Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO2047

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-10-2010
Datum publicatie
28-10-2010
Zaaknummer
05/901055-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BX6121, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van doodslag.

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Promis II

Parketnummers : 05/901055-08, 05/600895-09 en 13/467360-08 (tul)

Data zittingen : 11 mei 2009, 13 juli 2009, 28 september 2009, 14 december 2009, 1 maart

2010, 17 mei 2010, 27 juli 2010 en 14 oktober 2010

Datum uitspraak: 28 oktober 2010

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : 24 augustus 1982 te Amsterdam

thans verblijvende te : P.I. Arnhem, locatie P.I. De Berg te Arnhem

raadsvrouw : mr. A.A. Holleeder, advocaat te Amsterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Ten aanzien van parketnummer 05/901055-08:

hij op of omstreeks 26 september 2008 te Arnhem, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft

beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s)

opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren

genomen besluit, met (een) vuurwapen(s) een of meerdere patronen/projectielen

heeft/hebben afgevuurd op voornoemde [slachtoffer], welke patronen/projectielen

voornoemde [slachtoffer] hebben getroffen, tengevolge waarvan voornoemde persoon

is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 26 september 2008 te Arnhem, altahns in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat

verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk met (een) vuurwapen(s) één

of meerdere patronen/projektielen heeft/hebben afgevuurd op voornoemde

[slachtoffer], welke patronen/projektielen voornoemde [slachtoffer] hebben getroffen,

tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 26 september 2008 te Arnhem, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een hoeveelheid drugs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of verdachtes mededader(s) met (een) vuurwapen(s) één of meerdere

patronen/projektielen heeft/hebben afgevuurd op die [slachtoffer], tengevolge waarvan

die [slachtoffer] is overleden;

Ten aanzien van parketnummer 05/600895-09:

hij op of omstreeks 25 januari 2009 te Amsterdam een wapen van categorie I,

onder 4, te weten een blank wapen (mes) dat uiterlijk gelijkt op een ander

voorwerp dan een wapen (gelijkend op een gasaansteker), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

1a. De vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich een vordering na voorwaardelijke veroordeling (parketnummer 13/467360-08).

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 14 oktober 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. A.A. Holleeder, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, mr. H.J. Timmer, heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 05/901055-08 primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken en ter zake van het onder parketnummer 05/901055-08 subsidiair en het onder parketnummer 05/601895-09 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling heeft de officier van justitie zich ter terechtzitting – in afwijking van zijn schriftelijke vordering – op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vordering, nu de vordering te laat is ingediend.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Ten aanzien van parketnummer 05/901055-08:

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit:

De rechtbank acht – zoals ook door de officier van justitie en de verdediging gesteld – hetgeen primair is tenlastegelegd niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 26 september 2008 is [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) in de [adres] te Arnhem om het leven gekomen. Er zijn die dag met een vuurwapen meerdere patronen op hem afgevuurd. Deze patronen hebben [slachtoffer] getroffen, tengevolge waarvan hij is overleden. [slachtoffer] is door de kogels onder meer in zijn buik, borst en hals getroffen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van doodslag. De officier van justitie verwijst daartoe naar de verklaring van medeverdachte[medeverdachte LJN BO 1991] (hierna: [medeverdachte LJN BO 1991]). De officier van justitie acht de verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991] betrouwbaar. Deze verklaring wordt door meerdere bewijsmiddelen ondersteund. [medeverdachte LJN BO 1991] is bovendien degene die 112 heeft gebeld, eerste hulp heeft verleend aan [slachtoffer] en op de plaats delict is gebleven in afwachting van de hulpdiensten, welke handelingen niet passen in het scenario dat [medeverdachte LJN BO 1991] zelf de schutter is.

De officier van justitie acht de verklaring van [verdachte] daartegenover ongeloofwaardig. In de eerste plaats ziet de officier van justitie niet in waarom [verdachte], als hij onschuldig is, pas zo lang na zijn aanhouding en na het afsluiten van het eindproces-verbaal, 16 maanden geleden, voor het eerst een verklaring heeft afgelegd.

[verdachte] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte2] naar Nijmegen is gegaan omdat [medeverdachte2] een ][getuige1], hierna: [getuige1]] wilde ontmoeten voor een sociaal gesprek, dat niet al te lang heeft geduurd, waarna ze [medeverdachte LJN BO 1991] in Arnhem hebben afgezet en zijn weggereden. [getuige1] heeft als getuige echter niets over deze ontmoeting verklaard en later, als verdachte, niets willen verklaren.

Daarbij komt dat op de sigarettenpeuken die in een glas op de plaats delict zijn aangetroffen DNA van [verdachte] is aangetroffen. Zowel getuige [getuige11] als getuige [getuige2]) hebben dit glas herkend als afkomstig uit de woning aan de [adres] en de moeder van [getuige2] en [getuige1] heeft verklaard niet zulke glazen in huis te hebben. Volgens de officier van justitie staat daarmee vast dat [verdachte] op de plaats delict is geweest.

Ten slotte blijkt ook uit de analyse van de mastverkeersgegevens dat de telefoon van [medeverdachte2] veel langer in Arnhem is geweest dan [verdachte] wil doen geloven. [verdachte] heeft dus niet de waarheid verklaard.

Volgens de officier van justitie is tevens wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met [medeverdachte2] heeft gepleegd. Op basis van de verklaringen van [medeverdachte LJN BO 1991] is duidelijk dat het ging om een ripdeal, een overval waarbij iemand van drugs wordt beroofd. Beide verdachten hadden een wapen bij zich. Beiden hebben plotseling hun wapen getrokken waarbij [medeverdachte2] [medeverdachte LJN BO 1991] in bedwang hield en [verdachte] [slachtoffer]. [verdachte] heeft [slachtoffer] doodgeschoten. [medeverdachte2] heeft door zijn gedragingen eraan bijgedragen dat [verdachte] [slachtoffer] dood kon schieten. Hun rollen zijn inwisselbaar. [verdachte] heeft bij het schieten opzet gehad op de dood van [slachtoffer].

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. [verdachte] heeft - kort weergegeven - verklaard dat hij op 26 september 2008 vanuit Amsterdam met [medeverdachte2] naar diens vriend [getuige1] in Nijmegen is gereden voor een sociale ontmoeting. Daar hebben ze [medeverdachte LJN BO 1991] ontmoet, die ze hebben afgezet in Arnhem. Onderweg in de auto had verdachte een of twee sigaretten gerookt en de peuk(en) in een glas uitgedrukt dat [medeverdachte LJN BO 1991] bij het uitstappen heeft mee genomen. Nadat ze [medeverdachte LJN BO 1991] hebben afgezet zijn ze direct weggereden en, na een bezoek aan een snackbar, terug naar Amsterdam gereden.

[verdachte] ontkent in de woning van [medeverdachte LJN BO 1991] te zijn geweest of iets met een drugsdeal of een schietpartij te maken te hebben.

De raadsvrouw heeft er in de eerste plaats op gewezen dat verdachte van het eerste moment heeft ontkend dat hij die dag in de woning aan de [adres] is geweest en dat hij (al dan niet met [medeverdachte2]) [slachtoffer] heeft neergeschoten. De raadsvrouw benadrukt dat verdachte zijn ontkenning niet heeft aangepast, dat hij geen vluchtgedrag heeft vertoond en niet onjuist of leugenachtig heeft verklaard. Aan het aanvankelijke stilzwijgen van verdachte kunnen en mogen geen conclusies worden verbonden.

