Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO4607

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
195883
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering gebaseerd op de vereffeningsplicht aan het einde van een maatschap of een vennootschap onder firma afgewezen, nu de overeenkomst tussen partijen noch aan de hand van formele noch aan de hand van materiële kenmerken als maatschap kan worden gekwalificeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 195883 / HA ZA 10-218

Vonnis van 17 november 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CZDESIGN B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. J.P.J.M. Naus te Nijmegen,

tegen

1. [ged.1conv./eis.1reconv.],

wonende te [woonplaats]

2. [ged.2conv./eis.2reconv.],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eiseressen in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. M.M.C. van de Ven te Boxmeer.

Partijen zullen hierna ook als CZdesign, [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] aangeduid worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 april 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 3 november 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 18 december 2006 is tussen CZdesign, vertegenwoordigd door [betrokkene2] (hierna: [betrokkene1]), [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] een overeenkomst gesloten om producten van Tsjechische ontwerpers voor wie CZdesign agent dan wel importeur in Nederland was, te vermarkten. Doel van de overeenkomst is blijkens de daarvan opgemaakte akte “de verdeling van taken, inkomsten en enkele formele en praktische aangelegenheden vast te leggen.” Artikel 1 van de overeenkomst luidt:

Partijen werken samen teneinde producten van Tsjechisch design te vermarkten in Nederland (en daarbuiten?) zowel wat betreft de agenturen van CZdesign B.V. als ook waar het betreft de distributeurfuncties van CZdesign B.V.

2.2. Aan [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] worden in deze overeenkomst procuratierechten in CZdesign toegezegd. De kosten “voor zover puur ten behoeve van de samenwerking gemaakt” zullen op declaratiebasis door CZdesign vergoed worden. De overeenkomst bevat een regeling voor de verdeling van de agentuurcommissies en de importeurs-/distributiebeloningen.

2.3. In 2007 komt er een einde aan de situatie waarin deze agentuurcommissies en importeurs/distributiebeloningen betaald worden.

2.4. Op 3 oktober 2007 wordt de modewinkel Milenko Mode & Meer (hierna: Milenko) geopend. In de pers treden [betrokkene1], [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] naar buiten als de vrouwen achter deze winkel.

2.5. Kort voor de opening van Milenko zijn [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] benoemd tot bestuurders van CZdesign. [betrokkene1] is enig aandeelhouder.

2.6. [ged.1conv./eis.1reconv.] en/of [ged.2conv./eis.2reconv.] is/zijn veelal in de winkel aanwezig. Aanvankelijk ontvangen zij hiervoor geen vergoeding. In een bespreking tussen de adviseur [betrokkene2] en de echtgenoten van [betrokkene1] en [ged.2conv./eis.2reconv.] op 12 november 2008 is sprake van het feit dat een salaris niet haalbaar lijkt. [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] krijgen later een beperkte vergoeding voor hun werkzaamheden.

2.7. Op 29 april 2009 richten [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] zich per brief tot CZdesign, ter attentie van [betrokkene1]:

Per heden zeggen wij ([ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.], de rechtbank) de samenwerkingsovereenkomst met CZdesign formeel op.

Zoals bekend mag worden verondersteld en ook in diverse mailberichten is vastgelegd zijn de activiteiten van CZdesign BV (te weten voeren van agentschap) feitelijk al enkele jaren geleden beëindigd.

2.8. Op 29 april 2009 mailt [betrokkene1] aan [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.]:

Op 21 april zegden jullie mij (…) mondeling de samenwerking inzake CZdesign op. Ik heb jullie toen verzocht met een voorstel te komen (…).

De samenwerkingsovereenkomst bestaat echter niet tussen ons drie maar tussen CZdesign BV en ieder van jullie. Onwenselijke bijkomstigheid hier is, dat jullie beiden ook de statutaire directie van de BV uitmaken. Vandaar dat ik heden als enig aandeelhouder een aandeelhoudersvergadering heb belegd waarin besloten werd tot directiewisseling. Daardoor zijn jullie geen statutair directeur meer. Vanaf heden ben ik dat zelf.

