Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO2059

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
28-10-2010
Zaaknummer
392907 CV Expl. 05-2842
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 7:658 BW. OPS en dus de schade niet bewezen. Aan omkeringsregel wordt niet toegekomen. Vervolg van LJN AY3818.

Verzoek tot horen partijdeskundige en pleidooi afgewezen. Voorschot deskundige ruim overschreden. Kosten deskundige geheel toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 392907 \ CV EXPL 05-2842 \ 199 jt

uitspraak van 15 oktober 2010

vonnis

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. L.E.M. Charlier

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde] Schildersbedrijf Nijmegen B.V.

gevestigd te Nijmegen

gedaagde partij

gemachtigde mr. W.S. Oostveen-Kouwenhoven

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 augustus 2009

- het deskundigenbericht van ir. C. Boeckhout R.A.H. d.d. 1 maart 2010

- conclusie na deskundigenbericht van [eisende partij] met producties

- antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde partij]

- akte houdende verzoek pleidooi, tevens houdende verzoek tot het horen van deskundigen ex art. 200 Rv van [eisende partij].

De verdere beoordeling

1. De kantonrechter blijft bij hetgeen in de eerdere tussenvonnissen is overwogen en beslist. De stellingen van [eisende partij] in zijn conclusie na deskundigenbericht, indien en voor zover deze ertoe strekken dat hierop wordt teruggekomen, worden dan ook verworpen.

2. In het tussenvonnis van 28 augustus 2009 zijn ir. C. Boeckhout R.A.H. (hierna:

ir. Boeckhout) de volgende vragen ter beantwoording voorgelegd:

1.) wat was de feitelijke arbeidsbelasting in de zin van blootstelling aan toxische stoffen van [eisende partij] in de periode dat hij bij [gedaagde partij] werkzaam was? Wilt u deze specificeren met aandacht voor de soorten stoffen waaraan [eisende partij] werd blootgesteld, de wijzen waarop [eisende partij] hieraan werd blootgesteld, en de intensiteit van de blootstelling bij de verschillende wijzen van blootstelling?

2.) Wat zijn de geldende MAC (Maximaal Aanvaardbare Concentratie)-waarden?

3.) Wilt u de blootstellingsgegevens bezien in relatie tot de geldende MAC-waarden en aangeven of en zo ja, waar deze normen overschreden werden?

4.) welke andere feiten en omstandigheden die bij het onderzoek zijn gebleken, zijn

verder van belang voor een goed begrip van de zaak?.

3. Ir. Boeckhout beantwoordt in hoofdstuk 7 van zijn rapport deze vragen als volgt:

1. Wat was de feitelijke arbeidsbelasting in de zin van blootstelling aan toxische stoffen van [eisende partij] in de periode dat hij bij [gedaagde partij] werkzaam was? Wilt u deze specificeren met aandacht voor de soorten stoffen waaraan [eisende partij] werd blootgesteld, en de intensiteit van de blootstelling bij de verschillende wijzen van blootstelling?

De feitelijke arbeidsbelasting is niet eenduidig vast te stellen. Informatie mist om een goed beeld te kunnen vormen van een 'gemiddelde werkdag', van de toegepaste producten (bijvoorbeeld het percentage watergedragen lakken na 1992) en de samenstelling daarvan, de mate van overwerk en dergelijke.

Op basis van de opgegeven informatie over werkzaamheden, omstandigheden en toegepaste producten zijn met behulp van literatuurgegevens en een computermodel berekeningen verricht om de blootstelling in te schatten. Omdat blootstelling heeft plaatsgevonden aan een scala aan organische oplosmiddelen is deze uitgedrukt in een blootstellingsindex, de verhouding van de blootstelling ten opzichte van de grenswaarden. In vraag 3 wordt hierop ingegaan.

2. Wat zijn de geldende MAC-waarden?

Bij de gestelde vragen is er van uitgegaan dat de blootstellingsgegevens zouden worden uitgedrukt in ppm of mglm3. In vrijwel alle literatuurreferenties wordt de blootstelling echter al uitgedrukt in verhouding tot de geldende grenswaarden; hierbij wordt dan de blootstellingsindex gerapporteerd. De geldende MAC-waarden zijn dan al in het resultaat verdisconteerd en hoeven in feite niet meer afzonderlijk gerapporteerd te worden. Het voor berekening van blootstelling toegepaste model geeft overigens wel concentraties in mg/m3 weer. In tabel 5.1 zijn daarom een aantal relevante MAC-waarden opgenomen.

