Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO2073

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-10-2010
Datum publicatie
28-10-2010
Zaaknummer
BM 4330 en 4775
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tot de kerntaak van een beschermingsbewindvoerder hoort bewaking van het inkomen. Indien rechthebbende kennelijk niet ontvangt waarop hij recht heeft, behoort de bewindvoerder actie te ondernemen. Bewindvoerder kan zijn eigen beloning in maandelijkse termijnen incasseren van het saldo van de beheerrekening, ondanks tekort in maandbudget van rechthebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Geachte mevrouw en mijnheer,

In deze brief behandel ik de klachten die u heeft geuit over de uitvoering van het bewind door uw bewindvoerder, [uw bewindvoerder].

[uw bewindvoerder] is bij beschikking van 12 november 2009 als opvolger van de heer [naam vorige bewindvoerder] tot bewindvoerder over uw financiële zaken benoemd, mevrouw. Bij beschikking van 7 januari 2010 is [uw bewindvoerder] tot uw bewindvoerder benoemd, mijnheer.

In haar brief van 15 mei 2010 schreef [uw bewindvoerder] dat zij wegens de verhouding tussen uw inkomen en uw schulden u wilde doorverwijzen naar hulpverleners binnen de gemeente Rheden, waar u woont. Zij verzocht te worden ontslagen als bewindvoerder.

Nadat u van onze kant was ingelicht over het verzoek om ontslag, heeft u in uw brief, die is hier ontvangen op 23 juni 2010, klachten geuit over het beheer van [uw bewindvoerder]. Deze klachten heb ik om commentaar voorgelegd aan [uw bewindvoerder], die op 4 augustus 2010 heeft gereageerd. Vervolgens zijn de klachten mondeling behandeld op de zitting van 30 september 2010.

Bij de beoordeling betrek ik ook het bankafschrift, dat [uw bewindvoerder] bij de mondelinge behandeling heeft overgelegd. Dat bankafschrift geeft alle mutaties op de beheerrekening weer tussen 5 januari en 26 mei 2010.

U heeft de volgende klachten geuit.

1. Huurtoeslag is niet aangevraagd en de huur is niet betaald.

2. Inrichtingskosten zouden worden aangevraagd, maar bij navraag bij de gemeente was geen papier te vinden.

3. Voor een aanvullende uitkering zou tot 3 maal toe een brief aan het UWV (mevrouw [X]) zijn gestuurd, maar mevrouw [X] zegt dat zij de brief nooit heeft ontvangen. Dankzij het einde van het bewind, kreeg u na 8 weken weer uw geld op uw eigen rekening.

4. Uw aanvraag voor bijzondere bijstand wegens de crematiekosten van uw dochtertje is pas na uw 4e verzoek doorgestuurd.

Hierna vermeld ik puntsgewijs het verweer van [uw bewindvoerder] en geef ik meteen mijn beoordeling van de klacht.

ad 1. [uw bewindvoerder] is niet ingegaan op uw klacht dat geen huurtoeslag is aangevraagd. Ik moet daaruit begrijpen dat uw klacht niet wordt weersproken.

Dit onderdeel van klacht 1 acht ik daarom gegrond.

[uw bewindvoerder] heeft gesteld dat zij in januari 2010 de huur heeft betaald. Later niet meer omdat niet voldoende saldo voorhanden was.

Uit het genoemde bankafschrift blijkt dat het tegoed op de beheerrekening bij de aanvang van het bewind nihil was.

Op 5 januari werd het saldo van een bankrekening van mevrouw bijgeboekt: € 525,00; een paar dagen later gevolgd door nog een tweede bijboeking vanaf dezelfde rekening: € 36,65. Inderdaad is op 12 januari 2010 de huur betaald ad € 322,50. Op 20 januari werd opnieuw het saldo van de rekening van mevrouw bijgeboekt: € 404,01.