2.9. Op dezelfde dag mailen [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] aan [betrokkene1] over de afwikkeling van de samenwerking. Zij geven daarbij aan dat de overeenkomst van 18 december 2006 door [betrokkene2] was opgesteld “in het kader van de verdeling van eventuele opbrengsten uit de werkzaamheden van CZdesign als agent”, maar dat dit los staat van de winkel Milenko. Zij geven aan zich bij het handelsregister te hebben laten uitschrijven als bestuurders.

2.10. Vanaf 1 mei 2009 verschijnen [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] niet meer in de winkel; zij verrichten geen werkzaamheden meer in verband met Milenko. De boekhouding overhandigen zij aan CZdesign.

2.11. De advocaat van CZdesign schrijft [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] op 25 november 2009 aan in verband met de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst, die hij als een maatschap beschouwt. Hij sommeert daarbij [ged.2conv./eis.2reconv.] tot betaling van € 184.776,29 en [ged.1conv./eis.1reconv.] tot betaling van € 185.562,35 op grond van hun verplichtingen tot het bijdragen in de vereffening van de maatschap.

2.12. In hun reactie aan [betrokkene1] en de onder 2.11 bedoelde advocaat, bij brieven van 30 november 2009, stellen [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] zich op het standpunt dat zij niets verschuldigd zijn aan CZdesign. De brief aan [betrokkene1] luidt onder meer:

Toen u ons (…) benaderde met het verzoek medewerking te verlenen aan het importeren van Tsjechische design kleding en later ‘Milenko mode en meer…’ hebben wij na acceptatie van de enige voorwaarde van onze zijde (te weten: alle financiële verplichtingen en risico’s worden gedragen door mevrouw [betrokkene1]) volmondig ja gezegd.

De mondelinge aankondiging van het beëindigen van de samenwerking met u, mevrouw [betrokkene1], en als gevolg daarvan met CZdesign BV werd geaccepteerd tijdens het gesprek op 21 april 2009.

Nog vóór onze schriftelijke bevestiging evenals afwikkelingsvoorstel van 29 april 2009 heeft u, als aandeelhouder van CZdesign BV, ons op dezelfde dag ontheven van het directeurschap van CZdesign BV en bevestigd de beëindiging van de samenwerking te accepteren.

3. Het geschil

in conventie

3.1. CZdesign vordert – samengevat – veroordeling van [ged.1conv./eis.1reconv.] tot betaling aan CZdesign van € 185.562,35 en van [ged.2conv./eis.2reconv.] tot betaling aan CZdesign van € 184.776,29, een en ander vermeerderd met rente, alsmede hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten.

3.2. Zij stelt dat tussen partijen een maatschap, althans een vennootschap onder firma tot stand gekomen is, namelijk een duurovereenkomst gericht op het door middel van inbreng behalen en verdelen van winst, waarbij de onderlinge relaties gelijkwaardigheid kenden. Er dient vereffening plaats te vinden en er is sprake van verlies, dat door de maten/vennoten gedragen moet worden.

3.3. [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.4. [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] vorderen onder de voorwaarde dat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat tussen partijen een maatschap heeft bestaan – samengevat – dat de gevolgen van het bestaan van deze maatschap aldus worden gewijzigd dat zij vanaf 1 januari 2007, althans vanaf begin 2007 als niet meer bestaand, althans als vereffend kan worden beschouwd, zodat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben, met veroordeling in de kosten. CZdesign voert verweer.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Volgens art. 7A:1655 Burgerlijk Wetboek (BW) is de maatschap een overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkaar te delen. In grote lijnen voldoet de overeenkomst van 18 december 2006 aan deze omschrijving, al wringen de procuratierechten voor de b.v. en de declaratieregeling. Arbeid wordt van de zijde van [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] ingebracht en van de kant van CZdesign worden kennelijk rechten uit agentuur- en distributieovereenkomsten ingebracht. De bedoeling van partijen is het voordeel hieruit te delen.

