Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO1548

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
25-10-2010
Zaaknummer
199772
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in incident ex. art. 843a Rv. Bewijsbeslag niet onrechtmatig. Ten aanzien van een gedeelte van de bescheiden waarin inzage wordt verzocht is voldaan aan de vereisten van art. 843a Rv. Voor het overige wordt de incidentele vordering afgewezen. Vordering tot benoeming deskundige m.b.t. de wijze waarop inzage moet worden verstrekt wordt eveneens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/457
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 199772 / HA ZA 10-843

Vonnis in incident van 13 oktober 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CONCLUSION B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. R.W. de Vrey te Utrecht,

tegen

1. R.F.M. MALI,

wonende te Wijchen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EXELLIOR B.V.,

gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudend te Vianen (gemeente Utrecht),

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. A.A.M. Simons te Breda.

Partijen zullen hierna Conclusion, Mali en Excellior worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis in het incident van 21 juli 2010

- de akte van Conclusion

- de antwoordakte van Mali en Excellior.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De verdere beoordeling in het incident

2.1. De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 21 juli 2010. Daarin heeft de rechtbank Conclusion opdragen om het bestaan van de gestelde overeenkomst tot overname van de activa en bedrijfsactiviteiten van de gefailleerde vennootschappen Mansal International B.V. en / of Mansal Nederland B.V. te bewijzen.

2.2. Conclusion heeft hiertoe bij akte een overeenkomst in het geding gebracht. Het betreft een ‘Koopovereenkomst Activa’ van 7 mei 2009, op grond waarvan mevrouw D.V. Meijers, handelende als curator in de faillissementen van Mansal Nederland B.V. en Mansal International B.V., aan Conclusion heeft verkocht en geleverd de in die overeenkomst nader gedefinieerde activa van die gefailleerde vennootschappen (hierna: de overeenkomst). In de

overeenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

Artikel 1 Koop en verkoop Activa

1.1 De activa, als vermeld op de aan deze Overeenkomst als bijlage 1 gehechte lijst (…) in hoofdlijn bestaande uit de intellectuele eigendomsrechten van Mansal, waaronder begrepen doch niet beperkt tot de gedeponeerde woord- en beeldmerken en de aanvragen van merkdepots, alsmede alle andere intellectuele eigendomsrechten die voor de exploitatie van de bedrijfsactiviteiten van de Vennootschappen zijn gebruikt, voor zover eigendom van de Vennootschappen, trainingsproducten, protocollen, de website, handelsnamen en logo’s, de klantenbestanden en de reeds geplande trainingen, en de mogelijkheid bestaande overeenkomsten met opdrachtgevers van de Vennootschappen over te nemen, waar nog trainingen bij die opdrachtgevers verricht moeten worden en de mogelijkheid nog uitstaande offertes of na faillissementsdatum geplaatste orders over te nemen, de overdracht van administratieve gegevens en bescheiden en het adressenbestand, voor zover betrekking hebbend op de bedrijfsactiviteiten van de Vennootschappen, alsmede de administratieve gegevens en bescheiden en de adressenbestanden die van wezenlijk belang zijn voor het mogelijk kunnen continueren van opdrachten bij opdrachtgevers van de Vennootschappen en alle overige documenten, administratieve bescheiden, correspondentie, bestanden en programma’s, zoals doch niet beperkt tot alle historische gegevens betreffende bedrijfsactiviteiten van de Vennootschappen, de personeelsdossiers van de werknemers die een arbeidsovereenkomst hebben getekend bij Koper (volgens de rechtbank zal bedoeld zijn: Verkoper), hierna de noemen de “Activa”, worden bij deze Overeenkomst door Curator en Koper (bedoeld zal zijn: Verkoper) verkocht, gelijk deze door Koper worden gekocht. (…)

1.2 (…)

Bijlage 1

(…)

De over te dragen Activa betreffen:

- intellectuele eigendomsrechten, waaronder de gedeponeerde woord- en beeldmerken en aanvragen van merkdepots;

- trainingsproducten;

- protocollen;

- website, geregistreerde domeinnamen en logo;

- klantenbestanden;

- overname reeds geplande en nog uit te voeren trainingen;

- mogelijkheid bestaande overeenkomsten met opdrachtgevers over te nemen;

- administratieve gegevens, waaronder het adressenbestand;

