Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO3944

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
15-11-2010
Zaaknummer
185744
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of eiser op 1 augustus 2007, twaalf maanden voor de einddatum van de verzekering, al dan niet wegens zijn gehooraandoening blijvend algeheel arbeidsongeschikt was (bepaling D van het aanhangsel bij de polis).

Arbeidsongeschiktheid is als onvoldoende concreet betwist vast komen te staan. Gevorderde hoofdsom wordt toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 185744 / HA ZA 09-1053

Vonnis van 27 oktober 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats]

eiser,

advocaat mr. H.P.A.J. Kamp te Tilburg,

tegen

de naamloze vennootschap

RVS LEVENSVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Ede,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Wervelman te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en RVS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 september 2009

- het proces-verbaal van comparitie van partijen op 1 december 2009

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3 De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om redenen vermeld in het proces-verbaal van die zitting.

2. De feiten

2.1. [eiser] trad per 1 december 1971 in dienst van RVS in de functie van verzekeringsagent.

2.2. Op 4 november 1977 hebben partijen een verzekeringsovereenkomst gesloten.

De polis vermeldt als verzekerd beroep ‘verzekeringsagent’ en als verzekerd kapitaal onder B een bedrag van f 150.000,00.

2.3. In het bij de polis behorende aanhangsel is mede opgenomen dat op de pakketvoorwaarden onder meer de volgende uitkering is medeverzekerd:

D. KAPITAAL/UITKERING BIJ BLIJVENDE ALGEHELE ARBEIDSONGESCHIKTHEID.

Bij blijvende algehele arbeidsongeschiktheid van de verzekerde, als omschreven in artikel 9 der Pakketvoorwaarden en als zodanig erkend, wordt het pakketkapitaal uitgekeerd, mits de arbeidsongeschiktheid uiterlijk 12 maanden vóór de einddatum der Pakketverzekering is ingetreden. […]

2.4. In de op de polis van toepassing zijnde pakketvoorwaarden is onder meer het volgende bepaald:

[…]

BEPALINGEN, DIE ALLEEN BETREKKING HEBBEN OP DE UITKERING VAN KAPITAAL BIJ BLIJVENDE ALGEHELE ARBEIDSONGESCHIKTHEID

ARTIKEL 9.

1. Blijvende algehele arbeidsongeschiktheid in de zin van deze pakketverzekering is aanwezig, indien de verzekerde tengevolge van tijdens de looptijd der verzekering ontstane ziels- of lichaamsgebreken, die door geneeskundigen kunnen worden vastgelegd, voor de gehele verdere duur van zijn leven geacht moet worden volkomen buiten staat te zijn tot de uitoefening van zijn in de polis vermelde beroep en van andere, gelet op zijn opleiding, bekwaamheden en maatschappelijke positie voor hem in aanmerking komende, betaalde werkzaamheden.

[…]

3. Indien de verzekerde algeheel arbeidsongeschikt blijkt te zijn, doch omtrent het blijvende karakter hiervan redelijkerwijs nog geen beslissing kan worden genomen, is de RVS bevoegd, die beslissing uit te stellen, uiterlijk tot 5 jaar na het intreden der algehele arbeidsongeschiktheid. […]

4. Nadat de verzekerde gedurende 12 achtereenvolgende maanden algeheel arbeidsongeschikt is geweest en de beslissing over het blijvend karakter van deze arbeidsongeschiktheid dan nog niet is genomen, zal een rente van 8% ’s jaars over het pakketkapitaal worden uitgekeerd, […].

[…]

ARTIKEL 10.

1. Ingeval de verzekeringnemer van oordeel is, dat de verzekerde arbeidsongeschikt is, moet hij aan de RVS overleggen:

a. een schriftelijke kennisgeving van het ontstaan en de aard der arbeidsongeschiktheid met opgaaf van de oorzaak daarvan;

[…]

c. die bescheiden, welke de RVS eventueel nodig mocht achten om te kunnen beoordelen of arbeidsongeschiktheid aanwezig is.