In de tweede plaats heeft de raadsvrouw bezwaar gemaakt tegen gebruik van de door [medeverdachte LJN BO 1991] afgelegde verklaringen als bewijsmiddel. De raadsvrouw voert aan dat het gebruik van de verklaring van een medeverdachte in strijd is met artikel 341 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en kan bijdragen aan het oordeel dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), temeer nu er in deze zaak geen sprake is van voldoende betrouwbare steun in het overige bewijsmateriaal.

Daarnaast zijn de verklaringen van [medeverdachte LJN BO 1991] niet betrouwbaar. [medeverdachte LJN BO 1991] was aanwezig op het moment dat [slachtoffer] werd neergeschoten en hij had schiethanden. Hij heeft als medeverdachte belang om zichzelf, ten koste van [verdachte], te ontlasten, hij heeft getuigen gemanipuleerd en zelf niet consistent verklaard.

Verder is door de raadsvrouw aangevoerd dat de bewijswaarde van de zendpaalgegevens zeer beperkt is, nu deze evenzeer aansluiten bij de verklaring van [verdachte] en deze te 'ruw' zijn om de bewuste telefoons op de plaats delict te situeren: de zendpaalgegevens houden niet in dat die bewuste telefoons in de [adres] zijn geweest. Ten slotte straalt het telefoonnummer dat aan [medeverdachte2] wordt toegeschreven ([x]) om 20.25 uur een mast aan de Burgemeester Matsersingel aan. Dit, terwijl de 112-melding om 20.24 uur al is ontvangen en het minstens zes minuten rijden is vanaf de [adres] naar de Burgemeester Matsersingel.

Ook de verkeersboete heeft geen bewijswaarde. Uit het gegeven dat de Kia Sorento om 21.11 uur op de A12 bij Woerden is geflitst kan niet worden geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit op de plaats delict is geweest. Ten eerste is dit indirect bewijs, ten tweede is de foutmarge erg groot en ten derde drijft deze conclusie op aannames.

Ten aanzien van het aantreffen van sigaretten peuken met DNA-sporen in de woning van [medeverdachte LJN BO 1991] is door de verdediging aangevoerd dat ook dit overeenkomt met de verklaring van [verdachte] dat [medeverdachte LJN BO 1991] het glas met de door [verdachte] gerookte peuken heeft meegenomen. Zelfs als de rechtbank uit de aanwezigheid van de peuken de conclusie zou trekken dat verdachte in die woonkamer aanwezig is geweest is dat nog geen bewijs van het tijdstip waarop verdachte daar was, laat staan van het feit dat hij in die woonkamer met een vuurwapen heeft geschoten.

Ten slotte kunnen ook de resultaten van het aanvullend schotrestenonderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) van 30 november 2009 volgens de verdediging, voor zover deze bruikbaar zijn voor het bewijs, niet bijdragen aan een bewezenverklaring. Deze duiden er juist op dat niet verdachte, maar mogelijk [medeverdachte LJN BO 1991] de schutter was.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

De verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991]

[medeverdachte LJN BO 1991] heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij op vrijdag 26 september 2008 met [getuige2] en haar broer [getuige1] met de bus naar hun huis in Nijmegen is gegaan. [getuige1] zei tegen [medeverdachte LJN BO 1991] dat er een paar mannetjes buiten stonden waarmee [medeverdachte LJN BO 1991] moest praten. [medeverdachte LJN BO 1991] ging naar buiten, waar een zwarte auto stond, waarin twee jongens zaten: een lange en een korte. De jongens waren Surinamers met een mooie, jeepachtige auto die zeiden dat ze uit Amsterdam kwamen. Ze vroegen [medeverdachte LJN BO 1991] of hij goede shit kon regelen. [medeverdachte LJN BO 1991] dacht toen aan zijn neef [slachtoffer] en heeft hem opgebeld. [slachtoffer] was op dat moment in Amsterdam om cocaïne te halen en hij zou 200 of 300 gram halen. De jongens moesten nog wel wachten omdat hij nog in Amsterdam was. [medeverdachte LJN BO 1991] is met de twee jongens naar Arnhem, naar de [adres] gereden. Ze zijn met z’n drieën naar binnen gegaan. Binnen lieten de jongens een dik pak biljetten van € 50,00 zien.

Nadat [slachtoffer] aankwam, gingen de jongens in de keuken op twee rode lepels de coke koken. Op een gegeven moment waren ze met zijn vieren in de woonkamer. De lange jongen zou [slachtoffer] geld geven. [medeverdachte LJN BO 1991] zag dat [slachtoffer] de lange jongen een zak gaf, hij denkt dat dit de coke was. Opeens pakte de kleine jongen [medeverdachte LJN BO 1991] vast en duwde met zijn rechterhand een pistool op [medeverdachte LJN BO 1991]s hoofd. [medeverdachte LJN BO 1991] zag dat de lange jongen ook een pistool op de rechterborst van [slachtoffer] zette. Volgens [medeverdachte LJN BO 1991] was het zo'n pistool dat ratelgeluid maakt, een soort machinegeweer. Hij voelde dat de kleine jongen hem tegen zijn benen schopte waardoor hij voorover met zijn buik op de bank terecht kwam. Hij hoorde dat er door een van de jongens werd gezegd dat ze hun zakken moesten leeghalen. [slachtoffer] zei dat hij niks had, waarna de lange jongen begon te dreigen. [medeverdachte LJN BO 1991] hoorde op een gegeven moment dat er iemand werd geslagen. Hij concludeerde dat dat [slachtoffer] of de lange jongen moest zijn geweest die heeft geslagen, want zelf werd hij nog onder schot gehouden door de kleine jongen met het pistool. Hij zag op een gegeven moment dat [slachtoffer] het pistool van die lange jongen van zich af sloeg.

[medeverdachte LJN BO 1991] hoorde een knal en zag rook. Hij hoorde dat [slachtoffer] op de grond viel. [slachtoffer] lag vervolgens op de grond met zijn onderbenen naast zijn zijkanten. De knieën van [slachtoffer] wezen naar de tussendeur van de hal naar de woonkamer. Toen hij de knal hoorde, waren de jongens allebei opeens weg.

Bij twee meervoudige fotoconfrontaties heeft [medeverdachte LJN BO 1991] respectievelijk [medeverdachte2] herkend als degene die het pistool tegen zijn hoofd heeft gehouden en [verdachte] als degene die zijn neef heeft geschoten .

Bruikbaarheid van de verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991]

De rechtbank verwerpt het verweer dat de verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991] niet mag worden gebruikt voor het bewijs. Artikel 341 Sv, waarin is neergelegd dat opgaven van een verdachte alleen te zijnen aanzien gelden, ziet uitdrukkelijk op de ter terechtzitting afgelegde verklaringen.

