Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO4116

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
200345
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Conventie:

Vordering tot herstel van de door Van der Vaart geconstateerde gebreken c.q. correcte oplevering conform de tussen partijen gesloten overeenkomst bij gebreke waarvan PMB zal zijn gehouden tot betaling van de herstelkosten van de gebreken, bestaande uit een bedrag als nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Reconventie:

Vordering tot betaling van restant aanneemsom.

Bewijsopdrachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 200345 / HA ZA 10-929

Vonnis van 10 november 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN DER VAART VASTGOED B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. ing. A. Klein te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

P.M.B. MONTAGEBEDRIJF B.V.,

gevestigd te Elst,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.A.J. Hooymayers te Breda.

Partijen zullen hierna Van der Vaart en PMB genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 mei 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 1 oktober 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tijdens de comparitie van partijen d.d. 1 oktober 2010 in de onderhavige procedure en in de procedure tussen PMB en Van der Vaart Caravans v.o.f. waarin over en weer dezelfde vorderingen aan de orde waren, zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:

‘1. Partijen komen overeen dat er van moet worden uitgegaan dat de overeenkomst van 31 juli 2008 is gesloten tussen PMB Montagebedrijf B.V. en Van der Vaart Vastgoed B.V. partijen komen overeen dat de meerwerkfacturen ook moeten worden geacht te zijn gericht aan Van der Vaart Vastgoed B.V.

(…)

4. De correspondentie die is gevoerd op naam van Van der Vaart Holding B.V. wordt door partijen aangemerkt als gevoerd door Van der Vaart Vastgoed B.V.

5. De conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van Van der Vaart Caravans v.o.f. in de procedure 09-2347 wordt aangemerkt als de conclusie van antwoord in reconventie in de procedure 10-929 tussen Van der Vaart Vastgoed B.V. en PMB Montagebedrijf B.V.’

2.2. Tussen Van der Vaart en PMB is op 31 juli 2008 een overeenkomst gesloten terzake de uitbreiding van de bestaande bedrijfshal van Van der Vaart door PMB. In die overeenkomst staat onder meer:

Werkomschrijving:

Bestaande dak voorzien van sandwichpanelen, dikte 60 mm, ca 560 m2 met inpandige goot.

Wandpanelen, type WS 1000 ml, dikte 60 mm, kleur RAL 9006 (silver metallic), ca 790 m2

Stalen dakplaten, type R106, sendzimir verzinkt dikt 0.75 mm, ca 360 m2

Hulpstukken, voor alle afwerking van de sandwichplanelen en rondom ramen en deuren etc. incl bevestigingsmateriaal.

Met u overeengekomen, € 45.000,--

Exclusief alle hak en breekwerkzaamheden en het verwijderen van de bestaande dak en gevelbeplating.

Prijzen: exclusief 19% BTW

Betaling: in termijnen zie betaal en leveringsvoorwaarden.’

Op de overeenkomst staat nog handgeschreven vermeld: ‘2 man kompleete bouw incl demontage’.

2.3. PMB heeft in totaal € 61.231,87 aan Van der Vaart gefactureerd bij facturen van 3 september en 11 december 2008 en 15 januari 2009, 28 augustus 2009 en 16 september 2009. Van der Vaart heeft ten minste € 11.900,-- aan PMB betaald.

2.4. Bij brieven van 22 april 2009, 15 en 25 september 2009 heeft Van der Vaart kort gezegd kenbaar gemaakt dat zij niet tevreden was over het verrichte werk, medegedeeld dat zij verwacht dat die gebreken worden hersteld en PMB aansprakelijk gesteld voor de schade die zij meent te lijden.