4.2. De agentuur echter is verlopen, zoals ter comparitie van de kant van beide partijen is verklaard. De situatie waarin verdeling van agentuurcommissies en importeurs/distributiebeloningen aan de orde was, was op een ogenblik verleden tijd.

4.3. Daarmee lijkt aan de maatschap – al aangenomen dat die bestond – een einde te zijn gekomen. Het doel, omschreven in de aanhef van de overeenkomst van 18 december 2006 en in artikel 1 daarvan (“Partijen werken samen teneinde producten van Tsjechisch design te vermarkten (…) zowel wat betreft de agenturen van CZdesign B.V. als ook waar het betreft de distributeurfuncties van CZdesign B.V.”) was immers onbereikbaar geworden door het wegvallen althans ongebruikt laten van de agenturen en de distributeurfuncties. Daarmee lijkt te zijn voldaan aan art. 7A:1683 lid 1 aanhef en sub 2 BW, dat bepaalt dat de maatschap wordt ontbonden “door tenietgaan van een goed of de volbrenging der handeling, die het onderwerp der maatschap uitmaakt”.

4.4. Volgens CZdesign zijn partijen vervolgens op grond van de herziene maatschapsovereenkomst of een nieuwe overeenkomst van maatschap – subsidiair wordt gesteld dat er een vennootschap onder firma bestond; daarop gaat de rechtbank later in – de winkel Milenko gaan exploiteren. Ter onderbouwing van haar stelling dat deze maatschap de winkel ging exploiteren stelt CZdesign slechts dat “door alle betrokkenen gezamenlijk [is] besloten om de exploitatie een andere wending te geven”. Dit is dan het gaan exploiteren van de winkel Milenko.

4.5. De vraag is nu of deze gedreven is door een maatschap, hetzij de voortgezette, hetzij een nieuwe. [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] ontkennen dit.

4.6. Exploitatie door een maatschap wordt niet bevestigd door het handelsregister, waaruit in verband met Milenko uitsluitend CZdesign als exploiterend ondernemer naar voren komt. Een maatschap of vennootschap onder firma is nooit als zodanig in het handelsregister genoemd. De onderneming, de winkel Milenko, is ingeschreven en ook is degene wie zij toebehoort, ingeschreven. Dat is volgens het handelsregister CZdesign. Dit duidt erop dat CZdesign zichzelf als de ondernemer zag en niet de maatschap waartoe zij behoorde. Het handelsregister schept echter geen recht.

4.7. Van belang voor het antwoord op de onder 4.5 bedoelde vraag is of de maatschapsovereenkomst voor zover de inhoud daarvan vaststaat, ruimte laat voor het drijven van een winkel. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Weliswaar laat de preambule van de overeenkomst van 18 december 2006 ruimte voor het vermarkten van door CZdesign geïmporteerde producten in ruime zin, maar artikel 1 is uitsluitend gericht op de agenturen en distributeurfuncties van CZdesign (“Partijen werken samen teneinde producten van Tsjechisch design te vermarkten (…) zowel wat betreft de agenturen van CZdesign B.V. als ook waar het betreft de distributeurfuncties van CZdesign B.V.”) waarvan geen sprake meer was. Gesteld noch gebleken is dat partijen nadien de overeenkomst een nieuwe inhoud hebben gegeven of een nieuwe maatschapsovereenkomst hebben gesloten. Er is dus niet gebleken van een overeenkomst die concreet op de exploitatie van de winkel Milenko door een maatschap duidt.

4.8. Daar komt bij dat de verhouding tussen de partijen tijdens het bestaan van de winkel Milenko zich niet verdraagt met het wezen van de maatschapsovereenkomst. Twee van de maten, [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.], konden immers tot bestuurder van de derde, CZdesign, worden benoemd en als zodanig worden ontslagen door de aandeelhouder van die derde, [betrokkene1]. Deze bepaalde daardoor mede de inhoud van het samenwerkingsverband. Dit strookt niet met het bestaan van een maatschap tussen CZdesign, [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.].