- personeelsdossiers van de werknemers conform bijlage 2

2.3. Mali en Excellior hebben bij antwoordakte tegen deze bewijslevering aangevoerd dat de managementovereenkomst van 21 december 2001 tussen Mansal International, als opdrachtgever, en Company Training Nederland B.V., als opdrachtnemer, zoals genoemd onder 2.4 van de feiten in het tussenvonnis van 21 juli 2010, in elk geval niet tot de overgedragen activa behoort. Conclusion heeft volgens hen terzake van de managementovereenkomst onjuiste stellingen ingenomen. Zij verzoeken de rechtbank daaraan ex artikel 21 Rv. de gevolgtrekkingen te verbinden die zij geraden acht. Daarnaast heeft Conclusion volgens hen nagelaten bewijsstukken over te leggen waaruit volgt dat zij de bestaande overeenkomsten met opdrachtgevers ook daadwerkelijk heeft overgenomen. De overeenkomst spreekt immers slechts over de mogelijkheid bestaande overeenkomsten met opdrachtgevers van Mansal over te nemen. Nu niet uit de overeenkomst voortvloeit dat Conclusion daadwerkelijk enige overeenkomsten met opdrachtgevers van Mansal heeft overgenomen, kan het benaderen van voormalige opdrachtgevers van Mansal volgens Mali en Excellior niet onrechtmatig zijn jegens Conclusion. Het feit dat in de door Conclusion overgelegde overeenkomst de bepalingen 6.1 (over Personeel), 10.3 en 15.1 (geheimhoudingsbeding) onleesbaar zijn gemaakt, betekent volgens Mali en Excellior ten slotte dat in deze bepalingen iets is opgenomen dat Conclusion in het kader van deze procedure niet goed uitkomt. Zij verzoeken daarom Conclusion op basis van artikel 22 Rv. te gebieden de overeenkomst in oorspronkelijke staat, geheel leesbaar, over te leggen. Voor het overige handhaven zij alle verweren als vervat in de conclusie van antwoord in het incident.

2.4. Allereerst wordt overwogen dat Conclusion door het in het geding brengen van de overeenkomst met de curator heeft aangetoond dat zij – in elk geval een groot deel van – de activa en de bedrijfsactiviteiten van de gefailleerde vennootschappen Mansal Nederland B.V. en Mansal International B.V. heeft gekocht, waaronder in elk geval de intellectuele eigendomsrechten van Mansal op de trainingsdocumentatie en – materialen, de klantenbestanden en de reeds geplande trainingen. Daarmee heeft zij voldaan aan het aan haar opgedragen bewijs. Op de bij antwoordakte gevoerde verweren van Mali en Excellior zal tegelijk met de verweren die zij in hun conclusie van antwoord al hadden aangevoerd worden ingegaan.

2.5. In hun conclusie van antwoord in het incident hadden Mali en Excellior, naast het niet-ontvankelijkheidsverweer, aangevoerd dat niet zou zijn voldaan aan de vereisten van 843a en 1019a Rv. Ook hadden zij aangevoerd dat het op 30 december 2009 ten laste van Mali gelegde bewijsbeslag onrechtmatig zou zijn en dat daarmee jegens Mali de artikelen 10 en 12 van de Grondwet en artikel 8 EVRM zouden zijn geschonden.

2.6. In het navolgende zal allereerst worden ingegaan op de eventuele onrechtmatigheid van het gelegde bewijsbeslag. Daarna zal worden ingegaan op de op 843a Rv, 1019a Rv, 21 Rv. en 22 Rv. gegronde verweren van Mali en Excellior.

Onrechtmatig beslag

2.7. Mali en Excellior hebben aangevoerd dat de in beslag genomen laptop, personal computer, harde schijven en andere gegevensdragers van Mali, waarvan de inhoud in zijn geheel is gekopieerd, privé foto’s en andere privé documenten bevatten, ook van andere gezinsleden. Dit zou een inbreuk op de privacy en het huisrecht van Mali met zich meebrengen en schending van de artikelen 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en 10 en 12 van de Grondwet. Zij verwijzen naar het arrest van 4 augustus 2009 van het Gerechtshof Leeuwarden, LJN BJ4901. De deurwaarder zou artikel 10 van de Algemene Wet op het Binnentreden niet hebben nageleefd, omdat in het proces-verbaal van beslaglegging het tijdstip van het verlaten van de woning ontbreekt, terwijl daarin nergens wordt gerept over diegenen die de woning hebben doorzocht. Nu het beslag in de woning van Mali onrechtmatig is gelegd, moet de vordering tot inzage op basis van artikel 843a Rv. worden afgewezen.