Onder medeverdachte in de zin van artikel 341 lid 3 Sv wordt volgens vaste jurisprudentie bovendien slechts verstaan: hij die samen met de verdachte op grond van dezelfde tenlastelegging in dezelfde instantie gelijktijdig in gevoegde zaken terechtstaat. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. Nu de bestreden verklaringen echter ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris zijn afgelegd (en dus niet ter terechtzitting) en nu [verdachte] en [medeverdachte LJN BO 1991] niet gelijktijdig in gevoegde zaken bij dezelfde instantie terechtstaan, is het gebruiken van deze verklaringen voor het bewijs niet in strijd met artikel 341 lid 3 Sv en evenmin met artikel 6 van het EVRM.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte LJN BO 1991]

De raadsvrouw van verdachte heeft voorts aangevoerd dat de verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991] niet betrouwbaar is nu hij belangen had om zichzelf te ontlasten. Hij was in de woning aanwezig op het moment dat [slachtoffer] daar werd neergeschoten en bij hem zijn “schiethanden” geconstateerd. Hij heeft getuigen gemanipuleerd en heeft zelf niet consistent verklaard. Hetgeen hij uiteindelijk verklaart over zijn handelingen direct nadat [slachtoffer] was neergeschoten roept volgens de raadsvrouw vragen op.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte LJN BO 1991] zal de rechtbank eerst op deze verweren van de raadsvrouw ingaan.

De aanwezigheid van [medeverdachte LJN BO 1991] bij het neerschieten van [slachtoffer].

[medeverdachte LJN BO 1991] verklaart zelf dat hij aanwezig was in zijn woning op het moment dat [slachtoffer] daar werd neergeschoten, zij het als medeslachtoffer van een ripdeal. De aanwezigheid van [medeverdachte LJN BO 1991] doet dan ook niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen.

Door [medeverdachte LJN BO 1991] verrichte handelingen nadat [slachtoffer] was neergeschoten

[medeverdachte LJN BO 1991] heeft verklaard dat hij op het moment dat [slachtoffer] en hij bedreigd werden door de twee mannen “bang was als een bitch” en dat hij nadat [slachtoffer] was neergeschoten volgens hem in “een shock” was, al is die term te zwaar, “het was niet zo dat hij niets meer kon doen” .

Hij verklaart dat hij naar [slachtoffer] is toegegaan en dat [slachtoffer] tegen hem zei: "Ze hebben me geschoten". [medeverdachte LJN BO 1991] had toen nog niet door waar [slachtoffer] was getroffen. Hij is opgestaan en naar de keuken gerend. Daar heeft hij de twee rode lepels weggegooid in het bos achter de flat, omdat hij wist dat de politie zou komen en niet wilde dat de politie deze lepels zou vinden.

Vervolgens is hij naar buiten de straat op gerend om te kijken of hij auto van de jongens nog kon zien om het kenteken door te geven aan 112. Hij zag de auto nergens meer, maar zag wel de auto van [slachtoffer] staan en zag in die auto iets bewegen. Hij is toen naar de auto van [slachtoffer] toe gerend. Hij zag dat er een jongen in de auto zat en zei tegen deze jongen: "Ze hebben [slachtoffer] geschoten."

Toen hij buiten was heeft hij met zijn eigen telefoon een paar keer geprobeerd 112 te bellen, maar dat lukte niet. Hij is vervolgens weer naar binnen gerend, waar hij zag dat [slachtoffer] nog steeds zo lag als toen hij naar buiten was gerend en een mobiele telefoon in zijn hand had. Hij heeft toen met die telefoon 112 gebeld.

Terwijl hij 112 aan de lijn had zag hij dat [slachtoffer] met zijn hand tegen zijn jaszak tikte. Hij voelde in de jaszak van [slachtoffer] en pakte er een zak heroïne uit. Hij is toen naar het toilet gerend en heeft het zakje heroïne in de toiletpot gegooid. Hij heeft vervolgens toiletpapier gepakt om de wond van [slachtoffer] mee dicht te drukken. Hij zag dat er allemaal spuug uit de mond van [slachtoffer] kwam en dat hij bloed aan zijn nek had. Op een gegeven moment toen hij daarmee bezig was, zag hij dat de politie en het ambulancepersoneel binnen kwamen. Hij had 112 aan de lijn gehad vanaf het moment dat hij de drugs uit de jaszak van [slachtoffer] haalde tot het moment dat de hulpdiensten binnen kwamen.

Verder heeft [medeverdachte LJN BO 1991] verklaard dat hij zijn telefoon, een Samsung D600, heeft weggegooid uit paniek omdat hij bang was dat alle drugsgesprekken zouden worden afgetapt.

De verklaringen van [medeverdachte LJN BO 1991] komen er kort gezegd op neer dat er sprake was van een drugsdeal die een ripdeal bleek te zijn, dat hij nadat hij zelf met een pistool bedreigd was en nadat [slachtoffer] was neergeschoten in een lichte soort van shock heeft verkeerd en dat hij zich niet alleen heeft gericht op de verzorging van [slachtoffer] maar ook handelingen heeft verricht om de drugsdeal en de aanwezigheid van drugs te maskeren. De rechtbank acht deze verklaring over [medeverdachte LJN BO 1991]s emotionele staat noch de in deze verklaring omschreven gedragingen van [medeverdachte LJN BO 1991] onlogisch of ongeloofwaardig. Daar doet niet aan af dat het bij de 112-melding, zoals de raadsvrouw heeft aangevoerd, volgens een verhorende verbalisant leek alsof het ‘met die paniek wel mee(viel)’, reeds omdat een gemoedstoestand per telefoon niet altijd kan worden ingeschat.

Uit de combinatie van een zekere mate van paniek vanwege de gebeurtenissen en de kennelijke wens om de drugs voor de politie en hulpdiensten te verbergen zijn de – volgens de verdediging ‘onlogische’ – handelingen te verklaren, zoals het naar buiten rennen en het weggooien van drugs en van de telefoon door [medeverdachte LJN BO 1991].

Dat [medeverdachte LJN BO 1991] niet alleen in angst heeft verkeerd vanwege het vuurwapen gebruik maar ook bang was dat de drugsdelicten waar hij zich mee bezig hield aan het licht zouden komen is evenmin onlogisch of onbegrijpelijk.

Daarbij komt nog dat [medeverdachte LJN BO 1991] 112 heeft gebeld, de wond heeft dichtgedrukt (op welk punt de verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991] wordt ondersteund door de transcriptie van het gesprek van de meldkamer waarin staat dat de melder, [medeverdachte LJN BO 1991], de opdracht daartoe had gekregen en het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die die dag om 20:29 uur ter plaatse kwamen en daar een negroïde man met dreads aantroffen met een bebloede prop wc-papier in zijn hand ) en op de plaats delict is gebleven tot de hulpdiensten arriveerden. Een berekenende dader – wat [medeverdachte LJN BO 1991] volgens de verdediging zou zijn – zou dergelijke handelingen niet verrichten, omdat hij daarmee het risico zou lopen dat hij door het slachtoffer, dat toen nog in leven was, als dader zou worden aangewezen.

Het aantreffen van schiethanden.

Uit een bij [medeverdachte LJN BO 1991] uitgevoerd schotrestonderzoek is een relatie vastgesteld tussen een schietproces en de handen van [medeverdachte LJN BO 1991]. In een deskundigenrapport van dr [deskundige] van het NFI van 30 november 2009 is als conclusie opgenomen dat de bevindingen van het onderzoek aan de onderzoekset schiethanden van [medeverdachte LJN BO 1991] ongeveer even waarschijnlijk zijn wanneer hypothese I waar is als wanneer Hypothese II of Hypothese III waar is.