2.5. In een op verzoek van Arcelor Mittal, de leverancier van de sandwichpanelen die op het dak zijn geplaatst, door Kettlizt opgesteld onderzoeksrapport van 10 juli 2009 staat onder meer:

‘Er is sprake van geluiden uit de dakconstructie die op basis van de gekozen dakconstructie, donker gekleurde sandwichpanelen bevestigd op houten gordingen, niet is te voorkomen. Wel zijn de geluiden opvallend sterk. (…) Mogelijk is een verbetering te bereiken door meer schroeven te plaatsen. Dit betekent in ieder dal aan de gordingen bevestigen. Een garantie is niet te geven maar gezien de beperkte extra kosten wordt aanbevolen deze actie in ieder geval uit te voeren. (…) De kleur van het paneel is een gegeven. Overspuiten in wit zou de problemen veel kleiner maken maar deze oplossing lijkt niet in verhouding te staan met de omvang van het probleem. Dit geldt in versterkte mate voor de invloed die uitgaat van de onvlakke onderconstructie. Dit is alleen effectief op te lossen door de panelen te demonteren, de gordingen uit te vlakken en panelen waar de getekende (…) vervorming is opgetreden te vervangen. De kosten hiervan staan echter in geen verhouding tot de hinder die de geluiden kunnen geven. Een laatste oplossing is het aanbrengen van een enkele kouddakplaat bovenop de dakpanelen. (…) Deze laatste oplossing is zonder meer effectief. De kosten zijn echter niet gering. Bovendien neemt deze voorziening ook de geluiden weg die inherent zijn aan de gekozen constructie (…). Daarom is het reëel dat hierbij de helft van de kosten wordt gedragen door de gebouweigenaar. (…)’

In de conclusies staat nog:

‘(…) Wel valt op dat de geluiden relatief sterk zijn. Dit is te verklaren op basis van de relatief grote paneellengte en de donkere oppervlaktekleur. En mogelijk ook op basis van het opvallend kleine aantal bevestigingen in de panelen. (…) Er kan hierbij echter nog iets anders een rol spelen en dat zijn de kleine verspringingen in de gordingen t.p.v. hun lassen. Deze leiden tot vervormingen van de buitenhuid ter plaatse van hun plaattoppen en in het aansluitende dal direct hiernaast. Hierdoor bestaat er meer bewegingsvrijheid voor de buitenhuid en meer bewegingsvrijheid t.p.v. de bevestigingspunten. (…) Wat betreft de keuze voor donkergekleurde dakpanelen op houten gordingen ligt de verantwoordelijkheid bij de gebouweigenaar. Wat betreft de bevestigingswijze ligt deze bij het montagebedrijf. Voor wat betreft de onvlakheid van de onderconstructie is dit of de eigenaar of het montagebedrijf, afhankelijk van de gemaakte contractuele afspraken.’

2.6. In een op verzoek van Van der Vaart door [betrokkene1] opgesteld rapport van 1 maart 2010 betreffende ‘probleempunten aan het vernieuwde bedrijfspand’ zijn aan de hand van foto’s de volgens de rapporteur bestaande bouwkundige probleempunten vermeld.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Van der Vaart heeft gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. primair: PMB zal veroordelen om binnen één maand na betekening van het in dezen te wijzen vonnis over te gaan tot het herstel van de door Van der Vaart geconstateerde gebreken c.q. correcte oplevering conform de tussen partijen gesloten overeenkomst bij gebreke waarvan PMB zal zijn gehouden tot betaling van de herstelkosten van de gebreken, bestaande uit een bedrag als nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

2. subsidiair: PMB zal veroordelen tot betaling van de herstelkosten van de gebreken, bestaande uit een bedrag als nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. PMB zal veroordelen tot vergoeding van alle door Van der Vaart als gevolg van de wanprestatie zijdens PMB geleden en nog te lijden schade als bestaande uit een bedrag als nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

met veroordeling van PMB in de voldoening van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

3.2. PMB voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. PMB vordert - na eisvermindering ter zitting - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Van der Vaart zal veroordelen om aan PMB te betalen

€ 49.331,87, vermeerderd met rente en kosten.

