen doen horen en [getuige2], een leverancier.

2.4. [eis.1] heeft als getuige onder meer verklaard over een gesprek dat heeft plaatsgevonden nadat door [ged.1] een eerste offerte aan [eis.1] en [getuige1] was verstrekt. ‘(…) Ik denk ongeveer een maandje later kwam de tweede offerte. Toen kwamen [ged.1] en [ged.2] samen en hebben mijn partner en ik met hun beide de offerte doorgenomen. Tijdens dit gesprek is er heel duidelijk over gesproken dat ze het werk samen zouden aannemen, ze gingen het samen doen, ze namen het samen aan. [ged.2] zou wel vooral het dak gaan doen omdat [ged.1] daar geen verstand van had, maar dat viel onder de opdracht. Verder vroeg [ged.1] of [ged.2], ik weet niet meer wie, of ik van beide personen facturen wilde ontvangen of van één van hen. Dat maakte mij niet uit. Verder is toen afgesproken dat ik zelf een flink deel van het werk zou doen en daaruit vloeide een besparing voort. Dat gaf weer aanleiding voor de derde en laatste offerte. In juni/juli kwam de derde offerte. [ged.2] en [ged.1] kwamen weer samen. Ik denk dat de offerte toen getekend is maar dat weet ik niet meer 100 procent zeker. We zijn toen een planning gaan maken en een paar maanden later is het werk gestart. Tijdens dit gesprek kwam ook nog weer ter sprake dat ze het werk samen zouden doen. De aanleiding was dat mijn vriendin liet merken dat ze zich zorgen maakte over de verbouwing, of het allemaal wel goed kwam. Ik denk dat die zorg kwam doordat [ged.1] niet zoveel ervaring had met daken, ik kan me niet iets anders bedenken namelijk. [ged.2] zei toen: “Maak je maar geen zorgen, het komt allemaal goed. We doen alles samen.” Volgens mij hebben [ged.1] en ik de offerte ondertekend. Daarover is verder niet gesproken.’

Verder heeft [eis.1] nog verklaard: ‘Ik belde dan steeds [ged.2], want het was het dak, en hij zei dan steeds: “Ik kom het oplossen.”

[getuige1] heeft over dat gesprek verklaard:

‘(…) Dat gesprek met [ged.2] en [ged.1] was volgens mij in het eerste halfjaar van 2007. Ik herinner me dat het heel gezellig was. Ze waren eerst boven wezen kijken op zolder en toen zeiden ze dat ze de klus samen zouden aannemen, althans ze zeiden: “We doen het.” Vervolgens werd onderling overlegd wie wat ging doen. Ook kwam toen aan de orde hoe het met de betalingen zou moeten gaan. [ged.1] en [ged.2] gaven aan dat het ingewikkeld was als ze allebei facturen zouden sturen dus hun voorstel was om het via één factuur te doen, dat zou ook schelen in de administratieve rompslomp. Wij waren het daarmee eens. Verder weet ik nog dat ik me nogal zorgen maakte over die hele verbouwing en dat [ged.2] mij toen geruststelde. Hij zei: “Maak je geen zorgen, we doen het met zijn allen samen.”

[ged.1] heeft als getuige onder meer verklaard:

‘(…) Vervolgens zijn we met zijn vieren aan tafel gaan zitten en hebben de zaak besproken. [eis.1] had een tekening laten maken. We hebben gekeken hoe het moest gaan worden, ook wat betreft het dak en zo. Ik heb [ged.2] vervolgens gevraagd wat het dakwerk zou kosten zodat ik dat in de begroting kon betrekken. [ged.2] en ik zijn vervolgens aan tafel gaan zitten en hebben besproken wat er aan materiaal, kosten en uren met het dak gemoeid zou zijn. Daar kwam vervolgens een offerte uit. Er zijn meerdere gesprekken geweest, ik denk twee of drie. Die gesprekken waren in aanwezigheid van mij en [ged.2] en in ieder geval ook [eis.1], ik weet niet meer zeker of zijn partner er ook bij was. Tijdens één van die gesprekken, ik weet niet meer welke, hebben we afgesproken dat we één offerte zouden hanteren. Omdat ik al een heel eind was met mijn offerte hebben we afgesproken dat mijn offerte zou worden gehanteerd, maar die zou dan worden aangevuld met het dakwerk van [ged.2]. Verder hebben we afgesproken dat het het meest praktisch zou zijn als er één factuur zou worden gehanteerd en dat er niet afzonderlijk door mij en [ged.2] aan [eis.1] zou worden gefactureerd. Verder is besproken dat we het allemaal samen zouden doen. Daar bedoel ik mee wat ik zeg. [eis.1] zou ook een aandeel hebben in het werk omdat hij nog vrije dagen had en hand- en spandiensten zou verrichten. Op uw vraag of expliciet aan de orde is geweest dat het werk door zowel mij als [ged.2] zou worden aangenomen antwoord ik dat er is gezegd dat we het samen zouden doen. Zo is het besproken, meer niet.