2. Voorts is de verzekerde verplicht om de RVS alle door haar nader gewenste inlichtingen naar waarheid te verschaffen en zich, indien de RVS zulks verlangt, op haar kosten te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door één of meer geneesheren door de RVS aan te wijzen, die aan de RVS rapport zullen uitbrengen. […]

ARTIKEL 11.

1. Binnen één maand, nadat de RVS de door haar nodig geachte bescheiden heeft ontvangen en ook overigens is voldaan aan het bepaalde in artikel 10, zal zij de verzekeringnemer mededelen of zij arbeidsongeschitkheid in de zin van artikel 9 lid 1 aanwezig acht, dan wel dat zij gebruik maakt van haar bevoegdheid, vermeld in artikel 9 lid 3.

2. Mocht de verzekeringnemer zich niet kunnen verenigen met een mededeling van de RVS, als bedoeld in het eerste lid, dan dient hij de RVS hiervan bij aangetekend schrijven in kennis te stellen, binnen één maand nadat zij hem de mededeling heeft gedaan. Het geschil zal dan onderworpen worden aan het oordeel van een commissie, bestaande uit drie geneesheren, waarvan één aan te wijzen door de verzekeringnemer, één door de RVS, terwijl deze beide geneesheren dan de derde zullen aanwijzen. Deze commissie zal bij meerderheid van stemmen een oordeel uitspreken, dat binden zal zijn zowel voor de RVS als de verzekeringnemer, zonder dat daartegen beroep mgelijk zal zijn. […]

ARTIKEL 12.

[…]

4. Heeft de erkenning der blijvende algehele arbeidsongeschiktheid plaats binnen 1 jaar na het intreden van de algehele arbeidsongeschiktheid, dan geschiedt de uitkering van de onder D vermelde kapitaal-uitkering evenwel niet vroeger dan aan het einde van dit jaar onder vergoeding van rente à 5% ’s jaars over het uit te keren kapitaal, te rekenen van het tijdstip der erkenning af. […]

2.5. Bij brief van 23 mei 2000 heeft W.H. [betrokkene2], werkzaam als adviseur bij de afdeling P&O Buitendienst van RVS, het GAK verzocht om een bijdrage voor de aanschaf van een gehoorapparaat voor [eiser] en daarbij onder meer het volgende opgemerkt:

[…] Al geruime tijd is de heer [eiser] (52 jaar) slechthorend. Specialistisch onderzoek in het Elisabeth Ziekenhuis te Tilburg heeft aangetoond dat de heer [eiser] het gehoor heeft van een 80-jarige (zie bijlage). Gezien de leeftijd van de heer [eiser] en de functie van financieel adviseur is arbeidsongeschiktheid op korte termijn voorspelbaar.

Gelukkig is er nog hoop en kan de heer [eiser] geholpen worden door de aanschaf van een geavanceerd gehoorapparaat […]

2.6. Bij brief van 4 februari 2005 heeft mr. L.D.M. van Leeuwaarde namens RVS de raadsman van [eiser] onder meer het volgende bericht:

[…] De combinatie van zwaarder wordende omzeteisen en het slechter wordende gehoor van uw cliënt hebben RVS ertoe gebracht om mede ten behoeve van uw cliënt met hem te overleggen betreffende de mogelijkheid om te worden geplaatst in het zogenaamde 63.5 traject. Het betreffende overleg heeft in eerste instantie plaatsgevonden met de heer [betrokkene1], salesmanager en dhr. [betrokkene2], HR consultant. Overleg betreffende de plaatsing in het 63.5 traject was van de zijde van RVS ook ingegeven door de intentie bij RVS om uw cliënt te beschermen tegen de hierboven aangeduide combinatie. […]

Ik begrijp uit uw reactie tot nu toe dat uw cliënt de hem aangeboden regeling niet wenst te accepteren. […] Het voorgaande betekent dat RVS uw cliënt terug zal plaatsen in de functie van adviseur. In dat kader zal uw cliënt worden belast met een afdeling waarvan het klantenbestand door uw cliënt dient te worden bediend. Uw cliënt zal dan volgens de geldende normen worden beoordeeld. […]

2.7. Op 7 juli 2008 heeft [eiser] zich per e-mail bij RVS ziekgemeld “voor mijn werkzaamheden als gevolg van ernstige gehoorproblemen waardoor ik al sedert vorig jaar niet meer geschikt ben om mijn werkzaamheden uit te voeren”.

