Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO4001

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-11-2010
Datum publicatie
15-11-2010
Zaaknummer
204936
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van een voorschot in het kader van afwikkeling van huwelijkse voorwaarden. Art. 1: 14e lid 3 BW finale verrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 204936 / KG ZA 10-577

Vonnis in kort geding van 1 november 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J. Broijl te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.M. Dumoulin te Den Haag.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de vrouw

- de pleitnota van de man.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De vrouw en de man zijn op 22 april 1989 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van deze rechtbank van 30 november 2006 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 9 januari 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest op huwelijkse voorwaarden. Artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden bepaalt, kort gezegd, dat tussen hen geen enkele gemeenschap van goederen, hoe ook genaamd, zal bestaan.

2.3. Artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden (hierna: het periodiek verrekenbeding) bepaalt voorts, voor zover in deze procedure relevant:

(…) Ieder der echtgenoten behoudt alle zaken, welke hij of zij ten huwelijk aanbrengt en welke door erfenis, legaat of schenking of op andere wijze om niet aan hem of haar opkomen alsmede welke door belegging, wederbelegging of ruiling van ieder privévermogen aan hem of haar opkomen. (…)

2.4. Artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden bepaalt, voor zover in deze procedure relevant:

Partijen verplichten zich jegens elkander ter verdeling bij helfte bijeen te voegen hetgeen van hun netto-inkomsten uit arbeid niet is besteed ter dekking van de kosten van huishouding of op andere wijze gelijkelijk aan hen beiden ten goede is gekomen. Onder inkomsten uit arbeid worden begrepen de uitkeringen welke geacht moeten worden in de plaats te treden van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenen.

De verrekening geschiedt doordat de verrekenplichtige partij binnen negen maanden na afloop van een kalenderjaar een zodanig bedrag uitkeert aan de andere partij, dat daardoor per saldo de man zestig procent en de vrouw veertig procent heeft genoten van de gezamenlijke netto-inkomsten uit arbeid. (…)

2.5. Het periodiek verrekenbeding is door partijen niet nagekomen.

2.6. Partijen zijn overeengekomen dat als peildatum geldt 31 december 2005.

2.7. Bij beschikking van 21 februari 2008 van deze rechtbank is onder meer bepaald dat partijen uit hoofde van de verrekening overeenkomstig artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden met elkaar dienen af te rekenen zoals in de beschikking is bepaald.

2.8. Bij beroepschrift van 21 mei 2008 is de vrouw in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank.

2.9. Bij beschikking van het gerechtshof Arnhem d.d. 13 januari 2009 is onder meer bepaald dat het in artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden gehanteerde begrip “netto-inkomsten uit arbeid” zo moet worden uitgelegd dat daaronder ook (niet-uitgekeerde) winst uit de ondernemingen van partijen, voor zover hun toekomend, valt. De vrouw mocht verwachten dat het begrip inkomsten uit arbeid mede de (niet uitgekeerde) winst uit de ondernemingen van partijen omvatte. Die winst betreft naar het oordeel van het hof de aan (een van) partijen toekomende winst gemaakt in [namen vennootschappen]

Voorts is de man in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren tegen het wettelijk vermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW, te weten: dat het bij het einde van het huwelijk anwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit te verrekenen inkomsten.

2.10. De man heeft daartoe op 7 september 2010 een akte uitlaten ingediend, voorzien van 90 producties.

3. Het geschil

3.1. De vrouw vordert samengevat - veroordeling van de man tot betaling van EUR 200.000,-, ten titel van voorschot op de uiteindelijke vordering die de vrouw op de man zal hebben uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. De man voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.2. De vrouw legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Zij is van mening dat in hoge mate aannemelijk is dat haar verrekenvordering door het hof zal worden toegewezen. Deze verrekenvordering bedraagt een veelvoud van het thans gevorderde voorschot van € 200.000,-. Zij voert daartoe het volgende aan.