Ik heb niet begrepen dat [ged.2] bij mij in onderaanneming zou werken, volgens mij namen we de klus samen aan. Voor deze klus had ik één of twee keer met [ged.2] samengewerkt en hij huurde mij dan in op uurbasis. Voor deze klus spraken we af dat we min of meer gezamenlijke administratie zouden voeren waarbij we dus alle inkomsten zouden optellen en alle uitgaven er vanaf zouden trekken en vervolgens het restant delen door twee. Met de deelfacturen die [ged.2] mij tussentijds stuurde werden de materiaalkosten die hij had en alvast een voorschot op zijn deel van de winst aan hem uitgekeerd. Ik kreeg immers de voorschotbetalingen van [eis.1] op mijn rekening. Dit systeem hadden wij van tevoren besproken. Het klopt dat het afwijkt van hoe wij eerder zaken hadden gedaan.

De aanneemsom die wij met [eis.1] hebben afgesproken had ik van tevoren met [ged.2] afgesproken en hij was het daarmee eens, ook met het winstaandeel dat daarin was berekend. (…)’

[ged.2] heeft verklaard:

‘[ged.1] vroeg mij of ik kon helpen met de dakopbouw. Het is dus niet zo dat [eis.1] mij daarvoor heeft gevraagd. Ik vond het goed. Ik heb toen met [ged.1] afgesproken dat ik hem zou helpen, hij hield het werk in beheer, ik werkte voor [ged.1] op uurbasis tegen een uurtarief van € 30,00. Dit blijkt ook uit de facturen. Wat ik me van de gesprekken kan herinneren is dat ik tijdens een van de eerste gesprekken, waarbij alle partijen in deze procedure aanwezig waren, heb gezegd dat twee kapiteins op één schip niet gaat. Het is absoluut niet zo dat tijdens een van die gesprekken door mij of

[ged.1] aan [eis.1] is gevraagd of ze van ons allebei of van een van ons facturen wilden ontvangen. Ik kende de aanneemsom niet eens, dus dan wordt factureren lastig. Het is een leugen van [ged.1] dat, zoals hij verklaart als getuige, we na afloop van de klus samen de financiën hebben bekeken en vervolgens de winst hebben gedeeld. Ik heb slechts mijn uren gedeclareerd en dat was het. Mijn facturen zagen vrijwel uitsluitend op mijn uren. Op een enkel punt op een enkele factuur staat ook materiaal genoemd, maar dat was minimaal, dat ging bijvoorbeeld om een paar schroeven die we tekort kwamen en die ik dan uit de bus pakte. Het kan best dat ik tijdens een van de gesprekken woorden in strekking van ‘samen doen’ heb gebruikt, maar daarmee bedoelde ik niet dat ik samen met [ged.1] de aannemer was. Ik doelde daarmee op het feitelijke samenwerken. Ik heb de CD-rom met de gespreksopname geluisterd en de uitgetypte tekst klopt wel zo ongeveer. Ik wist niet van de opname af. De gemarkeerde passage op pagina 5 is op zich juist weergegeven. Hetgeen ik daar heb gezegd kwam voort uit irritatie. Ik had op dat moment nog helemaal geen advocaat en had dus ook nog helemaal geen advies gekregen van mijn advocaat. Ik zei maar wat. [eis.1] zat zo door te

zeuren dat ik op een gegeven moment om er van af te zijn maar heb gezegd ‘ja dat is zo’. Ook wat ik daarvoor heb gezegd heb ik op dat moment verzonnen en niet van een advocaat als advies gekregen. Wat ik met dat advies bedoel is dat wanneer we het hebben over samenwerken dat niet betekent dat ik de aannemer ben en dus aansprakelijk zou zijn. Ik wil nog benadrukken dat [eis.1] dit gesprek heeft uitgelokt en dat vind ik gluiperig. (…)