3.4. Van der Vaart voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Aan haar vordering legt Van der Vaart onder verwijzing naar de rapporten van [betrokkene2] en [betrokkene1] ten grondslag dat PMB toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst doordat PMB het werk gebrekkig heeft uitgevoerd en zij, ook na in gebreke te zijn gesteld, die gebreken weigert te verhelpen.

rapport [betrokkene2]

4.2. PMB heeft ter zitting de juistheid van het rapport van [betrokkene2] erkend zodat van de inhoud daarvan zal worden uitgegaan. Ter beoordeling ligt dan allereerst voor in hoeverre PMB wat betreft de (overmatige) geluiden in de bedrijfshal, tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en, in het verlengde daarvan, tot welke herstelmaatregelen (of voldoening van herstelkosten) zij gehouden is.

4.3. Uit het rapport van [betrokkene2] leidt de rechtbank af dat de geluiden in de bedrijfshal inherent zijn aan de dakconstructie in combinatie met thermische vervormingen van de panelen. Dat valt PMB niet te verwijten. De geluiden zijn volgens [betrokkene2] echter relatief sterk. Dat zou verklaard kunnen worden door de relatief grote paneellengte in combinatie met de donkere oppervlaktekleur die leidt tot hoge oppervlaktetemperaturen. Ook dat valt PMB niet te verwijten. [betrokkene2] merkt daarbij op dat het kleine aantal bevestigingen van invloed kan zijn. Dat valt wel onder de verantwoordelijkheid van PMB. Voor zover het kleine aantal bevestigingen daadwerkelijk van invloed is op het relatief sterke geluid, moet dan ook worden geoordeeld dat PMB toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Zij is in beginsel gehouden, zoals gevorderd, herstelmaatregelen te nemen. Die bestaan volgens [betrokkene2] uit het plaatsen van meer schroeven. PMB stelt dat zij zich steeds bereid heeft verklaard meer schroeven te plaatsen maar Van der Vaart zou haar niet hebben toegelaten in de bedrijfshal. Zij is nog steeds bereid die schroeven te plaatsen, zij het nadat Van der Vaart de openstaande rekeningen heeft voldaan. Zij beroept zich derhalve op een opschortingsrecht.

4.4. De rechtbank overweegt dat wanneer het plaatsen van meer schroeven effect heeft, PMB daarmee kan volstaan. Wanneer dat niet het geval is, geldt het volgende. [betrokkene2] schrijft in haar rapport dat ook de onvlakke onderconstructie van invloed kan zijn op de relatief sterke geluidsvorming in de bedrijfshal. Afhankelijk van de gemaakte contractuele afspraken is de eigenaar dan wel het montagebedrijf hiervoor verantwoordelijk, aldus [betrokkene2]. Het hermonteren van de panelen wordt door [betrokkene2] als niet reëel geduid omdat het niet in verhouding staat tot de geluidsproblemen. Het aanbrengen van kouddakbeplating bovenop de panelen zou zonder meer effectief zijn maar gezien de gedeelde verantwoordelijkheid voor de problemen en omdat met deze voorziening ook de geluiden worden weggenomen die inherent zijn aan de gekozen constructie zouden de niet geringe kosten van deze maatregel moeten worden gedeeld. Partijen hebben zich tegen deze conclusies niet verzet en meer in het bijzonder heeft PMB ook niet aangevoerd dat zij niet gehouden zou zijn de helft van deze kosten te dragen wanneer het bevestigen van schroeven niet tot een oplossing zou leiden. De rechtbank zal dan ook van de conclusies van [betrokkene2] op dat punt uitgaan. Wanneer het aanbrengen van schroeven onvoldoende effect heeft – hetgeen mogelijk door een deskundige zal moeten worden beoordeeld wanneer partijen het daarover niet eens worden – zal PMB worden veroordeeld om de helft van de kosten van het plaatsen van kouddakplaten te voldoen. In het midden kan blijven of, hetgeen PMB bestrijdt, Van der Vaart PMB hiervoor in gebreke heeft gesteld. Voor nakoming is verzuim immers niet vereist en voor zover het gaat om de herstelkosten in verband met het plaatsen van kouddakplaten moet worden geoordeeld dat in die situatie nakoming door PMB blijvend onmogelijk is (artikel 6:74 lid 2 BW).

4.5. Na de hierna te gelasten bewijslevering zal over dit geschilpunt - en het beroep op het opschortingsrecht - verder worden geoordeeld.