2.8. De verzekering is per 1 augustus 2008 geëindigd.

2.9. De KNO arts van [eiser], dr. [arts1] (destijds) verbonden aan het St. Elisabeth Ziekenhuis Tilburg, heeft bij brief van 6 augustus 2008 drie vragen van de raadsman van [eiser] als volgt beantwoord:

Ad 1. Welke zijn de huidige klachten en beperkingen van cliënt aan zijn gehoor:

Patiënt heeft een exostose van de gehoorgang, hetgeen betekent dat hij een benige goedaardige vernauwing heeft van de gehoorgang waardoor oorsmeer zich kan ophopen. Periodiek zie ik hem voor het reinigen van de gehoorgangen. Daarnaast heeft hij last van flinke perceptieve gehoorverliezen waarvoor hoortoestellen geïndiceerd zijn. Het verlies loopt op van rond de 20 dB in de lage tonen tot 75 dB in de hoge tonen.

Ad 2. Sinds wanneer bestaan deze klachten en beperkingen:

De klachten van verminderd gehoor bestaan reeds, zoals ik uit de papieren kan opmaken, sinds medio 1995. De gehoorsklachten zijn progressief. Daarnaast heeft hij periode gehad met recidiverende otitiden en reciverende oorontsteking, maar sind ik bij hem regelmatig de oren reinig, treden deze eigenlijk niet meer veel op.

Ad 3. Beperken deze klachten cliënt in zijn communicatie met anderen, en zo ja, in welke mate:

Deze klachten beperken de patiënt inderdaad in zijn Communicatie met anderen. Weliswaar heeft hij een hoortoestel in beide oren, maar ook bij een optimaal ingesteld hoortoestel zal praten in een rumoerige omgeving en in groepen nog steeds lastig zijn. Het is bekend dat hoortoestellen in deze situaties vaak onvoldoende hoorrevalidatie geven.

2.10. Het verzoek van [eiser] om uitkering van het pakketkapitaal - onder verwijzing naar de brief van [arts1] (zie 2.9) - wegens blijvende algehele arbeidsongeschiktheid, is door RVS bij brief van 24 september 2008 afgewezen.

2.11. Op 31 december 2008 is het dienstverband tussen de partijen geëindigd.

2.12. Na de comparitie van partijen hebben [eiser] en RVS de verzekeringsarts

[arts2] gezamenlijk opdracht gegeven om aan de hand van de brief van [arts1] alsmede aan de hand van eigen onderzoek de op 1 augustus 2007 bij [eiser] bestaande beperkingen aan het gehoor zo uitvoerig mogelijk te beschrijven. Op 30 april 2010 heeft [arts2] dienaangaande gerapporteerd en de vraagstelling uiteindelijk als volgt beantwoord:

De heer [eiser] kan met gebruik van een hoortoestel in het algemeen goed communiceren in een één-op-één gesprek, mits zijn gesprekspartner bereid is goed te articuleren met het gezicht naar de heer [eiser] gewend, radio of televisie uit te zetten en spelende kinderen weg te sturen. In een gesprek met meerdere mensen zal hij moeten vragen onder soortgelijke condities niet door elkaar te spreken. Hij kan telefonisch communiceren mits met luidspreker en in rustige omgeving. Overigens is de heer [eiser] - althans per augustus 2007 - inzetbaar als de soortgelijke gezonde.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert na vermeerdering van eis samengevat - veroordeling van RVS, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 68.067,00, vermeerderd met contractuele dan wel wettelijke rente en kosten.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij op grond van de verzekeringsovereenkomst recht heeft op een uitkering als bedoeld onder D van het aanhangsel bij de polis ter hoogte van f 150.000,00, oftewel € 68.067,00. Daartoe voert hij aan dat hij als gevolg van zijn gehooraandoening sinds 2006 het beroep van verzekeringsagent niet meer kon uitoefenen, noch enig ander werk als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de pakketvoorwaarden.

