Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO4484

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
19-11-2010
Zaaknummer
652055 CV Expl. 09-9249
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil gaat over de uitleg van de aanduiding "verkoopmedewerker bake-off" in de CAO voor het bakkersbedrijf en wat dit betekent voor deze Bakker Bartvestiging. Kantonrechter concludeert dat eiser als verkoopmedewerker bake-off werkzaamheden verrichtte en daardoor in een hogere functieklasse moest worden ingedeeld. Bijkomende vraag is in welke functieklasse een medewerker van 22 jaar zonder enige ervaring moet worden ingedeeld op grond van de CAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0913
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 652055 \ CV EXPL 09-9249 \ so 407

uitspraak van 5 november 2010

vonnis

in de zaak van

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

gemachtigde mr. S. Köse-Celik, verbonden aan F.N.V. Bondgenoten

eisende partij

tegen

1. de vennootschap onder firma [naam vof],

handelend onder de naam [handelsnaam]

gevestigd te [vestigingsplaats]

2. [vennoot sub 1]

wonende te [woonplaats]

3. [vennoot sub 2]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partijen

gemachtigden mr. A.J.H. Rutten en mr. I. Staps-Geenen

Partijen worden hierna [werknemer] en gedaagden of, gezamenlijk, [werkgeefster] genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 februari 2010

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 26 augustus 2010.

2. De feiten

2.1. [vennoot sub 1] en [vennoot sub 2] zijn de vennoten van [naam vof]. De v.o.f. heeft onder de naam en de formule [werkgeefster] een bakkerij annex winkel in [vestigingsplaats]. Bij de Kamer van Koophandel is de bedrijfsomschrijving als volgt geformuleerd: “Het afbakken van bake-off producten en de verkoop hiervan in de ruimste zin des woords.”

2.2. [werknemer], geboren op [dag en maand] 1984, is op 14 januari 2007 als verkoopmedewerker in dienst getreden bij [werkgeefster], aanvankelijk voor 24 tot 38 uur per week. Het aantal arbeidsuren is met ingang van 26 maart 2007 uitgebreid naar 32 tot 38 uur per week. Het salaris bedroeg laatstelijk € 1.134,07 bruto per vier weken exclusief vakantietoeslag en emolumenten. Dit is gebaseerd op een bruto uurloon van € 8,86.

2.3. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Bakkersbedrijf van toepassing.

In de artikelen 1.8 en 1.9 is onder meer bepaald:

A

1.8: Functiejarensysteem

a. De functies zijn ingedeeld in functieklassen; bij elke functieklasse behoort een loonschaal die (behalve bij administratief personeel) tot en met de 22-jarige leeftijd gebaseerd is op leeftijd en daarna op functiejaren.

b. Treedt een werknemer in dienst, die al 22 jaar of ouder is, dan wordt het aantal functiejaren op nul gesteld, tenzij schriftelijk een hoger aantal is overeengekomen.

c. Na vaststelling van het aantal functiejaren bij indiensttreding of na het bereiken van de 22-jarige leeftijd, zal het aantal functiejaren telkens met ingang van 1 januari met één functiejaar worden verhoogd, totdat het einde van de loonschaal is bereikt.

d. Wordt een werknemer op of na 1 oktober 22 jaar, of treedt een werknemer, die al 22 jaar of ouder is, op of na 1 oktober in dienst, of vindt een bevordering op of na 1 oktober plaats, dan zal de eerste verhoging van het aantal functiejaren één jaar later plaatsvinden dan per de eerstvolgende 1 januari.

1.9: Combinatie van functies/vervanging

a. Indien een werknemer over een periode van 4 weken gemeten meer dan één functie verricht, en hij de hoogst geclassificeerde functie ten minste 10 uren per week uitoefent, is zijn beloning overeenkomstig die hoogst geclassificeerde functie.

[…]

2.4. Voort zijn in hoofdstuk 4 van de CAO de functies van het verkooppersoneel genoemd en in klassen ingedeeld:

Klasse I: verkoopmedewerker: iedere in of op het verkooppunt werkzame werknemer die minder dan één jaar werkervaring in de bedrijfstak van het bakkersbedrijf heeft.