[getuige2], die zowel aan [ged.1] als [ged.2] producten levert heeft onder meer verklaard:

‘(…) Wat ik dus weet is dat [ged.1] [ged.2] voor deze klus heeft ingehuurd. Op uw vraag wat ik bedoel met het woord inhuren zeg ik u dat ik niet weet wat de exacte afspraken zijn. (…)’

2.4. Voor de verklaringen van [eis.1] en [getuige1] geldt de beperking van artikel 164 lid 2 Rv: hun verklaringen kunnen omtrent door hun te bewijzen feiten geen bewijs in hun voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Een verklaring van een partijgetuige kan geen begin van bewijs opleveren dat als aanvullend bewijsmiddel kan dienen bij de verklaring van een andere partijgetuige (HR 15 april 2005, NJ 2005, 272).

2.5. Naar het oordeel van de rechtbank is met de geluidsopname van het gesprek op 21 april 2009 voldoende aanvullend bewijs voorhanden. In dat gesprek antwoordt [ged.2] bevestigend op de opmerking van [eis.1] dat [ged.2] en [ged.1] het werk samen aannamen en dat, om het makkelijk te houden, er via [ged.1] zou worden gefactureerd. Weliswaar heeft [ged.2] verklaard dat hij uit irritatie bevestigend zou hebben geantwoord en doet hij het af als onzin, maar bij het afluisteren van de geluidsopname is de rechtbank niet gebleken van enige irritatie bij [ged.2]. Integendeel, het gesprek werd vrijwel continu op een redelijke en constructieve wijze gevoerd. Het antwoord van [ged.2] ‘ja, dat is zo’, vat de rechtbank dan ook op als een bevestigend antwoord op de opmerking van [eis.1] dat [ged.1] en [ged.2] het werk samen aannamen en dat, om het makkelijk te houden, er via [ged.1] zou worden gefactureerd. De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat de geluidsopname heeft te gelden als bewijs dat zodanig sterk is en betrekking heeft op zulke essentiële onderdelen, dat dat de partijgetuigenverklaringen voldoende geloofwaardig maakt. Aan de verklaringen van [eis.1] en [getuige1] komt derhalve volle bewijskracht toe.

2.6. Zowel [eis.1], [getuige1] als [ged.1] verklaren over een gesprek met [ged.2] en [ged.1] dat heeft plaatsgevonden voordat de overeenkomst (de definitieve offerte) werd ondertekend. Tijdens dat gesprek zou zijn besproken dat [ged.2] en [ged.1] het werk samen zouden aannemen ([eis.1]), dat [ged.2] en [ged.1] het werk samen zouden doen ([eis.1], [getuige1] en [ged.1]) en dat door [ged.1] en [ged.2] aan de orde is gesteld of [ged.2] en [ged.1] beiden facturen zouden zenden of, uit praktisch oogpunt, een van hen en dat toen is afgesproken dat [ged.1] de facturen zou sturen ([eis.1], [getuige1] en [ged.1]). Op een later moment is vervolgens de (aangepaste) offerte ondertekend door [ged.1], [eis.1] en [getuige1].

2.7. Lijnrecht tegenover die met elkaar overeenstemmende verklaringen staat de verklaring van [ged.2], die ontkent dat tijdens een van de gesprekken aan de orde zou zijn gesteld of [eisers] van [ged.2] en [ged.1] gezamenlijk of van een van hen facturen wilden ontvangen. Hij heeft verder verklaard dat het best kan zijn dat hij tijdens een van de gesprekken woorden heeft gebruikt in de strekking van ‘samen doen’ maar daarbij doelde hij op het feitelijke samenwerken. Hij bedoelde daarmee niet dat hij samen met [ged.1] de aannemer was.