3.3. RVS voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In geschil is of [eiser] op 1 augustus 2007, twaalf maanden voor de einddatum van de verzekering, al dan niet wegens zijn gehooraandoening blijvend algeheel arbeidsongeschikt was (bepaling D van het aanhangsel bij de polis). Daarvan is slechts sprake indien vast komt te staan dat [eiser] tengevolge van beperkingen aan zijn gehoor, die door geneeskundigen kunnen worden vastgesteld, voor de gehele verdere duur van zijn leven geacht moet worden volkomen buiten staat te zijn tot de uitoefening van het beroep van verzekeringsagent en van andere, gelet op zijn opleiding, bekwaamheden en maatschappelijke positie voor hem in aanmerking komende, betaalde werkzaamheden (artikel 9, eerste lid, van de pakketvoorwaarden).

4.2. Met goedvinden van beide partijen heeft verzekeringsarts [arts2] de beperkingen van [eiser] aan het gehoor ten tijde van de peildatum 1 augustus 2007 beoordeeld en beschreven. [arts2] heeft de partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op zijn bevindingen, welk commentaar hij in zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de beschrijving van [arts2] van de beperkingen van [eiser] niet te volgen.

4.3. [eiser] stelt allereerst dat RVS heeft erkend dat hij als gevolg van deze beperkingen volkomen buiten staat was op de peildatum zijn beroep van verzekeringsagent uit te oefenen alsmede andere, gelet op zijn opleiding, bekwaamheden en maatschappelijke positie voor hem in aanmerking komende, betaalde werkzaamheden, dan wel dat hij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat RVS tot uitkering van het pakketkapitaal zou overgaan. Ter onderbouwing van die stelling wijst [eiser] op de brieven van [betrokkene2] (zie 2.5) en [betrokkene3] (zie 2.6) en op het feit dat RVS hem sinds 1 december 2003 niet meer te werk heeft gesteld en zijn ziekmelding terzijde heeft gelegd.

4.4. Niet in geschil is dat RVS ter zake heeft gehandeld in de hoedanigheid van werkgever. Met RVS is de rechtbank van oordeel dat handelingen van RVS als werkgever op zichzelf niet kunnen worden toegerekend aan RVS als verzekeraar. Nu [eiser] geen concrete feiten of omstandigheden heeft gesteld die een verklaring of gedraging van RVS als verzekeraar inhouden, is van de gestelde erkenning geen sprake en kan evenmin worden geconcludeerd dat [eiser] er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat RVS tot uitkering zou overgaan.

4.5. [eiser] stelt voorts dat hij als gevolg van de door [arts2] vastgestelde beperkingen volkomen buiten staat was op de peildatum zijn beroep van verzekeringsagent uit te oefenen alsmede andere, gelet op zijn opleiding, bekwaamheden en maatschappelijke positie voor hem in aanmerking komende, betaalde werkzaamheden.

4.6. Wat betreft zijn beroep van verzekeringsagent, stelt [eiser] dat hij ongeschikt was omdat hij niet langer kon voldoen aan de kerncompetentie: door middel van communiceren met klanten deze tot aankoop van verzekeringsproducten, hypotheken, pensioenen en financieringsproducten te bewegen, te overtuigen. Redengevend daarvoor was, aldus [eiser], dat zelden aan de door [arts2] gestelde randvoorwaarden vereist voor goed functioneren ondanks de vastgestelde beperkingen, kan worden voldaan. Zo zou hij bij een groot deel van de huisbezoeken een rustige omgeving moeten afdwingen en vervolgens klanten goed moeten laten articuleren en herhalen. Aldoende breng je geen producten aan de man, aldus [eiser]. Verder wijst hij op het feit dat een substantiëel deel van de contacten plaatsvindt onderweg met een mobiele telefoon, waarbij het gebruik van een luidspreker niet werkt. Volgens [eiser] zou hij daardoor niet meer in staat zijn geweest zijn targets te halen en dus ongeschikt zijn voor zijn beroep. Ook in dat verband verwijst hij naar de brieven van [betrokkene2] (zie 2.5) en [betrokkene3] (zie 2.6) en naar het feit dat RVS hem sinds 1 december 2003 niet meer te werk heeft gesteld. Volgens [eiser] volgt daaruit dat RVS als werkgever heeft onderkend dat hij door zijn slechter wordende gehoor zijn functie niet meer naar behoren kon uitoefenen.

