Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO1727

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-10-2010
Datum publicatie
26-10-2010
Zaaknummer
05/801119-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer heeft een 23-jarige korporaal veroordeeld tot een werkstraf van 200 uur, 12 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De militair heeft in de nacht van 8 april 2009 met een hogere snelheid dan toegestaan ingehaald op een provinciale weg in Winsum, als gevolg waarvan hij in een slip is geraakt en in botsing is gekomen met een tegenligger. De bestuurster van deze auto is hierbij zwaar gewond geraakt.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2010/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

SECTOR STRAFRECHT

MILITAIRE KAMER

Promis II

Parketnummer : 05/801119-09

Datum zitting : 11 oktober 2010

Datum uitspraak : 25 oktober 2010

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

rang : korporaal,

rnr. : [nummer],

ingedeeld bij : [standplaats].

Raadsman: mr M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 8 november 2009, te Winsum in de gemeente Winsum,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto) daarmede, komende uit de richting Winsum, op de weg, N361,

zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam en/of

roekeloos,

heeft gereden met een snelheid van 130 kilometer per uur, althans met een

grotere snelheid, dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 80 kilometer

per uur en/of in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem,

verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat

hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te

brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg kon overzien en/of

waarover deze vrij was en/of kort voor een in die weg gelegen, gezien zijn,

verdachtes rijrichting, naar links verlopende bocht, met voormelde snelheid,

althans met hoge snelheid, een voor hem, verdachte uit over die weg rijdend

ander motorrijtuig (personenauto) via het voor het tegemoetkomend verkeer

bestemde weggedeelte, in strijd met een zich aldaar bevindende doorgetrokken

witte streep, als bedoeld in artikel 76 lid 1 onder a van voormeld reglement

heeft ingehaald en/of in strijd met het gestelde in artikel 77 van voormeld

reglement daarbij gebruik heeft gemaakt van een ter hoogte van de afslag Baflo

zich bevindend verdijvingsvlak en/of ter hoogte van een zich aldaar in die weg

bevindende middengeleiding, abrupt naar rechts, naar gezien zijn, verdachtes

rijrichting, de voor hem, verdachte bedoelde rijstrook heeft gestuurd en/of in

een slip is geraakt, waarbij het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig

(personenauto) ongeveer 180 graden is gedraaid en/of de na die middengeleider

aldaar op die weg aangebrachte doorgestrokken streep, als bedoeld in artikel

76 van voormeld reglement, heeft overschreden en/of via de voor het uit

tegenovergestelde richting naderende verkeer bestemde voorsorteerstrook voor

het linksafslaande verkeer, op de voor tegemoetkomend- en voor het

rechtdoorgaand verkeer bestemde rijstrook van die weg, (achterstevoren) is

terecht gekomen, op het moment dat een over die voor het tegemoetkomend

verkeer bestemde rijstrook rijdende bestuurster van een ander motorrijtuig

(personenauto), dicht genaderd was en/of is dat door hem, verdachte bestuurde

motorrijtuig (personeauto) in botsing en/of aanrijding gekomen met dat toen

dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (personenauto),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (J.H. [slachtoffer]) zwaar

lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is

ontstaan, werd toegebracht;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 8 november 2009, te Winsum, in de gemeente Winsum,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede, komende uit de

richting Winsum, op de weg, N361,

heeft gereden met een snelheid van 130 kilometer per uur, althans met een

grotere snelheid, dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 80 kilometer

per uur en/of kort voor een in die weg gelegen, gezien zijn, verdachtes

rijrichting, naar links verlopende bocht, met voormelde snelheid, althans met

hoge snelheid, een voor hem, verdachte uit over die weg rijdend ander

motorrijtuig (personenauto) via het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde

weggedeelte, in strijd met een zich aldaar bevindende doorgetrokken witte

streep, als bedoeld in artikel 76 lid 1 onder a van voormeld reglement heeft

ingehaald en/of in strijd met het gestelde in artikel 77 van voormeld

reglement daarbij gebruik heeft gemaakt van een ter hoogte van de afslag Baflo

zich bevindend verdijvingsvlak en/of ter hoogte van een zich aldaar in die weg

bevindende middengeleiding, abrupt naar rechts, naar gezien zijn, verdachtes

rijrichting, de voor hem, verdachte bedoelde rijstrook heeft gestuurd en/of in

een slip is geraakt, waarbij het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig

(personenauto) ongeveer 180 graden is gedraaid en/of de na die middengeleider

aldaar op die weg aangebrachte doorgestrokken streep, als bedoeld in artikel

76 van voormeld reglement, heeft overschreden en/of via de voor het uit

tegenovergestelde richting naderende verkeer bestemde voorsorteerstrook voor

het linksafslaande verkeer, op de voor tegemoetkomend- en voor het

rechtdoorgaand verkeer bestemde rijstrook van die weg, (achterstevoren) is

terecht gekomen, op het moment dat een over die voor het tegemoetkomend

verkeer bestemde rijstrook rijdende bestuurster van een ander motorrijtuig

(personenauto), dicht genaderd was en/of is dat door hem, verdachte bestuurde

motorrijtuig (personeauto) in botsing en/of aanrijding gekomen met dat toen

dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (personenauto), door welke

gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 11 oktober 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, almede tot twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Vaststaande feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 8 november 2009 heeft verdachte te Winsum in de gemeente Winsum als

bestuurder van een personenauto, komende uit de richting Winsum, op de (provinciale) weg, N361, gereden . Voor de kruising met de provinciale weg N363, gezien vanuit de richting Winsum, is een verhoogde middengeleider aangebracht en is circa 160 meter voor de middengeleider, gezien vanuit de richting Winsum, een dubbele doorgetrokken streep aangebracht . Tevens is voor de middengeleider een verdrijvingsvlak aangebracht . Verdachte is in een slip is geraakt, waarbij de door hem bestuurde personenauto ongeveer 180 graden is gedraaid en de na die middengeleider aldaar op die weg aangebrachte doorgetrokken streep, heeft overschreden . Verdachte is via de voor het uit tegenovergestelde richting naderende verkeer bestemde voorsorteerstrook voor het linksafslaande verkeer, op de voor tegemoetkomend- en voor het rechtdoorgaande verkeer bestemde rijstrook van die weg, achterstevoren terecht gekomen . Verdachte is in botsing gekomen met een over die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook rijdende personenauto . Deze personenauto werd bestuurd door J.H. [slachtoffer] , die tengevolge van het verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen .

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie stelt dat verdachte een aanmerkelijke verkeersfout heeft gemaakt, omdat hij een te hoge snelheid heeft gehad en op het verkeerde moment heeft ingehaald.

Om die reden acht de officier van justitie het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, te weten overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Standpunt van de verdediging

Uit het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse, pagina 12, blijkt dat uit technisch onderzoek niet is vast komen te staan waardoor de verdachte in een slip is geraakt. Mijn cliënt zelf zegt dat het wegdek glad was, dat hij de weg kent en dat hij de bocht in kwestie dan ook niet met 120 kilometer per uur zou nemen omdat dit gevaarlijk is. Ook getuige [getuige1] (de passagier van verdachte) zegt dat ze ongeveer 90 reden en ineens in de slip raakten.

Getuige [getuige2] verklaart over een voor hem onbekende auto en het feit dat mijn cliënt de onbekende auto inhaalde. Getuige [getuige3] haalde drie auto’s in en toen hij weer op zijn eigen weghelft kwam, was hij nog ongeveer vier autolengtes van de vluchtheuvel bij de afslag Baflo verwijderd. Uit de bovenstaande verklaringen kan ik geen roekeloos rijgedrag van mijn cliënt opmaken. Over de verklaringen van [getuige4] en [getuige5] kan ik zeggen dat zij zich pas een week na het ongeval hebben gemeld bij de politie, waarbij ze reeds informatie hebben gekregen uit de media. De schatting van de snelheid door [getuige4] is gebaseerd op de schatting van de snelheid door [getuige5]. Uit de verhoren komt niet duidelijk naar voren wanneer [getuige5] tegen [getuige4] zei dat hij ongeveer 100 kilometer per uur reed. Eigenlijk geeft alleen getuige [getuige5] aan dat er sprake was van roekeloos rijgedrag. Immers, [getuige5] spreekt over het feit dat de tweede auto die inhaalde zo’n vijf meter voor de vluchtheuvel weer op de goede weghelft kwam, terwijl [getuige4] zegt dat de auto’s ruim voor de afslag Baflo op de juiste weghelft waren. Juridisch kunnen we dan ook geen conclusies trekken uit deze verklaringen. Aldus is er geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig en dient verdachte te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