4.9. De rol van [betrokkene1] staat daarmee ook in de weg aan het samenwerken van de maten waarvoor weliswaar geen strikte gelijkwaardigheid of gelijkheid in rechtspositie vereist is, maar wel vereist is dat het de maten zelf zijn die hun onderlinge positie bepalen en gezamenlijk leidinggevend zijn in de maatschap. Van de volgens CZdesign bestaande gelijkwaardigheid is geen sprake. De rol van de aandeelhouder(s) van de maat van wie twee andere maten bestuurder zijn, staat daaraan in de weg.

4.10. Eveneens staat daaraan in de weg het feit dat gesteld noch gebleken is dat er andere afspraken over de samenwerking tussen partijen waren gemaakt dan de wettelijke regels over het besturen van een b.v. meebrengen. Deze zijn van geheel andere orde dan de samenwerkingsregels die tussen maten gelden.

4.11. In het begin ontvingen [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] voor hun werk in de winkel en/of als bestuurder geen bezoldiging, maar na de op 12 november 2008 gehouden bespreking ontvingen zij enige vergoeding voor hun werkzaamheden. Deze gang van zaken, waarbij voor twee van de drie maten sprake zou zijn geweest van een uitkering niet uit de maatschapskas, maar uit de kas van CZdesign, waarbij het woord salaris wordt gebruikt, en waarbij de bespreking niet tussen de drie maten maar tussen een vertegenwoordiger van de aandeelhouder en een vertegenwoordiger van een bestuurder plaatsvond, wijst op de verhouding tussen een b.v., haar aandeelhouder en haar bestuurders, wellicht zelfs op een samenwerking tussen de aandeelhouder en de bestuurders van de b.v., maar niet op een maatschap tussen de b.v. en haar bestuurders. Ten slotte is onverklaard gebleven waarom [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] kort voor de opening van de winkel bestuurder van CZdesign werden als de drie samenwerkten als maten en ook binnen een maatschap in een bestuur voorzien kan worden.

4.12. Uit het voorgaande volgt dat een mogelijk vanaf 18 december 2006 bestaande maatschap overeenkomst waarschijnlijk niet meer bestond op 3 oktober 2007, nog daargelaten dat de overeenkomst zich niet voor het exploiteren van een winkel leende. Ook volgt uit het voorgaande dat de activiteiten van CZdesign, [betrokkene1], [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] ten behoeve van Milenko niet passen binnen de wettelijke omschrijving van de maatschap. Dit leidt tot de eindconclusie dat de overeenkomst noch aan de hand van formele noch aan de hand van materiële kenmerken als maatschap gekwalificeerd kan worden.

4.13. Er bestond dus geen maatschap die op de exploitatie van Milenko was gericht.

4.14. Waar van een maatschap geen sprake is, kan ook van een vennootschap onder firma geen sprake zijn omdat deze immers een maatschap ter uitoefening van een bedrijf onder een gemeenschappelijke naam is (art. 16 Wetboek van Koophandel). Daar komt bij dat tussen de pretense vennoten van een vennootschap onder firma het bestaan van de vennootschap alleen kan worden bewezen aan de hand van de vennootschapsakte, zoals is bepaald in art. 22 Wetboek van Koophandel, welk artikel een formele oprichtingseis combineert met een bewijsregel die tussen vennoten en derden anders luidt dan tussen vennoten.

4.15. Hiermee is de grondslag aan de vordering, die immers gebaseerd is op de vereffeningsplicht aan het einde van een maatschap of een vennootschap onder firma, komen te ontvallen. Ze moet dan ook worden afgewezen.

4.16. CZdesign zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] worden begroot op:

- vast recht € 1.188,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 5.188,00

in voorwaardelijke reconventie

4.17. De rechtbank komt aan de beoordeling van de reconventionele vordering niet toe nu de voorwaarde waaronder zij is ingesteld, niet is vervuld.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt CZdesign in de proceskosten, aan de zijde van [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] tot op heden begroot op € 5.188,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2010.