Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2010:BO1374

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
21-10-2010
Zaaknummer
184648
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij de beoordeling staat voorop dat de vordering van eiser jegens gedaagde niet zozeer een vordering is tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst inhoudende het delen van de verzekeringsopbrengst na oplichting van de verzekeraar (welke overeenkomst waarschijnlijk nietig zou zijn geweest omdat de inhoud ervan in strijd is met de goede zeden en/of openbare orde) maar een vordering die gebaseerd lijkt te zijn op onrechtmatig handelen. Eiser heeft gesteld dat gedaagde zijn stelling dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser niet heeft onderbouwd. Eiser gaat er aldus echter aan voorbij dat het in deze vrijwaringszaak niet aan gedaagde is om (gemotiveerd) te stellen dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser maar dat het aan eiser zelf is om, gelet op deze betwisting, gemotiveerd te stellen dat gedaagde onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Eiser heeft dit echter nagelaten.

Voor zover eiser heeft beoogd een beroep te doen op artikel 6:102 lid 1 juncto artikel 6:10 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het volgende te gelden. Deze artikelen hebben betrekking op de zogenaamde interne draagplicht van twee of meer hoofdelijke schuldenaren. Voorwaarde voor toepassing hiervan is dat er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. In het onderhavige geval staat echter nog niet vast dat ook gedaagde jegens Delta Lloyd verplicht is tot vergoeding tot dezelfde schade als eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 184648 / HA ZA 09-856

Vonnis in vrijwaring van 13 oktober 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.W. Schouten te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. D.J. Brugge te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 augustus 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 9 februari 2010

- de akte uitlaten voortprocederen van [eiser].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] heeft op 25 oktober 2005 aangifte gedaan van diefstal van een boot, merk Bayliner, type 2655 Ciera (hierna te noemen de boot of de Bayliner) in de periode tussen 8 en 26 oktober 2005 uit de jachthaven van [plaats].

2.2. Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. (hierna te noemen Delta Lloyd) heeft, daartoe gehouden onder de verzekeringspolis, de schade onder inhouding van een eigen risico van EUR 450,00 aan [gedaagde] uitgekeerd. De dagwaarde van de Bayliner was bepaald op EUR 34.999,99.

2.3. De eigendom van de Bayliner is na verkoop daarvan door [eiser] via jachtmakelaardij [plaats] overgegaan op een derde.

2.4. [eiser] is door de politierechter bij vonnis van 18 december 2006 veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek vanwege diefstal van de Bayliner en valsheid in geschrifte.

2.5. Het gerechtshof heeft in appel het vonnis van de politierechter vernietigd en [eiser] vrijgesproken van de ten laste gelegde diefstal van de Bayliner. De eveneens ten laste gelegde valsheid in geschrifte heeft het gerechtshof wel bewezen verklaard.

2.6. [gedaagde] en Delta Lloyd hebben [eiser] aangesproken tot betaling van respectievelijk EUR 450,00 en EUR 34.549,99 in verband met de diefstal van de Bayliner. In deze zaak (hierna te noemen de hoofdzaak) is vonnis gewezen op 14 juli 2010. [gedaagde] is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering jegens [eiser]. [eiser] is verder veroordeeld tot betaling aan Delta Lloyd van een bedrag van EUR 34.549,99 vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 30 juli 2006 tot de dag van volledige betaling, alsmede tot betaling van de beslagkosten van Delta Lloyd, tot op datum vonnis begroot op EUR 761,52, en tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Delta Lloyd tot op heden begroot op EUR 2.056,32.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] om, voor zover in de hoofdzaak [eiser] mocht worden veroordeeld tot betaling van enig bedrag aan Delta Lloyd en/of [gedaagde], aan [eiser] te betalen datgene, waartoe [eiser] als gedaagde in de hoofdzaak jegens Delta Lloyd en/of [gedaagde] mocht worden veroordeeld, met inbegrip van een eventuele kostenveroordeling, te vermeerderen met de proceskosten in deze vrijwaringsprocedure.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag de stelling dat [gedaagde] de schadevergoeding die is verschuldigd aan Delta Lloyd moet vergoeden omdat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Delta Lloyd door aangifte te doen van diefstal terwijl hij wist dat dat feit niet was gepleegd en door vervolgens aanspraak te maken op uitkering van de verzekeringspenningen.