Beoordeling van de standpunten

De militaire kamer overweegt als volgt.

Verdachte had vlak voor de bocht, waar het ongeval heeft plaatsgevonden, een snelheid - tijdens het rijden - die lag boven de 80 kilometer per uur . Voor het ongeval reed verdachte met zijn personenauto tussen die van [getuige2] en een andere auto . De bestuurder van deze andere auto was [getuige5] en als bijrijder zat naast hem [getuige4] . Op een gegeven moment sloot [getuige3] aan in de rij van personenauto’s bestaande uit achtereenvolgens de personenauto van [getuige5], de auto van verdachte en de auto van [getuige2] . Later besloot [getuige3] de drie personenauto’s in te halen en op het moment dat hij weer op zijn eigen weghelft kwam, was hij nog vier autolengtes van de vluchtheuvel bij de afslag Baflo verwijderd . De snelheid van [getuige3] tijdens het inhalen liep op zijn snelst op tot zo’n 110 kilometer per uur . Daarop heeft verdachte de auto van [getuige5], die ongeveer 90 tot 100 kilometer per uur reed, ingehaald . Verdachte moest om op tijd weer op zijn eigen weghelft te komen een slinger maken .

Uit het vorenstaande leidt de militaire kamer af dat, nu [getuige3] tijdens het inhalen met een snelheid reed, die opliep tot 110 kilometer per uur en hij slechts vier autolengtes van de vluchtheuvel af was voordat hij terugkwam op zijn eigen weghelft, verdachte pas na [getuige3] de auto voor hem is gaan inhalen en verdachte een snelheid had die boven de (toegestane) 80 kilometer per uur lag, niet anders kan worden geconcludeerd dan dat verdachte vlak voor de middengeleiding heeft ingehaald, de doorgetrokken streep heeft overschreden en bij het terugkomen op zijn eigen weghelft over het verdrijvingsvlak heeft gereden. Verdachte heeft zelf geen andere plausibele verklaring gegeven hoe het ongeval tot stand is gekomen. Het eerst ter terechtzitting gevoerde verweer dat het ongeval mogelijk veroorzaakt is door het falen van het anti-blokkeersysteem vindt geen steun in het proces-verbaal van de Verkeersongevalsanalyse. Daarbij komt dat het op de weg van verdachte had gelegen om in een eerder stadium aan te geven dat het falen van het anti-blokkeersysteem van zijn auto een oorzaak zou kunnen zijn geweest van het ongeval, zodat dit had kunnen worden onderzocht. De militaire kamer verwerpt dan ook het verweer.

De militaire kamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat verdachte die nacht op de N361 niet alleen veel sneller reed dan de maximum toegestane snelheid, maar dat hij ook de verkeerssituatie verkeerd heeft ingeschat en op onjuiste wijze op de wegsituatie heeft geanticipeerd. Daarbij heeft de verdachte zich zeer onvoorzichtig gedragen en een mate van verwijtbare onvoorzichtigheid getoond, waarbij het aldus aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan J.H. [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