2.8. Voorop wordt gesteld dat een beslag in een woonhuis, waarbij ook privé documenten zijn betrokken, niet op voorhand onrechtmatig is. De deurwaarder die beslag legt is gebonden aan wettelijke regels, bijvoorbeeld artikel 444 Rv., en heeft een geheimhoudingsplicht. Of er sprake is van onrechtmatigheid hangt af van de wijze waarop er beslag is gelegd en of er voldoende waarborg is tegen misbruik, waarborgen die onder meer zijn vastgelegd in de artikelen 10 en 12 van de Grondwet en artikel 8 EVRM. Mali en Excellior hebben niet nader geconcretiseerd waarom de beslaglegging bij Mali eind december 2009 een schending van het huisrecht en de privacy van Mali met zich meebrengt. De enkele verwijzing naar het genoemde arrest van het Gerechtshof Leeuwarden is daarvoor onvoldoende. In het proces-verbaal van beslaglegging van 30 december 2009 staat inderdaad geen tijdstip van verlaten van de woning vermeld. Wel staat daarin vermeld wie bij de beslaglegging aanwezig waren, waaronder Mali zelf en de deskundige H. Havenaar van de gerechtelijk bewaarder Digi Juris B.V. Ook blijkt daaruit dat de heer H. Havenaar de in beslag genomen bescheiden en gegevensdragers samen met de deurwaarder heeft gekopieerd, dat hij de kopieën in gesloten enveloppen in ontvangst heeft genomen, dat hij een geheimhoudingsverklaring heeft ondertekend en dat hij die enveloppen als gerechtelijk bewaarder heeft meegenomen. Vervolgens heeft de deurwaarder de originele bescheiden en gegevensdragers aan Mali geretourneerd. Hieruit kan niet worden geconcludeerd dat de onderhavige beslaglegging onrechtmatig jegens Mali was. Het enkele nalaten van het tijdstip van verlaten van de woning in het p.v. van beslaglegging wordt daarvoor onvoldoende geacht. De gerechtelijke bewaarder is een onafhankelijke deskundige, die de (privé)gegevens van Mali niet heeft ingezien of uitgelezen. Zonder nadere onderbouwing valt niet in te zien waarom de onderhavige beslaglegging als onrechtmatig moet worden beschouwd.

2.9. Nu er onvoldoende feiten of omstandigheden zijn gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat er sprake is van een onrechtmatig gelegd beslag, kan dit verweer van Mali en Excellior niet in de weg staan aan een eventuele toewijzing van de gevorderde inzage in de in beslag genomen bescheiden en gegevensdragers.

Vereisten 843a en 1019a Rv.

2.10. Zoals in het genoemde tussenvonnis al vermeld, vordert Conclusion in het incident inzage in:

• trainingsdocumentatie en trainingsmaterialen van Mali en Excellior,

• (e-mail)correspondentie van Mali en Excellior met de klanten van Conclusion (voor haar ‘Mansal’activiteiten, d.w.z. training) die zijn weergegeven in de klantenlijst van Conclusion, overgelegd als productie 15,

• aan deze klanten door Mali en Excellior verzonden offertes en facturen,

• lijst van klanten aan wie Mali en Excellior trainingen hebben aangeboden, vergelijkbaar met de trainingen die Mali voorheen via Mansal aanbood, en

• overeenkomsten tussen enerzijds Mali of Excellior en anderzijds (haar ex-werknemer) Spek respectievelijk De Wit, alsmede (email)correspondentie tussen deze partijen betrekking hebbend op de door hen georganiseerde trainingen.

2.11. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 21 juli 2010 gewezen op de vier cumulatieve voorwaarden die artikel 843a Rv. stelt voor toewijzing van een vordering tot inzage en / of afgifte van afschriften of uittreksels van bescheiden als de onderhavige. Voor de duidelijkheid worden deze hier nogmaals genoemd:

a. eiser dient een rechtmatig belang bij afgifte of inzage te hebben;

b. het moet gaan om bepaalde bescheiden;

c. die bescheiden moeten zien op een rechtsbetrekking waarin eiser partij is;

d. die bescheiden moeten ter beschikking staan of onder berusting zijn van degene tegen wie afgifte of inzage daarvan wordt gevorderd.