Daarbij worden als hypotheses gehanteerd:

De aangetroffen deeltjes op de stubs van de onderzoeksset schiethanden van [medeverdachte LJN BO 1991] zijn een gevolg van:

- Hypothese I: Het lossen van 6 schoten met een machinepistool van het type Uzi.

- Hypothese II: naast de schutter hebben gestaan tijdens het lossen met een machinepistool van het type Uzi.

- Hypothese III: het betasten van een slachtoffer dat 6 keer met een machinepistool van het type Uzi is beschoten.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt deze conclusie met zich dat uit het aantreffen van zogenaamde “schiethanden” bij [medeverdachte LJN BO 1991] niet kan worden afgeleid dat hij de schutter is, noch dat zijn verklaring dat hij medeslachtoffer was van een ripdeal op het moment dat [slachtoffer] in zijn aanwezigheid werd neergeschoten, onbetrouwbaar is. Temeer nu [medeverdachte LJN BO 1991], zoals overwogen, heeft verklaard dat hij nadien de schotwond in de nek van [slachtoffer] heeft dichtgedrukt, zijn zijn verklaringen niet onverenigbaar met de bevindingen van het NFI. De verschillen tussen de door [medeverdachte LJN BO 1991] genoemde situatie en de in de onderzoeksopzet van het NFI gebruikte situatie zijn, anders dan de raadsvrouw stelt, niet dusdanig dat dit tot een andere conclusie zou moeten leiden.

Consistentie van de verklaringen van [medeverdachte LJN BO 1991] en het beïnvloeden van getuigen

Gebleken is dat [medeverdachte LJN BO 1991] heeft gelogen in zijn eerste verklaringen ten overstaan van de politie. Hij heeft in eerste instantie ontkend dat hij aanwezig was bij het schieten. Pas vanaf twee dagen na zijn aanhouding heeft hij verkaard dat de schietpartij zijn aanleiding vond in een drugsdeal waarbij hij zelf ook betrokken was en dat hij bij het schieten aanwezig was als medeslachtoffer van een ripdeal. De door hem genoemde daders had hij volgens zijn verklaring op straat ontmoet. Vanaf zijn 8ste verhoor, drie dagen na zijn aanhouding, heeft hij pas consistent verklaard dat hij met de door hem genoemde daders in contact was gekomen via [getuige1] in Nijmegen.

Voorts heeft [getuige2] verklaard en heeft [medeverdachte LJN BO 1991] ook erkend, dat [medeverdachte LJN BO 1991] [getuige2] heeft gevraagd voor hem te liegen over de wijze waarop [medeverdachte LJN BO 1991] vanaf Nijmegen naar Arnhem is gekomen.

De rechtbank acht het niet onbegrijpelijk dat [medeverdachte LJN BO 1991] in eerste instantie zijn betrokkenheid bij een drugsdeal niet aan de politie heeft willen toegeven en daar om die reden over gelogen heeft. [medeverdachte LJN BO 1991] heeft voorts verklaard dat hij bang was voor de twee mannen en dat hij [getuige1], de broer van zijn vriendin, in eerste instantie er niet bij wilde betrekken. Hier zou de reden voor zijn leugens en de vraag aan [getuige2] om voor hem te liegen hebben gelegen. De rechtbank acht deze verklaring niet ongeloofwaardig.

Gelet op deze verklaringen en op de omstandigheid dat [medeverdachte LJN BO 1991] vanaf zijn 8ste verhoor, nog tijdens zijn beperkingen en nog betrekkelijk kort na zijn aanhouding, eenduidig en consequent heeft verklaard, is de rechtbank van oordeel dat deze aanvankelijke tegenstrijdigheden en de beïnvloeding van een getuige niet wezenlijk afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van zijn latere verklaringen over wat er op 26 september 2010 is gebeurd.

Daarbij komt dat [medeverdachte LJN BO 1991] over één wezenlijk aspect vanaf het eerste verhoor consistent heeft verklaard: de mogelijke betrokkenheid van de mannen, negers. Reeds in het telefoongesprek met 112 heeft hij verklaard dat de “daders” twee negers zijn van in de twintig, dertig jaar. Ook heeft hij direct na het incident tegen getuige [getuige4] die zich in de auto van [slachtoffer] bevond, gezegd dat [slachtoffer] door “de mannen” was geschoten. Op dat punt heeft hij zijn verklaring consequent gehandhaafd.

Tussenconclusie

Voornoemde verweren van de raadsvrouw leiden niet tot de conclusie dat [medeverdachte LJN BO 1991] een onbetrouwbare getuige is, of dat zijn verklaringen onbetrouwbaar zijn.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991] acht de rechtbank voorts van belang dat zijn verklaringen steun vinden in de - veelal later opgetekende - verklaringen van anderen of andere - veelal later verkregen - bewijsmiddelen van technische aard. Deze worden hieronder besproken.

Herkenning van [verdachte] en [medeverdachte2] door anderen en de bevestiging dat deze in Nijmegen bij de woning van [getuige2] en [getuige1] zijn geweest.

[medeverdachte LJN BO 1991] verklaart op 21 oktober 2008 dat hij zeker weet dat [getuige2] in Nijmegen de mannen gezien heeft.

[getuige2] herkent op 13 februari 2009 [verdachte] en [medeverdachte2] als degenen die zij op vrijdag 26 september 2008 in het trappenhuis van haar woning in Nijmegen heeft gezien.

Getuige [getuige5] herkent op 16 februari 2009 [medeverdachte2] op een foto. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte2] op de bewuste dag op de galerij bij de woning van [getuige1] was, samen met nog iemand die langer was. Hij weet dat [medeverdachte2] met [medeverdachte LJN BO 1991] en [getuige1] heeft gesproken.

Eind september 2010 verklaart ook [verdachte] dat hij samen met [medeverdachte2] in het portaal van de woning van [getuige1] in Nijmegen is geweest.

Gebruikte auto

[medeverdachte LJN BO 1991] heeft in zijn verhoren in oktober 2008 een aantal keren een omschrijving gegeven van de auto waarmee de door hem als daders aangewezen personen reden en waarin hij met hen van Nijmegen naar Arnhem is gereden. Het was een jeepachtige auto, zwart van kleur met grijze velgen. De bekleding was van stof, grijs, donkergrijs van kleur. Er zaten drie tv schermen in de auto en het was netjes binnen in de auto. Hij heeft voorts verklaard op welk automerken deze “jeepachtige auto” leek.

[getuige6] heeft in april 2009 verklaard dat hij een Kia Sorento met kenteken [x] heeft gehad die hij onder andere aan [verdachte] heeft uitgeleend, die hij herkent van een foto en die hij als “(X)” kent.

[verdachte] heeft op 30 september 2010 tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris erkend dat hij op 26 september 2008 heeft gereden in “een Jeep” die hij had geleend van [getuige6] .

De auto (getuige6) blijkt volgens politieonderzoek geheel te voldoen aan de beschrijving zoals door [medeverdachte LJN BO 1991] gegeven.