3. Wilt u de blootstellingsgegevens bezien in relatie tot de geldende MAC-waarden en aangeven of en zo ja, waar deze normen overschreden werden?

Duidelijk is dat de blootstelling als tijdgewogengemiddelde over een werkdag af en toe hoger zal hebben gelegen dan de MAC-waarde (de blootstellingsindex was dan hoger dan 1), bijvoorbeeld bij het verven of verfafbijten in kleine, slecht geventileerde ruimten, bij het verven van grote oppervlakken of bij het reinigen van grote oppervlakken met thinner. Bij dergelijke activiteiten zal er zeker regelmatig sprake zijn geweest van overschrijding van de MAC-waarde als tijdgewogengemiddelde over 15 minuten voor zover die op dat moment beschikbaar waren. Om na te gaan of er ook sprake zal zijn geweest van overschrijding van de MAC-waarden (de blootstellingsindex) over lange perioden is in dit rapport een inschatting van die langdurige blootstelling gemaakt.

Voor de historische blootstellingsschatting is uitgegaan van het 75 percentiel van de

blootstellingsverdeling volgens Stoffenmanager. Er zijn twee tijdsblokken onderscheiden. Voor elk tijdsblok zijn elk twee scenario's doorgerekend. Scenario 1 kan beschouwd worden als een min of meer reëel scenario voor de gemiddelde activiteiten van [eisende partij], scenario 2 als een worst case-berekening.

Scenario 1 betreft een reële blootstellingssituatie met als handeling 'werken met vloeistof bij lage druk en lage snelheid en op middelgrote oppervlakten' (bijvoorbeeld verven van kozijnen met roller of kwast), waarbij is uitgegaan van schilderen met verf met een vrij hoog oplosmiddelgehalte in kleine of niet al te grote ruimten met beperkte ventilatie, aangevuld met een aantal werkzaamheden met hoge blootstelling gedurende een klein deel van de werktijd (en verven met watergedragen verf gedurende een kwart van de tijd voor het tijdsblok na 1992). Hierbij is een blootstellingsindex berekend van 0,24 als gemiddelde over het jaar (blootstellingsindex > 1 betekent overschrijding van de grenswaarde) voor het tijdsblok 1976-1992 en 0,20 voor het tijdsblok 1992-1998.

Scenario 2 betreft een min of meer worst case-benadering met als handeling 'werken met vloeistoffen op grote oppervlakten of grote werkstukken' (bijvoorbeeld verven van muren of reinigen van vloeren), waarbij is uitgegaan van schilderen met verf met een vrij hoog oplosmiddelgehalte in kleine of niet al te grote ruimten zonder ventilatie, ook weer aangevuld met een aantal werkzaamheden met hoge blootstelling gedurende een klein deel van de werktijd (en weer verven met watergedragen verf gedurende een kwart van de tijd voor het tijdsblok na 1992). Hierbij is een blootstellingsindex berekend van 0,69 als gemiddelde over het jaar voor het tijdsblok 1976-1992 en 0,57 voor het tijdsblok 1992-1998.

Volgens de toegepaste methodiek ligt de gemiddelde blootstelling over lange termijn dan wel beneden de grenswaarde.

4. Welke andere feiten en omstandigheden die bij het onderzoek zijn gebleken, zijn verder van belang voor een goed begrip van de zaak?

In verband met het feit dat OPS een chronische aandoening is die door langdurige blootstelling aan organische oplosmiddelen wordt veroorzaakt, is langdurige blootstelling als maat voor de blootstelling genomen. Piekblootstellingen kunnen een extra effect veroorzaken, maar niet bekend is in welke mate. Pieken worden wel meegenomen in de gemiddelde blootstelling, maar zijn niet afzonderlijk beoordeeld. Op grond van de literatuur en uitgevoerde berekeningen is duidelijk dat piekblootstelling (concentraties hoger dan de 15 minuuts-grenswaarde) af en toe voor zijn gekomen, afhankelijk van de verrichte werkzaamheden. Hoe vaak dit gebeurde en welke concentraties daarbij voorkwamen is niet bekend.