Rapport [betrokkene1]

4.6. Ter zitting is het rapport van [betrokkene1] besproken dat door Van der Vaart (mede) ten grondslag wordt gelegd aan haar stelling dat PMB toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Volgens Van der Vaart is de constructie van de bedrijfshal instabiel doordat, zo schrijft [betrokkene1], niet alle bestaande gordingen aan de dakplaten zijn gekoppeld (I), de lekdorpels niet goed zijn geplaatst waardoor er water tussendoor kan komen en van dubbele dorpels is geen sprake (II), de afdeklijsten en de dakrandprofielen niet goed aansluiten (III), het frame om het kozijn ontbreekt (IV), de noodoverstort niet met opstand is geplaatst (V), er ondeugdelijk en niet duurzaam met kit is gewerkt (VI), er momenteel twee lekkages zijn (VII), er scheuren in de gevelplaten zitten (VIII) en een gevelplaat is beschadigd (IX).

4.7. PMB voert hiertegen het volgende aan. Zij heeft alleen de dakplaten op de bestaande constructie vervangen, het probleem is eenvoudig op te lossen met het vastschroeven van dakplaten (I). Er zijn dubbele dorpels geplaatst zodat van lekkage geen sprake kan zijn (II). PMB is onbekend met het niet goed aansluiten van afdeklijsten en dakrandprofielen en inherent aan de platen is dat ze iets hol zijn waardoor ze niet altijd goed aansluiten (III). Het plaatsen van het kozijn (en frame) zat niet in de aanneemsom en er zijn geen kosten voor in rekening gebracht, maar is toch uitgevoerd omdat PMB door moest met het werk (IV). Het is inderdaad zo dat de noodoverstort niet met opstand is geplaatst maar dit is met een kleine aanpassing te verhelpen (V). Overlopen van dorpels moeten altijd worden gekit en daarnaast is kit gebruikt om lekkages te verhelpen (VI). De huidige lekkages en de scheuren in de gevelplaten zijn bij PMB niet bekend (VII en VII) en het zou kunnen dat een gevelplaat beschadigd is (IX).

4.8. Met die verweren van PMB ligt allereerst ter beoordeling voor (IV) of het plaatsen van een kozijn onderdeel uitmaakte van de tussen partijen gesloten overeenkomst. PMB bestrijdt dit. Op grond van artikel 150 Rv rust op Van der Vaart de bewijslast van haar stelling dat het plaatsen van het kozijn (IV, pg. 12 en 13 rapport [betrokkene1]) onderdeel uitmaakte van de tussen partijen gesloten overeenkomst.

4.9. Vervolgens ligt ter beoordeling voor of inderdaad sprake is van de door Van der Vaart genoemde gebreken en zo ja, in welke mate en voorts, in verband met de vorderingen van Van der Vaart, welke herstelmaatregelen dienen te worden genomen om die gebreken te verhelpen en welke kosten daarmee gemoeid zijn. Nu PMB met haar verweer het eenzijdig opgemaakte rapport van [betrokkene1] deels (mede ook bij gebrek aan wetenschap van de gestelde bevindingen) heeft bestreden en [betrokkene1] niet (op alle onderdelen) ingaat op de te nemen herstelmaatregelen en de kosten daarvan, zal de rechtbank zich hierover te zijner tijd door een deskundige laten voorlichten. Het voorschot op de kosten van de deskundige komt op grond van artikel 195 Rv voor rekening van Van der Vaart.

4.10. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen omdat niet is gebleken dat werkzaamheden zijn verricht waarvoor een proceskostenveroordeling geen vergoeding voor pleegt in te sluiten.

4.11. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

in reconventie

4.12. Aan haar vordering legt PMB ten grondslag dat van het totaalbedrag van

€ 61.231,87 slechts € 11.900,-- is voldaan zodat nog € 49.331,87 openstaat.

