Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO4441

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-10-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
207044
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kernvraag voor opheffing van executoriaal beslag, is of BMVZ – zoals zij stelt – op het moment van de beslaglegging eigenaar van de onderhavige taxi’s was. BMVZ heeft ter staving van haar stelling een aantal bescheiden overgelegd, waaronder een koopovereenkomst met bijbehorend taxatierapport en een leaseovereenkomst motorvoertuig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 207044 / KG ZA 10-686

Vonnis in kort geding van 25 oktober 2010

in de zaak van

de commanditaire vennootschap

[eiseres].,

gevestigd te [woon-/vestigingsplaats],

eiseres,

advocaat mr. H.V.D. Kuiper te Nijmegen,

tegen

1. [ged.1],

wonende te [woonplaats-/vestigingsplaats],

2. [ged.2],

wonende te [woon-/vestigingsplaats],

gedaagden,

gemachtigde M.J.C. Verheij,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

3. [ged.3],

gevestigd te [woon-/vestigingsplaats],

gedaagde,

niet verschenen.

Eiseres zal hierna [eiseres] worden genoemd. Gedaagde 1 en 2 zullen worden aangeduid als [gedn.1+2] en gedaagde 3 zal de Holding genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de vermindering van eis

- de pleitnota van [gedn.1+2].

1.2. Vanwege de spoedeisendheid van de zaak is op 25 oktober 2010 vonnis gewezen.

Hierna zullen de overwegingen van dat vonnis worden gegeven.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is een beheersmaatschappij, waarvan [bedrijf1] de beherend vennoot is. De heer [betrokkene1] (hierna: [betrokkene1]) is de gevolmachtigde van [eiseres]. [betrokkene1] is tevens directeur van de Holding.

2.2. De kantonrechter van deze rechtbank, locatie Nijmegen, heeft bij vonnis van 14 november 2008 de huurovereenkomst die tussen [gedn.1+2] en de Holding bestond, ontbonden. Tevens is de Holding veroordeeld tot het betalen van achterstallige huurpenningen en boetes wegens het niet tijdig voldoen van huurbetalingen en het niet (volledig) betalen van de waarborgsom. Dit vonnis is op 8 december 2008 aan de Holding betekend.

2.3. [gedn.1+2] heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij verzoekschrift van 19 oktober 2010 ex artikel 439, eerste lid, Rv verlof gevraagd om de beveltermijn, om binnen twee dagen aan de executoriale titel te voldoen, te verkorten tot nihil. Dit verlof, alsook het verlof om het bevel te mogen doen op alle dagen en uren, is op diezelfde dag verleend.

Bij exploot van 20 oktober 2010 heeft de deurwaarder de Holding bevel gedaan om onmiddellijk aan de inhoud van het vonnis te voldoen en aan hem een bedrag van in totaal

€ 160.857,40 te betalen. Tevens heeft hij aangezegd dat indien niet zou worden voldaan aan het bevel overgegaan zou worden tot het leggen van beslag.

2.4. Vervolgens heeft [gedn.1+2] op 20 oktober 2010 executoriaal beslag doen leggen op:

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type E 270 cdi, sedan, met het kenteken [nummer],

- een personenauto van het merk Ford, type Transit/Tourneo 300S, met het kenteken [nummer],

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type E 320 cdi, combi, met het kenteken [nummer],

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type 308 cdi, met het kenteken [nummer],

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type E 200 cdi, met het kenteken [nummer],

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type 311 cdi, met het kenteken [nummer],

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type E 200 cdi, met het kenteken [nummer],

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type 311 cdi, met het kenteken [nummer],

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type E 220 cdi, met het kenteken [nummer],

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type 308 cdi, met het kenteken [nummer]

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type 311 cdi, met het kenteken [nummer],

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type 208 cdi, met het kenteken [nummer],

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type 208 cdi, met het kenteken [nummer],

- een bedrijfsauto van het merk Mercedes-Benz, type 904.6, 416 cdi-s-m, met het kenteken [nummer],

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type 208 cdi, met het kenteken [nummer],

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type E 200 cdi, met het kenteken [nummer],

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type E 220 cdi, combi, met het kenteken [nummer]

- een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type 308 cdi, met het kenteken [nummer].

De personenauto’s met de kentekens: [nummer], [nummer], [nummer], [nummer], [nummer], [nummer], [nummer], [nummer], [nummer] [nummer], [nummer] en [nummer] zijn in gerechtelijke bewaring genomen en afgevoerd door de besloten vennootschap Logicx Berging B.V. Tijdens het optakelen van de personenauto met het kenteken [nummer] is het rechter achterlicht van die auto licht beschadigd geraakt.