Organische oplosmiddelen kunnen ook via de huid worden opgenomen. Dit kan het geval zijn bij direct contact met het oplosmiddel (in de verf of in een reinigingsmiddel) en zelfs bij blootstelling aan damp (relevant bijvoorbeeld bij dichloormethaan uit verfafbijtmiddel). Bij het verwerken van verf met de kwast zal huidblootstelling in het algemeen zeer beperkt zijn, bij toepassing van een roller is de huidblootstelling groter. Bij het reinigen van handen met terpentine, dagelijks een aantal malen, is er slechts gedurende korte tijd sprake van blootstelling. Bij het reinigen van vette oppervlakken met doeken met de blote hand is er wel langduriger blootstelling en mogelijke relevante opname in het lichaam (bijvoorbeeld aan tolueen uit thinner). Gemiddeld over lange termijn is de bijdrage van huidopname ten opzichte van opname via de luchtwegen naar verwachting beperkt (< 10 %).

4. [eisende partij] herhaalt in zijn conclusie na deskundigenbericht dat uit de rapportages van het Solvent Team volgt dat hij leidt aan OPS, hetgeen is, althans kan zijn veroorzaakt door zijn werkzaamheden bij [gedaagde partij]. Daarbij verwijst hij naar diverse recente vonnissen en arresten. Reeds daarom meent hij dat hij is geslaagd in het van hem te verlangen bewijs. [gedaagde partij] bestrijdt deze mening en voert daartoe onder meer aan dat het Solvent Team enkel is afgegaan op de gegevens van [eisende partij].

De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt. Dat het Solvent Team deskundig is op het gebied van OPS is onbetwist, maar dat betekent niet dat zijn conclusies zonder meer gevolgd zouden moeten worden zoals [eisende partij] kennelijk meent. Het Solvent Team is in dit geval blijkens de brief van 7 april 2000 (productie 2 bij dagvaarding) van de volgende mate van blootstelling uitgegaan: “patiënt werkte 70% binnen en 30% buiten. Binnen deed hij vooral het spuiten van radiatoren. Patiënt gebruikte veel epoxie verven en MEK. De laatste jaren heeft hij wel een masker gebruikt, maar de koolstoffilters werden slecht vervangen. Er waren regelmatig piekblootstellingen. De totale blootstelling wordt aangegeven als laag, matig of hoog. Bij patiënt was er een matige tot hoge blootstelling met een score van 6 tot 7 op een schaal van 9.” Uit het vonnis van 20 juni 2008, waarin in rechtsoverweging 4 onder andere de bewezenverklaarde werkzaamheden die [eisende partij] voor [gedaagde partij] heeft verricht worden opgesomd, volgt echter dat de (partij)getuigenverklaring van [eisende partij] hieromtrent niet op alle punten onderschreven is door de andere getuigen. De door hem als getuige opgesomde feiten en omstandigheden zijn dan ook niet alle bewezen verklaard. Het Solvent Team is daarentegen kennelijk uitgegaan van de volledige juistheid van de verklaring van [eisende partij] die hij tegen hem heeft afgelegd. Reeds daarom kan de diagnose van het Solvent Team in zijn brief van 12 augustus 2002 (productie 10 bij dagvaarding), inhoudende dat OPS bij [eisende partij] “vrijwel zeker” is, niet in rechte als vaststaand worden aangenomen. De uitspraken waarnaar [eisende partij] verwijst, maken dat niet anders, reeds omdat elke zaak op zich beoordeeld dient te worden. De feiten en (betwiste) stellingen van partijen zijn nu eenmaal niet vergelijkbaar met die in deze zaak. Daarbij komt dat in de beide genoemde arresten van de Hoge Raad (HR 5 maart 2010, LJN: BK9151 en HR 6 februari 2009, LJN: BG5859) de cassatieberoepen met toepassing van art. 81 RO zijn verworpen.

Thans wordt toegekomen aan de beoordeling van het deskundigenrapport van ir. Boeckhout. [eisende partij] voert een groot aantal bezwaren aan tegen het rapport, die, voor zover relevant, hierna worden besproken.

5. [eisende partij] stelt dat de deskundige de zelfstandige invloed van de dagelijkse piekbelastingen miskent, onder verwijzing naar onder meer de Gezondheidsraad en TNO.

Volgens [gedaagde partij] is het een onbewezen hypothese dat piekblootstelling meer dan proportioneel zou bijdragen aan het ontstaan van OPS. Het is volgens haar een bewering die vaker wordt geuit, maar waarvoor wetenschappelijke gegevens ontbreken en waarover geen consensus is.