4.13. Van der Vaart bestrijdt allereerst dat zij meer verschuldigd is dan de aanneemsom van € 53.550,-- inclusief BTW. Zij heeft nooit opdracht gegeven voor aanvullende werkzaamheden. [betrokkene3] van PMB heeft in dit verband ter zitting verklaard: “Het meerwerk bestond uit het aanbrengen van een verdiepingsvloer en de tussenwand. Er is tegen het bestaande gebouw aangebouwd. Gaandeweg heeft M. van der Vaart gevraagd de tussenwand weg te slopen. Dat stond niet in de bouwtekening en was ook niet onderdeel van de overeenkomst. Dat geldt ook voor de verdiepingsvloer. Die zou eerst worden samengesteld uit betonelementen en dat zou Van der Vaart in eigen beheer uitvoeren. Later werd gekozen voor het storten van beton. Mij is toen gevraagd platen te maken waarop het beton kon worden gestort. Er is vervolgens een prijs genoemd i.v.m. het meerwerk en toen dat akkoord was de zaken besteld. Er is niets van op papier gezet. De meerwerkfacturen zijn die van 15 januari 2009 en 28 augustus 2009.’

Van der Vaart heeft hierover ter zitting verklaard:

‘Ik heb nooit opdracht gegeven voor extra werkzaamheden. Daar is nooit over gesproken. Ik heb [betrokkene3] een bouwtekening laten zien en op basis daarvan is een aanneemsom overeengekomen. Het was een vaste prijs. De tussenwand en de verdiepingsvloer zaten daarbij in. Het kan zijn dat het niet in de overeenkomst staat maar er staat wel meer niet in.’

4.14. Tegenover het onderbouwde standpunt van PMB dat pas later opdracht is gegeven voor het slopen van de tussenwand en het maken van platen voor de betonvloer, kon Van der Vaart niet volstaan met het enkele verweer dat de tussenwand en het maken van platen voor de verdiepingsvloer bij de vaste prijs inzaten. Van Van der Vaart had ten minste mogen worden gevergd dat zij nader was ingegaan op die stelling van PMB die onder meer aldus is onderbouwd dat deze elementen niet in de bouwtekening stonden en ook niet in de overeenkomst en dat aanvankelijk betonelementen zouden worden gebruikt en pas later is besloten om een betonvloer te storten. Van der Vaart kon daartegenover niet volstaan met het verweer dat er wel meer niet in de overeenkomst stond, zonder nader uiteen te zetten wat dat dan was. Dit geldt te meer nu het slopen van de tussenwand en het maken van platen voor de verdiepingsvloer, mede gelet ook op de kosten, geen ondergeschikte onderdelen waren en het dus voor de hand zou hebben gelegen dat deze onderdelen wel in de overeenkomst zouden zijn opgenomen als zij daarvan onderdeel hadden uitgemaakt. De rechtbank wijst er in verband met het slopen van de tussenwand nog op dat in de overeenkomst staat dat de prijs exclusief hak en breekwerkzaamheden is. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de stelling van PMB dat het slopen van de tussenwand en het maken van platen voor het storten van de verdiepingsvloer niet onder de in de overeenkomst genoemde werkzaamheden viel, onvoldoende gemotiveerd is betwist. Het moet er dan voor worden gehouden dat het om meerwerk gaat waarvoor Van der Vaart PMB opdracht heeft gegeven.

4.15. Artikel 7:755 BW bepaalt dat in geval van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs kan vorderen wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Het gaat hier om relatief omvangrijke werkzaamheden. De factuur voor het plaatsen van de tussenwand d.d. 28 augustus 2009 bedraagt € 3.127,31 en de factuur betreffende het vervaardigen van de platen waarop het beton van de verdiepingsvloer kon worden gestort d.d. 15 januari 2009 bedraagt € 3.900,05. Gelet op een en ander had Van der Vaart, bij gebreke aan een andersluidend standpunt, naar het oordeel van de rechtbank uit zichzelf de noodzaak moeten begrijpen van een verhoging van de prijs. De conclusie luidt dat Van der Vaart gehouden is tot voldoening van deze meerwerkfacturen.