Klasse II: verkoper (8.03)

Klasse III: eerste verkoper (8.02)

[…]

verkoper (bake-off) (8.04)

verkoper/serveerder (8.05)

Klasse IV: filiaalhouder (8.01)

2.5. Functienummer 8.04, aangeduid als “verkoper (winkel met bake-off)”, is als volgt omschreven:

Voornaamste taken/verantwoordelijkheden

Gereedmaken van winkel/verkooppunt door het bijvullen van voorraden vanuit magazijn danwel (vers) product vanuit tussenopslag of koeling. Snijden (met behulp van snijmachine) en handmatig verpakken van brood. Gevuld houden van het presentatiemeubilair (vitrine, schappen/rekken).

Bedienen van klanten, waaronder het beantwoorden van vragen over product (samenstelling, houdbaarheid, bewaarwijze, presentatiewijze, toepassingscombinaties e.d.) Raadplegen van (brood- of banket)bakker bij diepergaande vragen. Attent zijn op en benutten van verkoopmogelijkheden (doorverkoop-artikelen, productcombinaties).

Verzorgen van het in de winkel afbakken van producten met behulp van bake-off oven. Instellen van oven (temperatuur, tijd). Vullen van oven met te bakken producten (uit koeling) en zorgen voor steeds beschikbaar hebben van vers gebakken product, een en ander in overleg met en op aanwijzingen van filiaalhouder of ondernemer. Controleren van het product op gaarheid (uiterlijke beoordeling) en zonodig bijregelen van de instellingen.

Aanslaan van het verkoopbedrag; afrekenen met de klant. Attent zijn op juiste geldbehandeling.

Uitvoeren van bijzondere wensen van klanten zoals reservering, bestelling, voorsnijden van diepvriesgebak etc. Registreren van bestellingen met nadere gegevens.

Schoonmaken/opruimen van de winkel en het winkelmagazijn.

Afhankelijk van de takenverdeling, verrichten van werkzaamheden zoals:

- gereedmaken van klantenbestellingen;

- afwegen/tellen en verpakken van producten ten behoeve van de winkelverkoop.

2.6. [werknemer] is bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst conform de CAO ingedeeld in klasse I.

2.7. De arbeidsovereenkomst is beëindigd met ingang van 1 juli 2008.

3. De vordering en het verweer

3.1. [werknemer] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk veroordeelt aan hem te betalen:

a. een bedrag van € 4.388,08 bruto ter zake van het salaris

b. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad € 2.194,04 bruto

c. de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf de dag van verschuldigdheid

d. een bedrag van € 600,00 (exclusief BTW) aan buitengerechtelijke kosten

e. de proceskosten.

3.2. Ter onderbouwing van zijn vordering betoogt [werknemer] dat [werkgeefster] een winkel met bake-off oven heeft en dat hij als verkoopmedewerker (ook) belast was met bake-off werkzaamheden. Op grond van de CAO had hij daarom moeten worden ingedeeld in klasse III en had hij recht op betaling van het salaris dat geldt voor een verkoopmedewerker

bake-off. Dat is meer dan hij feitelijk uitbetaald heeft gekregen.

3.3. [werkgeefster] voert gemotiveerd verweer. Dit verweer zal, voor zover nodig, hierna worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of [werkgeefster] een winkel is met een bake-off voorziening en of [werknemer] als een met bake-off werkzaamheden belaste medewerker moet worden aangemerkt. Bij de beantwoording van deze vragen is in de eerste plaats van belang wat in de CAO wordt bedoeld met een winkel met bake-off.