[eisende partij] doelt met zijn verwijzing op het rapport van de Gezondsheidsraad met de titel “Piekblootstelling aan organische oplosmiddelen”, nr. 1999/12, Den Haag,

5 augustus 1999. Dit rapport is onder meer gebaseerd op een literatuurstudie door TNO. Het rapport van de Gezondheidsraad is te raadplegen op internet (http://www.gezondheidsraad.nl/nl/adviezen/piekblootstelling-aan-organische-oplosmiddelen). Uit hun conclusies volgt dat dit rapport bij beide partijen bekend is. Anders dan [eisende partij] kennelijk meent, volgt uit dit rapport niet dat piekblootstellingen (kunnen) leiden tot OPS, in het rapport aangeduid als CTE. Op bladzijde 10 van het rapport vermeldt de Gezondheidsraad namelijk: “(…) dat het waarschijnlijk is dat er een verband bestaat tussen piekblootstelling aan organische oplosmiddeldampen en de ontwikkeling van CTE, hoewel een verklarend biologisch mechanisme voor dit verband ontbreekt. Deze veronderstelling, hoe waarschijnlijk ook, kan op grond van de beschikbare gegevens worden bewezen noch ontkend.” Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben in dit rapport van de Gezondheidsraad blijkbaar geen aanleiding gezien zijn Registratierichtlijn OPS respectievelijk zijn Protocol voor de diagnostiek van OPS hieraan aan te passen.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat ir. Boeckhout de invloed van piekblootstellingen niet heeft miskend. Hij hoeft daarom ook niet te voldoen aan het verzoek van [eisende partij] “om een alternatieve rekenmethode in plaats van de “jaargemiddelde concentratie” te hanteren, om daarmee de blootstelling en haar risico’s op gezondheidsschade in het licht van de conclusies van de Gezondheidsraad beter in kaart te krijgen.”

6. [eisende partij] meent verder dat het door ir. Boeckhout gebruikte systeem van de Stoffenmanager beperkingen kent. [gedaagde partij] voert daartegen aan dat deze methode door de Arbeidsinspectie als methode om de blootstelling aan gevaarlijke stoffen op de werkplek te evalueren wordt geaccepteerd.

Nu [eisende partij] de “beperkingen” niet concretiseert, wordt dit bezwaar als niet (voldoende) gemotiveerd gepasseerd.

7. [eisende partij] stelt in dit verband ten aanzien van de deskundige nog het volgende: “Aan een zweem van vooringenomenheid kan, mede gelet op zijn onvoldoende kritische houding ten aanzien van de beperkingen van het systeem van de Stoffenmanager in relatie tot de invloed van piekbelastingen niet worden ontkomen.” Uit hetgeen hiervoor onder 5. en 6. is overwogen, volgt dat dit verwijt aan ir. Boeckhout elke grond ontbeert.

8. [eisende partij] merkt voorts op dat het van belang is te onderkennen, dat, waar ir. Boeckhout in zijn methode met het 75 percentiel heeft gerekend 25% van de blootstellingen hoger kunnen liggen dan de blootstellingen waarmee gerekend is.

Maar nu dit percentage inhoudt dat in werkelijkheid 75% van de blootstellingen lager kunnen liggen dan de blootstellingen waarmee gerekend is, valt niet in te zien dat aldus

ir. Boeckhout met een onjuist percentiel heeft gerekend.

9. [eisende partij] werpt ook op dat ir. Boeckhout ten onrechte heeft geweigerd zijn volgende vraag te beantwoorden: “Gelet op het voorgaande verzoek ik u aan te geven of u op basis van de concrete feiten en omstandigheden van dit geval kunt uitsluiten dat het ziektebeeeld van de heer [eisende partij] door de blootstelling bij [gedaagde partij] kan zijn veroorzaakt.”

Deze vraag hoefde ir. Boeckhout echter niet te beantwoorden, reeds omdat deze vraag niet in het vonnis van 28 augsustus 2009 is opgenomen. Bovendien is dit een vraag naar het natuurwetenschappelijk bewijs dat de ziekte van [eisende partij] niet kan zijn veroorzaakt door zijn blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij [gedaagde partij]. Een dergelijke vraag strekt verder dan de hier aan de orde zijnde juridische bewijsvraag, waarvan de beantwoording aan de rechter is voorbehouden.

10. [eisende partij] meent bovendien dat de waarde van het deskundigenrapport beperkt is, omdat ir. Boeckhoudt niet (volledig) heeft voldaan aan zijn verzoek om zijn arbeidsverleden op te delen in relevante tijdsblokken en voor die tijdsblokken een inschatting te maken van de blootstelling. De deskundige heeft als reden aangegeven dat geen uitgebreid onderscheid te maken is in verband met het ontbreken van gedetailleerde informatie over zowel werk als over de samenstelling van de toegepaste verven. Volgens [eisende partij] is hierbij van belang dat de deskundige niet beschikte over de juiste productspecificaties uit de blootstellingsperiode, hetgeen op grond van het rechtssfeercriterium zoals volgt uit onder andere HR 6 april 1990, NJ 1990, 573 aan [gedaagde partij] toe te rekenen is.