2.8. Zoals hiervoor al aan de orde is gekomen heeft [ged.2] tijdens het gesprek op 21 april 2009 bevestigend gereageerd op de opmerking van [eis.1] ‘nee, maar jullie waren samen, namen jullie dit aan en om het makkelijk te houden zou het via Maurice (rechtbank: [ged.1]) gefactureerd worden.’ De getuigenverklaring van [ged.2] verdraagt zich niet met deze erkenning en staat hier zelfs lijnrecht tegenover. [ged.2] heeft als getuige wel getracht de betekenis van de door hem gedane uitlating tijdens dat gesprek op 21 april 2009 af te zwakken maar dat acht de rechtbank niet overtuigend en, zoals gezegd, is de rechtbank bij het luisteren van de gesprekopname niet gebleken dat de woorden van [ged.2] (ja, dat is zo) niet als een bevestiging zouden moeten worden opgevat. Met de getuigenverklaring van [ged.2] lijkt evenmin te verenigen dat [ged.2] tijdens dat gesprek op 21 april 2009 tot driemaal toe aan [eis.1] heeft verklaard garantie te zullen geven op het dak. Die uitlatingen liggen niet zonder meer in lijn met het standpunt van [ged.2] dat hij slechts onderaannemer is. In dat geval zou hij immers niet degene zijn die een garantie aan de opdrachtgever zou moeten verstrekken. Op grond van het voorgaande kent de rechtbank aan de getuigenverklaring van [ged.2] minder betekenis toe dan aan de overeenstemmende verklaringen van [eis.1], [getuige1] en [ged.1], die ook in overeenstemming zijn met de uitlatingen van [ged.2] tijdens het gesprek op 21 april 2009. Er zal dan ook van de juistheid van die verklaringen worden uitgegaan.

2.9. Bij die stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat voorafgaand aan het ondertekenen van de offerte een bespreking is geweest met [eis.1], [getuige1], [ged.1] en [ged.2] en dat tijdens die bespreking aan de orde is geweest dat het werk door [ged.1] en [ged.2] samen zou worden gedaan en zou worden aangenomen (aldus [eis.1] en de bevestiging daarvan door [ged.2] tijdens het gesprek op 21 april 2009) en dat aan de orde is gesteld of [ged.1] en [ged.2] ieder afzonderlijk zouden factureren of, uit praktisch oogpunt, een van hen gezamenlijk waarna er voor is gekozen dat alleen [ged.1] zou factureren.

2.10. Dan ligt de vraag voor of [eisers] zijn geslaagd in het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat zij met [ged.2] en [ged.1] een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

Allereerst is dit volgens [eis.1], hetgeen door [ged.2] in het gesprek van 21 april 2009 is bevestigd, expliciet aan de orde geweest doordat is besproken dat [ged.2] en [ged.1] het werk samen zouden aannemen. Bij een dergelijke woordkeuze moet voor alle partijen helder zijn geweest wat er werd afgesproken, namelijk dat de overeenkomst met zowel [ged.2] als [ged.1] werd gesloten.