4.3. Bij aanvang van het huwelijk bedroeg het vermogen van de man NLG 847.367,-

(€ 384.518,-), bestaande uit bedrijfsvermogen in [naam vennootschap] van NLG 833.332,- en overig vermogen van NLG 14.035,-. Bij het einde van het huwelijk, althans op de peildatum 31 december 2005, bestond het vermogen van de man uit:

I aandelen in [naam BV] met een waarde van € 1.931.047,-;

II goodwill en stille reserves (ter grootte van) circa € 4.000.000,-;

III de vordering op [naam BV]. (hierna ook:[naam BV]) van € 963.803,-;

IV de woning aan de [adres] met een geschatte waarde van

€ 700.000,-;

V de percelen [adres] en [adres] (waarde p.m.)

In de beschikking van 13 januari 2009 heeft het hof bepaald dat de te verrekenen “inkomsten uit arbeid” ook de niet uitgekeerde winst uit ondernemingen omvat. Volgens de vrouw is het (bedrijfs)vermogen van de man tijdens het huwelijk toegenomen met meer dan € 7.000.000,- en is deze toename gerealiseerd door het oppotten of (her)beleggen van te verrekenen niet-uitgekeerde winst uit de ondernemingen van de man, voor zover hem toekomend. Daarom meent de vrouw dat zij, conform artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden, aanspraak heeft op 40% van de toegenomen waarde, een veelvoud van het verzochte voorschot.

4.4. De vrouw acht de kans zeer gering dat de man erin zal slagen man bewijs te leveren tegen het vermoeden op grond van artikel 1:141 lid 3 BW, waartoe hij door het hof in de gelegenheid is gesteld. Daarnaast stelt de vrouw de afgelopen vijf jaar hoge advies- en advocaatkosten te hebben moeten maken. Door de echtscheidingsprocedure heeft zij bij de door haar ingeschakelde deskundigen (advocaat, accountant en fiscalist) een aanzienlijke schuld opgebouwd, die alleen nog maar zal oplopen. Ook zijn haar over de jaren 2006 tot 2008 (navorderings)aanslagen opgelegd door de fiscus ten bedrage van € 30.000,-. Haar financiële middelen zijn al enige tijd uitgeput. De vrouw is van mening dat in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd dat zij de hoofdprocedure, waarvan de uitkomst niet op korte termijn kan worden verwacht, zal afwachten. Op grond daarvan stelt de vrouw spoedeisend belang te hebben bij haar vordering.

4.5. Tussen partijen is een procedure aanhangig bij het gerechtshof te Arnhem. Het geschil tussen hen betreft - kort gezegd - de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. In de onderhavige procedure is alleen het geschil tussen partijen over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van belang. In artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden (weergegeven onder 2.4.) is een periodiek verrekenbeding opgenomen. Vast staat dat partijen daaraan geen uitvoering hebben gegeven. Op grond van artikel 1:141 lid 1 BW wordt in het geval een periodiek verrekenbeding niet is nagekomen, de periodieke verrekenvordering omgezet in een finale verrekenvordering. Op grond van lid 3 van dat artikel wordt het per de peildatum aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Het ligt vervolgens op de weg van degene tot wiens vermogen de onderscheiden goederen behoren aannemelijk te maken dat deze niet tot het te verrekenen vermogen behoren, bijvoorbeeld omdat sprake is van aangebracht voorhuwelijks vermogen, of vermogen dat door erfopvolging, making of gift is verkregen.

4.6. De man stelt zich op het standpunt dat in hoge mate aannemelijk is dat het hof de verrekeningsvordering van de vrouw zal afwijzen. Hij is van mening, na daartoe door het hof in de gelegenheid te zijn gesteld, sluitend bewijs te kunnen leveren tegen het wettelijk vermoeden van artikel 141 lid 3 BW in die zin dat hij door overlegging van de gevraagde specifieke stukken kan aantonen dat het hem per peildatum toekomende vermogen niet tot het te verrekenen vermogen behoort. Hij verwijst daartoe naar de door hem in dit geding gebrachte akte uitlaten bij het hof en de daarbij behorende 90 producties.

4.7. Ter onderbouwing van zijn verweer voert de man onder meer het volgende aan.

- de man heeft samen met zijn broers een familiebedrijf.

- de man heeft zijn aandeel in de percelen waarop het familiebedrijf is gesticht door

schenking verkregen. Nadien is dit aandeel door scheiding en deling vergroot. (pagina 9 en 10 akte uitlaten) De percelen zijn thans ondergebracht in [naam BV] ([naam BV]).