Volgens [gedaagde partij] ligt alles wat door haar boven water kon worden gehaald inmiddels op tafel.

11. In de door [eisende partij] genoemde uitspraak van de Hoge Raad heeft hij beslist dat de werkgever in het kader van de motivering van zijn betwisting van de stellingen van de werknemer in het algemeen de omstandigheden zal moeten aangeven die meer in zijn sfeer dan in die van de werknemer liggen. Dit arrest ziet dus op de motiveringsplicht van het verweer van werkgever en niet op de hier aan de orde zijnde vraag. Het antwoord op deze vraag is gelegen in art. 198 lid 3 Rv. Deze bepaling houdt in dat partijen verplicht zijn mee te werken aan een onderzoek door deskundigen en als aan deze verplichting niet wordt voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Ir. Boeckhout schrijft in paragraaf 5.1 van zijn rapport: “Typische gehalten aan oplosmiddelen in verschillende typen verven zijn weergegeven in bijlage 1 (gegevens van rond 2000). Informatie over door [eisende partij] toegepaste producten is weergegeven in bijlage 2. Hier zijn de meest relevante producten beschreven, voor zover hiervan informatie is verkregen. Getracht is informatie te verkrijgen over de samenstelling in een verder verleden van door [eisende partij] toegepaste producten. Zowel bij Sikkens (Akzo coatings) als bij Sigma (PPG coatings) bleek geen informatie te verkrijgen over de samenstelling van producten ouder dan circa 10 jaar geleden.” Uit deze passage volgt niet dat [gedaagde partij] niet aan haar medewerkingsverplichting op grond van art. 198 lid 3 Rv heeft voldaan. Ook elders in het deskundigenrapport of in de overige processtukken is daarvoor geen aanwijzing te vinden. Voor de door [eisende partij] kennelijk gewenste beperking van de waarde van het deskundigenrapport als (processueel) gevolg van de door hem gestelde schending van art. 198, lid 3 Rv door [gedaagde partij] is dan ook geen reden. Dit wordt niet anders indien uit de door [eisende partij] genoemde jurisprudentie afgeleid zou moeten worden dat de medewerkingsverplichting op grond van art. 198, lid 3 Rv van [gedaagde partij] ook ziet op verzoeken van de deskundige, waarvan het antwoord meer in haar sfeer dan in die [eisende partij] ligt.

12. [eisende partij] heeft verder geen bezwaren tegen het deskundigenrapport aangevoerd, die bij gegrondbevinding ertoe zouden kunnen leiden dat het rapport geheel of gedeeltelijk terzijde zou moeten worden geschoven.

13. [eisende partij] heeft bij akte verzocht op grond van art. 200, leden 1 en 4 Rv de niet door de kantonrechter benoemde deskundige ir. J. Terwoert (hierna: ir. Terwoert) te horen, alsmede hem gelijktijdig de gelegenheid te bieden voor pleidooi.

De kantonrechter wijst dit verzoek af. [eisende partij] heeft zijn conclusie na deskundigenbericht onder meer gebaseerd op de als productie bijgevoegde second opinion d.d. 12 januari 2010 van onder andere ir. Terwoert. [eisende partij] motiveert zijn verzoek niet waarom en waarover ir. Terwoert, ondanks zijn schriftelijke rapportage, (specifiek) gehoord zou moeten worden. Ook motiveert [eisende partij] zijn verzoek om pleidooi niet. Hoewel een verzoek om pleidooi slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag worden geweigerd (HR 15 november 2002, NJ 2004, 2), acht de kantonrechter dergelijke omstandigheden hier aanwezig. In deze zaak heeft na de dagvaarding en akte houdende13 producties van [eisende partij] een comparitie van partijen plaatsgevonden, zijn getuigen gehoord en is een deskundigenrapport opgemaakt, waarna [eisende partij] een conclusie na enquête en een conclusie na deskundigenrapport heeft genomen. Daarnaast heeft hij nog vier akten (exclusief de akte uitlating kosten deskundige en de akte houdende verzoek pleidooi, tevens houdende verzoek tot het horen van deskundigen ex art. 200 RV) genomen. Gelet hierop, mede in aanmerking genomen dat de dagvaarding op 14 april 2005 is uitgebracht en [eisende partij] in zijn akte uitlating deskundige van 5 juni 2009 opmerkt, onder verwijzing naar art. 6 EVRM, dat “ook voor de doorlooptijd van civiele zaken geldt dat deze onderworpen is aan een redelijke termijn”, mag in redelijkheid worden verlangd dat [eisende partij] zijn verzoek om pleidooi (enigszins) motiveert, hetgeen hij heeft nagelaten. Mocht het verzoek zijn ingegeven door de wens de discretionaire bevoegdheid die de kantonrechter heeft met betrekking tot zijn verzoek op grond van art. 200, leden 1 en 4 Rv te beperken, dan baat dat [eisende partij] niet. Daarvoor is het recht op pleidooi namelijk niet bedoeld.