Historische printgegevens

Door de politie is onderzoek verricht naar de telefoonnummers die bij [verdachte] en [medeverdachte2] in gebruik zouden zijn. Met betrekking tot het telefoonnummer waarvan [verdachte] gebruik zou maken, komt uit het dossier onder meer naar voren dat:

- getuige [getuige7] heeft verklaard dat zij een relatie met [verdachte] heeft gehad en dat [verdachte] ten tijde van hun relatie meerdere telefoonnummers had, waaronder [telefoonnr] , mogelijk verschillen er cijfers in deze combinatie, maar ze weet de eerste twee en de laatste twee cijfers zeker.

- in het telefoonboek van de telefoon van getuige [[getuige8] stond het nummer [x] getuige [getuige8] heeft verklaard dat dit nummer van [verdachte] is.

- getuige [getuige9] herkent [verdachte] van een foto en heeft verklaard dat het telefoonnummer van [verdachte] eindigde op [nr].

- bij een doorzoeking is in de slaapkamer van [verdachte] onder andere een telefoonverpakking gevonden van het mobiele telefoonnummer [x]

Op grond van het bovenstaande en de verklaring van [verdachte] bij de rechter-commissaris dat hij denkt dat dit zijn nummer is , stelt de rechtbank vast dat [verdachte] gebruik maakte van het telefoonnummer [x]

Met betrekking tot het telefoonnummer waarvan [medeverdachte2] gebruik zou maken, komt uit het dossier onder meer naar voren dat:

- Bij een vergelijking van de in totaal 398 telefoonnummers die op de bij [medeverdachte2] inbeslaggenomen mobiele telefoon met SIM-kaart zijn opgeslagen, en de historische belgegevens van het mobiele telefoonnummer [x] heeft een informatieanalist van de politie gezien dat er 70 overeenkomende telefoonnummers waren.

- Een informatieanalist van de politie heeft bij het uitlezen van de telefoon die bij de zus van [medeverdachte2] in gebruik was geconstateerd dat in die telefoon aan de naam “[x]” het telefoonnummer [x] gekoppeld is.

- in de telefoonlijst de moeder van [medeverdachte2] staat het nummer [x] onder de naam “[x]” opgeslagen , zij zegt hierover dat dit een oud nummer van [medeverdachte2] is.

- getuige [getuige10] herkent [medeverdachte2] van een foto en heeft verklaard dat hij deze jongen kent als (X) en dat zijn telefoonnummer [x] is.

Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte2] gebruik maakte van het telefoonnummer [x].

Een politieanalist heeft de historische printgegevens van de nummers [x] (het telefoonnummer van [verdachte]) en [x] (het telefoonnummer van [medeverdachte2]) geanalyseerd en daarbij geconstateerd deze nummers zich op vrijdag 26 september 2008 hebben bevonden in het bereik van zendmasten in achtereenvolgens Amsterdam, Nijmegen, Arnhem en weer Amsterdam. Aan de hand van deze zendmastgegevens komt hij tot de conclusie dat deze telefoonnummers vanaf 15.00 uur zeer waarschijnlijk de volgende route hebben afgelegd: van Amsterdam Bijlmer via de autosnelweg naar Nijmegen (naar de omgeving van de woning van [getuige1]] en van daaruit via de autosnelweg naar Arnhem (naar de omgeving van de plaats delict) en ten slotte naar Amsterdam (Bijlmer).

Voorts concludeert de analist aan de hand van de tijdstippen en locaties van de registraties van de genoemde telefoonnummers dat de gebruikers van genoemde telefoonnummers, te weten: [verdachte] en [medeverdachte2], genoemde route in elkaars onmiddellijke nabijheid hebben afgelegd.

In de zich in het dossier bevindende lijst met historische printgegevens staat verder het navolgende. Telefoonnummer [x] (het door [verdachte] gebruikte toestel) bevond zich in ieder geval tussen 19.26 uur (eerste registratie binnen het bereik van een zendmast in Arnhem) en 20.01 uur (laatste registratie binnen het bereik van een zendmast in Arnhem) in Arnhem. Telefoonnummer [x] (het door [medeverdachte2] gebruikte toestel) bevond zich in ieder geval tussen 19.50 uur (eerste registratie binnen het bereik van een zendmast in Arnhem) en 20.29 uur (laatste registratie binnen het bereik van een zendmast in Arnhem) in Arnhem.

Nu [verdachte] voorts heeft verklaard dat hij de hele tijd samen met [medeverdachte2] is geweest, acht de rechtbank op grond van het voorgaande bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte2] tussen 19.26 uur en 20.29 uur – en dus ten tijde van de schietpartij – in Arnhem zijn geweest.

Het gegeven dat het telefoonnummer van [medeverdachte2] om 20.25 uur een mast aan de Burgemeester Matsersingel aanstraalt terwijl de 112-melding om 20.24 uur is ontvangen en het minstens zes minuten rijden is vanaf de [adres] – zoals aangevoerd door de verdediging – doet aan het bovenstaande niet af. Uit het feit dat de telefoon een mast aan de Burgemeester Matsersingel aanstraalt kan namelijk enkel worden afgeleid dat de betreffende telefoon zich binnen het bereik van die betreffende mast bevindt. Dat bereik beperkt zich niet tot de Burgemeester Matsersingel, zodat niet kan worden gezegd dat de afstand tussen de [adres] en de locatie waar [medeverdachte2] zich om 20.25 uur bevond tenminste zes minuten rijden bedraagt.

Daarbij komt dat er volgens de verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991] tussen het moment van schieten en het bellen van 112 meerdere handelingen zijn verricht en dus enige tijd is verstreken. Voor zover verdachten zich om 20:25 uur op enige afstand van de [adres] bevonden heeft, is dit dus niet onverenigbaar met de verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991].

DNA van [verdachte] aangetroffen op sigarettenpeuk

Tijdens het sporenonderzoek in de woning aan de [adres] in Arnhem zijn in de woonkamer onder meer de volgende sporendragers veilig gesteld en inbeslaggenomen:

- SVO-013 – whiskyglas op salontafel;

- SVO-014 – sigarettenpeuk (Marlboro) uit whiskyglas SVO-013; en

- SVO-015 – sigarettenpeuk (Marlboro) uit whiskyglas SVO-013.

Op de sigarettenpeuken [AABJ3525NL]#1(glas salontafel, woonkamer) en [AABJ3526NL]#1 (glas salontafel, woonkamer) zijn sporen aangetroffen waarvan DNA-profielen zijn verkregen.

Het NFI schrijft in het deskundigenrapport van 16 januari 2009 dat er een overeenkomst is gevonden tussen het DNA-profiel van het celmateriaal dat is aangetroffen op de sigarettenpeuk [AABJ3525NL]#1 en het profiel van het DNA van [verdachte]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het sporenmateriaal is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat [verdachte] de sigaret op enige wijze heeft aangeraakt.

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat niet redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat het aangetroffen DNA op een andere manier op die sigarettenpeuk terecht is gekomen dan door het roken daarvan. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat [verdachte] in september 2010 zelf heeft verklaard dat hij die dag in aanwezigheid van [medeverdachte LJN BO 1991] een sigaret heeft gerookt en dat hij deze in een glas heeft uitgedrukt. Daarbij komt dat getuige [ getuige deskundige], DNA deskundige, heeft verklaard dat de hoeveelheid DNA die is aangetroffen past bij het beeld “dit is DNA van de roker”.

Op grond van het vorenstaande moet worden aangenomen dat [verdachte] een sigaret heeft gerookt en die heeft uitgedrukt in een glas waarna deze sigarettenpeuk in het glas in de woning aan de [adres] is aangetroffen.