2.11. Maar ook wanneer niet expliciet is gesproken over ‘samen aannemen’ maar slechts over ‘samen doen’ en daarnaast aan de orde is geweest of er gezamenlijk of door [ged.2] en [ged.1] afzonderlijk zou worden gefactureerd, oordeelt de rechtbank dat [eisers] in het bewijs zijn geslaagd. Waar de woorden ‘samen doen’ zowel kunnen duiden op het samen verrichten van het werk als op het gezamenlijk aannemen van het werk, valt van de kwestie rondom het al dan niet gezamenlijk factureren niet in te zien - althans niet zonder toelichting, die ontbreekt - dat dat aan de orde zou worden gesteld wanneer [ged.2] slechts als onderaannemer optrad. Dit valt alleen te rijmen met de situatie dat zowel [ged.2] als [ged.1] gerechtigd waren aan [eisers] te factureren. Die situatie is alleen aan de orde wanneer zowel [ged.2] als [ged.1] als aannemer/contractant optreden. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat [eisers] uit de woorden ‘samen doen’, tezamen met en bezien tegen de achtergrond van de besproken kwestie rondom het al dan niet gezamenlijk factureren redelijkerwijs mochten begrijpen dat zowel met [ged.2] als [ged.1] een overeenkomst van aanneming van werk werd gesloten. Dat na dit gesprek de definitieve offerte vervolgens door [ged.1] werd verstuurd en dat alleen [ged.1] en niet ook [ged.2] die offerte met [eisers] heeft getekend, doet daaraan niet af. Dit zou nog anders kunnen zijn wanneer er op enig moment - door [ged.1] of [ged.2] - duidelijk zou zijn gemaakt dat [ged.2] slechts als onderaannemer optrad, maar daarover heeft [ged.2] ter comparitie verklaard dat dat niet het geval is geweest.

2.12. In zijn conclusie na enquête heeft [ged.2] nog aangevoerd dat aan de verklaring van [ged.1] geen betekenis toekomt omdat [ged.1] het kennelijk voor de procedure met [eisers] op een akkoordje zou hebben gegooid. Aan deze enkele niet nader onderbouwde stelling gaat de rechtbank voorbij. Daarbij wijst de rechtbank er nog op dat [ged.1] van meet af aan (zie bijvoorbeeld de brief van 29 december 2008 van [ged.1], productie C bij dagvaarding) het standpunt heeft ingenomen dat hij samen met [ged.2] de overeenkomst met [eisers] heeft gesloten. Ook uit de verklaring van [getuige2] volgt niet dat, anders dan [ged.2] stelt, [ged.1] heeft gelogen. Weliswaar verklaart [getuige2] over inhuren van [ged.2] door [ged.1] maar bij doorvragen is gebleken dat [getuige2] van de werkelijke afspraken tussen [ged.2] en [ged.1] geen weet had. Verder wijst [ged.2] er in zijn conclusie na enquête nog op dat de verklaringen van [ged.2] en [ged.1] wat betreft de financiële afwikkeling lijnrecht tegenover elkaar staan: volgens [ged.2] heeft hij overeenkomstig afspraak zijn uren en voorgeschoten materiaal aan [ged.1] in rekening gebracht middels drie facturen en is van winstdeling geen sprake. Volgens [ged.1] zagen de facturen van [ged.2] op voorschotten op de te verdelen winst en door [ged.2] betaald materiaal en is aan het einde van het werk de winst gelijkelijk verdeeld. [ged.2] heeft verder gesteld dat hij op de prijsvorming geen invloed heeft gehad terwijl volgens [ged.1] de aanneemsom van te voren met [ged.2] is afgesproken. Wie van beiden gelijk heeft laat de rechtbank in het midden. Immers, gesteld noch gebleken is dat [eisers] bekend waren met een van de beide gestelde afspraken tussen [ged.2] en [ged.1] over de (afwikkeling van de) financiën zodat die kwestie ook geen rol speelt bij de beantwoording van de vraag welke betekenis [eisers] redelijkerwijs aan verklaringen en gedragingen van [ged.2] en [ged.1] mochten toekennen. Ten slotte heeft [ged.2] nog betoogd dat bij hem de wil heeft ontbroken om met [eisers] te contracteren. Aan die enkele niet nader onderbouwde stelling gaat de rechtbank voorbij, te meer nu die stelling niet strookt met de uitlatingen die [ged.2] heeft gedaan tijdens het gesprek op 21 april 2009.

2.13. Zoals in het vorige vonnis reeds is aangekondigd (rov. 4.7.) heeft de rechtbank behoefte aan voorlichting door een deskundige over kort gezegd de deugdelijkheid van het door [ged.1] en [betrokkene1] verrichte werk en de kosten van herstel. Partijen hebben de gelegenheid gekregen zich over de te stellen vragen en de persoon van de te benoemen deskundige in de conclusie na enquête uit te laten. [eisers] hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt en zij hebben vijf vragen geformuleerd en zich wat betreft de persoon van de te benoemen deskundige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. [betrokkene1] heeft zich over een deskundigenonderzoek niet uitgelaten.