Per 1 februari 2010 was het saldo op de beheerrekening derhalve: (a) inkomsten: 3 bijboekingen =

€ 965,66 en (b) uitgaven: leefgeld en kosten bewindvoering = € 661,62; per saldo: € 304,04.

Bij aanvang van de maand februari 2010 was dus onvoldoende saldo aanwezig om de huur te betalen.

Op 19 februari 2010 werd van het UWV een uitkering van € 294,12 ontvangen. Tot en met die datum was echter aan leefgelden, bewindskosten en een CJIB-incasso al € 342,62 afgeschreven, zodat het saldo op die datum bedroeg: € 224,19.

Uit dat bedrag kon de huur van februari (€ 322,50) niet worden betaald.

Als dat bedrag was gebruikt om een gedeelte van de huur te betalen, had geen leefgeld meer uitgekeerd kunnen worden tot aan de datum waarop de volgende uitkering betaald zou worden.

De keus die de bewindvoerder heeft gemaakt, acht ik redelijk.

Bij de momenten waarop de beloning van de bewindvoerder is geïnd, sta ik nog apart stil.

In januari 2010 heeft bewindvoerder het 1/12e deel van zijn jaarlijkse beloning geïncasseerd. In februari heeft hij hetzelfde gedaan, alsmede een afronding naar boven tot € 100,- toegepast. Bij de afschrijving van dit bedrag staat vermeld: inloop kosten bewind.

Voor de beoordeling van dit aspect zoek ik aansluiting bij wettelijke regeling van vergelijkbare hulp aan personen die niet in staat zijn, of door wetsbepaling niet bevoegd zijn, hun belangen zelf waar te nemen.

Een professionele zaakwaarnemer heeft recht op vergoeding voor zijn verrichtingen. Hij heeft voor deze vergoeding retentierecht op goederen van de rechthebbende die hij onder zich heeft. (Artt. 1:200, lid 2, jis 3:290 jo 6: 52 e.v. BW; vgl. T&C).

Een door de kantonrechter benoemde vereffenaar van een nalatenschap heeft recht op loon dat door de kantonrechter wordt bepaald (art 4:206, lid 3, BW). Zijn beloning is een bevoorrechte schuld van de boedel (art. 4:7, lid 1, onder c, jo lid 2. BW).

In dit licht bezien en rekening houdend met het feit dat een professionele bewindvoerder voor zijn werkzaamheden in de loop van het jaar bedrijfsmatig (loon)kosten maakt, die rechtvaardigen dat hij in maandelijkse termijnen zijn loonvordering op het aanwezige banksaldo van rechthebbende verhaalt, acht de kantonrechter een en ander aanvaardbaar.

Aangezien [uw bewindvoerder] als nieuw benoemde bewindvoerder aanspraak kan maken op de forfaitaire vergoeding voor intakekosten, is ook aanvaardbaar dat met het innen van die vergoeding een - bescheiden - aanvang werd gemaakt.

Verder blijkt uit het hiervoor genoemde bankafschrift dat na 19 februari 2010 geen uitkeringen of andere ontvangsten op de beheerrekening zijn bijgeboekt.

Aangezien voor de aanvraag van huurtoeslag een inkomen moet worden opgegeven en uit het bankafschrift blijkt dat over een periode van 5 maanden slechts 2 maal een - wisselend - bedrag aan uitkering werd ontvangen, heeft [uw bewindvoerder] voldoende aannemelijk gemaakt dat een voor de aanvraag essentieel gegeven ontbrak.

Tenslotte heeft [uw bewindvoerder] aangevoerd dat u een mondelinge afspraak met de verhuurder had gemaakt dat slechts de helft van de huur behoefde te worden betaald in verband met het opknappen van de woning. Bij de mondelinge behandeling heeft u benadrukt dat dat slechts tot 1 maart 2010 het geval zou zijn en dat dat in het huurcontract stond. [uw bewindvoerder] stelt dat zij niet de beschikking had over het huurcontract.

Gelet op het feit dat de voorgaande bewindvoerder het dossier niet had overgedragen, acht ik dat aannemelijk.