4.7. RVS betwist de omschrijving van [eiser] van de werkzaamheden van een verzekeringsagent evenals de stelling van [eiser] dat hij daar gelet op zijn beperkingen niet meer naar behoren toe in staat was, echter zonder dit te motiveren. Zij stelt slechts dat het aan een arbeidsdeskundige is om dit vast te stellen. De rechtbank kan RVS daarin niet volgen nu dit niet in de pakketvoorwaarden is voorgeschreven. Integendeel, artikel 12, tweede lid, van de pakketvoorwaarden bepaalt slechts dat ingeval van een geschil het oordeel wordt uitgesproken door een commissie van drie geneesheren. Bovendien is in de pakketvoorwaarden ook geen aansluiting gezocht bij het stelsel van de sociale verzekeringen, zoals RVS ook zelf heeft betoogd. Een en ander heeft tot gevolg dat RVS de omschrijving van [eiser] van de werkzaamheden van een verzekeringsagent en de stelling dat hij daartoe vanwege zijn beperkingen niet meer naar behoren in staat was, onvoldoende concreet heeft betwist, zodat deze stellingen in het onderhavige geding als vaststaand moeten worden aangenomen.

4.8. RVS heeft voorts betwist dat [eiser] met de vastgestelde beperkingen volkomen buiten staat was om het beroep van verzekeringsagent uit te oefenen, omdat de werkzaamheden die [eiser] niet meer kon uitoefenen niet dermate essentieel voor de reguliere uitoefening van het beroep van verzekeringsagent waren, dat die reguliere uitoefening niet los kan worden gezien van die werkzaamheden en als gevolg van die ongeschiktheid in feite niet meer mogelijk was. Gelet op de gedetailleerde onderbouwing van [eiser] - onder meer met de brieven van zijn werkgever -, dat goede communicatieve vaardigheden een kerncompetentie behelzen en daarmee essentieel zijn voor een goede uitoefening van het beroep, had het op de weg van RVS gelegen om haar betwisting met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen. Nu zij dit heeft nagelaten, wordt aan haar betwisting voorbij gegaan.

4.9. RVS heeft in dit verband tot slot betwist dat, indien er vanuit moet worden gegaan dat [eiser] volkomen buiten staat was om de door hem omschreven werkzaamheden van een verzekeringsagent uit te oefenen, dit het gevolg was van de bij door [arts2] vastgestelde beperkingen. Volgens RVS was de combinatie van zwaarder wordende omzeteisen en het slechter wordende gehoor van [eiser] redengevend om hem niet langer te werk te stellen. RVS verwijst daarvoor naar voormelde brief van [betrokkene3]. Door evenwel geen andere verklaring te noemen voor het niet kunnen behalen van hogere omzeteisen dan de door [eiser] gestelde oorzaak, te weten zijn gehoorbeperking, heeft RVS het causaal verband onvoldoende concreet betwist.

4.10. Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of [eiser] voorts volkomen buiten staat was om andere, gelet op zijn opleiding, bekwaamheden en maatschappelijke positie voor hem in aanmerking komende, betaalde werkzaamheden te verrichten. Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat het feit dat hij vanaf 1 december 2003 niet meer te werk is gesteld, hetgeen door RVS niet is betwist, de conclusie kan dragen dat bij zijn werkgever RVS geen passende werkzaamheden voor [eiser] beschikbaar waren, aangezien RVS geen andere omstandigheden heeft aangevoerd als reden voor het niet te werk stellen van [eiser] vanaf 1 december 2003. Wat betreft zodanige werkzaamheden buiten RVS, heeft [eiser] gesteld dat deze niet beschikbaar waren, reeds omdat hij enkel lager onderwijs heeft genoten en vervolgens een zeer eenzijdig arbeidsverleden heeft gehad, zodat vergelijkbare functies buiten het verzekeringswezen voor hem niet beschikbaar waren, dus nog afgezien van zijn beperkingen. Ook deze stelling heeft RVS onvoldoende concreet betwist met de enkele opmerking dat een arbeidsdeskundige dat zou moeten uitzoeken. Daarmee gaat zij onvoldoende gemotiveerd in op de deugdelijk onderbouwde stellingen van [eiser].