3.3. [gedaagde] voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Bij de beoordeling van het geschil staat voorop dat de vordering van [eiser] jegens [gedaagde] niet zozeer een vordering is tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst inhoudende het delen van de verzekeringsopbrengst na oplichting van de verzekeraar (welke overeenkomst waarschijnlijk nietig zou zijn geweest omdat de inhoud ervan in strijd is met de goede zeden en/of openbare orde) maar een vordering die gebaseerd lijkt te zijn op onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens [eiser]. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] zijn stelling dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] niet heeft onderbouwd. [eiser] gaat er aldus echter aan voorbij dat het in deze vrijwaringszaak niet aan [gedaagde] is om (gemotiveerd) te stellen dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] maar dat het aan [eiser] zelf is om, gelet op deze betwisting, gemotiveerd te stellen dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. [eiser] heeft dit echter nagelaten. Het gegeven dat [gedaagde] [eiser] de sleutels van de boot heeft gegeven zodat deze hem op verzoek van [gedaagde] kon weghalen uit de haven van [woonplaats], zoals [eiser] stelt, is op zichzelf in elk geval niet onrechtmatig jegens [eiser]. Dat geldt te minder nu [eiser] heeft aangegeven dat hij wist wat het doel hiervan was, namelijk bij Delta Lloyd een verzoek indienen om de verzekerde som uit te keren. De stelling dat [eiser] niets heeft ontvangen van de door Delta Lloyd uitgekeerde verzekeringsuitkering leidt op zichzelf ook nog niet tot de conclusie dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen de verklaring van [eiser] ter comparitie, inhoudende dat hij zelf de verkoopopbrengst van de boot heeft behouden en dat hij, als hij ook nog helft van de verzekeringspenningen zou hebben gekregen, in zekere zin dubbel zou hebben gevangen. Volgens [eiser] was het niet ontvangen van de helft van de uitkering van Delta Lloyd ook niet zozeer aanleiding om [gedaagde] aan te spreken als wel het gegeven dat de ontnemingsvordering werd toegewezen. Op dat moment, aldus [eiser], veranderde de situatie. Hieruit kan worden afgeleid dat het gedrag van [gedaagde] jegens [eiser] voordien blijkbaar niet werd beschouwd als onrechtmatig jegens [eiser]. Dit gedrag is niet door de toewijzing van de ontnemingsvordering als onrechtmatig jegens [eiser] te kwalificeren.

4.2. Voor zover [eiser] heeft beoogd een beroep te doen op artikel 6:102 lid 1 juncto artikel 6:10 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het volgende te gelden. Deze artikelen hebben betrekking op de zogenaamde interne draagplicht van twee of meer hoofdelijke schuldenaren. Voorwaarde voor toepassing hiervan is dat er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. In het onderhavige geval staat echter nog niet vast dat ook [gedaagde] jegens Delta Lloyd verplicht is tot vergoeding tot dezelfde schade als [eiser]. [gedaagde] heeft het gestelde handelen gemotiveerd heeft betwist. Een concreet bewijsaanbod van de zijde van [eiser] ontbreekt op dit punt.

Daarbij heeft tevens te gelden dat, voor zover wel zou zijn komen vast te staan dat ook [gedaagde] verplicht is tot vergoeden van dezelfde schade als [eiser], het op de weg van [eiser] had gelegen om nader toe te lichten in hoeverre de vergoedingsplicht ieder van de hoofdelijk medeschuldenaren intern aangaat. Dat heeft hij echter nagelaten. Hij heeft volstaan met de algemene stelling dat op [gedaagde] de verplichting rust om aan [eiser] te vergoeden de schadevergoeding die [eiser] aan Delta Lloyd heeft betaald. De vordering van [eiser] strekt aldus tot vergoeding van het gehele bedrag dat [eiser] aan Delta Lloyd dient te betalen. Van toewijzing van die vordering kan echter geen sprake zijn nu [eiser] heeft erkend dat hij zelf de boot heeft weggevaren en verkocht en de verkoopopbrengst heeft behouden.

4.3. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen grond is die de vordering van [eiser] jegens [gedaagde] kan dragen. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.4. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in deze vrijwaringszaak worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op EUR 1.158,00, zijnde salaris advocaat (2,0 punten × tarief EUR 579,00).

4.5. Met betrekking tot de kosten van het incident is de beslissing aangehouden. Daaromtrent moet nu alsnog worden beslist. De kosten die [gedaagde] in het kader van het incident heeft gemaakt, komen, gelet op de uitkomst van deze vrijwaringsprocedure, ook voor rekening van [eiser]. Deze kosten worden begroot op EUR 289,50 (0,5 punt x tarief EUR 579,00).

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van de vrijwaringszaak, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.158,00,

5.3. veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 289,50,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2010.