Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO1914

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-10-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
10/1085
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag langdurigheidstoeslag is terecht afgewezen op de grond dat eiser geen rechtmatig verblijf had in Nederland als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wwb. Nu de langdurigheidstoeslag wordt beheerst door de Wwb, vermag de rechtbank niet in te zien dat de langdurigheidstoeslag niet onder de reikwijdte van artikel 11, tweede lid, van de Wwb valt. Dit artikel staat dan ook in de weg aan het recht op langdurigheidstoeslag. Beroep wordt ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/1085

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 19 oktober 2010.

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. W.J. Hendriks,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 22 februari 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 26 november 2009 om een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) voor de jaren 2004 tot 2007 afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit onder wijziging en aanvulling van de wettelijke grondslag gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 10 augustus 2010. Eiser en zijn gemachtigde zijn aldaar, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door S. van Cleef, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat eiser niet eerder dan vanaf de peildatum van 15 juni 2007 in aanmerking komt voor een langdurigheidstoeslag, aangezien eiser niet eerder dan deze datum voldoet aan de eis dat hij rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wwb. Eiser heeft namelijk eerst met ingang van 15 juni 2007 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verkregen, aldus verweerder. Verweerder heeft eiser bij besluit van 22 juli 2008 met ingang van 15 juni 2007 reeds een langdurigheidstoeslag over 2007 toegekend en later ook over de jaren 2008 en 2009. Verweerder heeft de aanvraag om een langdurigheidstoeslag op grond van artikel 36, eerste lid, juncto artikel 11, tweede lid, van de Wwb voor de jaren 2004 tot 2007, gelet op deze feiten en omstandigheden, afgewezen. Voorts stelt verweerder dat het horen van eiser achterwege kon blijven, omdat het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond is geacht.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich op het standpunt gesteld dat hij sinds 1999 in Nederland is en vanaf die periode onder bijstandsniveau heeft geleefd. Volgens eiser kan het recht op een langdurigheidstoeslag niet enkel worden gekoppeld aan het verblijfsrecht en het recht op een bijstandsuitkering. Daarbij stelt eiser dat hij een aantal gevallen kent waarbij personen, die geen recht hadden op een Wwb-uitkering, in aanmerking zijn gebracht voor een langdurigheidstoeslag, ondanks dat zij nog geen geldige verblijfstitel hadden. Eiser verwijst in dit verband naar een beschikking van 16 december 2009 van verweerder gericht aan mevrouw Sngtijan. Tot slot voert eiser aan dat verweerder ten onrechte een hoorzitting achterwege heeft gelaten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wwb – voor zover hier van belang – heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge het tweede artikellid wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Wwb, zoals dat gold voor 1 januari 2009, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien van wie het college van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en;

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser tot 15 juni 2007 geen rechtmatig verblijf had in Nederland en dat hij eerst vanaf laatstgenoemde datum in het kader van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet, ook bekend als de generaal pardonregeling, een verblijfsvergunning heeft gekregen. Eveneens staat vast dat verweerder aan eiser met ingang van laatstgenoemde datum reeds een langdurigheidstoeslag heeft toegekend. Verweerder heeft voorts niet bestreden dat eiser vanaf zijn verblijf in Nederland op of zelfs onder bijstandsniveau heeft geleefd. De vraag die ter beoordeling voorligt is of artikel 36 van de Wwb onder de reikwijdte van artikel 11, tweede lid, van de Wwb valt.

De rechtbank stelt voorop dat de langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Wwb (zoals dat gold voor 1 januari 2009) kan worden geduid als een aanvullende inkomensondersteuning die wordt beheerst door de Wwb. Om een aantal bepalingen betreffende de bijstandsverlening ook van betekenis te laten zijn voor de langdurigheidstoeslag, heeft de wetgever in het zesde lid van artikel 36 van de Wwb deze bepalingen van overeenkomstige toepassing verklaard.

Vaststaat dat artikel 11 van de Wwb niet in artikel 36, zesde lid, van de Wwb is opgenomen. Nu de langdurigheidstoeslag evenwel wordt beheerst door de Wwb, vermag de rechtbank niet in te zien dat de langdurigheidstoeslag niet onder de reikwijdte van artikel 11, tweede lid, van de Wwb valt. Aangezien de verblijfsrechtelijke status van de betrokkene van doorslaggevende betekenis is voor aanspraak op bijstand ingevolge de Wwb is deze status daarmee ook van doorslaggevende betekenis voor aanspraak op langdurigheidstoeslag, die eveneens in de Wwb is geregeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van artikel 11, tweede lid, van de Wwb, deze bepaling in de weg staat aan het recht op een langdurigheidstoeslag. De omstandigheid dat artikel 11 van de Wwb niet in artikel 36, zesde lid, van de Wwb is genoemd, acht de rechtbank niet van zodanig gewicht dat deze tot een ander oordeel noopt.

Nu eiser ten tijde van de peildata in geding geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede lid, van de Wwb en derhalve geen rechtmatig verblijf hield in Nederland, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de onderhavige aanvraag om een langdurigheidstoeslag terecht afgewezen.

Eisers betoog dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord treft geen doel. Met betrekking tot het horen in bezwaar is uitgangspunt de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb vervatte algemene regel dat er voor het bestuur een hoorplicht bestaat, behoudens de in artikel 7:3 van de Awb genoemde uitzonderingen. Van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is sprake, indien uit het bezwaarschrift reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en dat er redelijkerwijs over die conclusie geen twijfel mogelijk is.

Naar het oordeel van de rechtbank doet een dergelijke situatie zich hier voor. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de afwijzing van de aanvraag om een langdurigheidstoeslag was aanstonds duidelijk dat de daartegen gerichte bezwaren van eiser ongegrond waren en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over die conclusie. Het bezwaarschrift van eiser bood geen aanknopingspunten op grond waarvan verweerder had moeten verwachten dat tijdens een hoorzitting nog andere feiten of omstandigheden naar voren zouden worden gebracht die tot gegrondverklaring van het bezwaar hadden kunnen leiden. Verweerder heeft dan ook terecht met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afgezien.

Eiser heeft nog aangevoerd dat verweerder personen die in vergelijkbare omstandigheden verkeerden wel een langdurigheidstoeslag heeft toegekend. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke of vergelijkbare gevallen. Uit de door eiser overgelegde beschikking van 16 december 2009, waarin aan mevrouw Sngtijan wel langdurigheidstoeslag is verleend, kan namelijk niet worden afgeleid dat mevrouw Sngtijan en eiser over dezelfde, althans rechtens vergelijkbare verblijfstatus beschikten.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. A. Azmi, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 19 oktober 2010.