Artikel 843a Rv. voorziet dus niet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden.

2.12. Conclusion heeft haar vorderingen in de hoofdzaak – in het tussenvonnis van 21 juli 2010 weergegeven onder 3.1. a) tot en met d) – gegrond op inbreuk op auteursrechten of, subsidiair, geschriftenbescherming op haar trainingsmaterialen, –documentatie en offertes. Haar overige vorderingen in de hoofdzaak – in het genoemde tussenvonnis weergegeven onder 3.1. e) en f) – zien op het staken van het door haar gestelde onrechtmatige handelen van Mali en Excellior, dat zou bestaan uit het op stelselmatige wijze benaderen van haar klanten, het zonder toestemming gebruik maken van haar (commerciële) know-how, het aanzetten van haar (ex) werknemers tot wanprestatie jegens haar, het ertoe leiden dat het in aanmerking komend publiek de diensten van Conclusion verwart met de diensten van Mali en Excellior en het handelen in strijd met het geheimhoudingsbeding.

2.13. Op zich is het begrijpelijk dat Conclusion voor de onderbouwing en het aannemelijk maken van haar stellingen en haar vorderingen (mede) is aangewezen op de gegevens die zij door middel van dit incident ter beschikking hoopt te krijgen. Dit neemt echter niet weg dat zij voldoende moet aanvoeren om haar vordering tot inzage en/of afgifte van die gegevens te rechtvaardigen. Dit incident mag niet ontaarden in een zogenaamde ‘fishing expedition’. Hierbij ligt het allereerst op de weg van Conclusion om redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal over te leggen om haar op inbreuk op intellectuele eigendomsrechten of anderszins onrechtmatig handelen gestoelde vorderingen te kunnen onderbouwen. Zij zal ook aannemelijk moeten maken dat de verwezenlijking en handhaving van deze (intellectuele eigendoms)rechten de gevraagde exhibitie verlangt. Of Conclusion hierin is geslaagd zal per onderdeel waarvan inzage wordt gevorderd worden beoordeeld.

Trainingsdocumentatie en –materialen

2.14. Voor zover Conclusion met de gevorderde inzage haar op intellectuele eigendomsrechten gebaseerde vordering nader wil onderbouwen wordt als volgt overwogen.

2.15. Artikel 1019a Rv. bepaalt dat een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom geldt als een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a Rv.

2.16. Mali en Excellior hebben betoogd dat Conclusion zich teveel zou baseren op ongefundeerde vermoedens. Artikel 843a Rv. zou niet zijn bedoeld om die vermoedens te kunnen bevestigen. Ook zou Conclusion onvoldoende hebben onderbouwd auteursrechthebbende te zijn, dat Mali en Excellior inbreuk op haar auteursrechten zouden hebben gemaakt en dat de trainingsdocumentatie en –materialen en offertes waarop zij doelt auteursrechtelijk beschermde werken zijn, dan wel werken die geschriftenbescherming verdienen.

2.17. Conclusion heeft ter onderbouwing van haar in de hoofdzaak op het auteursrecht / de geschriftenbescherming gebaseerde vorderingen trainingsmateriaal overgelegd zoals dat door haar (en voorheen Mansal) gebruikt werd (productie 6) en trainingsmateriaal zoals dat door Excellior recentelijk zou zijn gebruikt (productie 5). Zij heeft daaruit enkele passages geciteerd die deels identiek zijn. Deze passages betreffen niet alleen de algemeen bekende door Maslow in kaart gebrachte leer- ontwikkelingsstadia, zoals Mali en Excellior hebben betoogd en zijn niet op voorhand te bestempelen als algemene, niet oorspronkelijke teksten en / of psychologische uitgangspunten, die niet auteursrechtelijk te beschermen zijn. Hiervoor is al overwogen dat Conclusion heeft aangetoond dat zij – in elk geval een groot deel van – de activa en de bedrijfsactiviteiten van de gefailleerde vennootschappen Mansal Nederland B.V. en Mansal International B.V. heeft gekocht, waaronder in elk geval de intellectuele eigendomsrechten van Mansal op de trainingsdocumentatie en - materialen. Geoordeeld wordt dat Conclusion daarmee voldoende heeft aangetoond dat de verwezenlijking van haar intellectuele eigendomsrechten de gevraagde exhibitie verlangt, en dat zij een rechtmatig belang heeft bij de gevorderde inzage in trainingsmateriaal en – documentatie van Mali en Excellior. Deze bescheiden zijn voldoende bepaald en bevinden zich bij Mali en Excellior. Ook heeft Conclusion daarmee voldoende aangetoond dat zij partij is bij de rechtsbetrekking die voortvloeit uit een eventuele inbreuk op intellectuele eigendomsrechten of onrechtmatige daad door Mali en/of Excellior, waarmee is voldaan aan alle in artikel 843a Rv en 1019a Rv genoemde vereisten.