Glas waarin de sigarettenpeuk is aangetroffen

[verdachte] heeft verklaard dat hij in de auto op weg naar Arnhem een sigaret heeft gerookt en dat hij zijn sigarettenpeuk heeft uitgedrukt in het glas waar [medeverdachte2] de whisky uit heeft gedronken. Toen ze [medeverdachte LJN BO 1991] in Arnhem afzetten, gaf hij dat glas aan [medeverdachte LJN BO 1991].

Hiermee onderstreept hij zijn standpunt dat hij niet ín de woning aan de [adres] is geweest.

[medeverdachte LJN BO 1991] heeft verklaard dat hij niet meer weet waar hij de whiskyglazen uit de woning van [getuige2] heeft gelaten. Mogelijk heeft hij ze meegenomen naar de woning aan de [adres]. Dit denkt hij omdat hij het voor zichzelf niet natuurlijk vindt om een glas in een auto achter te laten. Hij weet niet of de kleine man zijn glas mee naar binnen heeft genomen.

Verder heeft [medeverdachte LJN BO 1991] verklaard dat de mannen niet langer dan een half uur binnen zijn geweest. De lange man ([verdachte]) stak een sigaret op en vroeg hem waar hij zijn as kon laten. [medeverdachte LJN BO 1991] heeft toen een glas of beker uit de keuken gepakt waar de man zijn as in kon doen. Dit was een ander glas dan het whiskyglas. [medeverdachte LJN BO 1991] heeft gezien dat de man zijn as in de glas/beker heeft gedaan. Toen hij de sigaret op had heeft hij deze in de glas/beker uitgedaan. [medeverdachte LJN BO 1991] weet niet waar hij zelf zijn sigarettenpeuk gelaten heeft.

[getuige2] heeft op 21 oktober 2008 verklaard dat zij het glas herkent, ze heeft een keer bij [medeverdachte LJN BO 1991] thuis uit zo’n glas gedronken. Ze weet zeker dat ze zelf thuis niet zulke glazen hebben. Ook de moeder van [getuige2] en [getuige1] heeft op 22 oktober 2008 verklaard dat ze niet zulke glazen in huis heeft. Getuige [getuige11]]hierna: [getuige11]), de hoofdbewoner van de [adres] , heeft op 22 oktober 2008 verklaard dat hij het glas herkent en dat het glas normaal gesproken in de kast in de keuken staat.

Gelet op deze verklaringen passeert de rechtbank de niet zeer specifieke verklaring van [getuige1] dat zij wel dergelijke glazen thuis hebben. De door [medeverdachte LJN BO 1991] gemaakte tekening van het whiskyglas dat vanuit Nijmegen naar Arnhem is meegenomen is te onduidelijk om daar conclusies aan te verbinden.

Uit de door [medeverdachte LJN BO 1991], [getuige2], de moeder van [getuige2] en [getuige11] afgelegde verklaringen maakt de rechtbank op dat [verdachte] zijn sigarettenpeuk heeft uitgedrukt in een glas dat niet uit de woning van [getuige2] en haar moeder maar van de [adres] afkomstig was – en daarmee een ander glas dan het glas waaruit hij whisky had gedronken – waarmee eveneens moet worden aangenomen dat [verdachte] in de woning aan de [adres] binnen is geweest.

De rechtbank verwerpt de door de verdediging gewekte suggestie dat de moeder van [getuige2] en [getuige1], wanneer een mogelijk uit haar woning afkomstig glas een rol gaat spelen in het bewijs, er alle belang bij kan hebben om het glas uit haar buurt te houden. Het belang van het glas voor het bewijs werd namelijk pas duidelijk nadat uit het onderzoek door het NFI was gebleken dat het DNA dat op de sigarettenpeuken in het glas op de salontafel is aangetroffen afkomstig was van [verdachte]. Het deskundigenrapport waar dit uit blijkt dateert van 16 januari 2009 , zodat niet kan worden gezegd dat het belang van het glas voor de bewijsvoering in oktober 2008 al bekend was.

Het gebruikte wapen

[medeverdachte LJN BO 1991] heeft op 21 oktober 2010 verklaard dat de dader gebruik maakte van een pistool dat ratelgeluid maakte, een soort machinegeweer.

De rechtbank overweegt dat het NFI schrijft dat uit haar onderzoek is gebleken dat de hulzen zijn verschoten met een semi- en/of volautomatisch machinepistool type UZI van het kaliber 9 mm Parabellum. De afvuursporen in de kogels passen eveneens bij het genoemde type vuurwapen.

Drugsdeal

[medeverdachte LJN BO 1991] heeft verklaard dat het neerschieten van [slachtoffer] samenhing met een via [getuige1] tot stand gekomen drugsdeal, waarbij [slachtoffer] de drugs zou leveren.

(Naam vriendin), de vriendin van [slachtoffer], heeft verklaard dat zij op 26 september 2008 in haar woning drugs heeft gezien in een ijsdoos in een tas in de keuken. Zij heeft rond 19:00/19:30 uur gezien dat [slachtoffer] uit die doos een zakje met “het spul” haalde en dat hij daarna met de auto is weggereden. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring op dit punt een bevestiging van de door [medeverdachte LJN BO 1991] genoemde drugsdeal die aan het schieten ten grondslag zou hebben gelegen.

Conclusie ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991]

Uit het bovenstaande blijkt dat de verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991] dat hij [verdachte] en [medeverdachte2] in Nijmegen bij de woning van [getuige1] en [getuige2] heeft ontmoet en dat hij met hen in de jeep-achtige auto naar Arnhem is gereden, door meerdere objectieve bewijsmiddelen wordt ondersteund. De verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991] dat [verdachte] en [medeverdachte2] ook daadwerkelijk in de woning aan de [adres] in Arnhem zijn geweest, wordt ondersteund door het aantreffen van DNA van [verdachte] in de betreffende woning. Dat er sprake was van een drugsdeal en ook de verklaring dat er geschoten is met een automatisch wapen vindt eveneens bevestiging in andere bewijsmiddelen.

De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte LJN BO 1991] vanaf zijn achtste verhoor consistent en zeer gedetailleerd is in zijn verklaring. De uitkomsten van het technisch onderzoek en de verklaringen van de nadien gehoorde getuigen bevestigen de verklaringen van [medeverdachte LJN BO 1991] op alle door de politie onderzochte punten. De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991], gelet op het voorstaande, dan ook betrouwbaar. Dat [medeverdachte LJN BO 1991], met name in de eerste vijf verklaringen zoals afgelegd van 7 tot en met 9 oktober 2008, inconsistent heeft verklaard en met name zijn eigen aandeel heeft verzwegen, doet aan die betrouwbaarheid niet af, reeds omdat de inconsistenties verklaarbaar zijn als wordt aangeknoopt bij [medeverdachte LJN BO 1991]s verklaringen over angst voor de gevolgen voor hemzelf en voor mogelijke represailles (zie p. 1132).

De rechtbank zal de verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991] tot het bewijs bezigen.