2.5. De voertuigen met de kentekens: [nummer], [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer] werden na de beslaglegging aan het beslag onttrokken.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert – na een vermindering van eis – dat de voorzieningenrechter [gedn.1+2] veroordeelt

I. het executoriaal beslag dat zij hebben doen leggen binnen twaalf uur na betekening van dit vonnis in kort geding op te heffen,

II. de onmiddellijke teruggave van de voertuigen en de daarbij behorende sleutels te entameren, voor rekening van [gedn.1+2] binnen twaalf uur na betekening van dit vonnis,

III. de aan de voertuigen als gevolg van het beslag ontstane schade te vergoeden, welke schade nog nader bij staat is op te maken,

IV. de schade te vergoeden vanwege het niet gebruiken van de voertuigen en deze te bepalen op € 5.000,- per werkdag en € 10.000,- per dag in het weekeinde,

V. de mogelijke contractschade te vergoeden vanwege het niet kunnen voldoen van de verplichtingen van [eiseres], namelijk het ter beschikking stellen van de taxi’s ten behoeve van de Holding, en

VI. de eventuele aanspraken te vergoeden voortvloeiende uit de aansprakelijkstelling van [eiseres] door de Holding vanwege het niet kunnen nakomen van de door haar gesloten vervoersovereenkomsten met derden.

3.2. [eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de taxi’s die in beslag genomen zijn eigendom zijn van [eiseres] en niet van de Holding. De Holding heeft de auto’s bij koopovereenkomst van 1 juni 2010 verkocht aan [eiseres], die ze vervolgens op diezelfde datum in lease heeft gegeven aan de Holding. De beslaglegging is dan ook onrechtmatig en veroorzaakt schade. [eiseres] is immers gehouden de voertuigen ter beschikking te stellen aan de Holding. Derden zullen mogelijk hun overeenkomsten met de Holding opzeggen, hetgeen kan leiden tot het faillissement van de Holding en van [eiseres].

Ten tijde van de beslaglegging is de Holding niet in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat zij geen eigenaar is van de voertuigen. [gedn.1+2] wilde niet wachten op het aangeboden bewijs. Dit terwijl het vonnis uit hoofde waarvan beslag is gelegd, dateert van 14 november 2008, en de betekening ervan van 8 december 2008. Vanaf 8 december 2008 tot aan 20 oktober 2010 heeft de Holding niets van [gedn.1+2] vernomen.

3.3. [gedn.1+2] voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat verstek zal worden verleend ten aanzien van de niet verschenen Holding.

4.2. Nu [gedn.1+2] voornemens is de auto’s executoriaal te verkopen en [eiseres] in dat geval de beschikking over de voertuigen (indien deze haar eigendom mochten blijken te zijn) zou verliezen, heeft [eiseres] een voldoende spoedeisend belang bij haar vordering tot opheffing van het beslag.

4.3. Kernvraag is of [eiseres] – zoals zij stelt – op het moment van de beslaglegging eigenaar van de onderhavige taxi’s was. [eiseres] heeft ter staving van haar stelling een aantal bescheiden overgelegd, waaronder een koopovereenkomst met bijbehorend taxatierapport en een leaseovereenkomst motorvoertuig.

4.4. De koopovereenkomst die dateert van 1 juni 2010 is zowel voor de verkoper als voor de koper door één persoon getekend, zijnde [betrokkene1], directeur van de Holding, maar ook gevolmachtigde van [eiseres]. Als getuige heeft de heer [getuige1] de overeenkomst medeondertekend. De heer [getuige1] heeft namens [bedrijf2] (een vennootschap die volgens [gedn.1+2] niet bestond/bestaat) ten behoeve van de verkoop van de voertuigen een taxatierapport opgesteld dat dateert van 29 april 2010. Vastgesteld moet worden dat de voorletters van [getuige1] verschillen, terwijl het volgens [eiseres] om dezelfde persoon gaat. In het taxatierapport zijn 36 voertuigen (34 van het merk Mercedes Benz en twee van het merk Ford) op een bedrag van in totaal € 39.000,- (executiewaarde) getaxeerd.

Voorts heeft [eiseres] slechts één leaseovereenkomst overgelegd, terwijl zij naar eigen zeggen zou beschikken over meerdere leaseovereenkomsten. Deze leaseovereenkomst ziet op het voertuig met het kenteken [nummer] (Mercedes Benz). De leaseprijs bedraagt € 350,- per maand exclusief omzetbelasting. Ex artikel 6 van diezelfde overeenkomst komen alle onderhoudskosten alsook de verzekeringspremie en belastingen voor rekening van de lessee, de Holding. De overeenkomst heeft een looptijd van vier jaar, zodat gedurende die periode in totaal een bedrag van € 16.800,- aan leasetermijnen voor de auto wordt betaald. Dit terwijl [getuige1] de betreffende auto – bouwjaar 2002, met kilometerstand 320.000 en waarvan de motor ontbreekt – heeft getaxeerd op een bedrag van € 500,-. Dit alles in onderling verband en samenhang bezien, heeft ertoe geleid dat [gedn.1+2] de echtheid van de overeenkomsten en het taxatierapport alsook de datering ervan gemotiveerd in twijfel heeft getrokken.