2.18. Voor zover Conclusion op grond van haar intellectuele eigendomsrechten inzage vordert in aan klanten van Mali en Excellior verzonden offertes, wordt geoordeeld dat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat haar offertes auteursrechtelijke of geschriftenbescherming genieten en dat Mali en Excellior hierop met hun offertes inbreuk maken. De als productie 4 overgelegde getuigenverklaring is daarvoor onvoldoende. Noch van offertes van Conclusion, noch van offertes van Mali en Excellior zijn voorbeelden overgelegd.

(E-mail)correspondentie van Mali en Excellior met de klanten van Conclusion (voor haar ‘Mansal’activiteiten, d.w.z. training,) zoals weergegeven in de klantenlijst van Conclusion, overgelegd als productie 15 en aan deze klanten door Mali en Excellior verzonden offertes en facturen

2.19. Conclusion stelt dat Mali en Excellior op stelselmatige wijze klanten van Conclusion hebben benaderd en dat zij stelselmatig gebruik hebben gemaakt van de commerciële know-how die toekomt aan Conclusion. Zij vordert in dat verband inzage in de (e-mail) correspondentie, ook betrekking hebbend op offertes en facturen, van Mali en Excellior met haar klanten op de als productie 15 overgelegde lijst. Conclusion stelt zeker te weten dat Mali de voor Conclusion zeer belangrijke klanten QNH Holding B.V., Allianz Schade en Avanade heeft benaderd en stelt zeer sterke aanwijzingen te hebben dat Mali daarnaast andere klanten van Conclusion heeft benaderd. Conclusion heeft aangetoond dat de klant QNH op 16 maart 2009 een langlopend contract met Mansal heeft opgezegd vanwege de verslechterde economische vooruitzichten (productie 13). De heer A.M. Lodder heeft verklaard hij van de directeur van QNH heeft vernomen dat QNH kort daarna de trainingen wél zou hebben afgenomen van Mali / Excellior (productie 14). Conclusion wijst voor haar stelling over de offertes op de als productie 4 overgelegde verklaring van 25 september 2009 van de heer B. Derks die werkzaam was bij Mansal. Daarin verklaart Derks dat hij van de HR Manager van Avanade heeft vernomen dat Mali en De Wit in augustus 2009 een offerte aan Avanade hebben uitgebracht voor trainingen met dezelfde impact en aanpak als die van Mansal, en dat het voorstel op papier gelijk was aan het oude Mansal voorstel, aangevuld met nieuwe competenties.

2.20. Mali en Excellior hebben aangevoerd dat de als productie 15 overgelegde lijst van Conclusion slechts een willekeurige lijst met bedrijfsnamen is zonder dat is vast te stellen dat het hier om voormalige klanten van Mansal gaat. Conclusion heeft volgens hen geen enkel rechtmatig belang bij deze inzage, omdat uit het feit dat zij diensten zouden hebben geleverd aan die klanten nog niet betekent dat zij deze bedrijven actief hebben benaderd