4.2. Vooropgesteld wordt dat voor de uitleg van bepalingen van een CAO als uitgangspunt geldt dat in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van die CAO, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van partijen bij de CAO voorzover deze niet uit de CAO-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de bepalingen zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

4.3. In de CAO is de term “bake-off” niet expliciet gedefinieerd. Uit de hiervoor onder 2.5. weergegeven functieomschrijving blijkt dat het gaat om de volgende werkzaamheden: het in de winkel afbakken van producten met behulp van een bake-off oven, het vullen van de oven met te bakken producten (uit de koeling), het instellen van de oven (tijd en temperatuur) en het controleren van producten op gaarheid en zonodig bijregelen van de instellingen. Kenmerkend voor een winkel met bake-off is dus dat producten ter plaatse in een oven in de winkel worden afgebakken om vervolgens te worden verkocht.

4.4. [werkgeefster] stelt zich op het standpunt dat haar winkel niet als winkel met bake-off kan worden aangemerkt. Haar werkzaamheden gaan verder dan louter afbakken. Daarom heeft zij ook een bakkerij bij de winkel. De producten die zij krijgt aangeleverd zijn nog niet voorgebakken. [werkgeefster] laat de producten in de bakkerij rijzen, decoreert ze en bakt ze vervolgens in de oven. Op deze manier vindt het bakproces direct bij de winkel plaats. Voor zover [werknemer] al werkzaamheden heeft verricht die verband houden met het bakken van de broodproducten zijn deze werkzaamheden aan te merken als (assistent)bakkers¬werkzaamheden. Voor vergoeding daarvan komt [werknemer] alleen in aanmerking wanneer komt vast te staan dat hij gemiddeld meer dan tien uur per week deze werkzaamheden heeft verricht. In verband hiermee verwijst zij naar artikel 1.9 sub a van de CAO.

4.5. Uit de CAO kan niet worden opgemaakt dat de mate van voorbewerking van de broodproducten voor de definitie van bake-off relevant is. De term afbakken is ook niet nader omschreven. Van Dale definieert afbakken als “bakken om het voor consumptie geschikt te maken”. Daaruit maakt de kantonrechter op dat slechts van belang is dat voorbewerkte producten in de winkel geschikt worden gemaakt voor verkoop door ze af te bakken. Dat is wat (ook) bij [werkgeefster] gebeurt. De voorbewerkte producten worden bij de winkel klaargemaakt om de oven in te gaan en ze worden vervolgens gebakken. Daartoe worden baktijd en temperatuur van de oven ingesteld. Ook wordt na verloop van tijd gecontroleerd of de producten gaar zijn en te koop kunnen worden aangeboden. Uit hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht blijkt dat de bakkerij direct achter de winkel is en in een open verbinding daarmee staat. Gelet op dit alles moet [werkgeefster] als een winkel met bake-off worden aangemerkt. De kantonrechter merkt daarbij op dat [werkgeefster] zichzelf (bij de Kamer van Koophandel) ook als zodanig omschrijft.

4.6. Ter comparitie is gebleken dat de werkzaamheden van [werknemer] onder meer bestonden uit het (af)bakken van de geleverde producten zodat deze vers in de winkel ter verkoop konden worden aangeboden. Wat de omvang van deze werkzaamheden in verhouding tot de andere verkoopwerkzaamheden was, doet daarbij niet ter zake, omdat de functieomschrijving voor een verkoopmedewerker in een winkel met bake-off op dit punt geen minimumeisen stelt. Volgens [werkgeefster] volgt uit artikel 1.9 van de CAO een minimum van tien uren, maar dat geldt alleen als [werknemer] meer dan één functie zou uitoefenen. Dat laatste is niet gesteld noch gebleken. Hoewel het de bedoeling was dat [werknemer] zou toegroeien naar de functie van assistent bakker, zijn in dat kader geen bijzondere (loon)afspraken gemaakt. [werknemer] zou tot het moment dat hij het bakproces beheerste gewoon verkoopmedewerker blijven. [werknemer] moet daarom als verkoopmedewerker bake-off worden aangemerkt.