4.5. Voor zover al van de echtheid van de koopovereenkomst en de leaseovereenkomst kan worden uitgegaan, doet [gedn.1+2] een beroep op artikel 3:45 BW. Hij stelt daartoe dat [eiseres] wist dat met het sluiten van de overeenkomsten, gedateerd enkele maanden voor de beslaglegging, [gedn.1+2] als schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkheden zou worden benadeeld. Te dien aanzien wordt het volgende overwogen. Niet bestreden is dat het sluiten van de beide overeenkomsten een onverplichte rechthandeling betrof, waardoor benadeling van schuldeisers, meer in het bijzonder [gedn.1+2], in zijn verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn. Evenmin is weersproken dat de overeenkomsten zijn gesloten tussen twee vennootschappen met dezelfde bestuurder, althans gevolmachtigde. [betrokkene1] is immers gevolmachtigde van [eiseres], alsook directeur van de Holding, zodat vooralsnog voldoende aannemelijk is dat de goede trouw aan beide zijden ontbreekt. Daarnaast zijn de 36 voertuigen getaxeerd op een bedrag van € 39.000,-. Hoewel het auto’s betreft die al heel wat kilometers hebben gereden en niet in al te goede staat verkeren, is onvoldoende aannemelijk dat deze prijs, voor 34 auto’s van het merk Mercedes Benz en twee auto’s van het merk Ford, reëel is.

4.6. Verder heeft [gedn.1+2] op 19 oktober 2010 de voertuiggegevens gecontroleerd bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer, waaruit bleek dat op die datum 35 auto’s op naam van de Holding stonden. De voertuigen waren bovendien op 20 oktober 2010 in het bezit van de Holding. [eiseres] heeft nog aangevoerd dat de tenaamstelling niets zegt over de eigendomsverhoudingen, omdat wettelijk is vereist dat de voertuigen op naam staan van de Holding om het taxibedrijf te kunnen uitoefenen. Eén dag na de beslaglegging is volgens [gedn.1+2] uit hernieuwde controle echter gebleken dat achttien van de 35 auto’s op 20 oktober 2010, de dag van beslaglegging, waren overgeschreven, hetgeen niet weersproken is.

4.7. Onder al deze omstandigheden kan vooralsnog niet uitgesloten worden dat de overeenkomsten niet de werkelijkheid weergeven en/of zijn opgemaakt met een ander doel. Wat daarvan ook zij, tegenover de tenaamstelling en het feitelijk bezit van de auto’s bij de Holding kunnen, voorshands geoordeeld, de overgelegde bescheiden niet dienen tot sluitend bewijs van [eiseres]’s eigendom van de auto’s ten tijde van de beslaglegging.

4.8. Het is [gedn.1+2] onder de huidige omstandigheden vooralsnog dan ook toegestaan om de executie op de voertuigen voort te zetten. In dat kader is nog van belang dat [eiseres] geen taxibedrijf is en dus de voertuigen zelf niet nodig heeft. Mocht in een bodemprocedure vast komen te staan dat wel van de echtheid van de overeenkomsten kan worden uitgegaan, kan er mogelijk een vordering tot schadevergoeding volgen.

4.9. Nu gelet op het vorenoverwogene het eigendomsrecht van [eiseres] niet (summierlijk) is komen vast te staan, stuiten haar vorderingen tot betaling van (een voorschot op) de door haar gestelde schade, die in het geheel niet zijn onderbouwd, af op de voor toewijzing van een geldvordering in kort geding geldende criteria. De vordering tot vergoeding van eventuele aanspraken voortvloeiende uit aansprakelijkheidsstelling wordt eveneens afgewezen.

4.10. De vorderingen van [eiseres] zullen dus worden afgewezen en zij zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedn.1+2] worden begroot op:

- vast recht € 263,00

- salaris 408,00

Totaal € 671,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde 3, de Holding,

5.2. wijst de vorderingen af,

5.3. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedn.1+2] tot op heden begroot op € 671,00,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 25 oktober 2010. De overwegingen waarop dit vonnis stoelt zijn afzonderlijk vastgelegd op 8 november 2010.