2.21. De door Conclusion als productie 15 overgelegde lijst van klanten van Conclusion bevat tussen de 350 en 400 klanten. Conclusion heeft ter onderbouwing van het stelselmatig benaderen van haar klanten bewijsmateriaal overgelegd dat betrekking heeft op twee klanten, te weten QNH en Avanade. Zonder over de inhoud van dat bewijsmateriaal te oordelen, wordt geoordeeld dat een dergelijk summiere onderbouwing onvoldoende is om tot toewijzing te komen van de gevorderde inzage in correspondentie met alle in productie 15 genoemde bedrijven. Van het stelselmatig benaderen van al haar klanten is in dit stadium onvoldoende gebleken, waarmee ook onvoldoende is gebleken of er in deze sprake is van een rechtsbetrekking uit de gestelde onrechtmatige daad en van een rechtmatig belang aan de zijde van Conclusion. Het in dit stadium van de procedure toewijzen van de gevorderde inzage wordt te verstrekkend geoordeeld en zou dan enkel en alleen dienen als fishing expedition, om vast te kunnen stellen of Mali en Excellior stelselmatig (een deel van) haar 350 tot 400 klanten hebben benaderd, terwijl Conclusion geen concrete stukken heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat Mali en Excellior méér dan twee klanten zouden hebben benaderd. Bovendien wordt geoordeeld dat, zoals Mali en Excellior met een beroep op artikel 843a lid 4 Rv. als verweer hebben aangevoerd, het bewijs van het stelselmatig benaderen van haar klanten door Conclusion redelijkerwijs ook op andere wijze kan worden verkregen, bijvoorbeeld via die klanten.

2.22. De gevorderde inzage in e-mail correspondentie, waaronder offertes en facturen, van Mali en Excellior met de klanten van Conclusion zoals weergegeven in de haar klantenlijst, overgelegd als productie 15, zal daarom worden afgewezen.

Lijst van klanten aan wie Mali en Excellior trainingen hebben aangeboden, vergelijkbaar met de trainingen die Mali voorheen via Mansal aanbood

2.23. Ten aanzien van deze lijst wordt overwogen dat er onvoldoende grond is om de in deze lijst gevorderde inzage in dit incident toe te wijzen. Inzage in deze lijst betreft in feite een nevenvordering bij auteursrechtinbreuk, die Conclusion in de hoofdzaak ook feitelijk als nevenvordering heeft ingesteld. Voor toewijzing van inzage in een dergelijke lijst bestaat pas aanleiding indien in de hoofdzaak daadwerkelijk van auteursrechtinbreuk of inbreuk op geschriftenbescherming is gebleken. Dit deel van de incidentele vordering zal dus worden afgewezen.

Overeenkomsten tussen enerzijds Mali of Excellior en anderzijds (haar ex-werknemer) Spek respectievelijk De Wit, alsmede (email)correspondentie tussen deze partijen betrekking hebbend op de door hen georganiseerde trainingen

2.24. Conclusion stelt dat haar is gebleken dat Mali ex-werknemers van Mansal / Conclusion heeft benaderd en dat er een grote kans bestaat dat hij deze personen heeft aangezet tot wanprestatie jegens haar, waarvan Mali en Excellior profiteren. Concreet stelt zij dat Mali en Excellior een arbeidsovereenkomst hebben aangeboden aan mevrouw X. Spek, die bij Conclusion op 1 augustus 2009 vrijwillig ontslag heeft genomen. Als Spek werkzaamheden voor Mali en Excellior zal gaan verrichten, is het aannemelijk dat zij gebruik gaat maken van aan Conclusion toebehorende informatie, in strijd met het relatiebeding en geheimhoudingsbeding waaraan zij zich jegens Conclusion zou hebben verbonden.

Verder noemt Conclusion haar ex-werknemer de heer P.J. de Wit, via LDD B.V. indirect bestuurder van het concurrerende bedrijf Excellior, die nu samen met Mali trainingen geeft. Mali wist volgens haar dat De Wit hiermee in strijd handelde met het met Mansal / Conclusion overeengekomen geheimhoudingsbeding.

2.25. Mali en Excellior hebben betwist Spek en De Wit te hebben uitgelokt tot het plegen van een wanprestatie jegens Conclusion. Zij hebben aangevoerd dat mevrouw Spek en de heer De Wit op eigen initiatief overeenkomsten zijn aangegaan met Excellior. Zij hebben verder aangevoerd dat het bestaan van de genoemde arbeidsovereenkomsten onverlet laat dat deze ex-werknemers uit eigen beweging ontslag hebben genomen bij Conclusion. Ten slotte hebben zij aangevoerd dat deze personen niet in dienst waren bij Conclusion zelf, maar bij een van haar dochtermaatschappijen.

2.26. Ten aanzien van de gevordere inzage in de arbeidsovereenkomsten tussen Spek en De Wit, alsmede in correspondentie met hen over trainingen, wordt geoordeeld dat Conclusion onvoldoende heeft onderbouwd welk rechtmatig belang zij heeft bij inzage in deze overeenkomsten en correspondentie. Dit deel van de incidentele vordering zal ook worden afgewezen.

