Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO1710

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
26-10-2010
Zaaknummer
05/506234-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Arnhemse rechtbank heeft vandaag een 43-jarige man uit Ede vrijgesproken van twee aanrandingen die begin 2008 plaatsvonden in respectievelijk Wageningen en Ede. De rechtbank achtte niet bewezen dat de verdachte daadwerkelijk de man was die de aanrandingen heeft gepleegd. De officier van justitie eiste eerder dat de verdachte voor de aanranding in Wageningen een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren zou krijgen. Ten aanzien van de aanranding in Ede heeft de officier van justitie vrijspraak geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Parketnummer : 05/506234-08

Datum zitting : 18 januari 2010, 10 juni 2010 en 12 oktober 2010

Datum uitspraak : 26 oktober 2010

Promis II

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman: mr. C.J. Looijen, advocaat te Zetten.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 07 februari 2008, in elk geval op een tijdstip in of

omstreeks de maand februari 2008 te Wageningen, in elk geval in de gemeente

Wageningen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid G.A. [slachtoffer1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden

van ontuchtige handelingen, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig het met

zijn, verdachtes, handen bestasten van het kruis van die [slachtoffer1] en/of betasten

van de bovenbenen en/of de lies en/of het kruis en/of tussen de benen en/of

het wrijven over de billen van die [slachtoffer1], en welk geweld of andere

feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid

bestond uit het opzettelijk gewelddadig en/of dreigend voor de fiets van die

[slachtoffer1] is gaan staan en/of (vervolgens) de fiets van die [slachtoffer1] heeft

vastgepakt en/of die [slachtoffer1] heeft belet weg te fietsen en/of (vervolgens)

meermalen, althans eenmaal (onverhoeds) tussen haar benen en/of in haar

kruis heeft gepakt en/of gegrepen en/of gewreven en/of over haar billen heeft

gewreven en/of over haar bovenbenen en binnenkant benen/liezen heeft gewreven;

2.

hij op of omstreeks 27 maart 2008, in elk geval in of omstreek de periode van

1 maart 2008 tot en met 9 april 2008 te Ede, in elk geval in de gemeente Ede,

meermalen, althans eenmaal (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid D. [slachtoffer2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het (telkens) opzettelijk ontuchtig

omhelsen van die [slachtoffer2] en/of het (daarbij) betasten van het haar en/of het

gezicht en/of de armen van die [slachtoffer2], en welk geweld of andere feitelijkheid

en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid bestond uit het

(telkens) opzettelijk gewelddadig en/of dreigend stevig vastpakken en/of

(vervolgens) (stevig) vasthouden en/of vastklemmen van die [slachtoffer2] en/of

omhelsen van die [slachtoffer2] en/of beletten die [slachtoffer2] zich van hem, verdachte,

los te komen;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 27 maart 2008, in elk geval in of omstreeks de periode

van 1 maart 2008 tot en met 9 april 2008 te Ede, in elk geval in de gemeente

Ede, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid D. [slachtoffer2] te dwingen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen,

(telkens) opzettelijk die [slachtoffer2] (onverhoeds)stevig vast te pakken en/of

(vervolgens) vast te houden en/of (onverhoeds) die [slachtoffer2] te omhelzen en/of

te omklemmen en/of (vervolgens) die [slachtoffer2] over de haren, het gezicht en de

armen te wrijven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 12 oktober 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. C.J. Looijen, advocaat te Zetten.

2a. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in

haar vervolging nu sprake is van een ernstige schending van de redelijke termijn van strafvervolging als bedoeld in onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Beoordeling van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in haar vervolging en overweegt hiertoe het volgende. Vooropgesteld moet worden dat een overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen en dat eventuele overschrijdingen in de regel worden gecompenseerd door strafvermindering.

Bij de berechting in eerste aanleg heeft voorts als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In het onderhavige geval heeft de inverzekeringsstelling van de verdachte in Nederland daarbij te gelden als het moment waarop de redelijke termijn zijn aanvang neemt.

Verdachte is op 11 april 2008 in verzekering gesteld. Op 14 april 2008 is hij in vrijheid gesteld. De zaak is eerst op 18 januari 2010 voor de eerste maal op zitting behandeld. Niet blijkt waarom het zo lang heeft moeten duren voordat tegen verdachte strafvervolging is ingesteld. De behandeling van de zaak is vervolgens tot twee maal toe geschorst, en deze omstandigheid is niet aan de verdediging te wijten. Nu de zaak op zich zelf niet complex van aard is en het om feiten gaat die in hun soort van relatief geringe ernst zijn, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank is echter van oordeel dat dit verzuim niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

3. De beslissing inzake het bewijs

Standpunt van de officier van justitie ten aanzien van feit 1 en 2

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie stelt zich voorts op het standpunt dat verdachte ter zake van feit 2 dient te worden vrijgesproken. Aan aangeefster is tijdens de aangifte één foto getoond, te weten de foto van verdachte. Zij is niet op een correcte of toetsbare wijze geconfronteerd met foto’s.

Standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 1 en 2

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden vrijgesproken. In augustus 2007 doet aangeefster [slachtoffer1] een melding van een man die haar geprobeerd heeft te zoenen. Aan de hand van haar signalement wordt verdachte in de omgeving aangesproken. Op 7 februari 2008 doet aangeefster aangifte van aanranding door dezelfde persoon als die haar heeft geprobeerd te zoenen in augustus 2007. Zij geeft echter een iets ander signalement. Ook is er een meervoudige fotoconfrontatie uitgevoerd en daarbij heeft aangeefster verdachte herkend. Daarnaast liggen er getuigenverklaringen van [getuige1] en van [getuige2]. Dit zijn getuigen die het verhaal van aangeefster hebben gehoord. Deze getuigen zijn ook geconfronteerd met de meervoudige fotoselectie en [getuige2] herkent daarbij verdachte als degene die aangeefster heeft aangeraakt. Echter [getuige2] is niet bij het incident aanwezig geweest.

De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat verdachte tevens ten aanzien van feit 2 dient te worden vrijgesproken. Aangeefster [slachtoffer2] spreekt over een persoon die ze kent als [naam] en het signalement dat ze geeft van de persoon is anders dan het signalement van verdachte. Daarnaast is de meervoudige fotoconfrontatie in een heel laat stadium gedaan.

Beoordeling van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het navolgende.

[slachtoffer1] heeft op 20 februari 2008 aangifte gedaan. Zij noemt als verdachte een persoon die vaker bij haar in de winkel waar zij werkt, Zeeman, komt en die haar eerder in augustus 2007 zou hebben lastig gevallen. Zij geeft daarbij een signalement dat niet geheel overeenkomt met het signalement dat zij opgeeft in augustus 2007. Daarnaast heeft een meervoudige fotoconfrontatie plaatsgevonden waarbij zij de foto van verdachte aanwijst en hem herkent als de persoon die haar heeft aangerand. Deze fotoconfrontatie vindt echter een jaar na het tenlastegelegde feit plaats.

Voorts bevat het dossier getuigenverklaringen van [getuige2] en [getuige1], twee collega’s van [slachtoffer1]. Deze twee personen zijn echter niet bij het incident aanwezig geweest en hebben enkel van [slachtoffer1] gehoord dat het gaat om de man die ook wel eens bij hen in de winkel komt. Daarnaast ligt er een verklaring van [naam], de vriend van [slachtoffer1], maar ook hij is niet bij het incident aanwezig geweest. Het betreffen derhalve verklaringen van horen zeggen afkomstig van een en dezelfde bron, zijnde aangeefster.

met betrekking tot de fotoconfrontatie met [getuige2] en [getuige1] overweegt de rechtbank dat deze beide getuigen twee jaar na dato dezelfde meervoudige fotoconfrontatie hebben gehad, die [slachtoffer1] destijds ook gehad heeft En dat getuige [getuige2] de verkeerde foto aanwijst. Getuige [getuige1] wijst weliswaar de juiste foto aan maar twijfelt over de juistheid van haar herkenning. Niet uit te sluiten valt bovendien dat zij verdachte op de foto heeft herkend als de persoon die bij haar in de winkel kwam. Dit zegt echter niets over de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde feit.

Gelet op deze omstandigheden en het feit dat verdachte bij de politie en tijdens de behandeling ter terechtzitting telkens heeft ontkend dat hij de persoon is geweest die [slachtoffer1] heeft aangerand komt de rechtbank tot de conclusie dat de aangifte en de herkenning van verdachte op de meervoudige fotoconfrontatie niet wordt ondersteund door ander onafhankelijk en direct bewijs. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is die [slachtoffer1] heeft aangerand.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het navolgende.

In het dossier bevindt zich een aangifte van [slachtoffer2]. Zij geeft een signalement van verdachte. De politie toont [slachtoffer2] daarop één foto van verdachte. Zij herkent hem voor 100%.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de fotoconfrontatie niet volgens de regelen der kunst is afgenomen. Daarnaast wordt de aangifte van [slachtoffer2] niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer2] heeft aangerand dan wel een poging daartoe heeft gedaan.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten.

Aldus gewezen door:

mr. I.D. Jacobs, rechter, als voorzitter,

mr. M.M.L.A.T. Doll, rechter,

mr. M.G.J. Post, rechter,

in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 oktober 2010.