Alles overziende acht de kantonrechter deze klacht ongegrond.

ad 2. [uw bewindvoerder] heeft naar aanleiding van de klacht over de inrichtingskosten gesteld dat zij niet de beschikking had over het huurcontract. Dat had zij nodig om een aanvraag voor bijzondere bijstand te doen.

Gelet op het hiervoor overwogene, acht ik de klacht ongegrond.

ad 3. Ten aanzien van de aanvraag om een aanvullende uitkering heeft [uw bewindvoerder] gesteld dat bij een dergelijke aanvraag steeds bankafschriften met het inkomen van de 3 voorafgaande maanden moeten worden gevoegd, anders neemt de gemeente de aanvraag niet in behandeling. [uw bewindvoerder] heeft verklaard dat zij van de voorgaande bewindvoerder geen stukken heeft ontvangen. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat gedurende de periode van het bewind slechts twee maal - in januari en februari - uitkering is ontvangen.

Omdat de uitkering die in februari 2010 werd ontvangen - zonder toelichting die ontbreekt - duidelijk beneden de bijstandnorm ligt voor een ouder die een gezamenlijke huishouding voert met een partner, had het op de weg van [uw bewindvoerder] gelegen om tenminste informatie bij het UWV in te winnen over de reden van de geringe bijboeking.

Ik overweeg hierbij het volgende.

Omdat niet uit te sluiten is, dat bij de op deze wijze van het UWV te ontvangen informatie, ook informatie verkregen was die van belang was geweest voor het aanvragen van een aanvullende uitkering, acht ik deze klacht gegrond.

Het is een kerntaak van een bewindvoerder om perikelen bij de ontvangst van het inkomen aan te pakken. Een lagere uitkering dan in de voorafgaande maand is ontvangen, is daarvoor een indicatie.

Uit de aldus verkregen informatie kan hij bepalen of is ontvangen waarop al recht bestaat en of verdere actie gericht moet zijn op de verwezenlijking van het vaststaande recht, dan wel of verdere actie gericht moet zijn op een (nieuwe) vaststelling van recht op het juiste bedrag.

Nu [uw bewindvoerder] dat heeft nagelaten, acht ik deze klacht gegrond.

ad 4. Bij de mondelinge behandeling heeft u verteld dat u tot drie maal toe een formulier betreffende de aanvraag van extra bijstand voor de crematiekosten van de gemeente opgestuurd heeft gekregen. Driemaal heeft u dat formulier naar [uw bewindvoerder] opgestuurd. Op een van de formulieren stond in handschrift uw naam geschreven en dat het om crematiekosten ging.

[uw bewindvoerder] heeft stellig ontkend dat zij een van deze formulieren heeft ontvangen.

Hoewel ik aannemelijk acht dat u het formulier inderdaad verschillende malen heeft opgezonden, kan ik niet om de betwisting van [uw bewindvoerder] heen, dat zij het niet heeft ontvangen. Het is immers niet uitgesloten dat de verzending tot drie maal toe is misgegaan.

Daarom zal ik deze klacht ongegrond verklaren.

Begrijpt u goed, dat dit niet betekent dat ik geen geloof hecht aan wat u mij heeft verteld.

Afrondend ben ik van mening dat het geen zin heeft [uw bewindvoerder] wegens de gegrond verklaarde klacht 3 een maatregel op te leggen, nu zij inmiddels als bewindvoerder is ontslagen.

Wel benadruk ik dat ik verwacht dat [uw bewindvoerder] in haar bedrijfsvoering voortaan rekening houdt met hetgeen ik daar heb overwogen.

Indien u - of [uw bewindvoerder] - het niet eens bent met de afhandeling van uw klachten, kunnen u en [uw bewindvoerder] binnen drie maanden door een advocaat hoger beroep laten instellen bij het gerechtshof in Arnhem.

Een kopie van deze brief zend ik aan [uw bewindvoerder].

Met vriendelijke groet,

mr. P.A. Huidekoper,