4.16. Van der Vaart stelt zich op het standpunt dat naast de bancaire betaling van

€ 11.900,--, zij op 6 en 20 november en 10 december 2008 respectievelijk € 10.000,-,

€ 25.000,-- en € 5.000,-- contant aan PMB heeft voldaan. Verder bestrijdt zij dat PMB de algemene voorwaarden op grond waarvan zij contractuele rente vordert aan Van der Vaart ter hand heeft gesteld. Ten slotte beroept Van der Vaart zich wat betreft de betalingsverplichting uit hoofde van de overeenkomst op haar opschortingsrecht c.q. recht op verrekening met haar vordering in conventie.

4.17. PMB heeft gemotiveerd bestreden dat Van der Vaart de gestelde contante betalingen heeft gedaan. Op Van der Vaart rust volgens de hoofdregel van bewijsrecht de bewijslast van dit bevrijdende verweer. Zij zal tot die bewijslevering worden toegelaten.

4.18. Van der Vaart heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden omdat deze niet ter hand zijn gesteld. Dat heeft PMB erkend. Zij stelt echter dat zij een redelijke gelegenheid heeft geboden daarvan kennis te nemen doordat onder verwijzing naar de deponering bij de Kamer van Koophandel, wordt aangeboden de algemene voorwaarden toe te zenden. Dat gaat niet op. Artikel 6:234 lid 1 sub a BW bepaalt dat is voldaan aan het bieden van een redelijke mogelijkheid om van de algemene voorwaarden kennis te nemen wanneer deze voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand zijn gesteld. Slechts wanneer dat redelijkerwijs niet mogelijk is bepaalt artikel 6:234 lid 1 sub b BW dat kan worden volstaan met bijvoorbeeld de mededeling dat de voorwaarden ter inzage liggen bij de Kamer van Koophandel. PMB heeft niet gesteld dat het ter hand stellen van de algemene voorwaarden redelijkerwijs niet mogelijk was. Het beroep op vernietiging van Van der Vaart treft derhalve doel. De gevorderde contractuele rente zal niet worden toegewezen.

4.19. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen omdat niet is gebleken van werkzaamheden waarvoor een proceskostenveroordeling geen vergoeding pleegt in te sluiten. Het sturen van enkele sommaties is daartoe onvoldoende.

4.20. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

In conventie en reconventie

4.21. Zowel in conventie als in reconventie is Van der Vaart met een bewijsopdracht belast. De bewijslevering van beide bewijsopdrachten in zowel de enquête als de contra-enquête zal – afhankelijk van het aantal getuigen - zoveel mogelijk tijdens één zitting plaatsvinden.

4.22. Partijen hebben zich beide op het opschortingsrecht beroepen (artikel 6:262 BW). Aansluitend aan de enquêtezitting zal – wanneer daarvoor voldoende tijd is – een comparitie van partijen worden gelast zodat de rechter hierover nog enkele inlichtingen van partijen kan inwinnen en hun standpunten op bepaalde punten kan vernemen. Ook zullen partijen zich tijdens deze comparitie dienen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de te stellen vragen in verband met hetgeen in rov. 4.9. is overwogen.

4.23. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en reconventie

5.1. draagt Van der Vaart op te bewijzen dat het plaatsen van het kozijn onderdeel uitmaakt van de op 31 juli 2008 tussen Van der Vaart en PMB gesloten overeenkomst,

5.2. draagt Van der Vaart op te bewijzen dat zij op 6 en 20 november en 10 december 2008 respectievelijk € 10.000,-, € 25.000,-- en € 5.000,-- contant aan PMB heeft voldaan,

5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 november 2010 voor uitlating door Van der Vaart of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.4. bepaalt dat Van der Vaart, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.5. bepaalt dat Van der Vaart, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op vrijdagen in de maanden december 2010 tot en met februari 2011 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.6. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. S.C.P. Giesen in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

5.7. bepaalt dat aansluitend aan dit getuigenverhoor een comparitie van partijen wordt gelast zoals bedoeld in rov. 4.22.,

5.8. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.9. houdt iedere verdere beslissing aan,

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2010.