De militaire kamer acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 8 november 2009, te Winsum in de gemeente Winsum,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede, komende uit de richting Winsum, op de weg, N361, zeer onvoorzichtig, heeft gereden met een grotere snelheid, dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur kort voor een in die weg gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting, naar links verlopende bocht, met voormelde snelheid, een voor hem, uit over die weg rijdend ander motorrijtuig (personenauto) via het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte, in strijd met een zich aldaar bevindende doorgetrokken witte streep, als bedoeld in artikel 76 lid 1 onder a van voormeld reglement heeft ingehaald en in strijd met het gestelde in artikel 77 van voormeld

reglement daarbij gebruik heeft gemaakt van een ter hoogte van de afslag Baflo

zich bevindend verdrijvingsvlak en/of ter hoogte van een zich aldaar in die weg

bevindende middengeleiding, abrupt naar rechts, naar gezien zijn, verdachtes

rijrichting, de voor hem, verdachte bedoelde rijstrook heeft gestuurd en/of in

een slip is geraakt, waarbij het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig

(personenauto) ongeveer 180 graden is gedraaid en de na die middengeleider

aldaar op die weg aangebrachte doorgetrokken streep, als bedoeld in artikel

76 van voormeld reglement, heeft overschreden en via de voor het uit

tegenovergestelde richting naderende verkeer bestemde voorsorteerstrook voor

het linksafslaande verkeer, op de voor tegemoetkomend- en voor het

rechtdoorgaand verkeer bestemde rijstrook van die weg, (achterstevoren) is

terecht gekomen, op het moment dat een over die voor het tegemoetkomend

verkeer bestemde rijstrook rijdende bestuurster van een ander motorrijtuig

(personenauto), dicht genaderd was en is dat door hem, verdachte bestuurde

motorrijtuig (personenauto) in botsing gekomen met dat toen dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (personenauto), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (J.H. [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd

6 september 2010.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat indien de militaire kamer niet tot een vrijspraak komt, zij verzocht wordt om rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte ook zelf is gewond geraakt bij het ongeval en dat verdachte geen documentatie heeft op dit vlak. Daarbij verzoekt de raadsman om gebruik te maken van de zogeheten militaire clausule indien een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd.

Beoordeling van de standpunten

De militaire kamer overweegt als volgt. Verdachte heeft met zijn personenauto, met een snelheid die hoger lag dan de toegestane maximumsnelheid over de weg, N361, gereden, waarbij hij zeer onvoorzichtig heeft gehandeld. Verdachte heeft immers met deze te hoge snelheid tijdens zijn inhaalmanoeuvre kort voor een bocht in de weg een doorgetrokken streep en het verdrijvingsvlak doorkruist om nog voor de middengeleiding op zijn eigen weghelft te kunnen komen. Verdachte is vervolgens in een slip geraakt en is aldaar met een tegemoetkomende personenauto in botsing gekomen, ten gevolge waarvan de bestuurster daarvan zeer ernstig letsel heeft opgelopen. Verdachte kende de verkeerssituatie en wist dat deze bocht uitsluitend met de toegestane snelheid gereden moest worden. Juist daarom rekent de militaire kamer verdachte zijn onverantwoorde rijgedrag en de gevolgen daarvan ernstig aan.

Het slachtoffer heeft zeer ernstig letsel opgelopen, waardoor zij de rest van haar leven de gevolgen van het ongeluk zal blijven ondervinden. Ook haar familie zal moeten leren leven met de blijvende gevolgen voor het slachtoffer.

Gelet op de ernst van het feit en de afdoening in soortgelijke zaken acht de militaire kamer een taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf, alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende sanctie.

De militaire kamer ziet, gelet op de ernst van het feit, alsmede de omstandigheid dat verdachte heeft aangegeven dat zijn aanstelling bij het Ministerie van Defensie niet in gevaar komt als een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd, geen reden om de door de raadsman geopperde militaire clausule toe te passen op de op te leggen ontzegging van de rijbevoegdheid.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 176, 178, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4a.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Het verrichten van een werkstraf gedurende tweehonderd (200) uren.

Bepaalt dat, deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

Bepaalt voorts dat, de termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op honderd (100) dagen,

en voorts:

Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 12 (twaalf) maanden,

en voorts:

Een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra, rechter, als voorzitter,

mr. A.G. Broek-de Stigter, rechter,

kolonel mr. B.F.M. Klappe, militair lid,

in tegenwoordigheid van mr. G. Croes, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 oktober 2010.