De verklaring van [verdachte]/Alternatief scenario

Volgens de verdediging passen de voornoemde bewijsmiddelen ook bij de door [verdachte] zelf weergegeven gang van zaken. [verdachte] heeft op 30 september 2010 bij de rechter-commissaris - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij door [medeverdachte2] is gebeld en dat [medeverdachte2] vroeg of hij mee wilde gaan naar een vriend van hem in Nijmegen. Die vriend was [getuige1]. Ze zouden gewoon een sociale vriend groeten. [verdachte] ging mee omdat [medeverdachte2] dat vroeg en hij waarschijnlijk geen vervoer had. [verdachte] wist dat Nijmegen aan de andere kant van Nederland lag en hij kende [getuige1] niet. Ze zijn met de auto, een jeep van [getuige6], naar Nijmegen gereden.

Bij de woning van [getuige1] in Nijmegen hebben ze alleen een sociaal gesprek gevoerd. Er kwam nog iemand bij, dat moet [medeverdachte LJN BO 1991] geweest zijn. Het heeft niet al te lang geduurd. [verdachte] wilde weg, omdat hij nog naar zijn vader wilde gaan. [medeverdachte LJN BO 1991] vroeg of hij mee mocht rijden naar Arnhem en zei dat het niet lang zou duren. Daarna heeft [medeverdachte LJN BO 1991] afscheid genomen van zijn vriendin en kwam met twee glazen whisky naar buiten. [verdachte] heeft in de auto nog gerookt en [medeverdachte LJN BO 1991] waarschijnlijk ook. Onderweg heeft [verdachte] zijn sigarettenpeuk in een glas uitgedrukt. Dat was het glas waar [medeverdachte2] de whisky uit heeft gedronken. Ze hebben [medeverdachte LJN BO 1991] in Arnhem afgezet en toen heeft [verdachte] het glas aan [medeverdachte LJN BO 1991] gegeven. Dit duurde niet langer dan 10 à 20 seconden . [verdachte] is in Arnhem bij een patattent uit de auto gestapt om een patatje te halen. [medeverdachte2] bleef toen in de auto. [verdachte] en [medeverdachte2] zijn de hele tijd samen geweest, behalve toen [verdachte] patat ging halen.

De verklaring van [verdachte] komt voor een groot deel overeen met de door [medeverdachte LJN BO 1991] afgelegde verklaring en ook deels met de voornoemde andere bewijsmiddelen.

De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991] echter betrouwbaarder dan die van [verdachte] en verwerpt de laatste om de volgende redenen:

De rechtbank acht allereerst van belang dat [verdachte] zijn verklaring pas heeft afgelegd op 30 september 2010, ruim na completering van het eindproces-verbaal en nadat ook de gegevens van de andere nadien nog uitgevoerde onderzoeken en verhoren bekend waren. Hij is dus, anders dan [medeverdachte LJN BO 1991], in de gelegenheid geweest om zijn verklaring zoveel mogelijk aan die uitkomsten aan te passen.

De verklaring van [verdachte] dat hij samen met [medeverdachte2] enkel om een vriend te groeten vanuit Amsterdam helemaal naar Nijmegen is gereden en daar maar een heel korte tijd is geweest, komt de rechtbank – gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen en op de verklaring van [verdachte] dat hij [getuige1] niet kende en dat hij wist dat Nijmegen aan de andere kant van Nederland lag – onaannemelijk voor. Dit geldt temeer nu [verdachte] volgens zijn eigen verklaring (en volgens die van [medeverdachte LJN BO 1991]) de woning van [getuige1] niet is binnengeweest en niet verder is gekomen dat de gallerij/trappenhal/portiek en hij daar “niet erg lang”is geweest. Er is geen bewijsmiddel dat het door hem genoemde doel van de reis, een vriendenbezoek, bevestigt.

De verklaring van [verdachte] komt voorts niet overeen met het technisch bewijs en de getuigenverklaringen van anderen.

Zoals overwogen volgt uit de verklaringen van [medeverdachte LJN BO 1991], [getuige2], de moeder van [getuige2] en [getuige11] dat [verdachte] zijn sigarettenpeuk heeft uitgedrukt in een glas dat niet uit de woning van [getuige2] en haar moeder maar van de [adres] afkomstig was – en daarmee een ander glas dan het glas waaruit hij whisky had gedronken – waarmee eveneens moet worden aangenomen dat [verdachte] in de woning aan de [adres] binnen is geweest. Dit is dus in strijd met de verklaring van [verdachte] dat ze [medeverdachte LJN BO 1991] slechts -snel- hebben afgezet en met zijn ontkenning in de woning te zijn geweest.

Voorts valt de verklaring van [verdachte] dat hij samen met [medeverdachte2] in Arnhem alleen [medeverdachte LJN BO 1991] heeft afgezet, dat hij binnen 10-20 seconden is weggereden, dat hij daarna een patatje heeft gehaald (en dus niet in de patattent is blijven zitten om het nog op te eten en wat te drinken) terwijl [medeverdachte2] in de auto bleef zitten en dat hij en [medeverdachte2] vervolgens weer naar Amsterdam zijn gereden, niet te rijmen met de eerder aangehaalde printgegevens waaruit naar het oordeel van de rechtbank volgt dat zij in ieder geval van 19.26 uur tot 20.29 uur, dus ruim een uur, in Arnhem zijn geweest. Het snel afzetten van een persoon en het halen van friet kost, zonder bijzondere omstandigheden, die niet naar voren zijn gebracht, niet zoveel tijd. De tijdsspanne komt zoals overwogen wel overeen met de gebeurtenissen volgens de verklaring van [medeverdachte LJN BO 1991].

Conclusie ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat, op grond van de verklaringen van [medeverdachte LJN BO 1991], ondersteund door het aangetroffen DNA, de telefoongegevens en het aantreffen van het stoffelijk overschot, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte wel in de woning aan de [adres] in Arnhem is geweest en dat hij aldaar meerdere patronen op [slachtoffer] heeft afgevuurd, tengevolge waarvan deze is komen te overlijden.

Opzet

Verdachte heeft een machinepistool bij [slachtoffer] op de borst gezet en vervolgens op zeer korte afstand meerdere kogels afgevuurd op de borst, hals en buik van [slachtoffer]. Gelet op de uiterlijke verschijningsvormen kunnen deze gedragingen niet anders worden uitgelegd dan te zijn gericht op de dood van [slachtoffer].

Medeplegen

Op grond van het vorenoverwogene staat vast dat zich op 26 september 2008 het navolgende heeft afgespeeld.

[medeverdachte LJN BO 1991] is samen met [verdachte] en [medeverdachte2] vanuit Nijmegen naar zijn woning aan de [adres] in Arnhem gereden voor een drugsdeal waarbij [slachtoffer] voor de drugs zou zorgen.

Op het moment dat [verdachte] aan [slachtoffer] geld zou overhandigen en [slachtoffer] een zak – met waarschijnlijk cocaïne – aan [verdachte] gaf, pakte [medeverdachte2] [medeverdachte LJN BO 1991] vast en duwde een pistool op [medeverdachte LJN BO 1991]s hoofd. [verdachte] zette op dat moment een pistool op de rechterborst van [slachtoffer]. [medeverdachte2] schopte [medeverdachte LJN BO 1991] tegen zijn benen, waardoor hij op de bank terecht kwam. Een van de jongens ([verdachte] of [medeverdachte2]) zei dat [slachtoffer] en [medeverdachte LJN BO 1991] hun zakken moesten leeghalen. [slachtoffer] zei dat hij niks had, waarna [verdachte] begon te dreigen. Vervolgens ontstond er een gevecht tussen [verdachte] en [slachtoffer]. Daarna werd [slachtoffer] door [verdachte] neergeschoten en gingen [verdachte] en [medeverdachte2] weg.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het ging om een zogenaamde ripdeal: een overval waarbij iemand van drugs wordt beroofd. [verdachte] en [medeverdachte2] waren beiden aanwezig toen de drugsdeal werd gesloten, zij zijn samen (met [medeverdachte LJN BO 1991]) naar Arnhem gegaan, daar hebben ze op enig moment beiden hun wapen getrokken en hielden ieder één persoon onder schot. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.