Gewichtige redenen tot afwijzing van de vordering in de zin van artikel 843a lid 4 Rv. en benoeming van een onafhankelijke deskundige in de zin van artikel 843a lid 2 Rv.

2.27. Mali en Excellior hebben aangevoerd dat er sprake is van gewichtige redenen in de zin van artikel 843a lid 3 en 1019 a lid 3 Rv. om de vordering tot inzage af te wijzen, onder meer omdat Conclusion bij toewijzing van de vordering kennis zal kunnen nemen van vertrouwelijke bedrijfsgegevens van Excellior, terwijl Conclusion en Excellior elkaars concurrenten zijn. Hiervoor is al geoordeeld dat de gevorderde inzage alleen zal worden toegewezen ten aanzien van de trainingsdocumentatie en – materialen van Mali en Excellior. Ten aanzien daarvan wordt overwogen dat artikel 1019a lid 3 Rv. van toepassing is, waarin artikel 843a lid 4 Rv. buiten toepassing wordt verklaard, terwijl overigens niet is gebleken dat bescherming van vertrouwelijke informatie niet is gewaarborgd. Dit verweer van Mali en Excellior leidt er dus niet toe dat inzage in de trainingsdocumentatie en – materialen alsnog moet worden afgewezen.

2.28. Subsidiair hebben Mali en Excellior verzocht – indien de rechtbank tot toewijzing van de vordering mocht besluiten – op grond van artikel 843a lid 2 Rv uitdrukkelijk te bepalen op welke wijze inzage zal worden verschaft. Zij hebben de rechtbank hiertoe verzocht een onafhankelijke, deskundige derde aan te wijzen die de in beslag genomen bescheiden onderzoekt en slechts die bescheiden die onder een specifiek door de rechtbank vast te stellen omschrijving vallen aan Conclusion ter inzage te verstrekken, onder het opleggen van een geheimhoudingsverplichting aan zowel de deskundige als Conclusion.

2.29. Voor aanwijzing van een onafhankelijke deskundige wordt, in het licht van de slechts ten dele toe te wijzen inzage die bovendien duidelijk is omschreven, onvoldoende aanleiding gezien.

Artikel 21 en 22 Rv.

2.30. Of de managementovereenkomst van 21 december 2001 onder de overgedragen activa valt – hetgeen door Mali en Excellior is weersproken – behoeft in het kader van dit incident niet te worden vastgesteld en kan in het midden blijven. Een gevolgtrekking in de zin van artikel 21 Rv. is in het kader van dit incident niet aan de orde.

2.31. De overige verweren van Mali en Excellior, te weten dat er geen sprake kan zijn van onrechtmatig handelen en/of oneerlijke concurrentie omdat niet vast staat dat Conclusion daadwerkelijk bestaande overeenkomsten met opdrachtgevers van de gefailleerde vennootschappen Mansal heeft overgenomen, zullen zo nodig in de hoofdzaak aan de orde komen. Of de rechtbank aanleiding ziet om, zoals Mali en Excellior in hun verweer aan de orde hebben gesteld, Conclusion in het kader van artikel 22 Rv. te bevelen de overeenkomst over te leggen zonder dat daarin bepalingen of passages zijn doorgehaald, zoals nu wel het geval is, is ook niet aan de orde in het kader van dit incident. Ook dit zal, indien nodig, in de hoofdzaak nader worden besproken. Mali en Excellior kunnen aan artikel 22 Rv. geen vorderingsrecht ontlenen. Deze bepaling geeft aan de rechter een eigen discretionaire bevoegdheid om van de procespartijen te verlangen bepaalde bescheiden over te leggen. Het ligt in de rede om aan het procesbeleid van de rechter die over de hoofdzaak oordeelt over te laten of hij van die bevoegdheid gebruik maakt.

2.32. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. bepaalt dat Conclusion na betekening van dit vonnis inzage krijgt in, en door afgifte de beschikking krijgt over de door de deurwaarder in bewijsbeslag genomen en bij DigiJuris B.V. in bewaring gegeven navolgende bescheiden van Mali en Excellior:

- trainingsdocumentatie en –materialen van Mali en Excellior,

3.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.3. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in de hoofdzaak

3.5. verwijst de zaak naar de rol van 10 november 2010 voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak aan de zijde van Mali en Excellior,

3.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2010.

Coll. ES