4.11. Het voorgaande brengt mee dat de stelling van [eiser] dat hij als gevolg van de vastgestelde beperkingen volkomen buiten staat was op de peildatum zijn beroep van verzekeringsagent uit te oefenen alsmede andere, gelet op zijn opleiding, bekwaamheden en maatschappelijke positie voor hem in aanmerking komende, betaalde werkzaamheden, als onvoldoende conreet betwist is komen vast te staan. Niet in geschil is dat dit meebrengt dat [eiser] recht heeft op uitkering van het pakketkapitaal ten bedrage van € 68.067,00. Daarmee ligt de gevorderde hoofdsom voor toewijzing gereed.

4.12. [eiser] heeft voorts contractuele rente gevorderd over het pakketkapitaal, primair op basis van artikel 9, vierde lid, van de pakketvoorwaarden. Deze grondslag faalt. Dit artikel beoogt enkel een renteregeling te bieden voor het geval de algehele arbeidsongeschiktheid is erkend maar het blijvende karakter daarvan nog niet, zoals bedoeld in artikel 9, derde lid, van de pakketvoorwaarden. Die situatie doet zich hier niet voor, zodat [eiser] daaraan geen rechten kan ontlenen.

4.13. Subsidiair vordert [eiser] contractuele rente op basis van artikel 12, tweede lid, van de pakketvoorwaarden. Deze grondslag faalt eveneens. Dit artikel biedt slechts een renteregeling voor de periode gelegen tussen de datum van erkenning van algehele blijvende arbeidsongeschiktheid en de datum van uitkering. Ook die situatie doet zich in het geval van [eiser] niet voor, zodat dit artikel geen toepassing vindt.

4.14. Meer subsidiair heeft [eiser] wettelijke rente gevorderd vanaf 24 september 2008. De gehoudenheid van RVS tot uitkering van het pakketkapitaal betreft een verbintenis tot betaling van een geldsom als bedoeld in afdeling 6.1.11 van het BW (waarvan artikel 6:119 BW onderdeel uitmaakt, dus niet van afdeling 6.1.10 zoals RVS betoogt). RVS was de uitkering verschuldigd vanaf het eerste verzoek van [eiser]. [eiser] heeft ingevolge artikel 6:119, eerste lid, BW vanwege de vertraging in de voldoening daarvan recht op wettelijke rente als schadevergoeding over de tijd dat RVS in verzuim is geweest. Uit de ondubbelzinnige afwijzing van de claim door RVS op 24 september 2008, mocht [eiser] afleiden dat RVS in de nakoming van die verbintenis zou tekortschieten. Daarmee is RVS zonder ingebrekestelling in verzuim geraakt (artikel 6:83, sub c, BW). In dit verband heeft RVS nog aangevoerd dat sprake is van schuldeisersverzuim, omdat [eiser] zijn medewerking niet zou hebben verleend aan de vaststelling van het verzekerde element door niet in te gaan op het verzoek om nadere medische informatie en een eventueel geneeskundig onderzoek. RVS heeft pas hierom gevraagd (bij brief van 19 december 2008) nadat zij de aanvraag van [eiser] reeds had afgewezen (bij brief van 24 september 2008). Op dat moment had [eiser] al verzocht een commissie als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de pakketvoorwaarden in te stellen. [eiser] was op grond van de pakketvoorwaarden niet verplicht om RVS in de gelegeheid te stellen haar beslissing te heroverwegen en mocht dan ook vasthouden aan zijn verzoek een dergelijke commissie in te stellen. Van schuldeisersverzuim was dan ook geen sprake, zodat de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar is.

4.15. RVS zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 90,98

- vast recht 1.845,00

- salaris advocaat 1.737,00 (3,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 3.672,98

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt RVS om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 68.067,00 (achtenzestig duizendzevenenzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 24 september 2008 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt RVS in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 3.672,98,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.P. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2010.