Conclusie

Op grond van al het vorenoverwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag.

Ten aanzien van parketnummer 05/600895-09:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 25 januari 2009 werd in een linnenkast op de slaapkamer van verdachte in de woning aan [adres] te Amsterdam een zogenaamd aanstekermes aangetroffen en in beslag genomen. Het voorwerp betreft een ‘blank wapen’ en lijkt op een ander voorwerp dan een wapen, namelijk op een gasaansteker. In het handvat zit een drukmechanisme waarmee een zijdelings scharnierend, in dat handvat verborgen, mes tevoorschijn kan worden gehaald. Het lemmet heeft een lengte van 5 centimeter, de totale lengte van het voorwerp is 12,5 centimeter. Het lemmet heeft één snijkant, een gekartelde kant en een scherpe punt. Gezien vorenstaande is dit voorwerp een blank wapen als bedoeld in artikel 2, lid 1, categorie I, onder 4 van de Wet Wapens en munitie.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte het hiervoor omschreven mes voorhanden heeft gehad.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard dat het mes niet van hem is.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Verdachte heeft verklaard dat de slaapkamer waarin het mes is aangetroffen inderdaad zijn slaapkamer was. In het dossier bevindt zich bovendien een brief van verdachte, gericht aan de sociale dienst, waarin hij schrijft dat hij op dat adres bij zijn moeder woont, dat hij daar een kamer heeft en dat alle daar aanwezige zaken van hem zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat iemand anders dan verdachte het mes in de betreffende linnenkast zou hebben neergelegd. Nu het is aangetroffen in de slaapkamer van verdachte en niet aannemelijk is dat het daar door een ander dan verdachte is neergelegd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het betreffende wapen voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Ten aanzien van parketnummer 05/901055-08:

Subsidiair

hij op 26 september 2008 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk met een vuurwapen meerdere patronen heeft afgevuurd op voornoemde [slachtoffer], welke patronen voornoemde [slachtoffer] hebben getroffen, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

Ten aanzien van parketnummer 05/600895-09:

hij op 25 januari 2009 te Amsterdam een wapen van categorie I,

onder 4, te weten een blank wapen (mes) dat uiterlijk gelijkt op een ander

voorwerp dan een wapen (gelijkend op een gasaansteker), voorhanden heeft gehad;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/901055-08:

Medeplegen van doodslag.

Ten aanzien van parketnummer 05/600895-09:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sancties

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 13 april 2010;

- een brief van Reclassering Nederland, gedateerd 13 maart 2009, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ter zake van het onder parketnummer 05/901055-08 subsidiair en het onder parketnummer 05/601895-09 tenlastegelegde gerekwireerd tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht

Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van met name het feit met parketnummer 05/901055-08 en de gevolgen daarvan voor de nabestaanden van [slachtoffer]. Het dochtertje van [slachtoffer] was pas 3 maanden oud toen haar vader werd doodgeschoten en zal nu opgroeien zonder haar vader. Verder lijkt het er naar het oordeel van de officier van justitie – gelet op het gegeven dat het wapen waarmee [slachtoffer] is doodgeschoten eerder is gebruikt bij een ripdeal waarbij een dode is gevallen en zelfs ná 26 september 2008 nog een keer bij een schietpartij – op dat [verdachte] en [medeverdachte2] zich in criminele kringen bewegen waarin vuurwapengeweld absoluut niet wordt geschuwd.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is geen verweer ten aanzien van de strafmaat gevoerd.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Verdachten hebben een ripdeal gepleegd waarbij verdachte iemand heeft doodgeschoten.

De rechtbank acht dit een zeer ernstig feit. Het heeft onherstelbaar leed aan de nabestaanden van [slachtoffer] toegebracht, zoals ook is gebleken uit de ter terechtzitting van 14 oktober 2010 voorgelezen slachtofferverklaringen van de ouders en de partner van [slachtoffer]. Alle nabestaanden benoemen hun eigen verdriet én het verdriet om het kind van het slachtoffer dat nu zonder vader moet opgroeien. De dood is immers onomkeerbaar. Door dit handelen heeft verdachte blijk gegeven van een ernstig gebrek aan respect voor het leven van een medemens. Het gebruik van een automatisch vuurwapen alsmede de omstandigheid dat de achtergrond van de doodslag is gelegen in een ripdeal maken het feit nog ernstiger. Verdachte heeft daarbij uitsluitend geldelijk gewin tot doel gehad.

Feiten als deze brengen voorts onrust teweeg in de maatschappij, veroorzaken een gevoel van onveiligheid en schokken daarnaast de rechtsorde in hevige mate.

Verdachte heeft daarnaast een aanstekermes voorhanden gehad.

Uit de aangehaalde justitiële documentatie blijkt voorts dat verdachte reeds eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld.

Alles overwegend, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

6a. Ten aanzien van het beslag

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven aanstekermes, met behulp waarvan het onder parketnummer 05/600895-09 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

6b. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling heeft de officier van justitie zich ter terechtzitting – in afwijking van zijn schriftelijke vordering – op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vordering, nu de vordering te laat is ingediend.

De rechtbank overweegt het navolgende.

Op grond van artikel 14g, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging wanneer de vordering later wordt ingediend dan drie maanden na het verstrijken van de proeftijd.

De verdachte is bij vonnis van politierechter te Amsterdam op 15 juli 2008 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. De proeftijd is ingegaan op 30 juli 2008.

De vordering is door de officier van justitie ingediend en door de rechtbank ontvangen op 13 april 2010.

Op grond van artikel 14b, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht loopt de proeftijd niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

Verdachte is op 25 januari 2009 in verzekering gesteld. Sindsdien is zijn vrijheid rechtens ontnomen. Op 25 januari 2009 was ruim 6 maanden van de proeftijd verstreken. De proeftijd loopt niet meer sinds die datum. De proeftijd was dan ook nog niet verstreken op 13 april 2010. Naar het oordeel van de rechtbank was de officier van justitie dan ook ontvankelijk in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van de 3 weken gevangenisstraf die door de politierechter te Amsterdam op 15 juli 2008 voorwaardelijk is opgelegd.

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank de feitelijke grondslag van de schriftelijke vordering van de officier van justitie juist.

Zij zal derhalve de tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijke gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14g, 14h, 14i,14j, 27, 36b, 36c, 47, 57, 91 en 287 van het Wetboek van Straf¬recht en de artikelen 13 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/901055-08 primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van parketnummer 05/600895-09:

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven aanstekermes.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van 3 weken voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Amsterdam, d.d. 15 juli 2008, onder parketnummer 13/467360-08.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en mr. E. de Boer,

in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 oktober 2010.