2.14. De rechtbank zal ing. [deskundige] tot deskundige benoemen. Hij heeft desgevraagd verklaard daartoe bereid en in staat te zijn. De volgende vragen zullen aan hem worden gesteld:

1. Voldoet de nieuwe verdieping inclusief het nieuwe dak aan de vereisten van goed en deugdelijk vakmanschap? Wilt u daarbij aandacht besteden aan de rapporten van Roof control van 8 augustus 2008 en van Perfectbouw van 6 augustus 2008?

2. Zo nee, op welke onderdelen en in welk opzicht voldoen de verdieping en het dak daar niet aan en wat is daarvan de oorzaak?

3. Welke maatregelen dienen te worden genomen om de gebreken (en de daaraan ten grondslag liggende oorzaak) te verhelpen opdat de verdieping en het dak voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk vakmanschap?

4. Welke kosten gaan gepaard met de onder 3 genoemde maatregelen en wilt u die zoveel mogelijk specificeren?

5. Heeft u verder nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van de belang kunnen zijn?

2.15. De deskundige heeft het voorschot op zijn kosten begroot op € 3.000,-- inclusief BTW. Dit voorschot komt op grond van artikel 195 Rv voor rekening van [eisers]

2.16. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Voldoet de nieuwe verdieping inclusief het nieuwe dak aan de vereisten van goed en deugdelijk vakmanschap? Wilt u daarbij aandacht besteden aan de rapporten van Roof control van 8 augustus 2008 en van Perfectbouw van 6 augustus 2008?

2. Zo nee, op welke onderdelen en in welk opzicht voldoen de verdieping en het dak daar niet aan en wat is daarvan de oorzaak?

3. Welke maatregelen dienen te worden genomen om de gebreken (en de daaraan ten grondslag liggende oorzaak) te verhelpen opdat de verdieping en het dak voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk vakmanschap?

4. Welke kosten gaan gepaard met de onder 3 genoemde maatregelen en wilt u die zoveel mogelijk specificeren?

5. Heeft u verder nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van de belang kunnen zijn?

3.2. benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

[gegevens deskundige]

3.3. bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis en van het vonnis van 30 december 2009 aan de deskundige zal toezenden,

3.4. bepaalt dat [eisers] binnen twee weken na datum van dit vonnis (kopieën van) de overige processtukken aan de rechtbank Sector civiel, roladministratie, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem zal doen toekomen,

3.5. bepaalt dat [eisers] binnen twee weken na datum van dit vonnis als voorschot op de kosten inclusief omzetbelasting van de deskundige € 3.000,-- ter griffie van deze rechtbank dient te deponeren door dit bedrag over te maken op rekening nummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen,

3.6. bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek hoeft te beginnen,

3.7. bepaalt dat de deskundige binnen twee weken nadat hij bericht heeft gekregen dat het voorschot is gedeponeerd met de partijen een afspraak moet hebben gemaakt voor een datum en tijdstip waarop het onderzoek zal plaatsvinden en die datum aan de rechtbank moet hebben doorgegeven, tenzij een dergelijke afspraak vanwege de aard van het onderzoek naar het oordeel van de deskundige niet nodig is,

3.8. bepaalt dat indien een partij of de deskundige de aldus afgesproken datum voor het onderzoek wil wijzigen, die partij of de deskundige daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek moet doen aan de griffie van de rechtbank, met afschrift aan de andere betrokkenen,

3.9. bepaalt dat de deskundige zich met vragen over het onderzoek kan wenden tot de rechter mr. S.C.P. Giesen,

3.10. bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

3.11. bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend conceptrapport zal inleveren ter griffie van deze rechtbank voor 19 januari 2011, waarna schriftelijk nadere instructies van de rechtbank zullen volgen over de indiening van het definitieve rapport en de declaratie van de deskundige,

3.12. verwijst de zaak naar de rolzitting van vier weken na de datum waarop het definitieve rapport ter griffie is ingeleverd voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eisers],

3.13. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2010.