- De vader van de man is de ondernemingen [namen ondernemingen] begonnen. De drie zonen, waaronder de man, hebben de ondernemingen nadien voortgezet. (pagina 12 akte uitlaten)

[naam onderneming] is in 1980 en [naam onderneming] is in 1985 voortgezet in de vorm van een VOF, waarin de man vennoot was. Om fiscale redenen zijn in 1985 ook de moeder van de man en de echtgenotes van zijn broers toegetreden als vennoot. Toen de ouders van de man uittraden is de vrouw, ook om fiscale redenen, als vennoot toegetreden. (pagina 12, 13 14 akte uitlaten)

- VOF [naam onderneming] bezat geen onroerende zaken. De percelen, de pompinstallaties en de daarbij behorende vergunningen waren privé eigendom van de drie broers en werden aan de VOF verhuurd. In de VOF akte staat expliciet vermeld dat de goodwill toekwam aan de drie broers. (pagina 13 akte uitlaten)

- VOF [naam onderneming] is in 1992 ingebracht in [naam BV]. De drie broers hielden de aandelen daarin. (pagina 15 akte uitlaten)

- De rekening courant van de man is ontstaan bij de inbreng van zijn aandeel in voorheen VOF [naam onderneming] in [naam BV]. (pagina 15, 16 akte uitlaten)

- De inbreng in [naam BV] en de rekening courant zijn niet gefinancierd met overgespaarde inkomsten, maar betreffen ten huwelijk aangebracht vermogen.

- Bij akte van 31 maart 1998 hebben de drie broers elk een besloten vennootschap opgericht (voor de man is dit [naam BV]) en ter storting op de aandelen hun aandeel in VOF [naam onderneming] ingebracht. De echtgenotes van de drie broers hebben als medeondernemers nooit enige rol van betekenis gespeeld. Daarom is het aandeel van de echtgenotes in VOF [naam onderneming] niet aan de echtgenotes uitgekeerd toen de onderneming werd ingebracht in de respectievelijke holdings van de drie broers. De echtgenotes hebben deze gang van zaken als vanzelfsprekend geaccepteerd. (pagina 16 akte uitlaten)

- Bij akte van 31 maart 1998 is [naam onderneming] (later bij akte van statutenwijziging d.d. 23 december 2003 gewijzigd in [naam onderneming]) opgericht en hebben de drie broers ter volstorting op de aandelen hun aandeel in de door hen gedreven VOF [naam onderneming] ingebracht. Daarnaast hebben de drie broers in [naam onderneming] ingebracht de aan hen in persoon in eigendom toebehorende meerwaarde goodwill, vaste activa, machines en inventaris en kantoorinventaris. Deze inbreng is niet gefinancierd met overgespaarde voor verrekening vatbare inkomsten. (pagina 17 en 18 akte uitlaten)

- Bij akte van 31 december 1998 is de nominale waarde van de gewone aandelen in het kapitaal van [naam BV] verminderd en zijn alle cumulatief preferente aandelen ingetrokken. Dit leidde tot een verhoging van het positieve saldo van de rekening-courant van de man bij [naam BV]. (pagina 18, 19 akte uitlaten)

- Bij akte van 31 december 1998 hebben de drie broers de aandelen in het kapitaal van [naam BV] aan hun respectievelijke persoonlijke holdings (voor de man [naam BV]) verkocht en geleverd. De persoonlijke holdings zijn de koopprijs schuldig gebleven wat heeft geleid tot een toename in de deelneming en een verhoging van de rekening-courant van de man in [naam BV] (pagina 19 akte uitlaten)

- De aankoop van de woning aan de [adres] en nadien de woning aan de [adres] is betaald met geld van de rekening-courant van de man bij [naam BV] en derhalve volledig gefinancierd met privévermogen van de man. De aankoop is niet met voor verrekening vatbare inkomsten gefinancierd. (pagina 21 akte uitlaten)

- De aankoop van het perceel Neerbosschebrug en van het perceel [adres] is gefinancierd met privévermogen van de man in VOF [naam onderneming] respectievelijk via de rekening-courant van de man in [naam BV]. De aankoop van de percelen is derhalve niet met voor verrekening vatbare inkomsten gefinancierd. (pagina 22 en 23 akte uitlaten)