4.7. [werkgeefster] heeft er nog op gewezen dat dit zou betekenen dat iedere medewerker in een winkel met bake-off als een verkoper klasse III moet worden aangemerkt. Een dergelijk gevolg verhoudt zich volgens haar niet met een uitleg van de CAO naar objectieve maatstaven. Deze stelling is naar het oordeel van de kantonrechter te algemeen. De stelling gaat immers alleen op wanneer de werkzaamheden in een winkel met bake-off zodanig worden verdeeld dat het min of meer toevallig is welke medewerker de oven bedient. Het is echter goed denkbaar dat daarover bij de werkverdeling concrete afspraken worden gemaakt en dat één of meer medewerkers worden aangewezen als belast met bake-off werkzaamheden.

4.8. De conclusie op grond van het voorgaande is dat [werkgeefster] een winkel is met bake-off zoals bedoeld in de CAO en dat [werknemer] als verkoopmedewerker bake-off moet worden aangemerkt.

4.9. [werkgeefster] heeft [werknemer] bij zijn indiensttreding op 14 januari 2007 ingedeeld als verkoopmedewerker (klasse I). Uit de overgelegde functie-uurloontabellen blijkt dat deze klasse alleen geldt voor medewerkers tot 23 jaar die minder dan een jaar ervaring hebben in het bakkersbedrijf. Vast staat dat [werknemer] geen ervaring had in het bakkersbedrijf, zodat hij op die grond voor indeling in klasse I in aanmerking zou komen. In artikel 1.8 sub b van de CAO is echter bepaald dat wanneer een werknemer in dienst treedt die al 22 jaar is, het aantal functiejaren op nul wordt gesteld. Daaruit kan worden opgemaakt dat deze werknemer dan direct in de voor hem of haar geldende functieklasse wordt ingedeeld.

4.10. Voor [werknemer], die 22 was toen hij bij [werkgeefster] kwam, betekent dit, gezien zijn werkzaamheden, indeling in functieklasse III met een uurloon van € 9,86 bruto. Gelet op de achtereenvolgens geldende CAO’s betekent het voorgaande dat [werknemer] recht had op:

- een salaris van € 9,86 bruto per uur vanaf 14 januari 2007 tot 1 oktober 2007

- een salaris van € 10,09 bruto per uur vanaf 1 oktober 2007 tot 1 januari 2008

- een salaris van € 10,22 vanaf 1 januari 2008 tot het einde van zijn dienstverband. Met ingang van 1 januari 2008 geldt voor [werknemer] immers een functieschaal 1 op grond van het bepaalde in artikel 1.8 sub c van de CAO.

4.11. [werknemer] heeft op basis van de hiervoor weergegeven uitgangspunten berekend dat hij nog aanspraak heeft op € 4.388,08 bruto aan salaris. [werkgeefster] heeft de berekening op zichzelf niet betwist, zodat de kantonrechter deze zal volgen en het gevorderde bedrag zal toewijzen.

4.12. Aannemelijk is dat [werknemer] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten ad € 600,00 exclusief BTW (€ 714,00 inclusief BTW) is in overeenstemming met de gebruikelijke en redelijke tarieven en wordt daarom toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten al zijn betaald.

4.13. Omdat het geschil tussen partijen voortvloeit uit een verschil in uitleg van de CAO en [werkgeefster] blijkens haar verklaring ter comparitie alleen om die reden niet volledig aan haar loonbetalingsverplichting heeft voldaan, is er aanleiding de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot 10%. De gevorderde wettelijke rente is niet weersproken en wordt daarom toegewezen.

4.14. [werkgeefster] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Deze kosten worden aan de zijde van [werknemer] begroot op € 72,25 voor het uitbrengen van de dagvaarding, € 208,00 aan vast recht en € 500,00 voor salaris gemachtigde.

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, in die zin dat als de een heeft betaald de anderen zijn bevrijd, tot betaling aan [werknemer] van een bedrag van € 4.388,08 bruto aan salaris en € 438,81 bruto aan wettelijke verhoging, beide vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data van verschuldigdheid tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, in die zin dat als de een heeft betaald de anderen zijn bevrijd, tot betaling aan [werknemer] van een bedrag van € 600,00 exclusief BTW, € 714,00 inclusief BTW;

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, in die zin dat als de een heeft betaald de anderen zijn bevrijd, in de proceskosten, die aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 780,25;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. A.E.M. Overkamp en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2010.