14. Nu de bezwaren van [eisende partij] tegen het deskundigenrapport niet opgaan en andere bezwaren niet, ook niet ambtshalve, zijn gebleken, concludeert de kanonrechter dat het deskundigenrapport deugdelijk en dus bruikbaar is. De kantonrechter neemt de goed onderbouwde antwoorden van de deskundige op de vragen in het tussenvonnis van

28 augustus 2009 over. Uit deze antwoorden volgt dat [eisende partij] niet is geslaagd in het bewijs dat hij OPS heeft. Daarom wordt niet toegekomen aan de vragen of aannemelijk is dat zijn schade door de blootstelling aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen bij zijn werk voor [gedaagde partij] kan zijn veroorzaakt en of de omkeringsregel voor toepassing in aanmerking komt (HR 23 juni 2006, NJ 2006, 354 en HR 9 januari 2009, LJN BF8875) .

De kantonrechter tekent hierbij aan dat [eisende partij] geen (nadere) feiten en omstandigheden heeft gesteld, die indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zodat zijn bewijsaanbod in zijn conclusie na deskundigenbericht wordt gepasseerd.

15. De slotsom is dat de vordering wordt afgewezen. [eisende partij] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure veroordeeld. Daarbij wordt het belang van de zaak gesteld op € 151.898,00, zijnde het bedrag waarop de ter voorbereiding van de comparitie door [eisende partij] toegezonden schadestaat sluit. Hiermee komt een bedrag aan salaris van € 700,- per punt overeen. Nu de gemachtigde van [gedaagde partij] drie conclusies en vier akten heeft genomen alsmede op de comparitie en bij de getuigenverhoren aan de kant van [eisende partij] en aan de kant van [gedaagde partij] aanwezig is geweest, wordt het salaris van de gemachtigde van [gedaagde partij] begroot op 7,5 x € 700,- = € 5.250,-.

[eisende partij] dient ook de kosten van het deskundigenbericht ad € 16.270,13 te dragen. Zijn conclusie in zijn akte uitlating kosten deskundige dat de aanvullend gedeclareerde inspanning van ir. Boeckhout als bovenmatig en ten onrechte in rekening gebracht moet worden beschouwd, gaat niet op. De werkzaamheden van de deskundige zijn fors toegenomen door de vele vragen van partijen naar aanleiding van het conceptrapport, terwijl niet gebleken is dat het conceptrapport ondeugdelijk was. De vragen zagen namelijk op verdere detaillering en nuancering van het conceptrapport. Voorts voert [eisende partij] aan dat een maximering van de kosten van de deskundige op zijn plaats is, aangezien een prijsopgave voorafgaande aan een zeer aanzienlijke overschrijding van het budget door de vragen, verzoeken en opmerkingen van partijen naar aanleiding van het conceptrapport in redelijkheid verwacht had mogen worden. De kantonrechter ziet echter geen reden tot maximering, nog daargelaten het antwoord op de vraag of dat rechtens mogelijk zou zijn, nu [eisende partij], althans zijn gemachtigde had kunnen weten dat de gevergde inspanning van ir. Boeckhout om op de vele vragen, verzoeken en opmerkingen van partijen te reageren ertoe zou leiden dat het voorschot ruimschoots overschreden zou worden. Tot slot merkt de kantonrechter op dat de vragen, verzoeken en opmerkingen van [gedaagde partij] niet als nodeloos kunnen worden bestempeld, zodat niet geoordeeld kan worden dat de kosten van de deskundige deels voor haar rekening moeten komen.

De beslissing

De kantonrechter

wijst de vordering af,

veroordeelt [eisende partij] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde partij] begroot op € 5.250,- aan salaris gemachtigde en € 16.270,13 aan kosten deskundige,

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2010.