4.8. Uit de overlegde stukken blijkt volgens de man dat hij het bedrijf ten huwelijk heeft aangebracht, dat de rekening courant bij [naam BV] is ontstaan uit aangebracht vermogen en de tijdens het huwelijk aangekochte woningen en percelen zijn gefinancierd met aangebracht privévermogen. Het betreft volgens de man aangebracht vermogen waarvan de tijdens de huwelijkse periode opgekomen waardevermeerdering niet voor verrekening in aanmerking komt. Voorts wijst de man erop dat uit bij de akte van huwelijkse voorwaarden gevoegde “lijst van eigendommen van [gedaagde]” blijkt dat de man zijn aandeel in de onderneming ten huwelijk heeft ingebracht en dat partijen hebben geregeld dat de onderneming van de man, alsmede de goederen die binnen de onderneming door belegging, wederbelegging of ruiling zijn opgekomen, aan de man in privé toekomen (artikel 1 huwelijkse voorwaarden). Ten slotte betwist de man het spoedeisend belang bij de vordering en stelt hij dat sprake is van een hoog restitutierisico.

4.9. Tegen het verweer van de man heeft de vrouw het volgende ingebracht. Volgens de vrouw blijkt uit de door de man bij akte uitlating overgelegde stukken dat in 1989 het bedrijfsvermogen van de vrouw in [naam onderneming] NLG 164.219,- was en het bedrijfsvermogen van de man nihil, dat in [naam onderneming] tot en met 1997 niet-uitgekeerde winst is opgepot, in 1998 het (gegroeide) bedrijfsvermogen van [naam onderneming] is ingebracht in [naam BV] en ook in deze vennootschap de winst is opgepot zodat aangenomen moet worden dat de onderneming (in ieder geval mede) met geld van de vrouw en uit te verrekenen inkomsten is opgebouwd. De vordering van de man op [naam BV] is ontstaan door eerdere afstempeling van het aandelenkapitaal en betreft volgens de vrouw in wezen bedrijfsvermogen dat aan de aandeelhouders, waaronder de man, is terugbetaald. Het bedrijfsvermogen is (ondermeer) gevoed uit te verrekenen inkomsten en daarom dient volgens de vrouw de waarde van de vordering van de man op [naam BV] tussen partijen te worden verrekend. De woning aan de [adres] is naar haar zeggen gefinancierd met geld afkomstig van [naam BV], bestaande uit aan de man toekomende winst die voor verrekening vatbaar is. Ten aanzien van de percelen grond is de vrouw van mening dat de man niet heeft aangetoond dat deze zijn gefinancierd met puur en alleen aangebracht vermogen. Volgens de vrouw moet de conclusie zijn dat de man er niet in zal slagen het vereiste tegenbewijs te leveren en is daarom aannemelijk dat de uiteindelijke verrekenvordering van de vrouw (geheel of deels) zal worden toegewezen.

4.10. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vrouw het bestaan van haar vordering niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt. De stelling van de vrouw dat het hof bij beschikking van 13 januari 2009 heeft beslist dat het in artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen begrip “netto-inkomsten uit arbeid” ook de niet-uitgekeerde winst uit onderneming behoort, is op zichzelf juist maar betekent, anders dan de vrouw lijkt te willen betogen, niet dat al is vastgesteld dat sprake is van overgespaarde inkomsten die nimmer zijn verrekend. Het hof is uitgegaan van het wettelijk vermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW en heeft de man tot tegenbewijs toegelaten. Gelet op hetgeen de man heeft gesteld over het aangebracht vermogen en de autonome waardevermeerdering daarvan, de gemotiveerde onderbouwing door de man en de beperkt onderbouwde weerlegging daarvan door de vrouw, zijn er naar het oordeel van de voorzieningenrechter vooralsnog te veel onzekerheden met betrekking tot de vraag welke beslissingen door het hof zullen worden genomen. Voorshands geoordeeld heeft de vrouw, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan haar in hoger beroep een vordering zal worden toegekend van minimaal € 200.000,-. Omdat de vordering reeds op die grond dient te worden afgewezen, behoeven de overige door partijen ingenomen stellingen en standpunten geen bespreking meer.

4.11. Omdat de onderhavige vordering rechtstreeks voortvloeit uit het door inschrijving van de echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.S.M. Daamen op 1 november 2010.